Een roodgloeiend gestookte potkachel verspreidde een benauwd

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 312 IN DE KLAUWEN VAN EEN WOEKERAAR.

IN DE KLAUWEN VAN EEN WOEKERAAR.

HOOFDSTUK I.

BERICHTEN VAN DR. FOX.

De kleine, warm getinte eetzaal van een fraai heerenhuis in de Regent

Street was slechts verlicht door een electrische staanlamp, in een hoek

van het vertak achter een schuin geplaatste sofa geplaatst.

De ronde kap, van zijde vervaardigd, hield het licht naar boven tegen,

en de stralen vielen alleen op de sofa, en een gedeelte van den vloer.

De tafel, in het midden van de kamer, was zooeven afgeruimd door een

ouden kamerbediende met spierwit haar en gebogen rug.

Hij had geruischloos de deur achter zich dicht getrokken, na op een

kleine, ronde tafel voor de sofa een zilveren blad met likeur, koffie

en sigaren te hebben neergezet.

In een hoek van het zooeven genoemde meubel zat een man in de kracht

van zijn leven, met aan de slapen lichtelijk grijzend haar, scherp

gesneden trekken en een gelaat, dat ontembare energie verried.

De grijze oogen, onder de fraai geteekende wenkbrauwen, soms koud en

hard als staal, konden nu en dan eensklaps wonderlijk schitteren.

De neus was lang en recht, de lippen waren krachtig besneden, het

voorhoofd was buitengewoon hoog.

Het lichaam van dien man, ofschoon hij gezeten was, toonde in iedere

spier, in iedere beweging de voorliefde van zijn bezitter voor sport.

Die man was John Raffles, in dit fraaie huis wonende onder den naam van

Lord William Aberdeen—een der meest bekende philantropen van Londen en

wellicht van geheel Engeland.

Tegenover hem, in een lagen, gemakkelijken stoel, was een jonge man

gezeten, die in bijna alles zijn tegendeel was.

Hij was vrij wat kleiner, zijn ledematen waren sierlijk, zijn gelaat

rond en blozend, zijn oogen waren blauw, en keken vroolijk de wereld

in.

Het was Charly Brand, de trouwe vriend van den Gentleman-Inbreker, die

hem op bijna al zijn tochten vergezelde, maar in dit huis, en voor

vreemden, niemand anders was dan de secretaris van Zijne Lordschap.

De beide mannen hadden bij uitzondering tehuis gedineerd.

Meestal gebruikten zij den maaltijd in een der groote hotels, of wel in

de restauratie van de Windsor Club, waarvan Lord Aberdeen

vice-president was, en welke kon bogen op het bezit van een kok, zooals

men er te Londen slechts weinig aantrof.

De twee vrienden hadden reeds eenigen tijd zwijgend tegenover elkander

gezeten, toen Charly Brand eindelijk zeide, na een langen haal aan zijn

sigaar:

—Je moogt zeggen wat je wilt, Edward—maar dit heeft toch ook zijn

aantrekkelijkheden!

—Je bedoelt, dat het zitten bij de lamp, na een goed diner, après tout

minstens even goed is als een verblijf in een der cachotten aan boord

van Zijne Majesteit’s „Memphis”! antwoordde Raffles met een spottend

glimlachje.

—Ongetwijfeld! Het was allesbehalve aangenaam, en ik was hartelijk

blijde, dat het slechts zoo kort geduurd heeft! En daarna de

terechtzitting te Madras! En wie weet, wat er van ons terecht zou zijn

gekomen, als niet die brave Henderson, je trouwe chauffeur, ons

bijtijds te hulp was gekomen!

—Ja, het was een ontsnapping op het nippertje, dat is zeker, zeide

Raffles peinzend.

—En daarom heb ik niet geheel en al ongelijk, als ik zeg, dat deze rust

op zijn tijd ook niet te versmaden is!

—Ik apprecieer haar, mijn waarde! hernam Raffles. Maar onder deze

voorwaarde, dat zij niet te lang duurt! Bij wijze van afwisseling kan

ik haar slechts waardeeren!

Een kort klopje op de deur deed hem ophouden.

De deur ging open en Gaston, de oude kamerbediende, trad binnen, met de

avondbladen.

Hij legde ze zwijgend op de kleine tafel neder, en verdween even

onopvallend als hij was gekomen.

—Een voortreffelijke bediende! zeide Charly op zachten toon, toen de

deur weder gesloten was.

—Ja, juist een man als Raffles er een noodig heeft! bekende Raffles

glimlachend. Hij is mij tot den dood toegedaan, omdat ik hem lange

jaren geleden eens een van die diensten heb kunnen bewijzen, welke een

fatsoenlijk man nimmer vergeet. Hij is niet nieuwsgierig, hij weet te

zwijgen, hij is matig, hij bemoeit er zich volstrekt niet mede, of ik

om twaalf, dan wel om vier uur des nachts tehuis kom—kortom—hij is een

automaat—maar een automaat met een hart van goud!

—Zou Gaston nooit getwijfeld hebben aan je dubbelleven? vroeg Charly

fluisterend.

Raffles dacht even na, en antwoordde toen:

—Ik geloof het niet. Hij verlaat het huis bijna nooit. Spreken met den

kok, die hier trouwens slechts enkele uren per dag werkzaam is, doet

hij nooit. Maar zelfs als hij ooit iets zou vermoeden, dan geloof ik

stellig, dat hij liever zijn tong zou afbijten, dan mij verraden! Maar

ik herhaal—het komt mij hoogst onwaarschijnlijk voor, dat Gaston iets

vermoedt! En laten wij nu de avondbladen maar eens inzien!

—Denk er om, dat wij hebben beloofd, om negen uur in de Windsor Club te

zijn, zeide Charly, na een blik op de klok te hebben geworpen. Het

bestuur vergadert.

—Ik zal het niet vergeten, mijn jongen, hernam Raffles, terwijl hij een

der gebrachte avondbladen ter hand nam.

Charly volgde zijn voorbeeld, en spoedig waren beiden in de lezing van

hun geliefkoosd blad verdiept—Raffles in de „Times”, Charly in de

„Daily Telegraph”.

De twee vrienden hadden ternauwernood tien minuten gelezen, of zij

slaakten bijna tegelijkertijd een kreet, waarin woede zoowel als

teleurstelling en minachting te hooren waren.

—Ontsnapt! riep Charly.

—Voor de tweede maal! zeide Raffles.

—En thans niet uit de gevangenis, maar uit den trein, op weg naar de

groote inrichting van Sing-Sing! hernam Charly woedend. En wij dachten

voor goed van dien schurk af te zijn!

—Ik heb altijd wel gezegd, dat die Dr. Fox, de niet lang geleden

gekozen nieuwe chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel, niet

voor zijn voorgangers, Professor Shydrift en Professor Nicholson

behoefde onder te doen! liet Raffles zich hooren, terwijl hij het blad

mistroostig wegwierp.

En Raffles had wel gelijk, kwaad gestemd te zijn!

Dr. Fox was zijn doodsvijand.

Maanden geleden was deze man benoemd tot aanvoerder van het Genootschap

van den Gouden Sleutel, een bond van misdadigers van de ergste soort,

die zijn leden over de geheele wereld telde, in Europa zoowel als in

Amerika, in Azië evengoed als in Australië, en waarbij zoo goed als

alle dieven- en moordenaarsbenden der aarde waren aangesloten.

Herhaaldelijk was Raffles reeds in aanraking met dezen schurk gekomen,

den „Meester”, zooals zijn onderdanen hem noemden.

De strijd tusschen deze beide mannen was vreeselijk—het ging om hun

leven!

Een paar malen hadden zij persoonlijk tegenover elkander gestaan, maar

tot dusverre had de Meester telkens weten te ontvluchten, juist op het

laatste oogenblik, als Raffles de val reeds had opgezet, en het plankje

op het punt stond, achter het muisje dicht te klappen!

Dr. Fox had den Gentleman-Inbreker eenige keerer in zijn macht gehad,

maar ook aan Raffles was het gelukt zich uit zijn klauwen te bevrijden.

Langen tijd had de Meester zijn identiteit voor de politie verborgen

weten te houden, maar door toedoen van zijn doodsvijand was deze ten

leste toch bekend geworden.

Toen was Dr. Fox zoo goed als vogelvrij verklaard, en alleen aan zijn

vermommingskunst had hij het te danken, dat hij nog niet gevat was.

Daarop volgde een reeks van avonturen in Amerika, met name te New-York,

waar een pas gestichte bende, die van „Het Kwade Oog”, schrik en

ontsteltenis verspreidde.

Raffles, Charly Brand en de trouwe Henderson, de chauffeur van den

Grooten Onbekende, hadden daar meermalen in doodsgevaar verkeerd, in

hun pogingen, om de stad te bevrijden van deze vreeselijke plaag.

Dit was hun eindelijk gelukt, en Dr. Fox behoorde tot de honderden

gevangenen die de politie had kunnen maken.

Den volgenden dag was hij echter ontvlucht, met de hulp van eenige

medeplichtigen.

Raffles begon zijn arbeid opnieuw, en weder werd de gevaarlijke

boosdoener, die uit Londen naar New-York was gekomen, om daar

persoonlijk behulpzaam te zijn bij de bestrijding van den Grooten

Onbekende, gearresteerd.

De beide vrienden hoopten, dat Dr. Fox nu toch wel voor goed zou zijn

opgeborgen, en dat hij na zijn straf in Amerika te hebben uitgezeten

wegens de daar gepleegde misdrijven, naar Londen zou worden

overgebracht, waar hij onherroepelijk aan den beul zou vervallen, daar

hij eigenhandig minstens drie menschen om het leven had gebracht.

En nu brachten de bladen het bericht, dat de sluwe misdadiger er in

geslaagd was, geholpen door een bende soortgenooten, uit den trein te

ontsnappen, die hem naar de gevangenis van Sing-Sing had moeten

brengen.

Raffles en Charly zaten geruimen tijd zwijgend tegenover elkander.

Het bericht had hen meer geschokt, dan zij zich zelven wilden bekennen,

want het beteekende opnieuw groot gevaar en onrust.

Dr. Fox was er de man niet naar, zijn gevangenneming ongewroken te

laten, en hij zou stellig dadelijk alles in het werk stellen, om naar

Londen terug te keeren, nu hij uit de bladen kon weten, dat Raffles, na

een gevaarvol avontuur in den Indischen Oceaan, waarbij hij in handen

der Britsch-Indische politie was gevallen, zijn vrijheid had weten te

herkrijgen, en zeker weder naar de Engelsche hoofdstad zou zijn

teruggekeerd.

De Meester zou zich aanstonds weder aan het hoofd zijner bende

volgelingen plaatsen, en de strijd zou opnieuw ontbranden, thans feller

dan ooit.

Want de beide vijanden hadden maar al te goed begrepen, dat een hunner

op deze wereld te veel was.

Raffles was opgestaan, en liep langzaam het vertrek op en neder, met de

handen in de zakken en het hoofd naar den grond gekeerd.

Nu wendde hij zich met een ruk tot Charly, die hem met den blik had

gevolgd en zeide op vasten toon:

—Wij moeten ons voorbereiden op een strijd op leven en dood, Charly.

Maar ik aarzel niet! Ik heb Shydrift en Nicholson weten te overwinnen.

De eerste heeft den dood gevonden bij zijn pogingen, mij van het leven

te berooven. Nicholson heeft zijn misdaden aan de galg geboet. En ook

met Dr. Fox zullen wij het wel klaarspelen!

—Geloof je, dat hij naar Londen zal terugkeeren?

—Ik twijfel er niet aan. Hier wacht hem zijn taak als aanvoerder van de

bende misdadigers, die onder zijn bevelen staan—en dan: de wraak is een

sterke prikkel!

—Maar hij kan toch onmogelijk van een gewoon schip gebruik maken?

—Dan zou hij zich aan groot gevaar blootstellen! Neen, ik vermoed, dat

hij wel gebruik zal maken van het vaartuig van een der leden van de

bende van het Kwade Oog! Velen hunner zijn rijk en hebben zeewaardige

jachten. Want wij moeten ons niet vleien met de verwachting, dat er nu

eensklaps een einde is gekomen aan het bestaan van die bende, alleen

maar, omdat er vele honderden leden onschadelijk zijn gemaakt, en men

tenslotte den Moloch, den geheimzinnigen aanvoerder, heeft weten te

ontmaskeren! Eens zal zij weder het hoofd opsteken!

—Nu, dan kunnen wij ons weder naar de overzijde van den „grooten

haringvijver” begeven, en opnieuw beginnen, meende Charly.

—Dat neem ik mij stellig voor, zeide Raffles bedaard. Het is verreweg

de netste sport, welke ik ken. Zelfs het jagen op den tijger in de

Indische jungles haalt er niet bij!

—Het jagen op de New-Yorksche misdadigers is alleen maar een weinig

gevaarlijker, hernam Charly glimlachend.

Hij wierp nogmaals een blik op de pendule en hernam, terwijl hij

haastig opstond:

—Nu is het waarlijk tijd, Edward!

—Ik ben tot je dienst, Charly!

De beide vrienden verlieten het vertrek.

Zij waren reeds in den rok, en behoefden niets anders te doen, dan door

de huistelefoon Henderson te waarschuwen, opdat hij met de groote

limousine zou voorkomen.

Tien minuten later reden de beide mannen in de prachtige, blauwe auto

naar het clubgebouw in de Oxford Street.

HOOFDSTUK II.

MEN ZEGT...

In de groote conversatiezaal van de Windsor Club waren een tiental

heeren bijeen, die allen bij den haard zaten, waarin een groot vuur

vlamde.

De avonden waren nog zeer kil, en het weder, na geruimen tijd warm te

zijn geweest, was omgeslagen.

Er stond een electrische lamp op den monumentalen schoorsteen, die haar

gedempt licht wierp over de groep leden, die alle in gemakkelijke,

lederen leunstoelen gezeten waren.

Er werd weinig gesproken, en sommige heeren schenen zelfs in slaap

gevallen te zijn.

Zij lagen languit in hun stoel, met de armen slap nederhangend langs de

zijden van dit meubel.

De deur ging open en Raffles trad binnen, op den voet gevolgd door

Charly Brand.

De twee mannen bleven even op den drempel van de deur staan, en wierpen

een blik om zich heen.

Er zaten slechts weinig leden aan de groote leestafel, die in het

midden van de groote zaal geplaatst was.

Dezen hadden zelfs niet opgekeken toen de deur open ging, maar rustig

hun lectuur voortgezet.

Raffles en Charly wendden hun schreden naar den haard, waar zij met

moeite nog een paar stoelen konden vinden.

Zij staken een sigaret op, en Raffles begon:

—Ik weet het niet, mijne heeren, maar ik heb het gevoel, alsof wij een

gesprek storen! Behandelt gij soms een staatsgeheim?

—Dat juist niet, Mylord! antwoordde een dikke heer, de bankier Wynn,

die het dichtst bij Raffles gezeten was, en op een geweldige sigaar

kauwde. Als gij ons wat zwijgend aantreft, dan komt dat eenvoudig,

omdat het onderwerp van ons gesprek niet van de aangenaamste soort was!

—Ah, ik begrijp het al, zeide Charly lachend. De heeren hebben over de

aanstaande verkiezingen gesproken!

—Gij vergist u, mijnheer Brand, liet de sleepende stem van graaf

Sanderson zich hooren, een der oudste leden van de club, die haar mede

had opgericht. Het ging niet over politiek! Bovendien—de verkiezingen

zijn gelukkig nog ver!

—Een paniek op de beurs? hernam Charly, zich tot den bankier wendende.

—Neen, mijn waarde! antwoordde Wynn. De beurs is all right! Wij spraken

slechts over dien armen Bob Spencer!

De bankier noemde den naam van een der jongste leden der club, wiens

vader kolonel Herbert Spencer, in den grooten oorlog gesneuveld was, en

voordien eveneens lid van de Windsor Club was geweest.

—Wat is er met Robert Spencer? vroeg Raffles belangstellend.

—Wat er is, Mylord? Men zegt, dat de arme kerel zich hedenmorgen van

het leven heeft willen berooven, en dat zijn bediende nog juist

bijtijds kwam, om het hem te beletten! antwoordde Wynn.

—Wat zegt gij daar! riep Raffles ontsteld uit. Die jonge, fiksche

kerel? Hoe is dat mogelijk?

—Een ongelukkige liefde misschien? waagde Charly.

—Neen, dat is het niet, zeide Wynn hoofdschuddend. Het moet een

geldkwestie zijn.

—Vertel het mij eens, zeide Raffles op ernstigen toon. Als

vice-president van deze club stel ik natuurlijk belang in de

aangelegenheden van al onze leden en zeker als zij van zulk een groot

gewicht zijn!

De dikke bankier krabde zich eens achter het oor, en begon:

—De zaak is, dat Bob Spencer in een leelijk parket zit, in finantieel

opzicht! Het is u misschien bekend, Mylord, dat die jonge snuiter, toen

zijn vader nog rijk was, de waarde van het geld niet al te goed kende,

en maar raak verteerde! Daar kwam natuurlijk een einde aan, toen de

oorlog uitbrak, en Robert als tweede luitenant naar Frankrijk trok.

Maar intusschen was het kwaad geschied! En alles zou nog wel terecht

zijn gekomen, als de arme kolonel niet zoo onverstandig was geweest,

ondanks mijn raad, zijn geld te beleggen in Hongaarsche spoorwegen en

Russische papieren! Dat was, zooals gij zult begrijpen, vóór den

oorlog. Het was een val van geweld, toen de Sovjetregeering eenvoudig

verklaarde, de rente van die papieren niet te zullen uitbetalen, en de

Hongaarsche effecten niet veel meer waard waren dan scheurpapier.

De bankier wachtte even, om een teug van zijn wisky-soda te nemen, en

vervolgde toen:

—Toen dat gebeurde was kolonel Spencer reeds gevallen. Robert had

gemeend, met het kapitaal van zijn vader, als dat eenmaal zou worden

uitbetaald, zijn schulden gemakkelijk zou kunnen betalen—en ik verzoek

u, te gelooven, dat zij zeer hoog waren! Dat is trouwens een publiek

geheim. Om aan geld te komen, had Bob—zijn brave vader hield er zeer

strenge denkbeelden op na—zich tot een geldschieter gewend, die niet

veel beter dan een gemeene woekeraar bleek te zijn, een schurk die zijn

klanten vilde! Hij teekende, en hij teekende maar—altijd maar nieuwe

wissels, die maar altijd geprolongeerd werden—tegen een ongelooflijk

hooge rente, want die schavuit van een geldschieter rekende er

natuurlijk vast op, dat hij zijn geld later dubbel en dwars zou terug

krijgen!

Wynn deed een langen haal aan zijn sigaar, zuchtte even en besloot:

—Toen kwam die mededeeling uit Petrograd. De groote „krach”! Honderden

gingen over den kop. De weduwe, de zoon en de dochter van kolonel

Spencer hadden als eenig bezit nog maar een klein landhuis, waar de

oude vrouw rustig haar dagen meende te kunnen slijten—tenminste dat

geloofde zij! Maar dat huis was al zoo zwaar verhypothekeerd, dat

eigenlijk geen steen hun nog toebehoorde! Ook het werk van dien

woekeraar! Wel—en hier is de geschiedenis uit! De kerel, die nu wel

ziet, dat zijn berekeningen falikant zijn uitgekomen, legt Bob de

duimschroeven aan, en wil geld zien! En Bob heeft het niet! Hij rekent

op de opbrengst van een onnoozele zilvermijn, ergens bij Tehunantepec,

in Mexico, maar voor er uit die mijn iets gehaald wordt, kan er nog

heel wat water door het Kanaal stroomen!

—En dus daarom...? vroeg Raffles zacht.

—Daarom greep hij vanmorgen naar zijn scheermes, in een aanval van

krankzinnige wanhoop, en als zijn bediende niet juist bijtijds was

toegesneld, dan zou hij nu niet meer leven! De brave kerel, die al

jaren in dienst van den kolonel was geweest, laat den jongen nu niet

meer uit het oog!

—Maar woont Bob dan nu in Londen? vroeg graaf Sanderson. Gij zeidet

zooeven, Wynn, dat zijn familie een landhuis bewoont?

—Robert Spencer woont reeds weder een half jaar hier, antwoordde Wynn.

Hij heeft kamers in Grosvenor Square. Wat zijn moeder en zuster

betreft—die hebben juist gisteren het huis moeten verlaten—want over

een week komt het onder den hamer!

—Dat zal den armen kerel tot zijn wanhoopsdaad hebben aangedreven!

mompelde Raffles half voor zich heen.

Hij wierp een blik achter zich, liet zijn stem dalen en vervolgde:

—Vergis ik mij, of is de zuster van Robert Spencer verloofd met een lid

van onze club? Met Martin Clyde, naar ik meen!

—Zoo is het, Mylord! antwoordde Wynn.

—Weet Clyde het? Ik meen, dat het gezin van zijn aanstaande vrouw voor

een finantieel debacle staat?

—Het is op de beurs algemeen bekend, Mylord! gaf Wynn schouderophalend

te kennen.

—Is Clyde rijk?

—Hij is welgesteld—meer niet.

—Hij heeft zich nog niet lang geleden gevestigd als geneesheer, liet de

sleepende stem van graaf Sanderson zich hooren.

Raffles bleef een oogenblik in gedachten zitten, en hij scheen een

vraag te willen stellen, maar bezon zich, stond op, en zeide op

meewarigen toon:

—Een zeer treurige zaak! Ik hoop van harte, dat zich nog een uitweg

moge voordoen, want die jonge man had mijn sympathie—al is hij dan

zeker wel wat heel lichtzinnig omgegaan met geld, waarvan hij nog niet

zeker was!

Hij gaf Charly een voor de anderen onmerkbaren wenk, en beiden

drentelden langzaam door de groote zaal, gingen de biljartzaal binnen,

staken ook deze over, en kwamen zoo weder op de breede gang, waaraan

ook het particuliere spreekvertrek van den vice-president der club

gelegen was.

Zij traden er binnen en Raffles maakte licht.

Daarop wierp hij zich in een stoel, stak de hand uit naar de doos met

Russische sigaretten, welke hier altijd gereed moet staan, en rookte

eenigen tijd zwijgend.

Toen richtte hij zich op, en zeide:

—Ik heb zooeven bijna naar den naam van dien woekeraar gevraagd, maar

mij bezonnen. Het is niet noodig, dat de andere leden vermoeden, welk

belang ik in deze zaak stel, en dat ik voornemens ben, dien bloedzuiger

eens een lesje te geven! Wij zullen den man ook zoo wel uitvinden!

—Dat zal heel gemakkelijk gaan, dunkt mij, gaf Charly toe.

—Het is en blijft een zonderlinge maatschappij, welker inrichting het

mogelijk maakt, dat een jonge man, in de kracht van zijn leven, den

dood zoekt, om te ontkomen aan den greep van een anderen man, die reeds

met één voet in het graf staat! En alleen om geld! hernam Raffles met

een ironischen glimlach. Aan den anderen kant—delgt men een schuld niet

uit, door de hand aan zich zelf te slaan! Ik had eigenlijk meer

karakter van den jongen Spencer verwacht!

—Een oogenblik van waanzin! vergoelijkte Charly. Bedenk, dat men het

huis, waar zijn geslacht misschien vele eeuwen achtereen heeft gewoond,

boven het hoofd zijner moeder wil verkoopen!

—Ik erken, dat het een vreeselijke gewaarwording moet zijn—en vooral,

wanneer men er voor een groot gedeelte zelf schuld aan heeft! zeide

Raffles peinzend. Nu, wij zullen zien, wat hier nog aan gedaan kan

worden! In ieder geval moeten wij den naam van dien woekeraar weten. Ik

zou je dus willen verzoeken, Charly, spoedig een onderzoek in te

stellen, maar zoo, dat mijn naam buiten spel blijft. Het is

gemakkelijker voor ons, zoo lang mogelijk anoniem op te treden—want wie

weet moeten wij wel tot groote middelen onze toevlucht nemen—en dat

gaat voor Lord Aberdeen bezwaarlijk—voor John Raffles daarentegen zeer

gemakkelijk!

—Morgen zul je den naam weten!

—Ik reken op je!

Raffles wierp een blik op zijn horloge en vervolgde:

—Kom—het is bijna tijd voor de bestuursvergadering!

HOOFDSTUK III.

HET KARAKTER VAN STEPHEN ROSS.

Een gewone huurauto stond stil vóór een smal, somber huis in de Bishop

Street.

Naast de deur van dat huis was een koperen plaat bevestigd, waarop de

naam „Stephen Ross, commissionair in effecten”.

De smalle ramen hadden groezelige ruiten, en steeds waren daarachter de

gordijnen half neergelaten.

De chauffeur van de huurauto reikte met de linkerhand achter zich en

opende het portier.

Een jong meisje, eenvoudig maar smaakvol gekleed, stapte uit, betaalde

den chauffeur en zond hem weg.

Zij trad op de deur toe, en belde aan.

Nadat zij eenigen tijd had gewacht, werd de deur geopend door een ouden

bediende met een smal, ingevallen gelaat en waterblauwe oogen.

Hij keek het meisje even verbaasd aan, en vroeg toen:

—Wat is er van uw dienst, miss?

—Ik wensch mijnheer Ross te spreken, antwoordde het meisje. Hij

verwacht mij.

—Uw naam?

—Lucy Spencer!

—Ik zal u aandienen, hernam de bediende, steeds met dien blik van

verwondering in zijn oogen met den flauwen blik.

Hij liet de bezoekster in een soort wachtkamertje binnengaan, armoedig

gemeubeld met een kleine tafel en een viertal stoelen, waarvan de

zittingen tot op den draad versleten waren.

Aan een der wanden hing een spiegel in een houten lijst, en daarnevens

een paar afschuwelijk leelijke oliegravures.

Het meisje wierp tersluiks een blik in den spiegel, en zij scheen van

haar bleekheid te schrikken.

Zij zuchtte diep en liet zich op een stoel nedervallen.

De bediende wierp haar nog een blik toe, scheen iets te willen zeggen,

bedacht zich en ging hoofdschuddend heen.

Lucy Spencer bleef alleen.

Zij haalde een klein briefje uit haar wandeltasch en las het vluchtig

door.

Toen frommelde zij het samen en stak het haastig weder weg.

Zij bevochtigde haar droge lippen met de tong en staarde door het

beslagen venster, schijnbaar zonder iets te zien.

Vijf minuten verstreken.

Toen keerde de bediende weder terug, en verzocht haar, hem te willen

volgen.

Hij geleidde haar door de smalle vestibule naar een eikenhouten

wenteltrap, welke hij tot de eerste verdieping besteeg.

Daar gekomen klopte hij op een deur, waarop met half uitgewischte

letters het woord „Kantoor” geschilderd stond, en deed de deur voor de

jeugdige bezoekster open.

Lucy Spencer scheen op den drempel te aarzelen.

Toen scheen zij een vast besluit te nemen en trad binnen.

Geruischloos deed de knecht de deur weder achter haar dicht.

Het jonge meisje stond in een tamelijk groot vertrek, dat blijkbaar de

geheele breedte van het huis besloeg.

Dicht voor de beide ramen stond een groot, ouderwetsch schrijfbureau

van gepolitoerd mahoniehout.

Tegen den muur was een vrij groote brandkast geplaatst, een sterk,

modern meubel.

Op den vloer lag een ordinair zeil, op sommige plekken kaal gesleten.

Een roodgloeiend gestookte potkachel verspreidde een benauwde warmte in

het vertrek.

Het meubilair bestond uit een paar stoelen met rood trijpen zitting,

een lederen fauteuil, dicht naast de schrijftafel geschoven, en een

paar kleine loketkasten.

Vóór het bureau was de man gezeten, die zich voor effectenhandelaar

uitgaf, maar inderdaad een bankier van het slechtste allooi was, een

woekeraar van de ergste soort—Stephen Ross.

Hij was een kleine, magere man, met een puntschedel, waarop slechts

hier en daar een weinig groezelig grijs haar in plokjes bijeen stond.

Zijn zwarte oogen hadden een onzekeren blik, en telkens scheen zijn

blik naar andere zaken af te dwalen als hij met een bezoeker in gesprek

was.

Zijn leelijk, vaal gezicht was glad geschoren, op een dunne, rafelige

snor na, die sluik onder den grooten, scherpen neus nederhing.

Hij was wat hoog in de schouders en zat daar achter zijn bureau als een

groote neushoornvogel op zijn stok in een kooi.

Ross legde dadelijk de pen neder, waarmede hij een groot vel papier

beschreef, en kwam handenwrijvend en met een zoetelijken glimlach om de

dunne lippen van achter zijn bureau te voorschijn, teneinde zijn

bezoeksters te begroeten.

—Blij, dat gij gekomen zijt, miss Spencer! zeide hij met een krakende,

schelle stem. Heel verstandig van u! Het was het beste wat gij doen

kondt! Neem plaats, wat ik u verzoeken mag!

Hij schoof den fauteuil wat terzijde en maakte een uitnoodigend gebaar

met zijn dorre, pezige rechter hand.

Daarop wipte hij weder op zijn kantoorstoel, met een aapachtige

vlugheid, die men hem niet zou aanzien, en keek het jonge meisje

aandachtig aan door de glazen van een groote, in een hoornen montuur

gevatte, lorgnet.

Lucy Spencer sloeg de oogen neder voor den stekenden blik der kleine,

zwarte oogen en schoof onrustig op haar stoel op en neer.

Toen begon zij met haperende stem:

—Ik heb uw briefje ontvangen, mijnheer Ross, waarin gij mij hebt

uitgenoodigd om hier te komen, waar gij mij een middel aan de hand

zoudt kunnen doen, om mijn broeder van zijn schuld te ontlasten......

—Van een deel zijner schuld, lieve jonge dame, van een déél! viel de

woekeraar haar haastig in de rede. Laat ik er aan toevoegen—van een

groot deel!

—Wilt gij mij zeggen, wat gij dan voornemens zijt, mijnheer? vroeg

Lucy, die met moeite haar onrust bedwong, toen zij den blik in de

kleine oogen van den man tegenover haar opmerkte.

—Dat zult gij aanstonds vernemen, lief kind! antwoordde Ross

zoetsappig. Laat ik echter beginnen, met u een klein inzicht te geven

van de geldelijke betrekkingen tusschen mijnheer uw broeder en mij—gij

zult dan des te beter kunnen oordeelen over de...... de voorstellen,

welke ik u te doen heb!

Hij stond weder op, trad op de brandkast toe, opende de deur met een

sleutel, die zich aan een sleutelbos in zijn zak bevond, en trok een

blikken trommel naar zich toe, welke hij op het blad van zijn

schrijfbureau plaatste.

Hij opende ook deze trommel met een kleinen sleutel en haalde er een

aantal papieren uit.

Hij spreidde ze op het blad van de tafel uit, gaf er eenige klapjes met

de vlakke hand op en zeide, zonder zijn blikken van het gelaat van zijn

bezoekster af te wenden:

—Hier heb ik een pakje wissels, door uw broeder onderteekend, ten

bedrage van 23.000 pond sterling. Gij schrikt? Ja, dat komt er van, als

jongelui het leven wat al te luchtig opvatten, hi-hi! Waar steeds bij

komt en niet afgaat...... gij begrijpt, dat loopt op!

—Maar—kunt gij nog niet wat wachten met het presenteren van deze

wissels? vroeg Lucy bevend. Onze zilvermijnen......

Maar Ross maakte een verachtelijk gebaar.

—Uw zilvermijnen! herhaalde hij minachtend. Laat ons een oogenblik

aannemen dat er zich werkelijk zilver in bevindt—dan is er toch een

groot kapitaal benoodigd, om die mijnen te exploiteeren—en waar zoudt

gij dat vandaan moeten halen?

Lucy zweeg, en haar oogen begonnen zenuwachtig te knipperen.

Zij had blijkbaar de grootste moeite, haar tranen te weerhouden.

—Ik weet zeker, dat mijn broeder u het bedrag zal teruggeven, mijnheer,

zoodra hij daartoe in de gelegenheid is, zeide zij bevend.

—Neem mij niet kwalijk, maar dienaangaande moet ik met u van meening

verschillen, lieve, jonge dame! hernam Ross, met een leelijken grijns

om zijn breeden mond. Ik kan niet inzien, waarin die gelegenheid zou

bestaan! En als ik alles had voorzien, dan zou ik zeker niet zoo

onnoozel zijn geweest, mijn goede geld op die manier weg te gooien!

Mijn eenige hoop is thans nog gevestigd op het landhuis, dat wellicht

bij verkoop voldoende zal opbrengen, om mij schadeloos te stellen!

—Maar dat landhuis is ons eenig bezit! kreet het jonge meisje wanhopig.

Mijn moeder en ik moeten daarvan leven, en Robert ook, zoolang hij zich

nog niet als mijnbouwingenieur heeft kunnen vestigen!

Ross haalde de magere schouders op, terwijl zijn blikken door het

vertrek dwaalden.

—Met philantropie houd ik mij niet op, zeide hij kortaf. Ik heb het

geld geleend en ik moet het terug hebben!

—Maar Bob zegt, dat gij het tegen een schandelijke woekerrente geleend

hebt! riep het jonge meisje op verontwaardigden toon.

De zwarte oogen van den woekeraar flikkerden een oogenblik.

Maar zijn stem had denzelfden zoetsappigen klank, toen hij hernam:

—Wat zal ik u zeggen? Daar hebt gij geen verstand van! Zaken zijn

zaken! Het geld is schaarsch tegenwoordig, en ik moet voor al mijn

moeite behoorlijk beloond worden!

Een oogenblik heerschte er stilte in het vertrek, en men hoorde niets

dan het tikken van de houten klok, die op den smallen schoorsteenmantel

stond.

Toen klonk de matte stem van Lucy Spencer:

—Gij hebt mij geschreven over een middel, mijn broeder van den

ondergang te redden—noem het mij.

De woekeraar trommelde even met zijn magere vingers op het tafelblad,

en schoof toen met een ruk zijn schrijftafel dichter bij den fauteuil,

waarin het jonge meisje had plaats genomen.

Hij keek haar met een zonderlinge flikkering in zijn zwarte oogen aan,

en zeide toen op fluisterenden toon:

—Weet gij wel, dat gij zeer schoon zijt?

Lucy week achteruit, alsof zich eensklaps een adder voor haar had

opgericht.

Zij werd doodsbleek, en haar lippen vertrokken krampachtig.

In een oogwenk had zij het gansche plan van Ross doorzien.

Zij wilde iets zeggen, maar het leek haar, of de kamer met haar

ronddraaide.

En als door een muur hoorde zij de stem van den geldschieter, die

voortging met zijn hartstochtelijk gefluister:

—Gij zijt schoon en ik heb u lief! Gij kunt kiezen—of wel gij voegt u

naar mijn wenschen, of ik treed over enkele dagen onverbiddelijk tegen

uw broeder op! Bedenk, dat hij als was in mijn handen is! Ik kan hem

breken, hem vernietigen, bedenk dat! Ik kan zijn geheele toekomst

vernietigen! Het behoeft u echter slechts een woord te kosten, en ik

werp deze wissels in het vuur! En als gij mij goed kendet, zoudt gij

weten, wat dat voor mij te beteekenen heeft! Kies nu!

Lucy opende de oogen, welke zij een oogenblik gesloten had, om het

leelijke gelaat als van een kwaden aap niet te zien, dat zich tot het

hare had gebogen.

Haar blik was verwilderd.

Maar alle zwakte was eensklaps van haar afgegleden.

Zij sprong op, trok haar mantel dichter om zich heen, en zeide op

vasten toon:

—Stephen Ross—als er een vergelding is, dan zult gij hiervoor moeten

boeten! Gij laffe schurk, die misbruik durft maken van het goed

vertrouwen van een man, die niet veel meer was dan een knaap, toen hij

zich voor de eerste maal tot u wendde! Gij wilt een antwoord? Neen,

duizendmaal neen! Al zoudt gij mij met millioenen willen overladen, al

zoudt gij alle schatten der wereld aan mijn voeten leggen, ik zou u in

het afschuwelijk gelaat spuwen, en u mijn verachting toeschreeuwen!

Ross liet een heesch geluid van woede en wraakzucht hooren.

Zijn kleine oogen schoten vuur.

Zijn lippen beefden, en zijn gelaat had een vaal groene kleur gekregen,

met twee brandende roode vlekken op de wangen.

—Gij zult het u berouwen! kwam het als een gerochel over zijn

sidderende lippen. Gij zult weten, wat het zeggen wil, Stephen Ross te

tarten en te hoonen! Je wilt niet, jij trotsche juf? Nu, dan moge je

broeder naar de hel gaan!

Hij had deze laatste woorden krijschend uitgeschreeuwd, met het schuim

op de lippen, en hij geleek nu waarlijk een tot woede geprikkelde

gorilla, zooals hij daar stond, den rug nog meer gebogen, de beide

handen gekromd op het tafelblad steunend.

Daarop nam hij de wissels in een enkelen greep tusschen zijn magere

vingers, hief ze in de hoogte, en vroeg:

—Weet gij het wel? Hebt gij besloten?

—Ik heb besloten, gij duivel. God weet, hoe lief ik mijn broeder heb,

maar liever zag ik ons allen tot den bedelstaf gebracht, dan u ter

wille te zijn, gij beest!

De woekeraar wankelde achteruit, alsof hij een slag op het hoofd had

gekregen en barstte toen uit:

—Goed! Gij hebt de teerling geworpen! Het zal de dood voor uw broeder

beteekenen—of weet gij soms niet, dat hij drie dagen geleden heeft

gepoogd een einde aan zijn leven te maken?

Lucy Spencer werd krijtwit en hief met een onwillekeurig gebaar de

beide handen gevouwen met een smeekend gebaar naar den schurk op.

—Neen, neen...... dat kan niet waar zijn, hijgde zij. Zeg, dat gij het

liegt! Mijn Bob, mijn lieve broer!

—Ik zweer u, dat het zoo is, antwoordde Ross. Zijn bediende is het mij

hier komen vertellen en smeekte mij, medelijden met zijn meester te

hebben! Welnu, dat zal ik hebben—mits gij de mijne wordt!

Het jonge meisje scheen een vreeselijken strijd met zich zelve te

voeren.

Zij was zoo bleek, dat zij een doode scheen.

Haar oogen hadden een waanzinnige uitdrukking.

Zij wreef zich eenige malen met de kleine hand over het reine

voorhoofd, alsof zij een martelende gedachte wilde verjagen.

Haar stem klonk rauw, toen zij fluisterde:

—Dan...... ja, dan......

Op dat oogenblik werd er op de deur geklopt en dadelijk daarop werd

deze geopend.

De oude bediende stak zijn hoofd naar binnen.

—Wat wilt gij, Jefferson? vroeg zijn meester op ruwen toon. Ik heb u

niet geroepen! Pak u weg!

—Neem mij niet kwalijk, mijnheer! zeide de oude man, terwijl hij

binnentrad. Ik moest dadelijk een briefje aan deze jonge dame geven!

—Een briefje? herhaalde Ross knorrig.

—Ja, het werd zooeven gebracht door een man, die zeide, dat ik het

dadelijk moest overhandigen aan de dame, die bij u was!

De bediende trad op Lucy toe, en overhandigde haar een briefje, dat zij

aarzelend en nog half bewusteloos aannam.

Zij draaide het om en om, en wilde het toen in haar tasch steken, maar

de oude man, die geen oog van haar had afgewend, zeide:

—Die man verklaarde, dat gij het briefje onmiddellijk moest lezen,

miss!

Lucy keek den bediende vragend, met een verbaasde uitdrukking op het

bleeke gelaat, aan.

—Wat kan dat beduiden? mompelde zij.

Met een enkelen ruk had zij de enveloppe verbroken en het briefje

ontvouwd.

De inhoud bleek slechts zeer kort te zijn, want zij liet het papier

bijna dadelijk weder zakken, en een lange zucht, maar thans niet van

schrik of ontzetting ontvlood haar borst.

Zij keek om zich heen, alsof zij uit een droom ontwaakte en wendde zich

tot den bediende, die nog altijd in onderdanige houding stond te

wachten met de vraag:

—Is die man er nog?

—Neen, miss—hij is dadelijk weder weggegaan.

—Hoe zag hij er uit?

—Als een besteller, een kruier of zoo iets.

—Ik dank je vriend! Ik heb je niet meer noodig!

De oude man keek Ross schuw en vragend aan.

—Ga maar! beval deze op norschen toon. En kom ons niet weder lastig

vallen.

De oude man sloop weg als een geslagen hond, en de deur viel dicht.

—En wat is nu uw besluit, miss? vroeg Ross, terwijl hij weder op Lucy

toetrad.

Lucy liet het briefje in haar zak glijden, wierp den woekeraar een

kouden blik toe, en antwoordde:

—Ik blijf bij wat ik zooeven gezegd heb—ik veracht u meer dan ik u

zeggen kan, en ik zou liever in de Theems springen, dan u ter wille te

zijn!

Ross werd wit tot in zijn lippen, en een oogenblik scheen het, alsof

hij zijn klauwachtige vingers naar het jonge meisje wilde uitsteken.

Hij beheerschte zich echter uit alle macht, greep den bundel wissels

bijeen, wierp ze weder in de blikken trommel, sloot haar en riep:

—Ik zeg u nogmaals dat gij het u berouwen zult! Dacht gij, dat men

Stephen Ross ongestraft kan hoonen? Dat zal ik u anders laten zien!

Maar Lucy Spencer had den schurk niet eens laten uitspreken—zij was op

de deur toegetreden, zonder hem zelfs een blik waardig te keuren, en

stond het volgende oogenblik weder in de gang.

Zij snelde de wenteltrap af, en trof in de smalle vestibule den ouden

bediende aan, die haar een schichtigen blik toewierp, en zich haastte

de deur voor haar te openen.

Hij wierp een haastigen blik achter zich en vroeg toen op fluisterenden

toon:

—Ik hoop voor God, miss, dat u niets slechts is overkomen! ik ken den

schurk—hij is tot alles in staat.

—Maar waarom blijft gij dan toch hier? vroeg Lucy op zachten toon.

De oude bediende haalde de schouders op, en antwoordde mistroostig:

—Ik ben oud, miss, ik moet nog dankbaar zijn dat ik een dak boven mijn

hoofd heb! Lieden van mijn gebrekkigheid en ouderdom hebben niet veel

te zeggen!

Hij wierp het meisje een vriendelijken blik toe, en het volgende

oogenblik viel de deur achter haar dicht.

Maar nu ook kon Lucy Spencer zich niet meer goed houden, haar krachten

begaven haar.

De beleediging, haar zooeven aangedaan, kwam haar weder duidelijk voor

den geest—en zij barstte in tranen uit!

Wankelend deed zij eenige schreden vooruit, toen zij zich eensklaps bij

den pols voelde grijpen.

Verschrikt keek zij op, met roodbekreten oogen.

Zij zag in het witte gelaat van haar broeder Robert.

De jonge man bleef zijn zuster een oogenblik strak aankijken, en vroeg

toen op heeschen toon:

—Wat beteekent dit Lucy? waarom kom je uit dat huis? waarom ben je zoo

doodelijk bleek en waarom ween je?

Het jonge meisje keek haar broeder verschrikt aan, en plotseling steeg

een vlammend rood in haar wangen op.

Zij bevrijdde zachtjes haar pols, en zeide:

—Laat mij, Bob! je behoeft mij niet zoo aan te kijken! dacht je

werkelijk dat ik je blik niet ongestraft kon verduren?

De jonge man slaakte een zucht, die veel op een snik geleek, en liet de

armen van zijn zuster los.

—Ik heb mij voor dien woekeraar vernederd, ik heb hem trachten te

vermurwen—het is mij niet gelukt, en dat is alles!

—Wat? je bent hierheen gegaan zonder mijn voorkennis, om dien

ellendeling te smeeken, niet te vergeten dat hij mensch is? riep Robert

Spencer woest uit! Dat heeft mijn zuster gedaan?

—Het was voor jou, Bob! zeide Lucy eenvoudig.

—Maar je bleeke, betraande gelaat, Lucy? je sidderde over je geheele

lichaam toen je mij zoo onverwacht voor je zag? Wat is er dan toch

geschied op het kantoor?

Opnieuw kleurden zich de teedere wangen van het jonge meisje vlammend

rood en zij aarzelde met haar antwoord.

Toen kwam het nauwelijks hoorbaar over haar lippen:

—Hij heeft...... Hij vroeg mij......

Zij kon niet voortgaan, maar begroef het lief gelaat in de handen.

Robert Spencer was achteruit gewankeld, alsof hij een slag ontving.

Zijn jong gezicht vertrok zich krampachtig, en zijn blik kreeg een

dreigende uitdrukking.

Toen barstte hij uit:

—Daar zal de schurk voor boeten! ik ruk hem het hart uit het lichaam!

Hij heeft het gewaagd je oneerbare voorstellen te doen? en dat

natuurlijk in ruil voor mijn wissels?

Hij wachtte niet op het antwoord, maar wilde haar voorbij stormen.

Lucy greep hem echter met beide handen bij den arm, en zeide op

smeekenden toon:

—Doe het niet, Bob! Je zoudt je drift niet meester zijn—laat het om

mijnentwille! Misschien kan alles nog wel goed worden, en waarom zou je

met je drift alles bederven? Die ellendeling zal zijn loon wel krijgen!

—Goed worden, herhaalde de jonge man op doffen toon, daaraan geloof ik

niet!

Lucy stak de hand in den zak van haar mantel en haalde er het

verfrommelde briefje uit, hetwelk de oude knecht haar had gegeven, toen

zij met Stephen Ross sprak in diens kantoor.

Zij reikte het haar broeder zwijgend toe.

Deze las de volgende weinige woorden:

„Geef in geen geval aan de wenschen van Stephen Ross toe. Men zal u op

andere wijze helpen. Reken op den steun van een machtigen vriend.”

Robert slaakte een kreet van verbazing en riep uit:

—Dat is zeer zonderling! Hedenmorgen heb ik een briefje ontvangen, niet

veel langer dan dit, en waarin ik werd aangemaand nog een paar dagen

geduld te hebben, omdat dan alles geregeld zou zijn.

HOOFDSTUK IV.

DE MOORD.

Den volgenden dag stonden de bladen, die des middags uitkwamen, vol

bijzonderheden omtrent den moord op Stephen Ross.

De woekeraar was door zijn ouden bediende dood voor zijn geforceerde

brandkast gevonden met een vreeselijke hoofdwonde.

Blijkbaar was zijn schedel als een eierschaal verpletterd door den slag

met een zwaar ijzeren voorwerp, een koevoet of iets dergelijks.

Niet zoodra had Charly, die zich in de bibliotheek van het fraaie huis

in de Regent Street onledig hield met het bijhouden van zijn registers,

de krantenjongens op straat den naam van Stephen Ross hooren

uitschreeuwen, of hij snelde de straat op, en kocht een middageditie

van de „Daily Mail”.

Daarmede gewapend, ging hij naar de slaapkamer van Raffles, die zich

juist kleedde voor een wandelrit en bezig was, voor den grooten spiegel

zijn das te strikken.

Hij wendde zich naar Charly om en vroeg:

—Wat is er gebeurd? Je ziet er zoo opgewonden uit.

—Dat is niet te verwonderen—Stephen Ross is vermoord!

Raffles keek Charly eenige oogenblikken strak aan, en vroeg toen zacht

en als afkeerig om het antwoord te vernemen:

—De dader?

—Dien schijnt men nog niet in handen te hebben! antwoordde Charly, die

het bericht reeds vluchtig had doorgelezen. Het is ook geen gewone

moord, het is roofmoord!

—Een inbraak dus?

—Ja, de brandkast is opengebroken, evenals zijn schrijftafel en de

loketkast.

—Lees het mij eens voor, zeide Raffles kortaf, terwijl hij zijn jacquet

aanschoot en in een gemakkelijken stoel ging zitten, met zijn lange, in

rijbroek en lederen kappen gestoken beenen voor zich uitgestrekt.

Charly begon met gedempte stem voor te lezen.

MOORD OP EEN EFFECTENHANDELAAR.

De politie op het spoor van den dader.

In den afgeloopen nacht is in de Bishop Street weder een zeer zwaar

misdrijf gepleegd, hetwelk maar al te zeer aantoont dat het met de

veiligheid van onze medeburgers zelfs in hun eigen huis nog altijd

droevig gesteld is.

In zijn eigen kantoor is de commissionair in effecten Stephen Ross,

op vreeselijke wijze vermoord.

Hij bewoonde een zeer oud, betrekkelijk klein huis, waar hij reeds

sedert vele jaren zijn zaken deed.

Hij heeft geen ander personeel dan een jongen klerk, die tevens

loopersdiensten verricht, en die om half zes het kantoor verlaat.

Het bedienden-personeel bestaat uit een ouden huisknecht en een

huishoudster, die beiden in het huis slapen, op de

zolderverdieping.

Gelijkvloers bevinden zich de kleine eetzaal en een soort van

werkkamer, op de eerste verdieping het kantoor en een klein vertrek

voor den klerk, daarboven de slaapkamer van Stephen Ross, en een

ongebruikt vertrek.

Toen de oude bediende van den effectenhandelaar, Henry Jefferson,

hedenmorgen, zooals gewoonlijk, om half acht zijn meester wilde

gaan wekken, kreeg hij op zijn kloppen geen gehoor.

Eenigszins ongerust rammelde hij aan den knop van de deur, waarvan

hij wist dat zijn meester deze des nachts steeds grendelde, en tot

zijn verwondering kon hij haar gemakkelijk openen.

Hij trad binnen en zag in de halve schemering—de gordijnen waren

gesloten—dat het bed beslapen was.

Maar Stephen Ross was nergens te zien.

De bediende wachtte een oogenblik, maar toen zijn meester niet

terugkeerde, ging hij eens in de andere vertrekken zien.

Ten laatste stond hij voor de deur van het kantoor en nu eerst zag

hij tot zijn schrik, dat deze op een kier stond.

Want deze deur werd steeds zorgvuldig door zijn meester afgesloten,

voor hij zich ter ruste begaf.

Hij rukte de deur open en trad binnen, maar deinsde aanstonds met

een schreeuw van ontzetting terug.

In het vertrek heerschte eene onbeschrijfelijke verwarring.

De brandkast was een weinig van haar plaats verschoven en in de

deur was een groot gat in den omtrek van het sleutelgat gesmolten,

waardoor het gemakkelijk viel haar te openen.

De schrijftafel was opengebroken, evenals de loketkasten, en overal

lagen papieren maar in het rond gestrooid.

Dicht bij de kast, met het gelaat voorover op den grond, de armen

wijduitgestrekt, lag het lichaam van Stephen Ross in een grooten

bloedplas, die gedeeltelijk reeds gestold was.

De ongelukkige was in nachtgewaad gekleed.

Hij was waarschijnlijk met een blaker in de hand binnengekomen en

verraderlijk overvallen door den dader, die zich achter de kast

verscholen had.

Het voorwerp was hem uit de hand gevallen, toen hij werd

neergeslagen en in een hoek van het vertrek gerold.

De schedel was gespleten en een dikke koek geronnen bloed bedekte

het achterhoofd.

Henry Jefferson bleef een oogenblik met wijdgeopende oogen dit

vreeselijk schouwspel aanzien en liep toen luid schreeuwend, ten

einde de huishoudster te gaan waarschuwen, naar Miss Wilcox.

Daarop telephoneerde hij aanstonds de politie, maar hij moest dit

in een naburigen sigarenwinkel doen, want het bleek dat de

moordenaar den telephoondraad had doorgesneden.

Aanstonds waren een paar detectives van Scotland Yard ter plaatse,

vergezeld door een inspecteur van politie.

Uit het ingestelde onderzoek bleek dat de brandkast totaal

geplunderd was, die den bedrag aan contanten bevatte van omstreeks

twaalf duizend pond sterling, en voorts een aantal effecten en

wissels.

Ross was waarschijnlijk wakker geworden door eenig gerucht in zijn

kantoor, en had een kaars en zijn revolver gegrepen, om te gaan

zien of alles veilig was.

Maar voor hij van dat wapen gebruik had kunnen maken moet de

moordenaar hem ruggelings met een zwaar voorwerp hebben

neergeslagen, waardoor de dood bijna onmiddellijk intrad.

Wij kunnen uit den aard der zaak geen nadere bijzonderheden melden,

maar wel mogen wij meedeelen dat de politie reeds op een spoor is,

en dat men een opzienbarende arrestatie kan verwachten, welke

wellicht reeds een feit is op het oogenblik dat ons blad ter perse

gaat!

Natuurlijk zullen wij niet nalaten, onze lezers op de hoogte te

houden van dezen afschuwelijken moord.

Charly liet het blad zakken en keek Raffles zwijgend aan, die met half

gesloten oogen had toegeluisterd.

—Wat denk je er wel van? vroeg hij eindelijk.

Raffles haalde de schouders op en antwoordde:

—Wat valt er te denken? Waarschijnlijk een ordinaire roofmoord! Ik kan

volstrekt niet inzien dat er iets geheimzinnigs aan is, wij zullen in

den vooravond wel weten waar wij ons aan te houden hebben, want dan

zullen de daders wel gevat zijn!

—Jij spreekt in het meervoud, maar de „Daily Mail” praat overal van den

„moordenaar”.

—Dan denk ik dat zij ongelijk heeft, hernam Raffles kalm. Dat is niet

het werk van een enkelen man geweest! Bij het opensmelten van een kast

zijn er altijd minstens twee noodig, tenzij men volkomen ongestoord kan

werken.

Raffles was opgestaan, nam zijn hoed en karwats van een kleine tafel,

drukte Charly de hand en zeide:

—Ik ben over een paar uur weder terug. Je kunt mij een genoegen doen,

door nog eens in de buurt van het huis van Robert Spencer rond te

loeren.

—Ik ben tot je dienst, Edward!

De beide mannen namen afscheid van elkander, Raffles om zijn rijtoer te

maken, Charly om de hem opgelegde taak te verrichten.

De Groote Onbekende was het eerst weder teruggekeerd en zat reeds

eenigen tijd in zijn werkkamer, toen Charly opgewonden binnentrad.

Hij ging op Raffles toe en riep uit:

—Er moet iets ernstigs zijn voorgevallen, Edward!

—Wat dan?

Lord Lister No. 0312: In de klauwen van een woekeraar · 第 1 / 4 段