Paul Petrowitsj Kirsanof had zijn prilste jeugd onder het vaderlijk dak
doorgebracht, samen met zijn broeder. Toen was hij in het pagekorps
gekomen. Van opvallende schoonheid, zelfbewust, wat belachelijk en
licht ironisch, moest hij bij ieder in den smaak vallen.
Als officier kwam hij in de groote wereld. Met open armen overal
ontvangen, liet hij zich gaan, maakte een verkeerd gebruik van zijn
goede eigenschappen, beging allerlei dwaasheden, die hem echter in
geen enkel opzicht schaadden. De vrouwen verafgoodden hem, de mannen
noemden hem een fat, maar benijdden hem in stilte. Hij leefde nog
altijd samen met zijn broeder, van wien hij veel hield, ofschoon deze
in geenen deele op hem leek. Nikolaas Petrowitsj hinkte een weinig,
had ook wel een aangenaam, maar een ernstig gezicht, zachte, wazige
oogen en dun haar. Hij was langzaam, las veel en meed de menschen. Paul
was des avonds nooit thuis. Door het in de mode brengen van gymnastiek
had hij den roep van vlugheid en kracht verworven, maar lezen deed
hij niet veel meer dan een vijf, zes fransche boeken. Op zijn acht
en twintigste jaar was hij kapitein en had een schitterende loopbaan
voor zich, toen alles plotseling anders werd.
In dezen tijd liet zich in Petersburg nu en dan een zekere vorstin
R. zien, gehuwd met een man van opvoeding, maar wat geborneerd, en
zonder kinderen. De vorstin ging op zekeren dag op reis, voor langen
tijd, keerde onverwachts terug en gedroeg zich sedert nog al opvallend;
men oordeelde haar lichtzinnig en een kokette, ze deed mee aan alle
feesten, hartstochtelijk, danste tot het laatste oogenblik door,
liet zich gaan met jonge mannen, die ze vóór het diner in schemerlicht
ontving, maar bracht haar nachten biddend en weenend door, zonder rust
te kunnen vinden. Dikwijls bleef ze tot het aanbreken van den dag,
aan angst en smart ter prooi, in haar kamer, bleek en koud gebogen
over een of ander heilig boek. Maar overdag was ze weer de elegante
vrouw-van-de-wereld, legde bezoeken af, ontving, lachte en gaf zich
aan alle verstrooiingen der groote stad gedachteloos over. Zij was een
edele verschijning, het haar blond en zwaar als goud; toch werd ze niet
tot de schoonheden gerekend. Want in haar gezicht waren alleen de oogen
mooi, en misschien is zelfs dit te veel gezegd. Want het waren kleine,
grijze oogen, maar zeldzaam levend en diep, overmoedig-zorgeloos en
troosteloos-droomend, raadselachtig en betooverend. Iets ongewoons
leefde in die oogen, ook bij het gewoonste dag-gesprek. Haar kleeding
was ook altijd opvallend.
Paul ontmoette haar op een bal, danste met haar een mazurka, waarbij
ze niets bizonders sprak, maar sedert was het met zijn gemoedsrust
gedaan. Gewend aan gemakkelijke overwinningen, ging het ook nu
voorspoedig, maar ditmaal maakte hem de snelheid der overwinning
niet onverschillig. Integendeel, die vrouw wist hem steeds vaster
te binden, misschien wel doordat ze ook in oogenblikken van volkomen
overgave, een zekere onbegrepenheid, een raadsel achter hield. Het was,
of bovennatuurlijke krachten haar beheerschten, naar welgevallen,
alsof haar lang niet superieure persoonlijkheid niet in staat was,
zich te bevrijden, in sterken strijd. Heel haar wezen scheen vol
tegenstrijdigheden. Ze schreef brieven aan een man, dien ze nauwelijks
kende, waardoor ze vermoedens van haar echtgenoot en de wereld
moest opwekken. Ze had lief, maar met een geheimzinnig voorbehoud,
een vreemde smartelijkheid. Ze lachte en vermaakte zich niet met
den uitverkorene, maar keek en luisterde naar hem met een soort
diepe verwondering. Veelal en dan onverwachts werd die verwondering
tot stillen schrik, en in haar trekken trok dan een sombere, wilde
angst. Ze sloot zich op, en de kamenier, die luisterde, hoorde een
dof steunen. Herhaaldelijk na een teeder samenzijn met haar, gevoelde
Paul dat bittere, dat het mislukken, het einde eener liefde aankondigt.
--Heb ik niet alles verkregen, wat ik wilde? vroeg hij zich zelf dan
af en toch was het hem wee te moede. Eens gaf hij haar een ring met
een steen, waarin een sfinx gegraveerd was.
--Wat is dat? vroeg ze, een sfinx?
--Ja, en die sfinx ben jij...
--Ik? en ze keek hem aan met dien vreemden blik,... ik gevoel me
daardoor gevleid... en ze glimlachte vaag.
Paul leed, zoolang hij haar liefhad. En toen ze onverschillig
begon te worden (dit gebeurde al spoedig) verloor hij bijna zijn
verstand. Wanhoop en ijverzucht verteerden hem, hij liet haar
geen rust, vervolgde haar overal. Ze ging op reis, moe van zijn
aandringen. Paul ging uit den dienst, ten spijt van het smeeken
van zijn vrienden, den raad zijner meerderen, en volgde haar. Zoo
reisde hij vier jaar lang in vreemde landen, nu eens samen met haar,
dan weer haar ontloopend, met het vaste voornemen haar nooit weer
te zien. Hij schaamde zich over zijn zwakheid, vervloekte die, maar
het hielp niet. Hij kon het beeld dezer vrouw, dat magische beeld,
niet vergeten. In Baden scheen alles weer goed. Haar liefde bloeide
schooner dan ooit. Maar dat duurde geen maand. De vlam doofde en
nu voor goed. Paul voorzag de breuk en wilde tenminste haar vriend
blijven, alsof dat mogelijk is met zulk een vrouw. Ze ging ongemerkt
weg uit Baden, ontvluchtte, meed hem sedert. Paul kwam in Rusland terug
en trachtte vergeefs zijn oude levenswijze te hervatten. Als door
een slang gestoken, doolde hij van plaats tot plaats, kon geen rust
vinden, ging weer op reis; toch bezocht hij de salons en bleef homme
du monde. Zijn ijdelheid kon zich streelen met twee of drie nieuwe
veroveringen; maar eigenlijk wanhoopte hij aan zich zelf en aan de
menschen en stelde in niets meer belang. Hij werd vroeg oud, grijs,
en begon zijn avonden in de club door te brengen, waar hij, bitter
en verveeld, mee deed in het gesprek, onverschillig en norsch. Hij
dacht natuurlijk niet aan trouwen. Zoo gingen verwonderlijk snel tien
nuttelooze, leege jaren voorbij.
Nergens vergaat de tijd sneller dan in Rusland, behalve dan in de
gevangenis. Op een avond, terwijl hij in de club dineerde, hoorde hij,
dat vorstin R. in Parijs gestorven was in een toestand, die aan waanzin
grensde. Hij stond op en liep langen tijd door de zalen heen en weer,
bleef staan staren bij de speeltafels. Op het gewone uur keerde hij
huiswaarts. Kort daarop ontving hij een pakje met den ring, dien hij
haar eens gegeven had. Ze had een kruis getrokken over de sfinx met
de opdracht, Paul te zeggen, dat dit de oplossing van het raadsel was.
Dit was gebeurd in het begin van het jaar 1848, denzelfden tijd, toen
Nikolaas Petrowitsj na het verlies van zijn vrouw naar Petersburg was
gekomen. Paul had zijn broeder, sedert diens verblijf op het land
nauwelijks gezien. Hij was getrouwd in den eersten tijd van Pauls
vriendschap met de vorstin. Na zijn terugkomst uit het buitenland had
Paul zijn broeder wel bezocht en zich voorgenomen, eenige maanden bij
hem door te brengen, maar na een week was hij reeds vertrokken. Hun
denkbeelden liepen toenmaals te zeer uiteen. Dit was in '48 anders
geworden. Nikolaas was weduwnaar geworden en Paul op zijn manier
eveneens! Kirsanof had een geregeld leven geleid, zijn zoon groeide
onder zijn oogen op. Maar Paul ging als jonggezel dat beklagenswaardige
tijdperk des levens tegemoet, waarin de jeugd voorbij en de ouderdom
nog niet gekomen is, waarin hoop en hopeloosheid zooveel op elkander
lijken. Vooral voor Paul moest deze tijd bizonder smartelijk zijn. Met
zijn verleden had hij alles verloren. En hij trachtte te vergeten...
--Ik noodig je niet meer uit, op Marjino te komen, zei Kirsanof tot
hem, (die naam was een herinnering aan zijn vrouw).--Je verveelde je
daar al bij Maria's leven, dus nu nog veel meer!
--Ik was toen zoo onrustig en dwaas, antwoordde Paul. Nu ben ik rustig
en misschien wijzer. Als je het goed vindt, wil ik met je meegaan en
voorgoed bij je blijven wonen.
Nikolaas omhelsde zijn broeder als eenig antwoord. Maar het duurde nog
anderhalf jaar, eer Paul uitvoering gaf aan zijn besluit. Maar toen hij
er eenmaal zat, ging hij niet meer weg, ook niet in de wintermaanden,
die Nikolaas bij zijn zoon in Petersburg doorbracht. Hij las veel,
vooral Engelsche boeken, en zijn geheele levenshouding kreeg een
Engelsch stempel. Hij ging zelden op bezoek bij de naburige eigenaars
en bezocht alleen soms de kiesvergaderingen, waar hij meestal zweeg
en alleen met liberale denkbeelden en grapjes de conservatieve
grondeigenaren schrik aanjoeg, zonder zich overigens modern te
gevoelen. Men verweet hem hoogmoedigheid, maar achtte hem terwille
van zijn aristocratische manieren en het geluk, dat hij altijd bij
vrouwen had gehad, terwille van zijn goeden smaak in kleeding en
omdat hij altijd de mooiste kamers in de eerste hotels bewoonde,
van fijn eten hield en eens zelfs met Wellington bij Louis Philippe
had gedineerd, omdat hij op reis altijd een zilver nécessaire en
een badapparaat bij zich had, omdat hij goede, zeer gedistingeerde
parfums gebruikte, uitnemend whist speelde en toch altijd verloor,
en tenslotte omdat hij volkomen betrouwbaar was. De dames van het
goevernement vonden hem een zeer aantrekkelijk melancholicus, maar
hij nam volstrekt geen notitie van haar.
--Je zult me toegeven, Jevgenij, zei Arkadiej, dat je mijn oom verkeerd
beoordeeld hebt. Ik wil niet spreken van de vele diensten, die hij
mijn vader bewezen heeft. Menigmaal gaf hij hem al zijn beschikbaar
geld (ze bezitten het goed gemeenschappelijk). En ik verzeker je,
dat hij voor iedereen de welwillendheid zelve is, dat hij het altijd
voor de boeren opneemt, ofschoon hij nooit met hen omgaat zonder eau
de cologne te gebruiken.
--Dat zijn de zenuwen, antwoordde Bazarof.
--Kan zijn. Maar hij heeft een goed hart. Hij is ook een man van
geest. En dikwijls heeft hij me goeden raad gegeven, vooral met
betrekking tot de vrouwen.
--Aha. Na svojem malakje obzjogsja, na tsjoezjoejoe wadoe doejet. [6]
Dat kennen we!
--Hij is heel ongelukkig, dat is zeker. Het zou niet goed zijn,
hem daarover hard te vallen, ging Arkadiej voort.
--Wie doet dat dan? Maar ik beweer toch, antwoordde Bazarof,
dat een man, die zijn leven op één enkele kaart van "Hartenvrouw"
heeft gezet en als hij die kaart verliest, zich dat zoo aantrekt, dat
hij voor niets meer deugt, geen man is, geen wezen van het mannelijk
geslacht. Je zegt, dat hij ongelukkig is, jij zult dat wel beter weten,
maar zijn dwaasheid heeft hij nog niet overwonnen. Ik ben overtuigd,
dat hij zich voortreffelijk vindt, omdat hij Galignani leest en nu
en dan een boer tegen een tuchtiging beschermt.
--Vergeet de opvoeding niet, die hij genoten heeft, den tijd, waarin
hij jong was; antwoordde Arkadiej.
--Zijn opvoeding? riep Bazarof uit, een man moet zich zelf opvoeden,
zooals ik heb gedaan. En wat den tijd betreft, waarom moet ik van
den tijd afhankelijk zijn? Die moet juist van mij afhangen. Nee, ik
zie niets als zwakheid en halfheid in dat alles. En dan, wat is dat
voor onzin, die zoogenaamde mysterieuze betrekkingen tusschen man en
vrouw? Wij physiologen weten wel beter! Bestudeer het oog en zeg me,
of je daar iets vindt van dat raadselachtige, waarvan je sprak. Dat
is romantiek, gezeur, praatjes. Laat ons liever eens naar mijn kever
gaan kijken.
Daarmede gingen zij naar Bazarofs kamer, waar een medisch-chirurgische
lucht zich mengde met slechten tabaksrook.