HANNE NÜTE
EN
DE KLEINE POEDEL.
FRITS REUTER
Vertaald onder toezicht en bewerkt door
E. Laurillard.
ARNHEM–NIJMEGEN.—GEBR. E. & M. COHEN.
1891.
HANNE NÜTE EN DE KLEINE POEDEL.
1.
Toen ’t zomer werd, maar lente was,
Toen werden naar het groene gras
De jonge ganzen uitgedreven.
De landjeugd, vol van lust en leven,
Sprong links en rechts de deuren uit;
En ’t vroolijk-schaat’rend stemgeluid,
En ’t handenklappen, onder ’t dansen
In ’t licht der voorjaarszonneglansen,
Weêrklonk alomme vrij en blij.
„Kijk, Fiek! die zeven zijn van mij!”
„Kijk, Poedel! daar loopt de oude gent;
O, gansjes, die hem nog niet kent,
Past op maar, want de gent is valsch,
En als hij bijt, hij bijt niet malsch;—
Daar heb je ’t al!—Hou op, jou rakker!”
En, daad’lijk bij de hand en wakker,
Slaan hem de jongens op den kop
Met berketakken: „Toe! hou op!
Jou leelijkerd! allo! laat staan!
Geen gansje heeft jou iets gedaan.”
Zoo ging het daar in ’t groene gras,
Waar ’t schijnsel van den held’ren dag
Zoo rein en blinkend over lag,
Alsof ’t een zuiver laken was,
Breed op Gods tafel uitgespreid.
Toch is de disch nog niet bereid,
Althans aan zomerkost nog arm.—
Al is de zon zoo koest’rend warm,
De bloemen durven nog niet bloeien;
Wantrouwend voelen zij het gloeien
Dier stralen van den lentemorgen,
En houden schuchter zich verborgen.
Het ruig en stopp’lig winterkoren
Spitst luist’rend, scherp en fijn zijne ooren,
Of zich nog ’t ritselend in de lucht
Van hagel of van sneeuw doet hooren.
Het jonge blad, bedeesd, beducht,
Spreekt bevende de nachtvorst aan:
„Och, och! waart gij maar hier vandaan,
Dan zou ik vroolijk mij ontplooien
En lustig al de takken tooien.”
De boterbloem loert door de struiken,
Of zij zich reeds vertoonen mag,
Maar acht het beter weg te duiken
In ’t kruid, dat haar geboorte zag.
De zonnebloem kijkt uit de bladen,
Die haar omsluiten, naar omhoog,
Alsof zij uit het stralend oog
Der zon het antwoord wenscht te raden
Op hare vraag: „Wat denkt ge er van?
Denkt gij, dat ik verschijnen kan?”—
En overal, aan alle kanten,
Rolt de opgewonden jeugd in ’t gras;
En luchtig zijn die jonge klanten,
Alsof ’t reeds volle zomer was.
Deez’ zonder buis, die zonder pet,
De meesten op hun bloote beenen;
Ze dart’len door elkander henen
En hebben allen dolle pret.—
Lief groepjen in den zonneschijn!
Waar kan ’t op aarde beter zijn?—
En bij dat lustig kinderspel
Zat ééne stil. Ook zij had wel
Den gloed der vroolijkheid van binnen,
Maar zij was minder los van zinnen;
Ook had haar moeder haar gelast,
Dat zij zou breien. „Poedel” was ’t,
De kleine Fiek, van dertien jaren.
Nooit was er liever kind. Heur haren,
Heel kroez’lig door elkaâr gekruld,
Zijn nu, in ’t zonlicht, als verguld.
Dat licht, dat haar zoo echt gezond
Er uit doet zien, en hare lippen
Met rozetinten aan komt stippen,
Penseelt een glimlachje om haar mond
En dringt door ’t donker oog, vol gloed,
Tot in het diepst van haar gemoed.
En toen ’t daarbinnen onderzocht,
Hoe ’t met haar hartje wezen mocht,
Toen vond het alles daar zoo vredig,
Zoo blank, zoo rein, zoo trouw, zoo zedig;
En ’t sprak, als ’t ware: „Hier is ’t goed;
Dit zocht ik juist, zoo’n rein gemoed.”
En hierdoor kwam het dan ook, dat
Zij steeds iets zonnigs in zich had.—
’t Gejoel rondom haar duurt nog voort.
De kinderlach, door niets gestoord,
Blijft òm haar schallen blij en luid.
Maar ’t breien gaat niet hard vooruit.
Want nù komt kleine Doortje en legt
Haar bloemenstelen op de knie,
En eischt, dat zij een ketting vlecht’;
En dàn komt Peters Hannes, die
Van een verdorden, droogen stengel
Een fluit wil hebben.—„Domme bengel!
Een fluit van dat verdorde riet
Jou maken? Neen! dat kan ik niet.
Maar,—blijf hier voor mijn ganzen waken!”
Zij legt nu ’t breiwerk even neêr,
Loopt naar de beek en keert dan weêr
Met riet, waaruit iets is te maken.
„Kom hier nu, jongen! kijk goed toe,—
Dan leert ge ’t ook,—hoe ik dat doe,
En zing dan met twee bolle kaken:
Pipen, pijpen, pasterjaan! [1]
Laat de fluitjes vroolijk gaan!
Blaas den wind er lustig in,
Ruim van borst en blij van zin!
Maar, kom! mijn breiwerk komt niet klaar,
Car’lien! help jij hem verder maar.”
En nu de fluitjes zijn gemaakt,
Begint het feest eerst, en geraakt
De vroolijkheid in vollen gloed.
’t Is een geschetter en getoet,
Waar Lodewijk zijn best aan doet,
En Karel, Kris en Carolien;—
Ze fluiten allen door elkander,
De een op al scheller toon dan de ander,
En blazen, dat ze er rood van zien.
En Jochem Kort doet ook meê, die
Heel ernstig, met een dikken stok
Steeds vedelt op een elzeblok;
En voortgaat met die symfonie,
Ofschoon hem Fieken, ernstig zacht,
Het woord doet hooren: „Jochem, wacht
Dat ik je neus eens af kan vegen.”
De knaap verzet zich niet daartegen,
Maar vedelt immer dapper door;
’t Waar’ jammer, als hij tijd verloor.—
En daar komt Frits, en houdt zijn handen
Met heel veel zorg vast op elkaâr,
Terwijl zijn dikke wangen branden
Van vreugd. „Kijk, Fiek! wat heb ik daar?”
Zóó barst zijn hooge geestdrift los.
„Wat heb je dan?”—„Een mooie mosch.”
„Een jonge zeker?”—„Neen! een oude.”
„Laat zien.”—„Ja, als ik jou vertrouwde!
Neen, Poedel! ’k laat me niet bedriegen,
Jij zoudt hem aanstonds laten vliegen.”
„Welnu, dat was toch immers goed;
Laatst zei de meester nog: je moet
Zoo’n schuld’loos schepseltje niet plagen.”
„Ei, zoo? ’k Zal zijn verlof niet vragen.”
„Nu, als je’m thuis brengt, weet ik al,
Dat moeders hand je raken zal.”
„Dat doet zij toch; dus, ’t baat niet veel,
Wat je aanmerkt; ik krijg toch mijn deel.”
Maar eensklaps roept nu Poedel uit:
„Een wouw! een wouw!” en iedereen
Loopt ijlings naar zijn gansjes heen,
En allen roepen wild en luid:
„Een wouw!” En Frits, van moed aan ’t blaken,
Zoekt naar een steen, om hem te raken,
Maar onbedacht laat hij de mosch,
Zijn schoonen buit, een weinig los;
En,—tjielp! het vogelkijn ontvlucht,
En Frits roept: „O!”—en staat versteld
Te turen in de held’re lucht,
Waarin zijn mosch is weggesneld.
„Dat ’s jou schuld, Poedel! ’k Zal je ... neen!
Neen, Poedel! jij hebt niets te vreezen;
Maar ’t had een ander moeten wezen!
Die ging niet zonder ransel heen!”
Nu wijden ze allen hunne hoede
Aan ’t ganzenvolk, hun toevertrouwd,
Zoodat elk met zijn berkenroede
Zijn eigen troepje samenhoudt.
En alles keert tot de orde weder;
En de oude ganzen, wijs en vroed,
Zien, met gerekte halzen, neder
Op ’t grijzig-gele jonge goed,
Als om met zekerheid te ontwaren,
Of geen verloren is gegaan;—
Waarna ze op éénen poot gaan staan,
En lodd’rig in de hoogte staren,
Terwijl zij uit de diepste hoeken
Van ’t ganzenhart de wouwen vloeken.
Doch, de oude gent, zoo valsch van aard,
Is nog zoo spoedig niet bedaard.
Den kop omhoog, den hals vooruit,
De vlucht gespreid, stapt hij, al blazend
Met boos en dreigend sisgeluid,
Langs de and’ren heen, of vliegt, als razend,
De kind’ren aan, die wijd en zijd
Verstuiven dan, door schrik gedreven,
Maar toch nog lachen bij hun beven,
En bij ’t geroep: „Pas op! Hij bijt!”
Terwijl het beest zoo woest zich roert,
Komt met een zeer voornamen gang,
Op ’t pad, dat langs de weide voert,
Een man aan, deftig, strak en lang.
„Daar komt de bakker,” roept Frits Smidt,
„De rijke bakker; kijk! hoe wit
Is hij van hoofd tot voeten toch:
’t Is net een wandelende trog.
En als je ’t eens niet beter wist,
Dan zou je zeggen: ’t vol gezicht,
Waar zoo iets bleeks en weeks in ligt,
Dat is een klonter deeg met gist.”
En op dien deegklomp zat, behoorlijk,
Een muts van fijn en helder doek,
Met zeven plooien, heel bekoorlijk;
Ze had iets van een ketelkoek.
De bakker blijft zijn tocht vervolgen,
En denkt soms onderweg aan niets,
En somtijds denkt hij weêr aan iets.
Maar, zie! daar pakt hem, fel verbolgen,
Op eens de valsche gent in ’t been.
De schrik vliegt door zijn aad’ren heen.
Hij slaakt een bangen schrillen kreet,
En schopt en slaat; de gent houdt beet;
En al de ganzen gaan aan ’t snaat’ren,
En al de kind’ren staan te schaat’ren,—
Om d’angst en gramschap van den man,
Die trapt, al wat hij trappen kan,
Naar adem hijgend, gansch ontsteld.—
Een leven was het van geweld.
Ten laatste komt de bakker vrij,
Doch stuift nu op de kind’ren af,
Ontvlamt in toornigheid; maar zij,
Zij gaan aan ’t loopen, op een draf,—
De schoenen uit,—door struik en hagen,
Totdat ze ’t veilig kunnen wagen,
Om weêr een wijle stil te staan.
Dan zien zij hem al spottend aan,
En roepen sarrend: „Dapp’re vent!
Daar komt de gent! Daar komt de gent!”
En Fiek, die dat tooneeltje zag,
Schoot ook,—ze moest wel,—in een lach.
De bakker wordt dien lach gewaar,
En, daar hij de and’ren niet kan grijpen,
Pakt hij nu Poedel in het haar,
En schreeuwt: „Wacht, nest! jou zal ik knijpen.”
Maar allen uiten éénen kreet:
„Pas op, hoor! je doet háár geen leed.”
De een dreigt: „hij zal ’t aan moeder zeggen.”
En de ander neemt een smeektoon aan;
Elk zoekt het hierop aan te leggen,
Dat hij toch Poedel niet zal slaan.
En Hannes Peters zet zijn tanden
Schier raad’loos in zijn eigen handen,
En brult zoo luid van angst en smart,
Als drong een braadspit door zijn hart.
En poedel weeklaagt: „Laat me gaan!
Ik heb je niets geen kwaad gedaan.”
Toch wil de booze man haar slaan,
En tilt zijn arm— — —maar onverwacht
Krijgt hij een oorveeg heel onzacht.
Waar kwam opeens die klap vandaan?—
Hij ziet daar Hanne Nüte staan;
Smidsjongen, flink, en blank van ziel,
Schoon zwart van buiten; vlug en wakker;
Hij was ’t, die, als een inktvlak, viel
Op ’t mooie krijgsplan van den bakker.
„Wat doet dat kind jou, valschaard? zeg!
Je blijft er af, en gaat je weg!”
En trotsch kijkt hij den bakker aan,
Die jongen, zwart tot in zijne oogen;
De kind’ren komen aangevlogen
En blijven achter Hanne staan,
En roepen: „Toe maar! Sla er op!
Toe! sla den bakker op zijn kop!”
En: „Wou hij poedel slaan? die vent!
Zij deê hem niks; alleen de gent.”
Zoo kraaien ze uit hun veilig nest.
De bakker vond het nu maar ’t best,
Zijn mooie muts, met zeven hoeken,
Die afgezwaaid was, op te zoeken.
Hij zet die op; en nu, hij gaat,
Maar draait zich om, en zegt, heel kwaad:
„Wacht, deugniet! ik spreek jou wel nader,
Ik kom vandaag nog bij je vader.”
„’t Is goed,” is ’t antwoord; „ga je gang!
Hoor bakker! ’k ben voor jou niet bang.”
En Frits roept: „Wat een malle broek!
En wat een muts!—Een ketelkoek!”
En Jochem roept: „Die domme poen,
Wat wou hij onze Fieken doen?”
En Hannes Peters schimpt nu meê,
Maar jammert weêr van angst en wee,
Terwijl zijn blos tot wit verschiet,
Zoo vaak de bakker ommeziet.
„Wel, Fiek,” spreekt Hanne en streelt haar wang,
„Ben je erg verschrikt? Je moet niet schromen;
Die Judas zal niet wederkomen;
Hij doet ons niets; wees maar niet bang.”
En Fieken grijpt zijn zwarte hand,
En doet deelnemend hem de vraag:
„Maar, Hanne! krijg jij nu geen slaag?”
„Ja, als die laffe, valsche klant
Naar vader gaat, zou ’t moog’lijk wezen;
Maar,—neen, dat is toch niet te vreezen:
Als ’k lieg of lui ben, slaat hij mij;
Maar hier, neen! hier komt moeder bij,
Als voorspraak; neen! hier is geen nood;
En dit geval bloedt zachtjes dood,”—
En toen ging Hanne Nüte heen.
De kind’ren dartelden al weder,
Fiek zat weêr met haar breiwerk neder,
En ’s avonds merkten ze: geen een
Der kleine gansjes was verloren.
Zoo eindigde alles naar behooren.
Maar allen waren toch nog kwaad
Op dien zoo valschen, witten vent,
En roemden Hanne’s heldendaad,
En Poedel en den grijzen gent.
2.
Die Hanne was een een’ge zoon
Van Snoet, den smid, van ’t dorp Gallin
Doch Hanne noemde men niet Snoet;—
’t Is immers gansch niet ongewoon,
Maar ’t wordt bij dorpers veel gezien,
Dat men een naam verand’ren doet:—
Men noemde in ’t eerst den jongen Snüte,
En later werd het Hanne Nüte. [2]
En dezen naam moest hij behouden,
Al was ’t eene ergernis voor de ouden;
Vooral voor moeder, die, wanneer
Ze op straat dat Nüte weer moest hooren,
Van de achterkamer kwam naar voren,
En spijtig riep: „Wat hoor ik weer?
Altijd dat Nüte! ’t Is niet goed:
Hij heet niet Nüte, hij heet Snoet.”
Maar vader zei haar dan toch vaak:
„Och, kom! wat doet de naam ter zaak?
Als hij maar voortmaakt met zijn leeren,
En eens zijn ambacht goed verstaat,
En dan daarop aan ’t reizen gaat,
Wat kan hem dan die naam nog deren?
Dan gaat het hem toch zeker goed,
’t Zij dat men Nüte zegge of Snoet.”
Ook Poedel had,—wie kon daartegen?—
Op zulk een wijs haar naam gekregen.
Haar ware naam was Fieken Smidt.
Maar in het dorp Gallin was dit
De naam ook van twee and’ren nog;
En daar men ’t drietal meisjes toch
Behoorlijk diende te onderscheiden,
Gaf men òns Fieken en die beiden
Een bijnaam. De eene sprak wat zwaar,
En werd toen Stotter-Fiek geheeten.
Van de and’re was de gang wat raar,
Ze liep wat traag en afgemeten,
En werd Pantoffel-Fiek genoemd.
En ònze Fieken was beroemd
Om haar zoo mooien krullekop:
Daar zag die naam van Poedel op.
In ’t eerst had zij er hinder van,
Wanneer die naam haar werd gegeven,
En klaagde er over t’huis; maar dan
Zei moeder: „Kind! wees in je leven
Iets beters dan een poedel is,
En dan zal jou die naam gewis
Geen leed of schade kunnen doen.”
Dan gaf zij ’t kind een flinken zoen,
En sprak: „Gij zijt mijn beste meid;
Mijn oudste; en als ge in deugdzaamheid
Een voorbeeld zijt voor de and’re negen,
Dan treden die op goede wegen
Jou, net als schapen, achterna.
Maar als ge ooit slecht mocht worden, ja,
Dan zou ’k je lang niet malsch betalen.—
Kom! ga nu heen; ga groente halen.”
En Fiek groeide op, en evenzeer,
Met haar, die kring van de and’re negen;
En vaak moest zij dien ganschen zegen
Des huizes hoeden en verplegen,
Omdat de moeder meen’gen keer
Door and’ren arbeid was bezet.
En schoon het stellen van de wet,
En daarmeê ook het klappen geven,
Aan moeders wijsheid was verbleven,
Door Fiek moest worden opgelet,
Dat Doortje toch niet vallen mocht,
Of Karel met de bijl ging spelen,
Dat Frits met Lodewijk niet vocht,
Dat Jochem met de karrezelen
Van vader zich niet mocht bezeeren.
Dat Kris niet trachtte zich te scheren,
En dat zich Rika niet mocht branden,
Noch Hendrik op de smalle randen
Zich wagen van den waterput.
Zoo was zij van veelzijdig nut,
En groeide bij den arbeid op,
Frisch als een roos, rank als een pop;
Het hoofdje vroeg reeds vol van zorgen,
’t Hart helder als een lentemorgen,
De hand vereelt, de ziele zacht,
Aan deugden rijk, maar arm aan kleêren;
Zoo was zij, toen, in ’t huis des Heeren,
Haar vader haar voor ’t outer bracht.
Daar had ze een eereplaats, want zij
Stond bovenaan daar, in de rij.
De leeraar immers had gedacht,
Daar kwam geen stand of geld te pas,
Maar meer de vraag, wie ’t knapste was.
En toen zij stil en vroom daar stond,
Armoedig, maar toch rein en net,
Liep in de kerk ’t gefluister rond:
„Kijk! Fiek is bovenaan gezet.”
Maar Boldt, een rijke pachter, sprak:
„Moet dàt vooraan?—zoo’n bedelpak?”
En toen de kerk was uitgegaan,
Toen zei een haat’lijk boerenwijf:
„Wel, wel! dat heeft geen hemd aan ’t lijf,
En dat moet vóór al de and’ren staan!”
„Nu,” zegt smid Snoet, „dat is met recht;
Flink heeft zij alles opgezegd,
En vlug weet zij met alles raad,
Wat in den katechismus staat;
Die rijke boerendochters stonden
Daar als toegelakte monden;
Maar gijlui ziet maar op het geld
En dat wordt toch,—hoe men ’t begeere,
En hoe men den bezitter eere,—
Door God niet bovenaan gesteld.”
„Ja, vader!” zegt de wever Dijk,
„Op dat punt geef ik jou gelijk.”
En de oude schout Vermeulen zegt:
„Ja, meester Snoet! jij hebt het recht;
Zij is een deerntje, kloek en knap.”
De wagenmaker Windelstap
Stemt ook met deze lofspraak in.
En zegt: „Zij heeft zoo’n vromen zin,
En ze is zoo ijv’rig en zoo gauw,
En ze is zoo eerlijk en zoo trouw,
En die haar eenmaal krijgt tot vrouw,
Heeft, denk ik, zeker nooit berouw:
Een mooi gezichtje en ’t hart zoo goed,
Dat is voorwaar!— —maar daar komt de meester;
Ik zou u raden, vrinden! leest er
Hem,—die het immers weten moet,—
Nog eens op na.”—„Ja, vader Snoet!”
Zegt meester Zuur, „’k mag niet verbloemen,
Zij weet nog meer dan uw Johan,
En die is lang niet dom te noemen;
Maar oordeel en begripsvermogen,
Daar heeft hij zóóveel toch niet van
Als Fieken Smidt, wier heldere oogen
Den glans weêrkaatsen van een geest,
Die veelomvattend is en meest
Met fierheid zich verheft ten hoogen.”
„Bedaard!” zei Snoet. „Maak ’t niet te drok!
Maar ’k ben toch blijde er om, dat Smidt
Die met zoo’n bende kind’ren zit,
Op de oudste ’t hoogste nommer trok.”
Smid Snoet ging huiswaarts en vergat,
Door zijn gepeins, het middageten,
Terwijl hij op een plekje zat,
Waar hij al dikwijls had gezeten,
Wanneer hij iets te denken had.—
En daar viel altijd licht hem in.
Daar zat hij nù ook, met de kin
Op zijne handen, de ellebogen
Op zijne knieën, onbewogen.
Want zat hij zóó, en zat hij daar,
Dan kreeg hij ’t met de zwaarste zaken,
Die hem vervulden, eindlijk klaar,
En kon de hardste noten kraken.
Ook thans. Hij komt in huis en zegt:
„Kijk, vrouw! ik heb eens overlegd,
En ’k denk, gij zult gelijk mij geven,—”
En bij die woorden strijkt hij even
Langs hare wangen op en neêr;
Dat deed haar wel een weinig zeer,
Want, ja, haar huid had iets van leêr,
Maar zijne hand iets van een vijl;—
„Mij dunkt dan, lieve vrouw, dewijl
Die Fieken Smidt zoo braaf en knap is,
En ’t bij haar ouders nog al krap is,
Wij moesten, dunkt mij, dit of dat
Hun zenden op dit feestgetij:
Aardappels, meel, en nog zoo wat,
Bij voorbeeld, wat tabak er bij.
Johan kan ’t brengen, en een groet.”— —
„Ja,” zegt de vrouw, „maar, hoor eens, Snoet!
Sta mij dan toe, dat ik hem zeg,
Wat hij daarginder zeggen moet;
Want, zie je? jij kunt niet heel goed
Met complimenten overweg,
En als hij zegt, wat gij hem zegt,
Dan komt er niet veel van te recht;
En schoon ze armoedig zijn bij Smidt,
’k Hou van een groet,—bij wien ’t ook zij,
Die netjes in elkander zit.—
Kom hier, Johannes! hoor naar mij:
Je schiet je vest aan en je buis,
Je haalt de kar hier, en je zet
Daar alles op, en brengt het t’huis
Bij Smidt;—maar ga niet zonder pet.
Dan zeg je: Wel het compliment
Van vader en van moeder Snoet,
En dan was hier een klein present,
Omdat de grootte ’t juist niet doet,—
En dat aan Fieken, heel haar leven,
De Heer dàt alles moge geven.
Wat haar kan nuttig zijn en goed.—
Nu weet je, wat je zeggen moet.”
De jongen weet het en hij gaat,
Zijn vrachtje kruiend, door de straat,
Terwijl het ouderpaar, met vreugd
In ’t oog, hem na te kijken staat.
En de oude Snoet zegt, recht verheugd:
„’t Is toch een jongen, flink en rap:
En ook in ’t ambacht is hij knap.
Gaat hij zoo voort, dan moet hij maar
Ons huis uit, in een volgend jaar,
Om zich al reizend te volmaken
In ’t vak.”—„Nu,” zegt de vrouw, „dan zal
Dat Nüte zeggen, dat ik al
Zoolang zoo laf vond en zoo mal,
Allengs wel uit de mode raken.”
3.
De tijd ging voort. En op een keer
Bezocht de smid dat plekje weêr,
Waar, als een plan in ’t hoofd hem zat,
Hij al zoo vaak gemijmerd had.
Hij peinst ook nu en weegt en wikt,
Of dit wel kan en dat wel schikt,
En wat misschien zijn goede vrouw
Van dit en dat wel zeggen zou.
Intusschen denkt zij ook, en zegt:
„Wat hij daar nu weêr overlegt?
Zóólang blijft hij toch zelden uit;
Hij weet, het eten staat hier klaar;
Toch komt hij niet; hij is soms raar!
Johan! weet jij, wat dat beduidt?
Heb je ook met vader iets gehad?”
„Ik? neen!—’k Heb naar zijn zin gewerkt.
Ik legde een band rondom een rad;
Hij keek er naar, en ’k heb gemerkt,
Dat hij daarin genoegen vond.
Ook zei hij iets, terwijl hij lachte,
Maar binnensmond en in gedachte,
Zoodat ik niets daarvan verstond.”
„’t Is vreemd,” zegt moeder. Maar daar kwam
Haar echtvriend binnen, en hij nam
Een toon vol ernst aan en gewicht,
En sprak: „Hoor, vrouw! ik kreeg weêr licht
Op ’t plekje, waar zoo menigmaal,
In de eenzaamheid, een held’re straal
Van wijsheid door mijn hersens schoot.
Hoor toe! Johannes wordt al groot,
En hij is krachtig; want een hand,
Die om een wiel een ijz’ren band
Van zes duim dikte leggen kan,
Dat is de hand haast van een man,
Die twee man waard is. Nu, Johan!
God gaf je knokkels, hard en sterk,
Ik leerde je de smederij,
De meester deed er ’t zijne bij,
De dominé deed ook zijn werk,
En moeder ging je in ’t goede voor,—
Dus, nu voor ’t vak aan ’t reizen, hoor!
Ik maak je morgen smidsgezel,
En dan maar voort, en ’t ga je wèl.”
„O!” zegt nu moeder, „dat is goed,
Dan hoor ’k dat Nüte toch niet meer,
En je echten naam krijg jij dan weêr,
Dan ben je weêr Johannes Snoet.”
En toen zij dan, den and’ren dag,
Als smidsgezel hem vóór zich zag,
Begon zij dapper zich te weren,
Om ondergoed en bovenkleêren
Te brengen in een goeden staat;
Zij naait en stopt tot ’s avonds laat.
En midd’lerwijl heeft vader Snoet
Een nieuwen jongen aangenomen,
Die, in Johannes’ plaats gekomen,
Nu aan den blaasbalg trekken moet.
De laatste Aprildag is verschenen,
En Hanne gaat nu, langs de rij.
Huis in, huis uit, door ’t dorpje henen.
„Vaarwel, vrouw Smidt! Vaarwel ook gij,
Mijn kleine Poedel!—Denk aan mij!”—
En zoo, bij ’t allengs verder gaan,
Komt hij ook bij den meester aan,
Die bij zijn bijenkorven staat,
En ’t gonzend volkje gadeslaat.
„Dag, meester Zuur! Ik ga op morgen
De wereld in.—Dank voor de zorgen,
Die gij voor mij steeds hebt gehad,
Toen ’k nog op uwe schoolbank zat.”
„Wel zoo, mijn Hanne! gaat gij weg?
Maar,— —’t past niet, dat ik Hanne zeg;
Mij dunkt, ’k mag wel mijnheer gaan zeggen.
Ja, kleine kind’ren worden groot;—
Dat stond ik juist daar te overleggen,
Doordien me in de gedachte schoot,
Hoe treffend de gelijkenis
Van jonge lui met bijen is.
Eerst vliegt het bijtje door den hof;
Maar ’t duurt dan ook niet lang meer, of
’t Begint zijn tochten uit te breiden,
Al verder, verder,—en het trekt
Tot naar de verste klaverweiden.
Want, zie je? ’t allerbeste insect
Voor bijen is de witte klaver,
Gelijk voor ’t paardenras de haver.
En als de beestjes wederkeeren,
Ze zijn met honig opgevuld.
Heb nu een weinigje geduld,
En luister goed naar mij; gij zult
Den zin dan van mijn beeldspraak leeren.
Gij ook, gij vliegt nu, als de bij,
Voor ’t eerst de wereld in; ook gij
Keert eens met honig heel verheugd,
Naar huis terug. Uw zuigvermogen
Is de arbeid, die u zal verhoogen;
De honig zelve is hier: de deugd,
Maar,—nog iets. Toen ik had vernomen,
Dat gij tot afscheid hier zoudt komen,
Toen heb ik fluks een brief geschreven,
Dien ’k u wel wenschte meê te geven.
In vroeger jaren,—moet gij weten,—
Heb ’k in Silezië gewoond,
En voor een meisje Trees geheeten,
Niet ongevoelig mij betoond;
Integendeel, de band was innig,
Die ons verbond; zij was aanminnig
En mooi; een wever was haar vader,
En heette Antonie David Kader;
Haar broeder had den naam van Hans,
En moet bij Polkwitz wonen thans.
Wanneer gij haar soms mocht ontmoeten,
Geef haar deez’ brief met mijne groeten,
En zeg haar dat nog steeds mijn geest
Dien tijd herdenkt, die van mijn leven
De schoonste en zaligste is geweest,— —
Maar,— ’k mag mijn vrouw geen argwaan geven.”
Ach! arme meester! arme Zuur!
Zijn vrouw stond bij de bijenschuur,
En sprong te voorschijn, gansch verwoed:
„Laat mij dien brief eens lezen, Snoet!”
En zij bemachtigt, met een ruk,
Den brief en breekt het zegel stuk.
„Mijn heerlijke engel!”—„Al mijn leven!
Dat heeft mijn achtb’re man geschreven!”—
„’t Papier, door uwe hand ontvouwd,
Komt van uw vriend,—helaas! getrouwd.”
„Helaas?—Dus, hij beklaagt het zich.
Ik dacht, hij schreef aan pachter Zwingen
Om een gezonde, vette big,—
Ja wel! het geldt gansch and’re dingen.”
„Mijn vrouw is op vermaak gesteld,
’t Is waar, zij had een beetje geld,
En ze is bekwaam om huis te houën;
Toch kan ’t niet anders dan mij rouwen,
Dat ik een mensch als zij ging trouwen.
Als ik nog denk aan u, mijn beeld!
Die ’k vaak gekust heb en gestreeld.”
„Foei! hoor mij zulk een taal eens aan!
En heeft zij dat dan toegestaan?
En moest dan nu die nucht’re bengel
Zoo’n brief bezorgen bij zoo’n engel?
En dat van iemand, die moet leeren,
Dat ieder plicht en deugd moet eeren!”
En de arme meester, gansch ontdaan,
Roept smeekend: „Doortje! hoor mij aan!”
„Wat? ’k Wil niets hooren! ’t Is niet noodig.
Ik heb ’t gelezen. Dus, je moet,—
Want ik ben hier nu overbodig,
Ik doe je zaken toch niet goed,—
Je moet dat mensch hierhenen voeren,—
Die engel,—om jou brij te roeren,
En, engelachtig, op haar hurken
Je bier te tappen en te kurken,
Je kamer zind’lijk te doen blijven,
Je kousen altijd knap en heel,
En geitenvoêr bijeen te rijven,
En hout te halen,— —weet ik veel?
Maar ik, die nu niet meer kan deugen,
Nu ’t engeltje, zoo lief en fijn,
Jou gek maakt, ik zal mij verheugen,
Als door den gloed van deze liefde,
Die mij zoo krenkte, mij zoo griefde,
Je meelpap aangebrand zal zijn!”
En daarop frommelt zij verwoed
Den liefdebrief in duizend kreuken,
En springt naar binnen, in de keuken,
Waar zij ’t gebrom nog hooren doet:
„Dat weeklaagt over minnepijnen,
Met grijzen kop en met een huid,
Zoo rimp’lig als een tros rozijnen!”
En dan kijkt zij de deur weêr uit,
En, dreigend met een bezemsteel,
Herneemt ze: „Laat die engel komen,—
Dan geef ik haar en jou je deel,
Voor al je mooie liefdedroomen!”
Haar man staat voor haar, gansch ontdaan,
En spreekt: „Maar, Doortje! hoor mij aan;
’k Schreef zoo maar wat, om wat te schrijven;
’t Zijn woorden, en daarbij zal ’t blijven.
Mijn Doortje, Dora, Dorothee!
Je weet toch, jij bezit mijn hart;
En kon ik zeggen hoe ’t mij smart,
Dat deze zaak u....” Maar, o wee!
Zijn lieve vrouw, nog gram te moê,
Kletst met een smak de keuken toe.
Hij krabt, onthutst, zich achter de ooren,
En spreekt nu tot den jongen smid:
„Wanneer gij naar mijn raad wilt hooren,
Trouw dan maar nimmer, want er zit
Iets zwaks en nukkigs in de vrouwen;
Je kunt ze nooit geheel vertrouwen.
Ik schreef dien brief; maar ’t was, dewijl
Ik me oef’nen woû in dezen stijl;
Want dat is eene van die zaken,
Waar ’k nog een winstje meê kan maken;
De liefde toch blijft overal,
Waar jongelui zijn, in de mode;
En nu ben ik wel niet zoo mal,
Dat ’k een verliefde worden zal,
Maar ’k schrijf die brieven om den broode;
En aan dat vak verdien ik meer
Dan aan de jongens, die ik leer.
De liefde is een gewichtig ding;
Maar die haar gloed in ’t hart onving,
Kan zelden goed zijn woorden vinden;
De Hemel moog’ twee harten binden,
De Hemel zegt daarbij niet, hoe
Zij spreken moeten tot elkaâr;
En daarom is elk minnend paar
Heel blij, als ik dat voor hen doe.
’t Kon soms gebeuren dat ook gij
Me eens noodig hadt; nu, spreek dan vrij,
De prijs zal billijk zijn. En nu,
Vaarwel, mijn vriend! ’k beveel me aan u!”
„Vaarwel,” zegt Hanne, „meester Zuur!”
En loopt nu langs den kerkhofmuur,
En treedt na een minuut twee, drie,
Den tuin in van de pastorie.
4.
En de oude dominé, bekoord
Door ’t zacht en heerlijk lenteweêr,
Loopt in de schaduw op en neêr.
Zijn harte lacht, zijn oogblik gloort
Van vreugde, dat hij nog een keer
Weêr ’t groen geboomte en ’t jonge graan
In frisschen dos daar mag zien staan.
Een blosje tintelt op zijn koon,
En lustig zet hij ’t mutsje schuin,
En ziet in ’t rond, van uit zijn tuin,
En vindt de wereld weêr zoo schoon.
Zoo stapt hij heen en weêr. Maar, zie!
Daar staat hij stil. „Zie ’k wèl, Sophie?
Is dat daar Hanne Nüte niet?”
„Ja, vader.”—„Hé, wat die hier doet?
Hij ziet er krachtig uit en goed,
’t Is een gezicht als melk en bloed;—
’t Is vreemd, maar in de lente ziet
Er alles helder uit en frisch,
Wat anders grauw en donker is.
Zoo’n smid zelfs, waar gij anders, wis,
Geen and’re kleur dan zwart aan vindt,
Heeft nu een appelbloesemtint.”
En Hanne, naderbij getreden,
Neemt van zijn hoofd den vilten hoed,
En geeft, en krijgt ook, hand en groet.
„Wel zoo, mijn zoon! wat voert u heden
Zoo naar mij heen?”—„Wel, domeneer!
Ik was bij vader in de leer,
Maar ben nu smidsgezel, en ’k moet
De wereld in.”—„Zoo, zoo! dat ’s goed.
Sophietje, ga en zeg,—maar snel,—
Aan moeder, dat de smidsgezel,
Johannes Snoet, ons zijn vaarwel
Komt brengen hier, en dat ze eens even
Een flesch en glazen ons moest geven.”
En zoo geschiedt. Het tweetal zit.
„Wel zoo,” spreekt de oude man, „mijn smid!
Gij zult alzoo aan ’t reizen gaan.”
„Ja, morgen ga ik.”—„Zoo! dat ’s goed;
Gij vangt op ’t rechte tijdstip aan.
Met Mei krijgt alles nieuwen gloed,
Met Mei is alles frisch en schoon;
Dan ziet men alles bloeien, blinken,
Dan hoort men ’t leeuw’rikslied weêrklinken,
Met wonderzoeten zilvertoon.
Deswegens is ’t ook zeer terecht,
Wanneer het oude deuntje zegt:
’k Laat vandaag mijn zaken rusten;
’k Ga op reis, hoezee!
Weg de lasten! Nu de lusten!
Wie gaat met mij meê?
De eerste Mei is weêr gekomen,
Nu den wandelstaf genomen!—
Wie gaat met mij meê?
Maar, zeg! is u mijn wijn te min?
Drink uit; ik schenk u nog eens in.
Ja,—stonden mij mijn stand en jaren
Maar niet belemm’rend in den weg,
’k Ging met je rijden, loopen varen;—
Ik meen het ernstig, wat ik zeg.
En waar gaat nu de tocht zoo heen?”
„Mijn vader meent, ’k moet niet alleen
Door Zuid- en Midden-Duitschland trekken,
Maar mijne reis heeft tot aan ’t strand
Van België zich uit te strekken,
Misschien wel tot in Engeland!”
„Welnu, dat oordeel is verstandig;
Een mensch moet altijd in één’ zaak
Recht kundig willen zijn en handig;
En dit beschouwen als zijn taak,
Dat hij van verre en van nabij,
Verzamele al, wat de waardij
Van zijne kennis kan vergrooten,
Opdat hij bij zijn vakgenooten
In waarheid man en meester zij.
Maar oordeelt moeder evenzoo?”
„O neen! die meent, naar Teterow,
Of, op zijn hoogst, ja, dan tot Schwaan;
Maar verder zou ’k niet moeten gaan.”
„Dat dacht ik wel; zoo zijn altijd
De moeders; nu, ik kan ’t verklaren:
Ze zijn niet gaarn’ haar kind’ren kwijt,
En vreezen overal gevaren.
Met dochters kan er dat door heen;
Die kan een moeder t’huis bewaren;
Maar voor een jongen zeg ik: neen!
Een jongen moet, op zeek’re jaren,
De wereld in; daar moet hij leeren,
Der menschen handel te begrijpen,
Zijn ruwe kanten af te slijpen,
Den stoot door tegenstoot te keeren;
Den last te dragen of te mijden,
En hier te helpen, daar te strijden,
Totdat hij heeten mag: een man,
En ook zich zelv’ beheerschen kan.—
Kom aan! Daar moeten we eens op drinken,
Daar moet het glas eens ferm op klinken,
Dat gij, aldus tot man verhoogd,
Eens herwaarts wederkeeren moogt.—
Nu nog één ding: kunt gij ’t verbinden
Aan ’t ernstig doel van uwen tocht,
Dan zou ’t wel goed zijn, als gij zocht
Uw staf met bloementooi te omwinden:
Trek door de schoone Duitsche landen,
Bewonder berg en dal en woud,
En stroomen, die, als zilv’ren banden,
zich bochtig sling’ren langs de randen
Der korenakkers, geel als goud.
Begroet de eerwaarde, grijze steden,
Gesierd door orde en goede zeden,
En brengt dàt oord mijn groetenis,
Waar deze wijn gewonnen.—
Mijn zoon! eens was ik jong, als gij,
Nu ben ik oud; maar van die dagen,
Toen ik den grooten sprong moest wagen,
Ligt nog mij de herinn’ring bij.
Gij hebt wel Jena hooren noemen?
Nu, daar ben ik student geweest;
Dat was een tijd van licht en bloemen,
Dat was een leven als een feest.
Wat praat uw moeder toch van Schwaan?
Uw vader van het land der Britten?
Neen! die te Jena komt te zitten,
Zit aan een godentafel aan.
’k Heb daar aan alles meêgedaan.—
Maar,—wacht eens even, vrind! je glas
Is leêg, en dat komt niet te pas.—
Welnu, toen ’k nog te Jena was,
Gebeurde ’t soms ook, dat we samen
Het marktplein tot een kampplaats namen.
Dan ging ’t er soms onstuimig toe,
Met bloote degens,—weet gij, hoe?”—
En hier nam hij een boonenstaak.—
„Kijk, zoo! zoo ging het wapen dan,
En bijna ied’re stoot was raak,—
Daar kunt ge staat opmaken, man!”
En, al vertellend, doet hij na
Hoe dan de blanke degen ging,
En, warm bij die herinnering,
Zingt hij met luider stem dit lied,
Maar wordt beluisterd door zijn gâ,—
Doch in zijn geestdrift merkt hij ’t niet:—
„Laat ons klinken! Jena leve!
Hoera! hoera! hoera!
’t Saaie ras der ploerten sneve!
Hoera! hoera! hoera!”
Maar nu komt vrouwlief voor den dag,
En schudt het hoofd, en spreekt: „Ik mag,
Ik wil zoo’n wereldsch lied niet hooren;
Een wanklank is het in mijne ooren.”
„Ja, vrouw! je hebt geen ongelijk,
Maar ’t lenteveld, aan vreugd zoo rijk,
De parelende wijn en dan
’t Herdenken van die schoone tijden,
Waar zóóveel goeds me in mocht verblijden,—
Daar werd ik opgewonden van.
Intusschen, gij, mijn zoon! wees wijs,
En stel niet op te hoogen prijs
Wat de aarde u biedt, want ijdel is ’t;—
Een waarheid, waar in oude dagen
Reeds koning Salomo van wist.
Laat de aarde u niet te veel behagen.
De kunst is lang, en kort is ’t leven.
En ’t schepsel dezer wereld is
Aan jammer en verderfenis,
Aan diepe ellende prijs gegeven,
Maar, hoor!—Daar slaat een nachtegaal.
Wat spreekt die toch een schoone taal!
Men wordt,—maar, laat ons niet vergeten;
De wereld is met schuld bedekt,
De wereld is met schand bevlekt;
Zij heeft haar rang en roem versmeten.—
Maar, luister! hoor! daar klinkt het weêr
Dat blijde nachtegalenlied;
’t Glijdt troostvol in ons harte neêr;
’t Is of ’t aan hooger sfeer ontschiet,
’t Is of het uit den hemel daalt,
En zachtkens, ja, maar toch met kracht,
Ja, krachtig, maar toch ook zoo zacht,
Ons harte naar den hemel haalt.—
Doch nu genoeg. Vaarwel mijn vrind!
Gods zegen moge u vergezellen.
’k Zal later u wel eens vertellen,
Waarom ik de aard verdorven vind.”—
„Vaarwel, mijn waarde domeneer!”
Zegt Hanne, en gaat het tuinhek door;
Maar de oude roept hem nog eens weêr,
En zegt: „Nu, goed onthouden, hoor!
Is ’t mooglijk, dat ge Jena ziet,
Verzuim vooral dan dàt toch niet.”
5.
Den and’ren dag staat meester Snoet
Bij ’t aanbeeld, en hij slaat en slaat,
Dat hem de vonken, wit van gloed,
Al knett’rend spatten in ’t gelaat;
En ’t sist en bruist en klinkt en knalt,
Dat heel de smidse dreunt en schalt,
„Toe, jongen! trek wat beter dan!”
De blaasbalg-jongen doet zijn best,
Tot dat hem schier geen kracht meer rest;
Hij trekt en trekt, al wat hij kan,
Terwijl zijn neus geluiden geeft
Of hij een blaasbalg in zich heeft.
De baas is heden lang niet mak;
Barsch is zijn toon, en op zijn wezen
Staat strenge en donkere ernst te lezen.—
Daar komt Johan, met pak en zak,
Door zijne moeder begeleid,
Die alles goed heeft toebereid.—
Daar komt hij nader, vlug en kloek;
In de eene hand zijn nieuwen hoed,
Heel net gebonden in een doek;
In de and’re een stok. En welgemoed,
Zou men zoo zeggen, liep hij daar.
Toch was ’t hem om het hart zoo raar:
Hij vroeg zich zelv’, niet zonder beven,
Wat lot hem wachten zou; wat leven
De wijde wereld hem zou geven;— —
Hij was maar liever t’huis gebleven.
En moeder, ook niet blij te moê,
Den blauwen boezelaar voor de oogen,
Om zich de tranen af te droogen,
Spreekt hem met ernst en weemoed toe:
„Och! ga toch niet te ver van huis;
’t Zou mij een kwelling zijn, een kruis,
Indien ge ons Mekklenburg verliet;—
’t Is groot genoeg; ga verder niet;
En, denk er om, hoor, jongen lief!
Schrijf ons gedurig eens een brief.”
Nu zucht ze en weent met bang gesnik;
En toch, in dezen oogenblik
Doortintelt te gelijk een gloed
Van fiere weelde haar gemoed;
Want dit was niet te ontkennen, dat
Ze een knappen, fermen jongen had.
Zoo komen ze, aan elkanders zij,
De deur in van de smederij,
Waar vader steeds nog bezig is,
En zich ’t geknap nog en ’t gesis,
Van ’t vuur, op ’t aanbeeld en den haard,
Aan ’t hijgen van den blaasbalg paart.
„Och, vader!” zegt vrouw Snoet;—„Johan,—”
Ook hij zegt: „Vader!”— —de oude man
Geeft d’een noch de andere gehoor,
En smeedt maar immer dapper door.
„Hij is nu hier”—„’k Ben hier gekomen;”— —
Snoet heeft een staaf, geheel in gloed,
Intusschen uit het vuur genomen,
Die hij, als was, zich krommen doet,
Bij ’t dreunen van de hamerslagen,
Die stroomen vonken opwaarts jage.
„Maar, man! hebt gij nu niets te zeggen?”
„Ja vader! ’k ben voor ’t afscheid hier.”
„Wat?” antwoordt de oude; „is dat manier?
Je moest eerst beter overleggen,
Jong mensch, die aanstonds heen zult gaan,
In wat verhouding wij nu staan;
Ik ben de meester nu en gij
De smidsgezel; vergeet dat niet;
Het vader-zeggen is voorbij.”
En bij die strenge toespraak schiet
Het bloed den jongen naar ’t gezicht,
Zoodat er hooge gloed op ligt,
Als op de staaf, die vader smeedt.
Hij gaat de werkplaats uit en treedt
Nu nog eens toe, maar blijft dan staan,
En ziet met eerbied vader aan,
En spreekt: „God zeeg’ne baas en knecht?
Is ’t mij geoorloofd in te komen?”
„Zoo!” zegt nu de oude, „zoo is ’t recht!
Beleefdheid dient in acht genomen;
Daar zult gij altijd wel bij staan;
Zij doet de deuren opengaan.
Gij reist dan straks de wereld in:
Welk deel van ’t ambacht uwen zin
Bij voorkeur trekken zal en boeien,
Daar wil ’k me niet meê bemoeien;
De hoofdzaak is, Johannes! leer,
En,—kom terug als man van eer.
Maakt u het werk van buiten zwart,
Rein blijve steeds daarbij uw hart.
Is de arbeid af en ’t vuur gedoofd,
Wasch u de handen dan en ’t hoofd;
Niet zuiver is het in ’t gemoed,
Zeg ik maar altijd, van den man,
Die, als hij net zich maken kan,
Daartoe geen lust heeft en ’t niet doet.—
Drie jaar is lang, nu, in onze oogen:
Maar kort, wanneer ze zijn vervlogen:
Te lang, om niet voor schâ te vreezen,
Indien ze roek’loos zijn doorleefd;
Te kort, om in volleerd te wezen,
Ook als men trouw gearbeid heeft.
Reis rond, maar zij uw oog niet blind;
Merk alles op, maar wil niet meenen,
Dat alles goed is, wat gij vindt;
En dan, mijn zoon; onthoud steeds dit:
Wanneer ge iets vindt, waar vuil aan zit,
Blijf af, en wend u elders henen.
Leg alles, wat je in ’t harte vaart,
Eerst op den gloeiend heeten haard;
En, al is ’t vuil er afgegaan,
Dàn frisch en vlug de tang er aan!
En dan, hou vol maar op den duur,
En smeed je werk in zuiver vuur!
En hebt ge alom eens rondgekeken,
En kom je weêr in deze streken,
Dan mag je, als dat je kan behagen,
Bij mij nog weêr eens komen vragen,
Of ik je ook soms gebruiken kan.
Maar, reeds genoeg! Vaarwel Johan!
Blijf moeder en ook mij gedenken;
En nu,—kom hier, zet af je hoed,
Mijn zoon, ’k wil u mijn zegen schenken:
Nog zijt gij goed; blijf immer goed!”
En bij die woorden legt de vader
Zijn zoon de handen zeeg’nend op;
Maar neemt dan afscheid, treedt weêr nader
Bij ’t haardvuur; en de hamerklop
Rinkinkt en dreunt en klettert weder;
De blaasbalg gaat weêr op en neder;
De vonken flikk’ren weêr in ’t rond.
Maar, wat hij zonderling toch vond,
’t Was telkens, of juist in zijne oogen
Die opgespatte vonken vlogen:
Daar telkens in elk oog iets zat,
Dat hij er uit te vegen had.
6.
Johan, de werkplaats uitgetreden,
Krabt mijm’rend met zijn stok in ’t zand;
En wischt gedurig met zijn hand
Een traan zich af, zijn oog ontgleden,
Bij ’t hooren van wat moeder zegt,
Die nog een tal verscheidenheden,
Tot ééne les te zamen vlecht.
„Pas goed op je horloge, hoor!
En zorg ook voor je nieuwe jas;
Loop niet te lang aan één stuk door;
Drink niet te veel en niet te ras,
Wanneer je warm bent of bezweet;
Zoo spoedig krijgt een mensch het beet!
Maar, ’t is ook waar,—och! wacht eens even;
Ik heb je nog iets meê te geven;
Is ’t mogelijk, dat ik dàt vergeet?”
Zij loopt in huis en komt heel vlug,—
—Een fleschje in hare hand,—terug;
„Deez’ droppeltjes zijn zoo probaat,
Wanneer je soms aan maagpijn lijdt;
Daarmeê heb ik het dikwijls kwaad,
Maar die ontspannen mij altijd.
Groet mijne zuster ook, te Schwaan;
Zeg haar, dat gij op reis zult gaan,
En geef haar ook eens te verstaan,
Dat onze goede domeneer
Je heeft betiteld als mijnheer!
En,—nòg eens,—doe me geen verdriet,
Verlaat ons Mekklenburg toch niet;
’k Weet waarlijk niet, wat dat beduidt,
Den tocht zoo heel ver uit te strekken,
Want in de rondte kan men trekken
Het zooveel mijlen als rechtuit.
Hier, in dit buideltje,”—en een traan
Rolt langs haar wang, terwijl zij ’t zegt,
„Heb ’k nog eene beetje geld gedaan;
Het groeide tot acht daalder aan,
Heel spaarzaam voor jou opgelegd.
Maar vader weet, dat ik het deed;
’k Wil nooit iets doen, dat hij niet weet;
Hij vond het goed; hij wist wel, dat
Ik daar zoo’n groot plezier in had.
Nu, dag, Johan! schrijft ons eens spoedig!”
Zij buigt den jongen tot zich heen,
En kust hem nog eens, en weemoedig
Hervat zij, onder stil geween:
„Dag mijn Johan! De Heer verzell’
Je op al je wegen, hoor! mijn jongen!”
En hij, als zij, van wee doordrongen,
Hij zegt: „Dag, moederlief! vaarwel!”
En nu, moet hij weg. Hij gaat,
En met een vlijm in ’t harte, staat
Zijn moeder hem nog na te staren,
En drukt haar boez’laar aan den mond,
Alsof zij ’t maar het beste vond,
Dat zij zich zoo de lippen bond,
Die nog geneigd tot spreken waren.
Toch lispt ze nog, hem achterna:
„Ja! ga met God! mijn jongen! ga!”
Maar, toen hij bij den hoek haast was,
Toen viel haar, dacht ze, juist van pas
Een zeer gewichtig ding nog in.
„’t Is waar!—de jongen mocht zijn zin
Misschien eens op een meisje zetten,
Daar, in den vreemde; nu, dat zou
Me een oorzaak zijn van leed en rouw;
Dat moet ik trachten te beletten.”
Zij loopt hem na. „Mijn zoon, Johan!
’k Heb nog één wensch; dien moet ik uiten.
Ik bid je, wat ik bidden kan.
Och! wil toch nooit er toe besluiten,
Te trouwen met een vreemde vrouw.
Mij dunkt, ja, ’k weet het niet, maar ’k zou— —
Ja, ’k weet niet, wat ik liever wou.
Dat vreemde goed heeft geen verstand
Van huis en keuken, tuin en land,
En babbelt me zoo’n rare taal;
Och, jongenlief! ik bid je, haal
Je een vrouw, als ’t zijn moet, van de straat,
Om ’t maar eens platweg uit te spreken,
Mits, dat haar deugd u is gebleken,
En zij behoort in deze streken,
En dus ook onze taal verstaat.—
Je hebt nu immers in je zak
’t Horloge wel?—Maar, wacht! dat pak,
Daar zit je jas in, en ’t gaat open;
En ’k heb hier niets om ’t dicht te knoopen.
Of, ja,—ja, toch,”—En beî haar handen
Zijn fluks aan ’t fromm’len om haar been,
En,—één van hare kousebanden
Slaat ze ijlings om het pakje heen.
Johan trekt verder. En als dan
Haar blik hem niet meer volgen kan,
Gaat zij den tuin in, zielsbewogen,
En tranen vallen uit haar oogen,
Terwijl zij telkens nederbukt,
En hier en daar een bloempje plukt.
Zij legt die in haar bijbel neêr,
Waarin haar trouwdag stond geschreven,
En ’t meisje ook stond vermeld, weleer
Door God haar op den schoot gegeven,
Maar door haar, na een vluchtig leven,
Weêr afgegeven aan den Heer.
Zij schreef, zoo goed en kwaad, als ’t ging
Daarbij deez’ woorden van heur harte:
„Één Mei.—Toen ging mijn lieveling
De wereld in. Met diepe smarte
Staar ik hem na. God! breng hem weder,
En zie op hem in liefde neder;
En, wat hem op zijn weg ontmoet,
Dat zij hem goed; ’t zij alles goed!—
Gallin.—Car’lien, de vrouw van Snoet.”
Johan gaat nu door ’t dorpje heen.
De landjeugd staakt het vroolijk spel
En roept: „Dag, Hanne! ’t ga je wel!”
En Hanne groet ook iedereen,
En houdt zich groot en welgemoed,
Terwijl op weg het kleine goed
Zoo af en toe zich hooren doet:
„Kijk toch eens, wat een mooie hoed!”
„En wat een mooie blauwe rok!”
„En wat een mooie gele stok;
Dat is jeneverboomenhout,
Mijn vader heeft hem zelf gesneden;
Je kunt wel zien, die stok is echt.”
En Fiekens broertje, Jochem, zegt:
„Och, ware ik ook nu al zoo oud!
Ik heb óók altijd zin in ’t smeden.”
„Ik weet wat!” roept nu August Schult,
„Wij tellen ikke tikke, tak,
Wie werkman zijn zal; en die vult
Zijn buis met steenen, tot een pak,
Dat de anderen dan moeten stelen:
Wij willen Hanne Nüte spelen.”
De vrouwen laten ’t huiswerk staan,
Hier eene ’t schillen, daar een’ ’t schuren,
Om over de onderdeur te turen:
„Kijk! Hanne Nüte komt daar aan.”
„Zoo, Hanne! ga je?—Hou je goed!”—
„Een heel gemis voor moeder Snoet!”
„Dat kan je denken: zoo maar één!”
„Och ja: mijn Kris moet ook haast heen.”
„Wat zeg je?”—„Ja, in ’t andere jaar
Is hij dragonder of huzaar;
Weet ik het? Maar dit zeg ik maar,
Als je iets gaat krijgen aan je kind’ren,
Dan gaan ze weg; je komt op jaren,
Dan wou je, dat ze bij je waren;—
Vergeefs!—Dat kan me soms zoo hind’ren.”
Zoo spreekt vrouw Snor, en haar gemoed
Schiet vol, terwijl ze Hanne groet.
En allen geven hem een hand,
Waaraan zij ’t woord van afscheid paren:
„Vaarwel! en moge u God bewaren,
En wederbrengen hier in ’t land!”
Maar Doortje Bung, een frissche meid,
En altijd vol van dartelheid,
Roept lachend: „Nu, Johannes Snoet,
Kijk goed uit je oogen, man! kijk goed,
Opdat je een mooie keuze doet:
’t Moet niet te klein zijn of te groot;
Ook moet het blank zijn en toch rood;
En slaag je ginds niet in je wenschen,
Welnu, hier wonen óók nog menschen.”
En Hanne zint ook op een grap,
Maar ’t lukt niet; en hij knikt alleen;
En gaat dan met bedaarden stap,
Al verder door de dorpsstraat heen.
Zoo komt hij op den landweg aan,
Waar hij een wijle stil blijft staan.
Wat valt hem nu van alles in!
Al, wat hij sinds zijn kindsche jaren,—
Toen onnadenkend,—had ervaren,
Krijgt nu beteekenis en zin.
Daar staat hij; voor de laatste maal
Richt hij zijn blik naar ’t dorpje henen,
Dat door den avondzonnestraal
Zoo zacht weemoedig wordt beschenen.
Hij ziet daar in de verte nog
Van ’t vaderhuis den schoorsteen rooken,
En, wat voor ’t oog is weggedoken,
Dat maalt hem zijn verbeelding toch.
Zijn vader smeedt, bij ’t vuurgeflonker,
Zijn moeder snijdt het avondbrood;
En wat zoo zwart eens was en donker,
Wordt hem nu alles rozerood.
’t Is, of voor ’t eerst, en ook voor ’t laatst,
De heuvel hem een groet doet hooren,
Die dan door ’t dal weêr wordt weêrkaatst;
’t Is alles anders dan te voren.
„Vaarwel!” roept alles, wijd en zijd,
„U gaat een nieuwe toekomst open:
Wat doet uw hart nu? Vreezen? Hopen?”
Och, och! de vrees heeft hem bekropen:
Die vreemde wereld is zoo wijd;
Daarom is ’t hart zoo eng.—Weemoedig
Zet hij zich neêr; met stil geween
En zuchtend staart hij om zich heen.
Och, Heer! wat is hij toch alleen!
Geen vader hier; en zij, die goedig
En trouw steeds toezag op zijn schreên,
Die moeder, ook niet hier,—wier liefde
Hem steeds verzorgde, hart’lijk teêr,
En troost hem bood, als leed hem griefde,
En voor hem tusschentrad, wanneer
Zijn vader soms in drift geraakte;—
Die moeder, die zoo meen’ge keer
Voor hem zijn boterhammen maakte.
Hij haalde er nu een uit zijn zak,
De laatste, die hem moeder gaf,—
En beet met graagte een stuk er af,—
Schoon droefheid nog in ’t hart hem stak.
Hij schreit en eet, en eet en schreit;
Maar zoo wordt zijne treurigheid
Iets minder toch.—Hoe meer hij slikt,
Hoe minder hij nog weent of snikt.
En toen zijn brood verorberd was,
Toen legde hij zich neêr in ’t gras,
De handen saâm, en na een poos
Lag hij te slapen als een roos.
7.
En boven hem, hoog in een boom,—
Een ouden wilg,—die aan den zoom
Des wegs stond, zat, vol teed’re min,
Een mosch op ’t donzig nest. Daar lagen
Zes bontgespikkelde eitjes in,
Waar ze op bleef broeden, onvermoeid;
Schier roerloos, nu al vele dagen,
Alsof ze aan ’t nest was vastgegroeid.
Haar kopje alleen ging heen en weêr;
En heel nieuwsgierig, ’t kuifjen op,
Keek ze op den frisschen slaper neêr
Van uit den hoogen wilgetop.—
Daar komt nu, tusschen gras en kruid,
Een muis te voorschijn, schiet vooruit,
En ruikt en loert, en veegt den bek
Zich met een voorpoot netjes af,
Alsof alleen reeds de etenstrek
Een schepsel vuile lippen gaf.
„Wel,” denkt de muis, „waar is het dan?
Ik ruik toch brood en vet er bij;
Maar ’k weet niet, waar het wezen kan.”
„Hier!” roept de mosch, „aan deze zij!
Links van dien slaper, zie je?—hier!
Ja wel! dáár, in dat blauw papier.”
De muis ziet Hanne eens even aan,
En is wel niet geheel gerust,
Maar kan toch ook den sterken lust
Naar zooveel heerlijks niet weêrstaan.
Hij [3] schiet dus Hanne in eens voorbij,
En zet zich naast de lekkernij,
Den rug heel krom en ’t viertal pooten
Door ’t krullend staartjen ingesloten;
En roept dan tot de mosch op ’t nest:
„Kom bij mij, Lotje! ’t smaakt zoo best!
De boter,—die neem ik voor mij;—
Maar wil je kruimels, haal ze vrij.”
Nu houdt de muis zijn smulpartij,
En richt zeer welgemoed den kop,
En soms het heele lichaam, op,
En snuffelt in den avondwind,
En roept al piepend vrouw en kind.
Mevrouw komt op ’t bekend geroep
Een hol uit, achter haar een troep
Van aangetrouwde en eigen kind’ren.
„Kom aan!” zegt vader, „zonder dralen
Hier aan den disch; wat zou ons hind’ren
Hier ’t hart eens lekker op te halen?”
„’t Is toch wel vrees’lijk!” roept de mosch,
„Dat volkje smult er maar op los,
En ik, die graag eens meêdoen zou,
Ik mag niet,—och! ik arme vrouw!—
Ik ben gebonden aan mijn huis.”
„Waar is uw man dan?” vraagt de muis.
„Waar zou hij wezen? Dag aan dag
Kroeg in, kroeg uit, bij ’t drinkgelag,
Met Krelis Vink en Hannes Putter;
En of ik zeg, dat heel wat nutter
Het leven kon en moest besteed,
Het baat mij niet; en ook,—hij weet
Nooit op zijn tijd naar huis te gaan,
Maar komt hier meest zeer laat nog aan,
En brengt soms uit een twist een sneê
Of buil of and’re wonden meê:
Nu, voelen moet wie niet wil hooren.
Maar, dat hij ook zich laat bekoren
Door ’t oude goudvinks-wijf,—haar vleit,
Daar streelt door liefde en hoff’lijkheid,
En met haar her- en derwaarts springt,
En dol verliefd haar lof bezingt,
En mij, zijn wettige, echte gâ,
Hier maar laat broeden voor en na,
Dat is het slechtste nog van al.
Maar, ’k zeg je, als hij nu weêr zoo laat
Als zoo’n schandaal hier vóór me staat,
Dat hij er toch van lusten zal!”