LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 304 DE WRAAK EENER VROUW.
DE WRAAK EENER VROUW.
HOOFDSTUK I.
DE STRIJD OM DE MACHT.
De Firestreet behoort tot een der onoogelijkste buurten van Londen.
De bewoners zijn voor een gering deel wat de Engelschen unskilled
labourers noemen, dat wil zeggen, arbeiders zonder speciale
vakopleiding, zooals kadewerkers, sjouwers, enz., maar voor het
grootste gedeelte oefenen zij een beroep uit, hetwelk niet nauwkeurig
te omschrijven valt, maar dat zeker niet tot de eerbiedwaardige
gerekend mag worden.
Over het algemeen woont hier een lichtschuw volkje, dat pas te
voorschijn komt als het daglicht heeft plaats gemaakt voor het
kunstmatig schijnsel der straatlantaarns, die hier overigens spaarzaam
zijn aangebracht.
Dan zwermen de mannelijke zoowel als de vrouwelijke bewoners van deze
straat uit, evenals de bijen uit hun korf, met dit onderscheid evenwel,
dat zij pas naar hun woningen terugkeeren op het oogenblik, dat de
nijvere insecten zich gereed maken om uit te vliegen.
De politie heeft het alles behalve voorzien op deze buurt, want zij
weet zeer goed, dat daar misdadigers van allerlei aard bijeen hokken,
inbrekers en dieven, ladelichters, zakkenrollers, souteneurs, chanteurs
van diverse pluimage en voorts een groot aantal gelegenheidsdieven, die
den arbeid schuwen, en van allerlei bronnen leven, die het daglicht
niet kunnen velen.
Somtijds worden er razzia’s ondernomen in deze straat, die niet geheel
en al zonder gevaar zijn, want het ergste gespuis heeft een zeer vlotte
hand van schieten, en ontziet zich niet, de bedreigde vrijheid met
revolverschoten te verdedigen.
Maar toch is de politie er van overtuigd, dat zij er nog altijd niet in
geslaagd is, tot den haard van al deze ongerechtigheden door te
dringen.
Zij weet dat er ergens een haard moet bestaan, een kern, een
middelpunt, de plek, waar de spin moet zitten in die webbe van de
misdaad.
Zij weet dat hier ergens een verborgen plaats van bijeenkomsten moet
zijn, waar tal van misdaden worden uitgebroed.
Zij kent ook den naam van de vereeniging, die een zeer groot aantal
misdadigersbenden omvat, welke ever de geheele wereld verspreid zijn.
Het Genootschap van den Gouden Sleutel, zoo luidt die naam.
Dat alles weet de politie en zij acht het zeer weinig.
Want zij weet niet wie er aan het hoofd staat van dit genootschap, zij
weet niet wie er de voornaamste leden van zijn, kortom, zij weet niets
van de geheele samenstelling, de organisatie van dit machtige lichaam.
Er is een man, die er meer van weet; zijn naam is John Raffles.
Maar John Raffles, de gentleman-inbreker, is de natuurlijke vijand van
de politie en slechts zelden heeft hij haar deelgenoot gemaakt van wat
hij weet.
Hij deed het nooit anders dan om zichzelve te verdedigen tegen een
hoogst gevaarlijke concurrentie, ofwel als er een misdaad was gepleegd
die wegens haar bloedig karakter om wraak riep.
In de Firestreet staat, ongeveer honderd meter van de Theems-kade,
sedert eeuwen een drankhuis, dat vroeger echter een fatsoenlijk
logement is geweest, hetwelk zich destijds aan de grens van de stad
bevond en waar de reizigers afstapten, die met post-chaise, diligence
of eigen reiswagen van Dover waren gekomen.
In den loop der jaren echter had dit logement al zijne goede
hoedanigheden verloren, en thans was het niet veel meer dan een
ellendige kroeg, waar een versleten muziekautomaat van tijd tot tijd
haar deuntjes jengelde, en die bij de politie in zeer kwaden reuk
stond.
Zij had in „De Roode Leeuw”—de naam van de gelegenheid was het eenige
wat uit vroegere eeuwen was behouden—reeds eenige malen een inval
gedaan, met afwisselend succes.
Maar zij was er volkomen onkundig van, dat deze kroeg, waar overdag
veel kadewerkers een glas bier of whisky kwamen drinken, een doorgang
vormde naar een der voornaamste plaatsen, waar het bestuur van het
zooeven genoemde genootschap geregeld zijn bijeenkomsten hield.
Het was op een regenachtigen Novemberavond, terwijl stormvlagen het
dorre loof van de boomen langs de Theems deden opwarrelen, toen eenige
mannen, als arbeiders gekleed, met de handen in de zakken de gelagkamer
van den „Rooden Leeuw” binnentraden.
Het was er vrij vol, en bijna alle tafeltjes waren bezet.
Een luid rumoer van schreeuwende en lachende stemmen, waaronder soms
plotseling een dreigende ruzietoon opklonk, vervulde de lage
gelagkamer, met haar zoldering van zware eiken balken.
Er hing als het ware een grijze mist, veroorzaakt door den rook van
vele pijpen en ordinaire sigaretten, zoodat men nauwelijks iets meer
dan een paar meter vooruit kon zien.
Rechts van den ingang bevond zich de toonbank, waarachter een
zwaargebouwde kerel met een ruw, gemeen gelaat stond.
Dat was de waard, „Red Peter” genaamd, uit hoofde van zijn vlammenden
rooden haardos.
Red Peter had al menigmaal kennis gemaakt met de politie, meestentijds
wegens heling van gestolen goederen, maar hij scheen onverbeterlijk te
zijn, want bijna steeds lag er in zijn kelder een hoeveelheid gestolen
goed verborgen, dat daar wachtte op een gelegenheid om veilig te kunnen
worden vervoerd.
Stellig was Red Peter een ijverig lid van de Bende der Raven, een der
meestberuchte benden van Londen, en in de gevechten met de politie was
hij altijd haantje de voorste.
Hij had geweldig zware vuisten, waarvan hij zich op voortreffelijke
wijze wist te bedienen, en die door het voortdurend gebruik zoo hard
waren geworden als hout.
De drie mannen, die binnengetreden waren, keken even in het rond en
slenterden toen langzaam naar de toonbank toe.
Zij gaven den roodharigen waard een knipoogje, welke vriendelijkheid op
dezelfde wijze beantwoord werd.
Toen vroeg de voorste der drie mannen op zachten toon:
—Is er nog al wat te doen, Peter?
—De tijden zijn zwaar! klonk het antwoord.
—Hoe is de koers?
—De koers is dalende!
—Waar zijn de vrienden?
—De vrienden zijn overal!
—Goed geantwoord, Peter! Nu is het jouw beurt, zeide de man, die
zooeven met zijn twee metgezellen was binnengetreden.
En nu begon de waard te vragen.
—Waar is het voor?
—Voor den nieuwen meester.
—Waar gaat het heen?
—Schuins omlaag!
—Wie is de vijand?
—John Raffles is de vijand!
—Braaf geantwoord, makker! zeide Red Peter, terwijl hij al zijn groote
gele tanden in een grijnslach liet zien. De weg is vrij—ik zal jullie
doorlaten.
Hij scheen zich even te bukken en aan een klein, rafelig touw te
trekken.
Dat touw scheen daar zoo maar toevallig over een roestigen spijker te
hangen, maar inderdaad bracht de waard door er aan te trekken, een bel
in beweging, die diep onder den grond hing, en die weerklonk zoodra er
vrienden in aantocht waren—dat wil zeggen: boeven!
Tegelijkertijd werd door het trekken aan het touw ongeveer twintig
meter verder een deur geopend, achter in een smalle gang—geen gewone
deur, want zij had noch slot, noch kruk, noch scharnieren, maar een
valdeur in den houten wand, die in verborgen sponningen geruischloos op
en neder kon glijden.
Door het trekken aan het touw evenwel, rees de deur niet omhoog, maar
werd eenvoudig een soort klink losgemaakt, die de deur onwrikbaar op
haar plaats hield, zoodat de personen, die het kenden, haar konden
oplichten.
De drie mannen knikten den waard toe, liepen nog wat door de gelagkamer
en verlieten haar toen door een deur in den achterwand.
Dit was niets bijzonders en gewone bezoekers, die niet tot het
misdadigersgilde behoorden, deden het ook wel, teneinde een kleine
nevenzaal op te zoeken, waar gespeeld werd, gekaart en gedobbeld.
Men kon deze zaal bereiken door een smalle gang, die slechts door een
enkele gasvlam niet al te helder verlicht werd.
De drie mannen volgden deze gang over een paar meters, maar sloegen
toen een zijgang in—openden een deur, gingen weer een gang binnen en
liepen langs een eikenhouten wand, die voor een verzamelaar van
antiquiteiten zeker heel wat waard zou zijn geweest.
Aan het einde van dien wand bevond zich de valdeur.
Degene van de drie mannen, die het korte gesprek met den waard gevoerd
had bukte zich, en tilde de deur op, door zijn hand onder een kier van
het houten wandvak te steken.
De valdeur was ongeveer tachtig centimeter breed, en bijna anderhalven
meter hoog.
Men moest haar omhoog houden, terwijl men door het gat kroop, en de
laatste man liet de deur weder voorzichtig zakken.
Aanstonds was er iemand op hen toegetreden, die het licht van een
electrische zaklantaarn op de drie mannen liet schijnen.
Dat was een van de bewakers van deze plek van samenkomst.
Er werd nogmaals een kort en voor oningewijden onbegrijpelijk gesprek
gevoerd, en daarop kon het drietal zijn weg voortzetten.
Die weg leidde door een lange gang, welke met een flauwe helling naar
het inwendige der aarde scheen te leiden.
Het was hier volmaakt donker, en de drie bandieten—want aan hun waren
aard behoeven wij nu niet meer te twijfelen—waren genoodzaakt
zaklantaarns te gebruiken.
Na nog eenige wachtposten te zijn gepasseerd, bereikten zij ten slotte
de groote zaal, ongeveer tien meter onder den grond gelegen, waar dien
avond een bijeenkomst zou plaats vinden.
Er bevond zich daar reeds een honderdtal mannen, blijkbaar tot alle
standen der maatschappij behoorend.
Sommigen in den zwarten rok, met de monocle in het oog geklemd en fijne
sigaretten rookend, anderen als arbeiders gekleed.
De eersten behoorden blijkbaar tot het intellect van de
misdadigerswereld, en aan hen werd dan ook het delicate gedeelte van de
algemeene taak toevertrouwd.
Zij hielden zich nimmer op met ordinaire misdrijven als laden lichten,
valsch munten enz., maar waren bij uitstek geoefend op het gebied der
chantage en van de inbraak.
De aanwezigen waren echter lang niet allen langs denzelfden weg
gekomen, want deze zaal had nog twee uitgangen, en langs twee
verschillende tunnels kon men geheel verschillende wijken bereiken.
Maar ook daar was er voor gewaakt, dat geen onbevoegden konden
binnentreden; de bewaking mocht inderdaad zeer streng heeten, en het
zou niet gemakkelijk vallen haar te verschalken.
In de zaal stonden de mannen in kleine groepjes bijeen, en voerden een
gesprek op fluisterenden toon.
Er hing een eenigszins gedrukte stemming naar het scheen, en men durfde
blijkbaar niet luid spreken.
Stoelen waren er in het geheel niet in deze zaal aanwezig, behalve die
voor het bestuur bestemd waren, dat uit zeven leden bestond.
Deze stoelen waren geplaatst achter een lange tafel die met een zwart
laken was bedekt.
De middelste stoel was fraai gebeeldhouwd, en droeg boven op den rug
een eigenaardig kenmerk—een zilveren doodskop, waaronder een dolk,
gekruist met een sleutel—beide laatste voorwerpen zwaar verguld.
Voor dezen stoel lag op het zwarte tafelkleed een zilveren
voorzittershamer in den vorm van een houweel en daarnevens een tweede
sleutel.
Van deze zeven plaatsen was slechts de voorzittersstoel ledig.
Maar plotseling werd het doodstil in de zaal.
Het bestuurslid, dat links van den voorzittersstoel zat, was opgestaan,
had den zilveren hamer ter hand genomen en gaf met dezen een zwaren
slag op het tafelblad.
Hij was opgestaan en toen het muisstil was, sprak hij met doordringende
stem:
—Makkers! Wij zijn hier vergaderd op verzoek van een onzer
vooraanstaande leden—markies Beaupré de la Sardogne! Hij wenscht ons
een voorstel van groot gewicht te doen, in verband met de afwezigheid
van onzen voorzitter, die—wegens bijzondere omstandigheden—helaas
verhinderd is, ten minste tijdelijk, om zijn taak als leider van ons
genootschap op zich te nemen! Met uw goedvinden zal ik thans ons geacht
lid het woord geven.
Wederom viel de hamer, en toen kwam een man van rijzigen lichaamsbouw,
die omstreeks vijf-en-dertig jaar oud kon zijn, met een regelmatig
geteekend gelaat, dat misschien schoon geweest zou zijn, als het niet
den stempel der misdaad droeg, naar voren.
Hij baande zich een weg door de vergaderden en ging met opgeheven hoofd
naar de tafel, waar de zes bestuursleden gezeten waren.
Deze tafel stond op een soort verhooging, en nu stak markies Beaupré
een heel eind uit boven zijn medeleden.
Hij leunde met een zijner witte aristocratische handen op de tafel en
begon, met een accent dat slechts zeer weinig aan zijn Fransche afkomst
herinnerde:
—Vrienden! Onze secretaris, Joe Burns, heeft u zooeven reeds gezegd,
dat er verband bestaat tusschen mijn verzoek, om u een voorstel te
mogen doen, en het feit, dat dr. Fox afwezig is! Dat is ook zoo.
Beaupré wachtte even, wierp een blik om zich heen, als om aandacht te
vragen, en vervolgde toen:
—Wij allen weten, wat de reden der afwezigheid van dr. Fox is. Hij
heeft zich eenige weken geleden naar de Vereenigde Staten begeven, meer
in het bijzonder naar New-York, teneinde zich daar persoonlijk op de
hoogte te gaan stellen van de werkwijze van de „Bende van het Kwade
Oog”, welke daar niet lang geleden werd opgericht, en al spoedig angst
en ontzetting in geheel de stad verspreidde.
Een dof gemompel liet zich hooren, dat wellicht bedoeld was als teeken
van hulde aan het adres van de genoemde bende, die inderdaad maanden
lang groote onrust had teweeg gebracht, niet alleen in New-York, maar
ook in andere groote Amerikaansche steden.
—Wij allen weten maar al te goed, wat hem daar wedervaren is! hernam
Beaupré, zonder dat zijn stem echter eenige ontroering verried, waaruit
zou kunnen blijken dat hij zich het lot van den meester, van den leider
van het genootschap, waarvan hij lid was, bijzonder aantrok. De chef
kwam daar tegenover John Raffles te staan, die zich eveneens te
New-York ophield, en gij allen kent de gevolgen, het duurde niet lang
of dr. Fox zat in de gevangenis.
Misschien had de Fransche markies dit laatste, ondanks zich zelf, op
eenigszins spottenden toon gezegd, want hier en daar werd afkeurend
gemompel hoorbaar, en Joe Burns voegde den spreker op gedempten toon
eenige woorden toe, welke niemand verstond.
Beaupré scheen zich echter door deze interruptie volstrekt niet van
zijn stuk te laten brengen en vervolgde rustig:
—Ik wil hier niet onderzoeken, in hoeverre dr. Fox hieraan zelf de
schuld draagt. Ik ben overtuigd, dat de Amerikaansche bladen ons
dienaangaande slechts zeer onvolledig kunnen inlichten. De reden
daarvan is eenvoudig deze—dat zij het niet weten! Zij weten het evenmin
als de politie, en daarom fantaseeren zij er maar wat op los! Hoe het
ook zij—onze aanvoerder raakte daarginds in de gevangenis.
—Maar hij wist toch weer los te komen! riep er iemand achter uit de
zaal.
Het gelaat van Beaupré betrok een oogenblik, zijn tanden klemden zich
een oogenblik opeen, maar zijn stem had denzelfden vasten klank, toen
hij antwoordde:
—Zeker, dat deed hij! Wij moeten echter billijk en eerlijk zijn—dat was
niet zijn eigen verdienste! Wij allen weten, dat de middelen om te
ontvluchten hem verstrekt zijn door den geheimzinnigen aanvoerder van
de Bende van het Kwade Oog—die thans, helaas, eindelijk ontdekt
is—alweder door toedoen van dien vervloekten John Raffles!
Nu gingen hier en daar kreten van woede en haat op, die den spreker het
voortgaan een oogenblik onmogelijk maakten.
—Ter dood met hem! Dood aan John Raffles! klonk het allerwege.
Toen deze storm weder bedaard was, ging Beaupré voort:
—Dr. Fox maakte dus gebruik van de middelen om te ontvluchten welke men
hem op zoo sluwe wijze had weten te doen toekomen en hij herkreeg zijn
vrijheid weder, maar slechts om haar nauwelijks een week later opnieuw,
en nu naar allen schijn voor goed te verliezen.
Weer werden er hier en daar kreten van afkeuring en protest vernomen,
maar Beaupré bleef in dezelfde onverschillige houding staan, bekeek
zijn nagels eens, en wachtte rustig tot ook deze kreten verstomd waren.
Toen ging hij voort:
—Ik hoor daar schreeuwen, dat dr. Fox wel weer opnieuw de vrijheid zal
herkrijgen, maar ik ben zoo vrij dit te betwijfelen, en daarvoor heb ik
goede redenen.
—Noem ze op! schreeuwde iemand achter in de zaal.
Voor het eerst verhief de Beaupré zijn stem een weinig, zij bleef even
koel, maar toch lag er een dreigende klank in.
—Ik zal die redenen zeker noemen, maar ik sommeer dien schreeuwer daar
achter in de zaal, zijn snavel te houden, of ik zal hem aanstonds eens
toonen dat ik als bokser mijn man sta! En nu mijn redenen! Ten eerste
is de man buiten gevecht gesteld, die dr. Fox reeds eenmaal de vrijheid
heeft helpen herwinnen en ten tweede zal de politie ditmaal de bewaking
wel zoo streng maken, dat er aan ontsnappen niet te denken valt!
Volgens menschelijke berekening zullen wij dr. Fox waarschijnlijk
nimmer terugzien, want als hij daar zijn straf heeft afgezeten, dan zal
hij naar Engeland worden uitgeleverd, en hier terecht moeten staan. Gij
allen weet, wat dat zeggen wil—dat wil zeggen, dat hij een paar weken
later door het hennepen venster zal moeten kijken.
Voor de derde maal lieten zich eenige woedende protestkreten hooren.
—Hij beleedigt onzen chef!
—Laat hij zelf maar niet te dicht bij de galg komen!
—Is dat de eerbied, dien men aan onzen leider verschuldigd is?
—Wat wil die vreemdeling!
Deze en dergelijke kreten werden hier en daar hoorbaar, maar de Beaupré
liet zich volstrekt niet van zijn stuk brengen.
Hij stak een sigaret op en wachtte kalm af tot de schreeuwers
uitgeschreeuwd waren.
Toen begon hij weder:
—De heeren schreeuwers hebben ongelijk. Als men mij bestrijdt, laat men
het dan met argumenten doen! Ik kom nu tot het slot van mijn korte
toespraak—de zaak, waarom het gaat! Ik herhaal, dat dr. Fox voorloopig
uitgeschakeld is, en een vennootschap als het onze kan nooit goed
werken, wanneer het eenigen tijd zonder chef blijft, de tucht
vermindert en de onderlinge samenhang gaat verloren. Gij weet, dat ik,
toen er eenige maanden geleden een nieuwe chef gekozen moest worden,
mij als candidaat opwierp, hetgeen toen tegen het gebruik heette te
strijden, omdat dr. Fox reeds door het bestuur als meester was
voorgesteld. Ik heb toen het onderspit moeten delven—ofschoon ik mij
zelf zeer goed in staat achtte, het genootschap te besturen.
Op deze woorden volgde weder een tijd van stilzwijgen, want geen der
leden scheen goed te begrijpen, waar de spreker heen wilde.
De Beaupré, nog altijd in nonchalante houding tegen de tafel leunende,
liet zijn blikken even over de vergaderden dwalen en besloot:
—Voor de rest kan ik kort zijn. In enkele woorden: ik stel u voor, mij
te benoemen tot leider van uw genootschap, nu dr. Fox niet meer
aanwezig is—niemand kan zeggen voor hoe lang.
In denzelfden hoek, waar zooeven de interrupties waren gevallen, begon
het nu opnieuw zeer rumoerig te worden.
—Geen vreemdeling over ons!
—Wij willen alleen dr. Fox tot leider!
—Gij maakt misbruik van uwe positie en van de afwezigheid van dr. Fox!
Deze en andere uitroepen werden gehoord.
Maar het bleek al spoedig, dat er zich vrij veel bendeleden in de zaal
bevonden, die op de hand waren van den stoutmoedigen Franschman en hem
zeker een kans zouden geven.
Ook zij begonnen te schreeuwen en binnen enkele oogenblikken was het
een kabaal van belang.
Beaupré bleef glimlachend staan, waar hij stond en stak een versche
sigaret aan.
Zijn scherp oog had spoedig gezien, dat hij, als hij maar vol hield,
over een meerderheid zou kunnen beschikken, althans in deze
vergadering.
Hij moest dus het ijzer smeden, terwijl het heet was.
Wat er daarna zou gebeuren, dat interesseerde hem minder.
Als hij eenmaal aan het hoofd van het Genootschap stond, dan zou hij
zijn post wel weten te handhaven.
Er verliepen ongeveer 10 minuten onder een heidensch kabaal en het was
goed dat men hier zoo diep onder den grond was.
Maar eindelijk kon de vice-president weder kalmte verkrijgen en riep
met een stem, bevend van woede:
—Men kan inderdaad wel zien, dat hier een sterke hand noodig is, en dat
er een krachtig man aan uw hoofd staat. Dr. Fox zou zulk een lawaai
niet geduld hebben. En nu wat het voorstel van Beaupré betreft. In
zekeren zin heeft hij gelijk, er moet een beslissing worden genomen,
want ons genootschap mag niet hoofdeloos blijven. Ik voor mij heb er
niets tegen, dat hij ons regeert, natuurlijk tot het tijdstip waarop
dr. Fox weer in ons midden zal zijn—of anders hoogstens een half jaar,
want na dien tijd moet er een vrije stemming plaats vinden.
Beaupré had met gefronst voorhoofd toegeluisterd en zeide toen
spottend:
—Wie dan leeft, wie dan zorgt! Zoudt gij nu niet tot stemming kunnen
laten overgaan?
De noodige toebereidselen werden gemaakt en de stemming vond plaats.
Er verstreken twintig minuten—en toen maakte de vice-voorzitter onder
doodsche stilte bekend, dat volgens de stemming markies Beaupré de la
Sardogne met 57 tegen 41 stemmen tot plaatsvervangend chef van het
genootschap was gekozen.
HOOFDSTUK II.
EEN ONVERWACHTE TERUGKEER.
Er waren ongeveer twaalf dagen verloopen sedert de verkiezing van den
nieuwen chef.
Beaupré was dadelijk met kracht opgetreden en niet alleen was de tucht
teruggekeerd onder de leden van het genootschap, maar ook nam de
criminaliteit te Londen weder ziender oogen toe.
Er hadden zeer veel aanrandingen en beroovingen op den openbaren weg
plaats gevonden en in de meeste gevallen was de politie niet bij machte
de daders te grijpen.
Degenen, die in handen van de gerechtigheid vielen, en waarvan de
politie bijna zeker wist, dat zij tot een georganiseerde bende
behoorden, zwegen echter als het graf en verklapten niets—Beaupré wist
orde onder zijn luitjes te houden.
Alle leden wisten, dat hij een sterke hand had, en dat die hand zeer
ver strekte.
Eens zou er een dag komen, dat zij weder uit de gevangenis ontslagen
werden, en dan wee hunner, wanneer zij soms hun mond voorbij gepraat
mochten hebben!
Maar eensklaps bracht de telegraaf het bericht, het ongelooflijk
klinkende bericht, dat dr. Fox er opnieuw in geslaagd was, uit de
gevangenis te ontvluchten.
Het gevaarlijke bendehoofd, dat zich wel op honderd plaatsen tegelijk
scheen te kunnen vertoonen, was dus weder op vrije voeten!
Een oogenblik kon men nog hopen, dat hij achterhaald zou worden als hij
zich naar een van de booten begaf, maar de ontvluchte misdadiger scheen
voorzichtig te zijn, en had wel begrepen, dat de politie het oog zou
houden op de inschepingsplaatsen der groote mailbooten.
Waarschijnlijk zou dr. Fox er voorloopig niet aan denken, naar Engeland
terug te keeren, omdat hij wel zou begrijpen, dat de politie daarginds
waakzaam was. Maar intusschen was hij toch maar vrij!
Eens zou er een dag komen, waarop hij de waakzaamheid der Amerikaansche
politie zou weten te verschalken en weder naar Engeland zou oversteken.
Men had er te New-York niet aan gedacht, het bericht van de
ontvluchting geheim te houden, daar men terecht oordeelde, dat een zoo
groot mogelijke openbaarheid het beste middel zou zijn, om den schurk
weder in handen te krijgen.
Zijn signalement werd dus onmiddellijk naar alle hoeken der wereld
getelegrafeerd, ofschoon men er bijna zeker van was, dat dr. Fox in den
eersten tijd Amerika niet zou durven verlaten.
Natuurlijk waren ook aanstonds alle leden van de verschillende benden
op de hoogte, welke tot het Genootschap van den Gouden Sleutel
behoorden.
En even natuurlijk werd het bericht in die kringen met gemengde
gevoelens ontvangen.
De vrienden van den meester, die de troonsbestijging van den Franschman
steeds met leede oogen hadden aangezien, en slechts met tegenzin zijn
bevelen opvolgden, vernamen het bericht der ontsnapping met groote
vreugde, welke zij niet poogden te verbergen.
De volgelingen van Beaupré daarentegen waren tamelijk ongerust en
voorzagen, het heftig karakter van den Franschman kennende, een
noodlottige botsing.
En Beaupré zelf?
Hij bleef onder het bericht volkomen kalm.
Hij rekende er op, dat het Fox zoo goed als onmogelijk zou vallen, den
Oceaan over te steken, daar dit gelijk zou staan met zelfmoord—hoe goed
ook vermomd, de waakzame politie zou hem zeker aanhouden, zoodra hij
den voet op een der Transatlantische zeebooten durfde zetten.
En intusschen ging hij kalm door met het organiseeren van strooptochten
in de voorsteden van Londen, het ondernemen van tochten per auto, met
het doel om groote banken te berooven, waarbij hij steeds vóór ging,
zonder het gevaar te achten.
Er waren ongeveer negen dagen verloopen sedert het bericht der
ontvluchting bekend werd, en er had wederom een samenkomst plaats in
het onderaardsche dievenhol in de Firestreet.
Ditmaal was er een groot aantal leden present, want er zou over een
belangrijk onderwerp beraadslaagd worden, een organisatorische
wijziging in het bestuur, door Beaupré voorgesteld, en waardoor de
samenwerking der verschillende benden zoowel in, als buiten Engeland
vergemakkelijkt zou worden.
Het was omstreeks één uur in den nacht, en er was juist een spreker aan
het woord, toen een der deuren van de zaal geopend werd en er een man
binnentrad, die zachtjes naar voren trad en een oogenblik achter de
groep mannen staande bleef luisteren.
Maar één hunner had een blik achter zich geworpen en riep uit:
—Dr. Fox!
Aller oogen wendden zich naar den persoon, die zooeven was binnen
gekomen en allerwege werden luide kreten hoorbaar—van blijde
verrassing, of van schrik!
Ja, het was zoo—dr. Fox was teruggekeerd!
Met een zonderlingen glimlach om de dunne lippen en een glans in de
grijsgroene oogen, die weinig goeds voorspelde, drong hij door de
vergaderden, die eerbiedig en zwijgend plaats voor hem maakten, tot hij
de tafel van het bestuur bereikt had en een voet op de verhooging gezet
had.
Het was doodstil in de zaal geworden en men had inderdaad een speld
kunnen hooren vallen.
In den bestuursstoel zat markies Beaupré, met den voorzittershamer in
de hand.
Hij was een weinig bleek geworden, toen hij dr. Fox zag naderen, maar
anders had niets zijn ontroering verraden.
Eenigen tijd keken de beide mededingers elkander strak aan.
De vier overige leden van het bestuur waren onmiddellijk opgerezen en
bleven nu in half gebukte houding achter de tafel met het sombere,
zwarte kleed, staan.
Toen sprak dr. Fox langzaam:
—Markies Beaupré schijnt het niet noodzakelijk te achten, zijn
teruggekeerden chef te begroeten?
Beaupré klemde de lippen dicht opéén, en een straal van woede en haat
flitste een oogenblik uit zijn zwakke oogen.
Hij wist zich echter te beheerschen en zeide op kalmen toon:
—Het verheugt mij voor u, dr. Fox, dat gij, niettegenstaande het
dreigende gevaar, naar Londen hebt weten over te steken—maar ik kan
niet inzien, waarom ik als president—als wettig gekozen voorzitter—zou
moeten opstaan, om u buigend te begroeten.
—Zijt gij als president gekozen? hernam dr. Fox tergend langzaam. Wel,
dat is iets nieuws voor mij! Of liever gezegd: nieuw is het niet, want
ten eerste verwachtte ik wel iets dergelijks, en ten tweede is het mij
eenige uren geleden medegedeeld door één mijner vrienden! Ik behoef u
zeker niet te zeggen, dat deze verkiezing onwettig was?
—Onwettig? herhaalde Beaupré met dreigend samengetrokken wenkbrauwen.
Men heeft mij in een geheime en directe stemming zonder dat iemand
invloed kon uitoefenen, met een aanmerkelijke meerderheid gekozen—noemt
gij dat onwettig?
—Mijnentwege was zij het niet, hernam dr. Fox met stemverheffing. Wij
willen daarover niet twisten. In ieder geval kon uw functie slechts
zoolang duren, als ik afwezig was. Ik ben teruggekeerd—gij treedt dus
automatisch weder af en ruimt de voorzittersplaats voor mij in!
Een onheilspellende stilte volgde op deze woorden.
Iedereen gevoelde, dat er iets in de lucht hing, iets dreigends,
waaraan nog geen naam kon worden gegeven.
Het gelaat van Beaupré was als uit marmer gehouwen, zoo wit en
onbewegelijk, en alleen zijn oogen schenen te leven en vlammen te
schieten.
Toen barstte hij uit:
—Gij zoudt mij dus willen dwingen, mijn taak als chef van het
Genootschap weder neer te leggen?
—Wat hadt gij dan gedacht? riep dr. Fox toornig uit. Ik heb
levensgevaar getrotseerd, om aanstonds weder naar Engeland terug te
keeren. Ik heb, vermomd als stoker, een plaats weten te krijgen op een
particulier jacht, dat naar een Spaansche haven voer. Ik ben vandaar
als blinde passagier door geheel Frankrijk gereisd, en ben van Parijs
tegen betaling van een ongehoorde som per vliegmachine naar Londen
overgestoken—alleen maar om mijn taak weder op mij te kunnen nemen. En
gij zoudt durven ontkennen, dat ik daartoe het recht heb? Kort en
goed—ik raad u aan, om aanstonds den voorzittershamer aan mij over te
geven!
—Ik weiger! Ik ben er—ik blijf er, zooals een goed rond gezegde in mijn
taal luidt!
Dat was duidelijk!
Het was een gezegde, dat niet voor tweeërlei uitleggingen vatbaar was.
Hier stonden twee vijanden tegenover elkander, en iedereen gevoelde,
dat zich hier een felle strijd om het hoogste gezag zou ontspinnen.
Vroeger werd de chef van het geheime Genootschap van den Gouden Sleutel
steeds door de zeven leden van het bestuur gekozen, chefs van even
zoovele groote benden, en die alleen het recht hadden, den leider
ongemaskerd te zien en te spreken, en geen der andere leden had ooit
geweten, wie de hoofdaanvoerder eigenlijk was.
Dat was echter in dit geval niet mogelijk geweest, want John Raffles
had al zeer spoedig de politie op de hoogte gebracht van de identiteit
van het Hoofd, en ten overvloede had de Amerikaansche politie een zeer
nauwkeurig signalement van hem gegeven.
Het mocht dus wel nutteloos heeten, nog langer geheimhouding tegenover
de leden te betrachten, en Fox had terecht ingezien, dat hier slechts
een openlijk optreden kon baten, daar de Franschman zichzelf reeds een
aanzienlijken aanhang zou hebben weten te verwerven.
Dit bleek ook spoedig genoeg, want er klonk hier en daar een gemor in
de zaal, dat hem niet veel goeds voorspelde.
Hier moest ingegrepen worden—met krachtige hand!
Beaupré weigerde om heen te gaan—welnu, dan zou hij hem echter moeten
dwingen.
Dr. Fox was met gekruiste armen op de bestuurstafel toegetreden, en
stond nu vlak tegenover zijn vijand, dien hij met zijn grijsgroene
oogen doorborend aanzag.
—Ik heb u goed verstaan? Gij weigert mijne rechten te erkennen?
—Ik weiger niet ze te erkennen—ik weiger slechts er rekening mede te
houden! antwoordde Beaupré met een spottend lachje, hetwelk het bloed
van den Meester aan het koken bracht.
—Gij wil dus zeggen, dat ge mij tart? schreeuwde hij.
—Gij moogt het noemen, zooals gij verkiest—ik heb deze zware taak niet
op mij genomen met het voornemen, haar zoo spoedig weder te laten
varen!
HOOFDSTUK III.
EEN VREESELIJK DUEL.
Weer ontstond een gespannen stilte op deze woorden.
Toen hernam dr. Fox langzaam en alsof hij ieder woord woog:
—Wat men u ook moge verwijten—zeker geen gemis aan duidelijkheid!
Welnu, ik wil in dat opzicht niet voor u onder doen, ik zal even
duidelijk zijn! Gij hebt u reeds bij een vroegere gelegenheid mijn
bitterste vijand betoond, en ik verdenk er u zelfs sterk van dat gij
mij aan de politie hebt willen verraden! In het kort—een van ons beiden
is te veel! Is u dat duidelijk genoeg?
—Zeker, Fox! antwoordde markies de Beaupré spottend. Gij spreekt naar
mijn hart—gij windt er geen doekjes om! Het is inderdaad maar beter als
een van ons beiden verdwijnt. Gij moet inzien, dat het voor mij een al
te harde noot te kraken zou zijn, als ik nu deze post weder moet
verlaten, om voor u plaats te maken, nadat ik reeds eenige
veranderingen heb ingevoerd—die volgens mijn oordeel verbeteringen
zijn.
—Welnu, dan zullen wij consequent moeten zijn, en onze conclusies
hieruit trekken! vervolgde dr. Fox koeltjes. Het komt in het kort
hierop neer, dat wij zullen moeten duelleeren.
—Het staat mij aan! riep de Franschman uit. Dat is een ridderlijke
wijze om geschillen te slechten. Zullen wij den degen kiezen?
Dr. Fox schudde zwijgend ontkennend het hoofd.
—Het pistool dan?
Nogmaals een ontkennend hoofdschudden.
—Noch het pistool—noch de degen? vroeg De Beaupré verwonderd. Voor den
drommel—waar wilt gij dan mee vechten?
—Met het mes! klonk het kortaf van de dunne lippen van dr. Fox.
De wenkbrauwen van den Franschman gingen de hoogte in en daarop zonken
zij zoo laag, dat zij zijn oogen geheel overschaduwden.
—Het mes? bromde hij verachtelijk. Een zonderling wapen, dat moet ik
zeggen.
—Maar een wapen, dat gij toch wel hanteeren kunt, niet waar? zeide dr.
Fox.
—Ik ontken het niet!
—Nu, dan staan wij in dat opzicht gelijk! Ik erken eerlijk, dat ik niet
zeer sterk ben in het hanteeren van degen en duelleerpistool—en daar ik
besloten ben om u te overwinnen—zoo heb ik het mes gekozen.
Beaupré haalde na eenig nadenken de schouders op, en zeide toen:
—Het zij zoo! Ik begrijp uw voorkeur voor het mes wel—gij zijt immers
geneesheer? Laat ons dan de zaak maar niet uitstellen—de zaal is groot
genoeg. Ik heb wel geen mes bij mij, maar een van de leden zal wel zoo
vriendelijk zijn, mij er een te leenen!
—Een oogenblik! klonk nu een stem uit de vergadering.
Allen wendden den blik naar den spreker, een man met een fanatiek
gelaat, diep in de kassen gezonken oogen en een rafelige, laag
neerhangende snor.
Het was een Mexicaan, die een half jaar geleden uit zijn land was
gevlucht wegens moord op een ranchohouder en zijn dochter, naar
Engeland was gevlucht, waar hij in veiligheid hoopte te zijn.
—Ik stel voor, dat het een Mexicaansch duel zal zijn! ging de man
voort.
—Wat is dat? werd er van verschillende kanten geroepen.
—Heel eenvoudig—de duellanten worden opgesloten in een stikdonker
vertrek, waar geen enkele lichtstraal mag binnendringen en dat niet
grooter mag zijn dan drie meter in het vierkant. Zij krijgen ieder een
even sterk en groot mes in de vuist—de deur wordt gesloten—en een half
uur later gaat men eens kijken hoe het zaakje staat!
Een huivering van ontzetting was door de meeste aanwezigen gegaan, hoe
gehard ook, want zij begrepen dadelijk alle afschuwelijkheden van zulk
een duel in een tastbare duisternis, waar de dood onzichtbaar loerde.
Maar aan den anderen kant verlokte het voorstel door zijn bloedige
romantiek, en reeds gingen er van alle kanten kreten van instemming op.
—Ja—het moet een Mexicaansch duel zijn! werd er geschreeuwd. Dan zal
het lot spreken! Wie het overleeft, wordt onze leider!
De beide vijanden hadden met bleek gelaat naar deze dierlijke kreten
geluisterd—dezelfde kreten, die eenige eeuwen weerklonken op de steenen
banken der arena’s waar de eerste Christenen ten prooi aan de wilde
dieren werden geworpen.
Bloeddorst lag op ieders gelaat—en de beide mannen lazen daar als in
een opgeslagen boek, dat zij op mededoogen niet behoefden te rekenen.
Men had besloten, dat het een Mexicaansch duel zou zijn—en daartegen
zouden zij vruchteloos zich verzetten.
Deden zij het niet, dan liepen zij groote kans, dat zij beiden wegens
gebrek aan moed zouden worden verjaagd.
Beaupré was de eerste die weder sprak, zijn stem trilde slechts weinig,
toen hij zeide:
—Het is goed—ik stem toe! Het is geen tweegevecht naar mijn smaak, want
thans zal het blinde lot ook een woordje meespreken, maar als gij het
wilt, dan zal ik mij er in schikken.
De toebereidselen waren spoedig getroffen.
Twee leden van het Genootschap, broeders, bezaten twee volkomen
gelijke, sterke, knipmessen, met een hoorn heft en een lemmet bijna een
halven centimeter op den rug dik, en vier centimeter breed, vlijmscherp
geslepen en dat onmogelijk kon dichtklappen als het eenmaal geopend
was.
Het waren vreeselijke wapens, in de handen van een geoefend vechter.
Aan de groote vergaderzaal grensde een klein kamertje, dat eveneens
steeds kunstmatig verlicht moest worden, en dat voortreffelijk voor het
doel geschikt was.
Er lag een tapijt op den vloer, er stond een tafel, een paar stoelen,
een kastje en nog een enkel meubelstuk.
De tafel en de stoelen werden er uit weggehaald—de draad van het
electrisch licht werd doorgesneden, uit vrees dat de strijdenden het
misschien zouden willen doen ontgloeien—zij kregen ieder een mes in de
hand, waarop zij ieder in een tegenover gestelden hoek van het vertrek
werden geplaatst, en daarop werd de deur gesloten.
De twee doodsvijanden waren alleen.
Zij waren vaak in het donker geweest, maar een bijna tastbare,
afschuwelijke duisternis als deze, hadden zij nimmer beleefd.
Het was alsof zij als lood op hen drukte en hen omving als de golven
een drenkeling die onder de oppervlakte van het water is verdwenen.
Zij hoorden niets dan elkanders stootende ademhaling en het gesuis in
hun ooren, de aandrang van hun bloed.
Beiden hielden het vreeselijke mes in de vuist geklemd alsof zij het
sterke hoorn mes wilde verbrijzelen—want wie zijn wapen verloor, die
was ten doode opgeschreven.
Niemand hunner waagde aanvankelijk een stap te doen—want die eerste
stap kon den dood brengen.
Dr. Fox stiet een doffen, half gesmoorden kreet uit—zijn voet was onder
het tapijt geraakt—en hij struikelde, want in deze vervloekte
duisternis was men zijn bewegingen niet meester.
Dadelijk was Beaupré bij hem en zwaaide zijn gewapenden arm met kracht
vooruit.
Maar hij raakte het ledige—en een oogenblik later viel hij languit over
het uitgestrekte been van zijn vijand.
Bijna was het mes aan zijn hand ontglipt.
Zijn hoofd bonsde tegen den wand en even duizelde het hem.
Toen voelde hij zich bij zijn korte jas grijpen—en weer stak hij
woedend naar de hand die hem beet had gevat.
Een schreeuw van pijn—de greep werd losser—het mes had blijkbaar de
grijpende hand geraakt.
En opnieuw begon het afschuwelijk tasten in het duister, het hijgend
ademhalen, dat de twee strijdenden zooveel mogelijk voor elkander
trachtten te verbergen, uit vrees hun aanwezigheid te verraden, en het
kruipen langs den grond en langs de wanden.
Deze vreeselijke minuten schenen eeuwig te duren.
Eenmaal bleek het, dat de beide doodsvijanden achter elkander op handen
en voeten het vertrek waren rondgekropen.
Bij het voor zich uittasten greep Fox het been van Beaupré even boven
den enkel en hij hield het krampachtig vast ondanks het schoppen van
den ander, die zich uit alle macht trachtte los te maken.
De volgende seconden hadden de twee mannen zich als slangen om elkander
heen gekronkeld en staken zij onder het uiten van de vreeselijkste
verwenschingen op elkander los.
En bijna even plotseling hadden zij elkander weder losgelaten en
stonden hijgend, bloedend, terwijl een roode nevel voor hun oogen op en
neer golfde, ieder in een hoek van het vertrek weder stil.
Opnieuw begonnen hun voeten tastend vooruit te schuifelen, hielden zij
hun adem in om niet de plek te verraden waar zij stonden en den ander
onverhoeds te kunnen neerstooten.
Toen voelde Beaupré plotseling hoe het was, alsof de grond onder hem
wegzonk en het volgende oogenblik begreep hij het.
Zijn verraderlijke tegenstander had het kleine vloerkleed bij een der
hoeken vastgegrepen en het met een ruk naar zich toegetrokken.
De Franschman viel achterover—en ditmaal vloog het mes uit zijn handen!
Een schorre kreet ontwrong zich aan zijn keel.
Het was hem, alsof er nu overal rossige vlammen oplaaiden.
Als waanzinnig trachtte hij de dichte duisternis vruchteloos met zijn
wijdgeopende oogen te doorboren.
Zijn slapen klopten alsof zij zouden barsten, en zijn hart hamerde hem
met pijndoende slagen in de borst.
Beaupré was voorzeker een moedig man, maar de toestand waarin hij zich
thans bevond was werkelijk vreeselijk!
Hij bevond zich in een zeer klein vertrek, waar niet de flauwste
lichtstraal binnen drong—en op eenige meters afstand van hem wist hij
een meedoogenloozen vijand, gewapend met een vlijmscherp knipmes, en
die hem zeker zou dooden—want hij zelf was nu ongewapend.
Met een doffen kreet liet hij zich op de knieën vallen, en begon met
koortsachtige haast over den vloer te tasten, in de hoop dat hij zijn
eigen mes zou terugvinden.
Dr. Fox moest zeker het vallen van het wapen van zijn tegenstander
gehoord hebben, want hij stiet een duivelsch lachje uit, en Beaupré
hoorde hem nader sluipen.
Het volgende oogenblik zou hij het koude staal wellicht in zijn lichaam
voelen binnendringen, zonder zich ditmaal te kunnen verdedigen.
Hij wierp zich plat op den grond, steeds met beide handen rondtastende.
Toen voelde hij hoe de voet van zijn doodsvijand tegen zijn beenen
stiet en hoe dr. Fox het evenwicht verloor.
Hij sprong ijlings weder overeind, voor zijn vijand in den val had
kunnen toestooten of zich herstellen, maar op zijn beurt struikelde hij
opnieuw en viel voorover.
Maar een zijner handen was op een scherp, koud voorwerp terecht
gekomen.
Hij slaakte een dierlijke kreet van vreugde—het toeval had hem juist
het mes weder onder zijn bereik gebracht.
Hij wendde zich bliksemsnel om, en greep zijn tegenstander vast,
terwijl hij woedend naar hem stak.
Maar tegelijkertijd slaakte hij een kreet van afschuw en schrik.
Hij gevoelde, dat dr. Fox zijn bovenlichaam en zijn arm met het dikke
tapijt had omwikkeld, ten einde zich zoodoende te beschermen.
—Jij laffe verraderlijke hond! schreeuwde hij heesch, en nogmaals hief
hij het mes op en stak in den blinde toe.
Maar eensklaps slaakte hij een doordringenden gil.
Hij gevoelde het staal in zijn rechterzijde dringen!
Hij hoorde nog het satanische lachje van zijn vijand, en diens woesten
kreet van zegepraal—en toen zonk het bewustzijn snel uit hem weg.
Hij liet zijn tegenstander los, stond even heen en weer zwaaiend op
dezelfde plek en viel toen met een zwaren slag op den vloer, waarbij
zijn hoofd tegen den muur bonsde.
—Komt hier, vrienden! riep dr. Fox op heeschen toon, het is gedaan!
De deur van het kleine vertrek werd opengeworpen en een breede
lichtstraal drong naar binnen, zoo schel, dat dr. Fox de handen tegen
de oogen moest leggen en tegen den muur moest leunen.
Hij bloedde uit verscheidene wonden en was schrikwekkend bleek.
Het lichaam van Beaupré werd opgenomen en naar de zaal gedragen.
Behalve eenige kleinere wonden had hij een diepe snijwond in de rechter
zijde.
Een der leden, een student in de medicijnen, die echter te lui was
geweest om zijn graad te halen, onderzocht de wonden en zeide op
ernstigen toon:
—Hij moest aanstonds naar een ziekenhuis vervoerd worden, geschied dat
niet, dan kan ik niet voor de gevolgen instaan.
Dr. Fox keek den spreker met een duisteren blik aan en gromde:
—Ik heb hem overwonnen—laat hij sterven!
Deze woorden verwekten echter een dreigend gemompel onder de vrienden
van den Franschman, en dr. Fox, die een menschenkenner was, begreep dat
hij niet te ver mocht gaan.
Hij haalde minachtend de schouders op en hernam:
—Doe overigens wat gij wilt, als gij maar zorgt dat geen onzer gevaar
loopt, en als gij maar erkent dat ik mij zijn meerdere heb getoond, en
dus het recht heb weder de plaats in te nemen die mij toe komt.
Hier en daar gingen kreten van instemming op, waarop de meester
vervolgde:
—Draag hem dan spoedig naar buiten, en laat een uwer een auto
aanroepen, met hem naar een ziekenhuis rijden, en daar een of ander
praatje opdisschen van een nachtelijke aanranding—een straatgevecht of
iets dergelijks; ik raad u aan voorzichtig te zijn, want ik ben niet in
een stemming om vergissingen en domheden over het hoofd te zien!
Onder het spreken had dr. Fox een dreigenden blik om zich heen
geworpen, en ondanks zichzelven voelden alle bandieten een zeker ontzag
voor den man die zooeven pas een vreeselijk tweegevecht had moeten
doorstaan en nu reeds weder zijn gezag deed gelden, bleek, bloedend,
maar niet van zins om ook maar het geringste deel van zijn autoriteit
prijs te geven.
Een paar sterke kerels namen het slappe lichaam van den gewonde vlug op
en droegen het naar buiten.
Het was reeds zeer laat in den nacht maar het geluk was hen dienstig,
want zij troffen vrij spoedig een taxi.
Zij moesten den chauffeur echter een groote fooi beloven alvorens deze
zich bereid toonde de beide mannen met den zwaargewonde naar het
dichtstbijzijnde ziekenhuis te vervoeren, ofschoon dit nauwelijks een
kwartier rijden van den anderen oever van de Theems gelegen was.
Daar gekomen dischten de twee mannen een verhaal op van een nachtelijke
vechtpartij, en Beaupré werd op de gemeenschappelijke mannenzaal in een
krib gelegd, nadat hij in de operatiekamer verbonden was.
De twee mannen hadden wijselijk geen naam genoemd—want zij begrepen wel
dat hun dat in moeilijkheden kon brengen.
En zoo werd er op de kaart die boven Beaupré’s bed gehangen werd niets
ander ingevuld dan de aard van zijn ziekte: „Diepe steekwond in de
rechterzijde, met perforatie van den maagwand.”
Daaronder stond, ten behoeve van de verpleegster, in het kort de
behandeling aangegeven, maar naam, woonplaats, ouderdom en alle andere
gegevens moesten oningevuld blijven.
HOOFDSTUK IV.
DE MINNARES VAN BEAUPRÉ.
Den volgenden dag omstreeks vier uur in den middag hield een prachtige
blauw gelakte limousine stil voor het hek hetwelk het ziekenhuis aan de
Sloane street omgaf.
Het hek was slechts op de klink gesloten, en de reusachtig gebouwde
chauffeur, die achter het stuurwiel van de auto had gezeten, kon het
gemakkelijk openen.
Hij wilde weder op zijn plaats gaan zitten, om zijn wagen langs een der
breede oprijwegen tot voor den hoofdingang van het ziekenhuis te
brengen, maar een van de beide heeren die in de auto zaten had het
portier reeds geopend en zeide nu:
—Laat maar, Henderson—wij zullen dat kleine eind wel te voet afleggen,
rijd maar naar huis, en kom over anderhalf uur terug.
Onder het spreken was de eigenaar van de prachtige auto, een rijzig man
in de kracht van zijn leven, met een gespierde gestalte, en haar dat
aan de slapen licht begon te grijzen, gevolgd door een jongen man van
omstreeks vijf-en-twintig of zes-en-twintig jaar, met lichtblauwe oogen
en blond haar, die den ander met veel differentie scheen te behandelen.
De chauffeur oogde hen even na, terwijl zij daar naast elkander de
breede oprijlaan volgden, nam toen weder achter het stuurwiel plaats,
en even later was de prachtige Limousine weder te midden van het groote
stadsverkeer verdwenen.
De twee elegant gekleede heeren, die daar naar het gasthuis onderweg
waren, schenen hier geen onbekenden te zijn, want de eenvoudig gekleede
portier die aan den ingang van de vestibule op post stond, tikte
eerbiedig aan zijn pet, en liet de beide heeren zonder iets te vragen
voorbijgaan.
De oudste der beide mannen was Lord William Aberdeen, de schatrijke
filantroop, in geheel Londen bekend wegens zijn teruggetrokken
leefwijze, zijn grooten eenvoud, waarmede hij ondanks zijn rijkdom
leefde, en zijn tallooze menschlievende daden.
Zijn metgezel heette Charly Brand, en was zijn secretaris, die een
eindelooze lijst van personen moest bijhouden, die in een of ander
opzicht hulp en bijstand behoefden.
Het was inderdaad een geweldige boekhouding, maar de jonge man oefende
zijn functie blijkbaar met groot genoegen uit.
Het was heden de dag waarop zij een of ander gasthuis plachten te
bezoeken, waar voornamelijk lieden uit de volksklasse werden verpleegd.
Dit was een gewoonte van zijn Lordschap, waarvan hij slechts zeer
zelden afweek.
Na den portier te zijn gepasseerd, bevonden de twee heeren zich in een
ruime hal, met een groote lift ter weerszijden, ieder naast een breede,
hardsteenen trap gelegen.
Daar zij wisten op de eerste verdieping de groote zaal voor de
mannelijke verpleegden te zullen vinden, liepen zij de lift voorbij en
bestegen de breede trap.
Zij kwamen nu en dan verplegers voorbij, die hen eveneens schenen te
kennen en voor wie zij beleefd den hoed afnamen.
Op de breede gang, welke zij thans bereikten, liep een ziekenverpleger
op en neder, die de wacht hield bij de breede toegangsdeur.
Het bezoekuur zou spoedig slaan, en hij moest er voor waken, dat de
drukte niet al te groot zou worden.
Hij maakte dadelijk plaats voor den hoogen bezoeker, en zeide
glimlachend: Een rijken oogst vandaag Mylord,—de zaal ligt bijna geheel
vol.
En hij opende de deur voor de beide bezoekers.
Dezen stonden nu aan het begin van een zeer groote zaal waar
honderdtwintig bedden stonden, zestig langs iedere zijde van het
vertrek.
Het licht stroomde door een achttal hooge vensters naar binnen.
Een paar verpleegsters liepen zachtjes heen en weder langs den breeden
middenloop, die met een dikken kokoslooper bedekt was.