lippen van de jonge vrouw, terwijl zij de kleine vuisten balde.
—Hebt gij veel vrienden, die u zouden kunnen en willen helpen wraak te
nemen?
Marthe haalde verachtelijk de schouders op en zeide:
—Er zijn genoeg mannen, die veel liever Raoul aan het hoofd van het
genootschap zouden willen zien, maar zij zijn te laf, zij zouden niets
tegen Fox durven ondernemen.
—Zoudt gij de hulp willen aanvaarden van een man die dit wel zou
durven? vroeg Raffles.
—Onmiddellijk! antwoordde Marthe hartstochtelijk, ik leef slechts in de
hoop dat ik mij en Raoul op dien laffen bandiet zou kunnen wreken! Als
gij wist op welke wijze hij mijn vriend heeft weten te overwinnen dan
zoudt gij mij begrijpen. Noem mij dien man en ik leg mijn hand
aanstonds in de zijne en maak hem tot mijn bondgenoot.
—Gij hadt het reeds moeten begrijpen, madame, die man staat voor u!
antwoordde Raffles kalm.
Een oogenblik bleef het stil in het vertrek.
Marthe Debussy scheen aan een groote ontroering ten prooi en scheen den
man die haar zijn hulp kwam bieden tot in het diepst van zijn ziel te
willen lezen.
Maar plotseling scheen zij een besluit te nemen.
Zij trad op Raffles toe, en stak hem een hand toe, die koortsachtig
gloeide.
—Ik weet niet of Raoul het zou goedkeuren, maar dat kan mij niet
schelen! riep zij uit, ik neem uw hulp aan, en ik wil met u plannen
beramen om onzen gemeenschappelijken vijand ten onder te brengen.
—Ik geloof dat gij daar goed aan doet, madame, zeide Raffles eenvoudig,
en laat ons nu spoedig terzake komen! Weet gij niets van dr. Fox,
waardoor ik hem in mijn macht zou kunnen krijgen en hem bijvoorbeeld
aan de politie zou kunnen overleveren?
De jonge vrouw dacht een oogenblik na, en hief toen plotseling het
hoofd op.
—Overmorgen zal er een inbraak plaats hebben in een groot huis in de
Drury Lane. Den naam van den man die daar woont ken ik niet, ik weet
alleen dat hij lid van het Hoogerhuis is. Fox zou zelf aan die inbraak
deel nemen, als het ware om zijn terugkomst te vieren, meer
bijzonderheden kan ik u tot mijn spijt niet mededeelen, maar ik kan nog
wel meer te weten komen!
Raffles keek de jonge vrouw een oogenblik strak aan en zeide:
—Als gij u op Fox wildet wreken, waarom hebt gij dit dan niet aanstonds
aan de politie medegedeeld, zoodat zij hem kon arresteeren?
Marthe haalde de schouders op en antwoordde:
—Ik ben zeker dat men mij wantrouwt en mijn gangen nagaat!
—Maar gij hadt toch kunnen schrijven?
—Ik heb de bijzonderheden pas eenige uren geleden vernomen en
bovendien, als het slechts eenigszins mogelijk was, zou ik liever
vermijden, dat het ruchtbaar werd dat ik de politie op de hoogte had
gebracht, want dat zou de positie van mijn vriend kunnen benadeelen;
verraad wordt bij onze bende steeds een groot misdrijf geacht, om welke
reden het dan ook zelden gepleegd wordt.
Raffles had glimlachend naar dit staaltje van vrouwelijke logica
geluisterd.
De jonge vrouw tegenover hem scheen niet in te zien dat het zeer weinig
verschil uitmaakte of zij zelve de politie ging inlichten, dan wel, of
zij dit door een tusschenpersoon liet doen, want zij moest toch
begrijpen, dat Raffles niet alleen zou handelen, maar zich van de hulp
der politie zou verzekeren.
—Gij zoudt het dus goedkeuren, merkte hij op, als ik er voor zorgde,
dat deze inbraak niet het verloop zal hebben, hetwelk dr. Fox er van
verwacht? Gij zoudt mij vrijlaten, om alles te doen, wat ik noodig
acht, om dien man ten onder te brengen?
—Volkomen vrij! antwoordde Marthe met vaste stem. Hij of Raoul! Een
tusschenweg is er niet! Ik weet, dat de chef van het Genootschap van
den Gouden Sleutel niets liever zou wenschen, dan mijn vriend uit den
weg te zien geruimd, al was het door sluipmoord, nu hij weet, dat hij
in hem steeds een mededinger naar de macht zal vinden! Ik zal hem vóór
zijn, reken daar op! Als gij niet hier gekomen waart, om mij voor te
stellen Fox aan te vallen, dan zou ik zelve wel een middel hebben
gevonden om mij te wreken!
—Dan zijn wij het eens! Gij zorgt er voor, mij nadere bijzonderheden
mede te deelen omtrent de voorgenomen inbraak, zooals het aantal der
mannen, die er aan deel zullen nemen, het uur, de wijze, waarop zij te
werk denken te gaan, en andere zaken die van belang kunnen zijn!
—Ik beloof het u! antwoordde de jonge vrouw met schitterende oogen.
—Wanneer kunt gij dat alles weten? vroeg Raffles.
—Vandaag nog! antwoordde Marthe. Ik heb gehuicheld, dat ik mij niet al
te veel aantrok van de overwinning op mijn vriend, om later des te
gemakkelijker dr. Fox te kunnen treffen. Zij wantrouwen mij dus niet.
Hedenmiddag zou er opnieuw over de inbraak worden beraadslaagd, en dan
zouden de laatste toebereidselen worden gemaakt.
—Waar en wanneer kan ik u ontmoeten?
De jonge vrouw dacht even na en antwoordde toen:
—Op den hoek van Marble Arch, tegenover de halteplaats van de taxi’s om
zes uur.
—Het is goed! zeide Raffles terwijl hij opstond. Als ge mij die
inlichtingen verschaft, behoef ik verder niets te weten, en kunt gij u
ook geheel terugtrekken, ik zelf zal dan wel voor de rest zorgen! Op
die wijze loopt gij ook geen gevaar, dat men zich later op u zal
wreken, ik zal wel zorgen, dat Fox zeer nauwkeurig te weten komt wie
hem deze kool gestoofd heeft!
Hij maakte een diepe buiging voor de jonge vrouw en zijn gelaat had
weer dezelfde uitgestreken, schijn-vrome uitdrukking gekregen als er op
lag toen hij het vertrek binnen trad.
Hij bleef een oogenblik in gedachten staan, en daalde toen de trappen
weder af.
Hij had zelfs eenige moeite om den weg naar den uitgang te vinden in
dit ouderwetsche doolhof, en moest een paar keer naar den weg vragen.
Maar eindelijk stond hij toch weder op straat, riep een auto aan, en
liet zich weder naar de Regentstreet brengen.
Hij trad zijn huis binnen op dezelfde wijze als hij het verlaten had en
eenige minuten later zat hij weder tegenover Charly.
—Hoe is het gegaan? vroeg de jonge man nieuwsgierig.
—Zooals ik wel verwachtte! Men kan een wraakzuchtige vrouw plooien en
leiden zooals men wil, als men haar slechts in het vooruitzicht stelt
dat zij aan haar wraakzucht zal kunnen voldoen.
En nu deelde Raffles het verloop van het geheele onderhoud mede.
Toen hij geëindigd had, zei Charly:
—Een Hoogerhuislid, dat in Drury Lane woont, kan niemand anders zijn
dan Sir Roger Maxwell!
—Is er geen ander? vroeg Raffles vol belangstelling.
—Neen! Ik mag gerust zeggen dat ik de woonplaats van alle
Hoogerhuisleden uit het hoofd ken, maar ik zal het voor alle veiligheid
nog eens nagaan.
Hij was opgestaan, trad nu op de boekenkast toe, en nam er een klein in
rood leder gebonden boekje uit waarin hij eenige oogenblikken bladerde.
Hij klapte het spoedig weder dicht, zette het weg.
—Het is zooals ik zeide, het is Sir Maxwell!
—Zeer rijk, niet waar?
—Buitengewoon rijk! Eigenaar van een renstal met twaalf paarden,
landeigenaar met vijf landgoederen en zeven kasteelen, dikke vriend van
Zijne Majesteit, groothandelaar in machines en gedurende den oorlog
legerleverancier geweest, bezit het grootste motorjacht van Engeland en
een particulier vermogen dat op twaalf millioen pond wordt geschat.
—Ik dank je voor je nauwkeurige toelichting, beste Charly, maar ik ben
nog niet tevreden, vertel mij nog maar iets meer van zijn persoon, want
ik zie wel dat ik jou kan raadplegen als een encyclopedie of een
aflevering van „Ioh’s-ioh?”
—Vooruit dan maar! Sir Roger Maxwell is zestig jaar, weduwnaar met een
dochter en twee zoons, waarvan er een bij het leger gediend heeft,
laatstelijk als kapitein bij de Lanciers. De dochter is verloofd met
een Baronet, Reginald Woodham. De oude Maxwell is lid van de twee
duurste clubs, bezoekt veel de renbanen en is ook een trouw gast in
opera en schouwburg. Voorts woont hij tamelijk geregeld de zittingen
van het Hoogerhuis bij en dat is alles wat ik van hem weet.
—Ik dank je voor je inlichtingen, zij zijn zoo volledig als ik maar
wenschen kan. Ik behoef zeker niet te vragen welke politieke beginselen
onze man is toegedaan?
—Stokstijf conservatief! Hij stemt uit beginsel tegen alle wetten die
niet door zijn partijgenooten zijn ingediend, ook al zou een
schooljongen hem de voortreffelijke uitwerking van die wetten kunnen
aantoonen!
—Ik heb het al gezien, een schitterend object om te worden bestolen,
hernam Raffles, en hij liep naar de tafel om een sigaret uit een fraai
bewerkte zilveren doos te nemen.
—Maar wij mogen toch niet toelaten dat dat geschiedt! riep Charly
verontwaardigd uit!
—Tenminste niet door anderen! hernam Raffles koeltjes.
—Wat wil je daar mee zeggen?
—Ik geloof dat mijn opmerking voor tweeërlei uitleg vatbaar is, Charly,
antwoordde Raffles verwijtend. Ik wil zeggen, dat ik het werk van dr.
Fox wel zal overnemen! Op deze wijze zou ik twee vliegen in een klap
slaan. Fox onschadelijk maken en een ouden conservatieven geldpotter
van een deel zijner nuttelooze rijkdommen ontlasten, ik geloof dat het
een goede dag voor mij wordt, beste Charly.
De naaste toekomst zou bewijzen, dat de Groote Onbekende zich hierin
vergiste......
HOOFDSTUK VI.
EEN GEMANKEERDE AFSPRAAK.
Als man van de wereld, was Raffles ruim een kwartier voor het
afgesproken uur op den hoek van Marble Arch aanwezig, in dezelfde
vermomming, welke hij dien morgen had gedragen. Het was immers mogelijk
dat Marthe Debussy een weinig voor den afgesproken tijd zou komen en
hij mocht haar niet laten wachten.
Maar toen het op een naburige kerkklok zes uur sloeg, was er niets te
zien van de jonge vrouw.
Raffles wachtte een kwartier, een half uur—nog steeds was er niets te
zien.
Het werd kwart voor zeven—het werd zeven uur...
Raffles was in zich zelf reeds begonnen met allerlei
verontschuldigingen te zoeken voor het wegblijven van Marthe Debussy.
De beraadslaging kon nog langer geduurd hebben dan zij verwacht had,
men had haar misschien een opdracht kunnen geven, welke zij ten uitvoer
had moeten brengen om geen argwaan te baren, wellicht ook had de
hartstochtelijke jonge vrouw zich niet kunnen bedwingen en was tusschen
haar en dr. Fox een woordenwisseling gevolgd.
Maar toen het bijna half acht was, begreep Raffles dat er iets ernstigs
moest zijn voorgevallen.
Hij stond vlak bij de halteplaats der taxi’s, waar zich een
telefoonpost bevond, en het zou haar als zij om een of andere reden
verhinderd was geweest, gemakkelijk zijn gevallen om zich telefonisch
met hem in verbinding te kunnen stellen.
Het was reeds lang duister, en overal brandden de straatlantaarns en de
winkeletalages.
Raffles raadpleegde voor de zooveelste maal zijn horloge en wierp
nogmaals een blik om zich heen.
Toen bleef zijn oog gevestigd op een straatjongen, die tegen het hek
leunde, dat Hyde-park omgaf, dicht bij een van de groote marmeren
bogen, die hier den uitgang van het beroemde park vormden.
Nu was Raffles reeds zeer argwanend gestemd en ongerust, en het zien
van dien straatjongen prikkelde hem.
Waarom?
Eenvoudig omdat hij dienzelfden jongen daar reeds gezien had, toen hij
om kwart voor zessen op de plaats verscheen.
Wat drommel voert die jongen daar toch uit? mompelde Raffles in zich
zelf, dat gluiperige gezicht bevalt mij niets.
Hij deed een paar passen in de richting van den straatjongen, maar
eensklaps scheen deze iets zeer bijzonders te zien, dat op eenigen
afstand voorviel, want hij liep snel weg, en was het volgende oogenblik
tusschen de menschenmassa verdwenen.
Langzaam keerde Raffles weder naar den rand van het trottoir terug en
stond een oogenblik in gedachten.
—Dat bevalt mij niet, bromde hij! Dat bevalt mij in het geheel niet.
Dat wegblijven van Marthe Debussy zegt mij niet veel goeds, en dan die
straatjongen, die hier twee uren gestaan heeft en eensklaps op den loop
gaat als ik hem nader, dat is ook niet in orde. Het dient echter tot
niets als ik hier blijf staan, want zij komt zeker toch niet meer! Er
moet iets gebeurd zijn.
Hij ging naar een klein wijnhuis op den hoek van Piccadilly Circus, en
telefoneerde naar Het Vergulde Hert.
Hij kleedde zijn vraag in naar de zogenaamde Miss Bispham, en vernam,
dat zij omstreeks half drie in den middag het hotel had verlaten, en
niet was teruggekeerd, ofschoon zij gezegd had, om vijf uur nog even te
zullen terugkeeren.
Met een bezwaard hart hing Raffles het toestel weder aan den haak,
betaalde, trad naar buiten en riep een auto aan.
—Zoo vlug je kunt naar de Regent Street, op den hoek van Pall Mall,
riep hij den chauffeur toe.
Maar reeds de volgende seconde had hij er spijt van, dit bevel op zoo
luiden toon te hebben gegeven, want juist toen hij wilde instappen zag
hij op een meter afstand den straatjongen staan, die hem met een
valschen lach op zijn bleek gezicht stond aan te kijken.
Raffles gevoelde veel lust den jongen een muilpeer te geven, maar hij
begreep, dat dat in de gegeven omstandigheden al zeer onvoorzichtig zou
zijn, daar de jongen blijkbaar zeer goed wist wien hij voor had, en
niet zou nalaten bij het eerste teeken van vijandschap de toesnellende
voorbijgangers van zijn kennis deelgenoot te maken.
De gevolgen zouden niet te overzien zijn.
Raffles bedwong zich dus, stapte in, maar gaf goed acht, dat de jongen
niet achter op de auto sprong, waartoe hij inderdaad aanstalten scheen
te hebben willen maken.
De auto was echter nog geen tien minuten onderweg, of Raffles tikte
tegen de voorruit, wenkte den chauffeur om stil te houden, stapte uit
en betaalde.
Hij overwoog dat de straatjongen wel eens getelefoneerd kon hebben naar
een medeplichtige, die hem op den hoek van Regent Street en Pall Mall
zou opwachten, en hem zou volgen, om te zien waar hij bleef.
Met tegenstanders als dr. Fox moest men steeds de grootste
voorzichtigheid in acht nemen.
Hij riep dus een tweede auto aan, nadat de eerste uit het gezicht was
verdwenen, en gaf den chauffeur last hem naar de Bishopstreet te
brengen, op den hoek van de Wellington street.
Daar gekomen zond hij den chauffeur weg, overtuigde zich dat men hem
niet gevolgd had en richtte zijn schreden haastig naar een klein huis,
waarvan de blinden gesloten waren en dat twee uitgangen had.
Het behoorde hem toe, en hij maakte er menigmaal gebruik van als hij
zich in omstandigheden als deze bevond.
Hij opende de voordeur met een sleutel dien hij bij zich had, ging naar
binnen en verkleedde zich vlug in een der vertrekken gelijkvloers,
waarop hij het huis door den tweeden uitgang weder verliet.
Hij kon er nu wel zeker van zijn dat in geval men hem werkelijk gevolgd
had, de achtervolgers zijn spoor wel bijster zouden geworden zijn.
Voor de derde maal riep hij een voorbijrijdende auto aan, maar thans
liet hij zich tot ongeveer het midden van de Regentstreet brengen, zond
daar de auto weg, en ging te voet verder.
Het was kwart over negenen toen hij eindelijk de kleine deur opende van
den tuin, die zich achter zijn huis uitstrekte.
Hij liep haastig door langs de duistere paden, trad de achterdeur van
het groote heerenhuis binnen en begaf zich naar de rookkamer, waar hij
Charly in groote ongerustheid aantrof.
De jonge man trad hem met uitgestoken handen tegemoet en vroeg:
—Waar ben je toch geweest, Edward? Ik wilde juist uitgaan om te zien
waar je bleef, je gelaat staat zoo strak, is er iets ernstigs
voorgevallen?
—Dat moet ik vreezen, Charly. Marthe Debussy is niet op de plaats van
de afspraak verschenen.
Charly schrok en riep uit:
—Dan moet er zeker iets hebben plaats gegrepen, wat het haar belet
heeft, anders zou zij zeker wel gekomen zijn.
—Dienzelfden indruk heb ik ook gekregen, en de verschijning van dien
straatjongen zegt mij weinig goeds. Hoe het ook zij—wij moeten dadelijk
een onderzoek gaan instellen.
—Waar dan?
—Allereerst in het hotel, waar Marthe Debussy gelogeerd heeft. Daar
zullen wij wel een en ander ontdekken, dat ons op een spoor kan
brengen. Dit is in ieder geval duidelijk, op de een of andere wijze
zijn de schurken achter ons gesprek gekomen.
—Is het ondenkbaar, dat de jonge vrouw verraad jegens je gepleegd kan
hebben?
—Dat acht ik onmogelijk. Waartoe? Waarom? Wat had zij daarmede bereikt?
En waarom dan niet op de plaats van afspraak gekomen en mij in een
valstrik gelokt? Neen, ik blijf er bij—zij verkeert in gevaar. En omdat
ik zelf daartoe aanleiding heb gegeven, is het mijn plicht, haar te
redden. Als inderdaad op een wijze, welke ik nu nog niet kan verklaren,
ons gesprek in de hotelkamer is afgeluisterd, dan verkeert die vrouw in
levensgevaar. Je kent de beginselen van het Genootschap van den Gouden
Sleutel, de dood voor den verrader. En Marthe heeft zeker nog minder
genade te wachten, daar zij de minnares is van een doodsvijand van Fox.
Raffles bleef even in gedachten staan, en richtte eensklaps het hoofd
weder op.
—Daar valt mij iets in! riep hij uit. Even voor ik het vertrek zou
binnentreden, waar Marthe Debussy mij wachtte, zag ik een kellner op
eenigen afstand staan, die blijkbaar nieuwsgierig naar mij keek, en
toen ik binnenging, liep de man die mij den weg gewezen had, naar dien
kellner toe, en deelde hem iets mede. Wie kan zeggen, of die kerel geen
spion van de bende is geweest. Nu, wij zullen het spoedig weten.
—Kan ik je bij je onderzoek van dienst zijn, Edward, vroeg Charly.
—Ik zou het inderdaad op prijs stellen, als je medeging, mijn jongen,
antwoordde Raffles. Wij kunnen ons uitgeven voor particuliere
detectives, en aan den eigenaar van het hotel zeggen, dat er vrees
bestaat, dat zijn huurster het slachtoffer eener ontvoering is
geworden. Kom, laten wij ons haasten. Iedere minuut kan kostbaar zijn.
Binnen een kwartier hadden de beide vrienden alles voor hun onderneming
in gereedheid gebracht.
Henderson, de chauffeur, had zijn instructies ontvangen en nu verlieten
de twee mannen het huis en namen een auto, welke hen spoedig voor „Het
vergulde Hert” afzette.
De portier geleidde hen, nadat zij zich als detectives hadden
aangemeld, naar het woonvertrek van den eigenaar, een gemoedelijk man,
met een rond, blozend gelaat, die niet weinig verschrikt keek, toen de
twee gewaande politiebeambten hij hem binnentraden.
—Wij zullen u niet lang ophouden, mijnheer! begon Raffles op zakelijken
toon, waarachter hij zijn ongerustheid verborg—want al was die vrouw
een misdadigster—hij was schuld, dat zij thans in groot gevaar
verkeerde. In uw hotel heeft een Miss Bispham gewoond, waarvan wij
vermoeden, dat zij ontvoerd is door schurken van de ergste soort. Wilt
gij ons eenige mededeelingen doen?
—Natuurlijk, mijnheer! stotterde de eigenaar. Vraag slechts.
—Zijn al uw kellners lang in uw dienst?
—Neen, enkele zijn hier pas sedert eenige dagen.
—Zijn die hier nu?
—Neen—een hunner is vanmiddag vroeg vertrokken, en nog niet
teruggekeerd.
—Had hij daar verlof toe?
—Zeker niet.
Raffles en Charly wisselden een snellen blik met elkander, het
vermoeden van den gentleman-inbreker was maar al te juist geweest.
—Wilt gij mij toestaan, even de kamer van die dame te onderzoeken? ging
Raffles voort.
—Welzeker. Ik zal u er zelf even heenbrengen.
Vijf minuten later stonden de drie mannen in het logeervertrek.
Raffles keek rond, en wendde zich toen tot den eigenaar met de vraag:
—Waren de kamers hiernaast bezet?
—Slechts een!
—Dan zou ik gaarne de onbewoonde willen zien.
—Tot uw dienst.
De drie mannen traden nu een vertrek binnen, dat volmaakt geleek op
dat, waar de verdwenen vrouw gewoond had.
Raffles ging recht op een wandkast toe, en trok de deur open.
Hij verlichtte het binnenste met zijn zaklantaarn en mompelde:
—Ik heb het wel gedacht.
—Wat is er dan, mijnheer, vroeg de eigenaar op angstigen toon.
—De achterwand van de kast is doorboord, en het gat gaat ook door den
muur. Het is nog geheel versch en zeker nog vandaag gemaakt. Wie zijn
oor hier tegen legt, is slechts door een dunnen wand, namelijk het
behangsel, van de kamer hiernaast gescheiden, en kan duidelijk alles
hooren, wat daar gesproken wordt.
—En—wat zou dat dan, mijnheer? vroeg de hotelier, zeer bevreesd voor
den goeden naam van zijn inrichting.
—O, het verklaart slechts eenige dingen van ondergeschikt belang!
antwoordde Raffles schouderophalend, maar Charly zag wel, hoe die
ontdekking hem geschokt had.
Met gefronste wenkbrauwen verliet hij het vertrek weder, en even later
stonden de drie mannen weder in het vertrek, waar zij ontvangen waren.
Raffles wilde juist weder een vraag stellen, toen de telefoon ging.
—Veroorloof mij een oogenblik! zeide de hotelier, terwijl hij naar het
toestel ging.
Hij had ternauwernood eenige woorden gesproken, toen hij Raffles
wenkte, en zeide:
—Neemt gij liever den hoorn, mijnheer. Ik geloof, dat dit uw zaak is.
Raffles trad snel naar de telefoon, en luisterde met gespannen
aandacht.
Het gesprek was zeer kort, en duurde ternauwernood eenige seconden.
Charly begreep er niets van, en het werd hem niet duidelijker, toen
Raffles eensklaps het toestel weder ophing, hem bij den arm greep, en
hem medetrok, terwijl hij den verwonderden eigenaar toeriep:
—Bedankt voor uw moeite! Wij zijn reeds op een spoor.
Raffles stormde de straat op, Charly met zich medesleurende.
Hij floot om een huurauto, en riep den chauffeur toe:
—Vijf pond voor jou, als je ons binnen acht minuten naar het ziekenhuis
in de Sloane Street brengt.
Acht minuten was een korte tijd voor dien afstand—maar vijf pond was
zelfs in dezen tijd van hooge prijzen een mooie fooi en de auto reed
dan ook in razende vaart door de straten van Londen.
—Wil je mij nu eindelijk eens zeggen... begon Charly, die van dit alles
niets begreep.
—De zaak is in het kort deze, mijn jongen! antwoordde Raffles. Weet je,
wie daar zooeven aan de telefoon was? Beaupré! Of liever, een
ziekenzuster, die namens hem sprak. En weet je, wat hij van den
hotelier wilde weten? Of Marthe Debussy nog hier was.
—Maar wat beteekent dat? riep Charly ten hoogste verbaasd uit.
—Luister! Ik stelde de zuster een paar vragen, en vernam, dat er op het
oogenblik twee mannen bij de zwaargewonde zijn, die voorgaven familie
van hem te zijn, die hem iets zeer gewichtigs hadden mede te deelen.
Daarom liet men hen ook bij Beaupré toe, ondanks het late uur. Ik
twijfel er geen seconde aan, of die kerels zijn leden van de bende.
—Maar wat komen die daar dan doen? riep Charly uit.
—Zij komen daar in verband met de verdwijning van Marthe, anders zou
Beaupré niet zoo eensklaps navraag naar haar hebben laten doen.
—En waarom rijden wij nu in zulk een razende vaart naar het ziekenhuis?
—In de eerste plaats, om die twee bandieten te arresteeren.
—Wil je hen aan de politie uitleveren, zonder nadere bewijzen?
—Aan de politie denk ik geen seconde! antwoordde Raffles glimlachend.
Je zult het wel zien. Daar zijn wij er al. De chauffeur heeft als een
duivel gereden en zijn vijf pond wel verdiend.
De auto stond stil voor het groote gebouw, de beide mannen stapten uit,
en Raffles riep den chauffeur toe:
—Wacht hier even. Het zal je geen windeieren leggen.
En daarop snelde hij langs het oprijpad naar den ingang, door Charly op
den voet gevolgd, die onder het loopen hijgend vroeg:
—Zouden die kerels al niet verdwenen zijn?
—Ik heb aan de zuster gevraagd, hen tot iederen prijs aan de praat te
houden tot ik gekomen was.
—Vroeg zij dan geen redenen?
—Zeker—en die heb ik genoemd. Ik heb haar gezegd, dat die mannen
beruchte chanteurs waren en dat ik kwam, om hen te arresteeren.
—Maar dat is tamelijk gewaagd! riep Charly onder het voortrennen.
—O, het geluk is aan de stoutmoedigen! riep Raffles uit.
Zij hadden nu juist een groote vestibule bereikt, waar de portier hen
tegemoet trad, en naar hun wenschen vroeg.
—Zijn de twee bezoekers er nog, die den zwaargewonde op de algemeene
mannenzaal kwamen opzoeken? vroeg Raffles ademloos.
—Ja, mijnheer, antwoordde de man. Is u soms degene, die zooeven aan de
telefoon was?
—Ja. Ik kom toch niet te laat?
—Het scheelde niet veel! antwoordde de portier snel en op fluisterenden
toon, terwijl hij een blik op de liftkooi wierp, die naar beneden kwam.
Het zou mij niet verwonderen, als zij daar juist aankwamen. Ik zou niet
weten, wie het anders konden zijn.
Raffles en Charly lieten den ouden man niet eens uitspreken, maar
ijlden naar de lift, en plaatsten zich, met de revolver in de vuist,
een weinig terzijde, in de duisternis, welke de schaduw van de groote
trap daar verwekte.
Het was hoog tijd.