Een der eerste daden van de Staten-Generaal, na de komst van den
Prins in Holland, was, hem te vragen zich met het centraal bestuur
te belasten. Oranje gaf den 6en September daarop in een uitgebreid
document antwoord. Hij verzocht hun wel het groote gewicht van die
zaak te bedenken en de moeilijkheden, die eraan verbonden waren,
vooral omdat verschillende gewesten hun afgevaardigden nog niet naar
de vergadering der Staten hadden gezonden. Bleven zij bij hun besluit,
dan wilde de Prins een acte hebben, waardoor het hem vrij zou staan
zich weder als hoofd ontslagen te rekenen, indien de gewesten zich
niet aan de orde wilden onderwerpen. Ook wilde hij den Staten de
vrijheid geven een anderen gouverneur te benoemen, indien ze daartoe
wilden besluiten; hij zou dan onmiddellijk het gezag in hun handen
teruggeven. Met het oog op den langen duur der beraadslagingen over
deze belangrijke quaestie verzocht hij hun, een raad voor het land
in te stellen.
De Staten-Generaal, die den Prins dat verzoek deden, waren in
Middelburg te zamen, maar het was er verre van, dat dit lichaam den
geheelen Staat vertegenwoordigde.
Zoo waren de Staten van Brabant tot een klein getal edelen en tot
de steden Brussel en Antwerpen gereduceerd, terwijl vele der andere
gewesten in het geheel niet of zeer matig vertegenwoordigd waren.
Ondertusschen was de Prins zelf nog geheel verdiept in de quaestie
van den opnieuw te erkennen protector en souverein. Het accoord van
den 18en Maart te Dendermonde was slechts voorloopig geweest. De
onderhandelingen, die op den grond daarvan gevoerd werden, vlotten
niet. De hovelingen van Anjou, verbitterd over de mislukking hunner
plannen, oefenden een verkeerden invloed op hem uit en de hertog
zelf werd ziekelijk. Op 28 Juni 1583 verliet hij het land, onder
voorwendsel, dat hij met zijn moeder en broeder moest raadplegen. Des
Pruneaux bleef de betrekking levendig houden. In September richtte deze
een langen brief tot de Staten, waarin hij vroeg, waarom ze toch niet
voortgingen, schikkingen te maken met zijn meester en Anjou schreef
in dezelfde maand uit Kamerijk een brief vol klachten aan den Prins,
waarin hij zich eveneens over de Staten beklaagde. Nadat hij enkele
mededeelingen gedaan had over het aantal troepen, dat hij in 't veld
zou kunnen brengen, schreef hij o. a.:
Ik heb echter eindelooze oorzaak om mij over de Staten te beklagen,
van welke ik geen enkelen regel schrifts ontvangen heb sinds mijn
vertrek uit Duinkerken. Indien ik mij gedroeg als zij, waartoe ik
alle recht zou hebben, dan zou alles nog slechter gaan. Maar aan de
geheele wereld, wil ik toonen, dat het mijn schuld niet zal zijn,
als hun zaken misloopen.
Aan de noodige brutaliteit miste het Anjou niet, want terecht vraagt
men zich af, hoe het mogelijk is dat de man van de Fransche furie
nog zulk een toon durfde aanslaan.
Op hun standpunt hadden de Staten geen ongelijk, dat ze zijn
verbroken trouw niet maar zoo voorkomend beantwoordden. Anjou was
echter geheel op de hoogte van hun nood, en Oranje, die dit wel inzag,
hield den band levendig, trots alles wat er gebeurd was. In den loop
van 1583 en 1584 bleef de toestand werkelijk zeer donker. De brieven
in Februari en Maart (1584) door Oranje aan graaf Jan geschreven,
geven dien treurigen toestand van het land weer en betoogen tevens
de noodzakelijkheid van Fransche hulp. Het zijn merkwaardige brieven
die door Prof. Blok, Oranje's "politiek testament" worden genoemd.
Het is daarom van belang, er enkele uittreksels van te geven.
De eerste van Februari is geschreven onder den indruk van den
jammerlijken afloop der Keulsche zaken. We zagen, hoe Truchsess had
moeten vluchten en hoe Joh. Casimir zijn leger moest ontbinden. Daarbij
waren de Papisten en Spaanschgezinden hier in het land nog zeer
talrijk. Kwam er geen hulp van buiten, het land zou ongetwijfeld
ondergaan. "Toch," schrijft de Prins, "ben ik nog niet geheel
ontmoedigd en mijn geestdrift voor de bevordering van den roem van
God en het welzijn van het land is door al den tegenspoed niet
verminderd. Integendeel kan ik u verzekeren, dat ik niet ophoud
iedereen te bemoedigen en vrij en open voortga met spreken over alles
wat tot de handhaving van den hervormden godsdienst, van de vrijheid
en de welvaart van het land kan dienen."
In de brieven van Maart verdedigt hij tegenover zijn broeder zijn
relaties met Frankrijk. Na weder het groot gevaar van den toestand
te hebben uiteengezet, vervolgt Oranje aldus: "Indien ik in dezen
uitersten nood eenigen goeden raad ontving, dan zou dat zijn hetgeen
mijn hart begeert, maar ik zie, dat iedereen wel den raad van anderen
weet te berispen, maar niemand mij een beteren geeft. Men zegt,
dat ik Frankrijk moet wantrouwen. De gevaren van dien kant zijn mij
niet onbekend, misschien ken ik ze beter dan zij, die er van spreken;
ze raken mij meer dan iemand anders. Maar, op wien wil men dan dat
ik vertrouw? De vorsten van Duitschland zijn zoo dikwijls aangemaand
en wij hebben er geen hulp van ontvangen, noch in schijn, noch met
woorden, en wanneer wij die kregen, dan zouden wij haar misschien
duur moeten boeten om het verschil in confessie. Ziende en wetende,
dat zij voor hun oogen hun eigen broeder, die voor hun poorten zulk
een rechtvaardige zaak verdedigt, door de papisten met voeten laten
vertreden, meen ik, dat men mij toch niet voor zoo dom zal houden,
dat men mij met woorden tot in de gracht toe zal kunnen voeren, gelijk
men gedaan heeft met het arme volk in Vlaanderen, dat, vertrouwende
op zulke woorden, zich thans onder de wreede hand van den Spanjaard
bevindt."
Frankrijk de oude vijand van Spanje, blijft daarom zijn eenige hoop,
al beweerden de Duitsche godgeleerden ook, dat het was tegen het
woord van God, om hulp te verwachten van een katholieke mogendheid. De
geschiedenis is toch vol van voorbeelden, dat de regeerders van landen
lang niet altijd hetzelfde geloof waren toegedaan als hun volk en dat
er vaak allianties gesloten zijn door volken, die in de religiezaken
op een ander standpunt stonden.
Ook in Duitschland ontbrak het niet aan belasteraars van Oranje;
er waren er daar, die zich zelfs niet ontzagen, aan zijn geweten
en eer te raken. "Wie is de man," zoo roept de Prins hun tegen,
"ergens in de wereld zoo stoutmoedig, dat hij durft raken aan het
geweten van een ander?" En wat zijn eer aangaat, zijn broeder Jan weet
beter dan iemand anders, wat hij heeft gearbeid, geleden en verloren,
om den nieuwen godsdienst te steunen en te handhaven.
Al weet de Prins ook, dat graaf Jan zelfs de voordeelen tegen Frankrijk
deelt, hij doet een beroep op zijn goeden raad ter verdediging van de
goede zaak. "Als God mij die gunst bewijst, dan ben ik besloten mijne
dagen te eindigen, zonder ooit met den Spanjaard in overeenkomst te
treden, want we weten dat daarvan de ondergang der kerken van dit
land, een algemeene tirannie van alle onderdanen en de verwoesting
van ons geheele huis het gevolg zal zijn."
De Prins wil standhouden, geen gevaren schuwen en zich evenmin
schuldig maken aan een ellendige desertie. Tegenover den moord van
den Bartholomeusnacht plaatst hij den moord der arme Mooren. Spanje
is nog oneindig meer te vreezen en al zal men ook tegenover Frankrijk
op zijn hoede moeten zijn, al dreigt van beide kanten gevaar, toch
gelooft de Prins, dat, als men over een der beide planken moet gaan,
iedereen de breedste en sterkste kiezen zal. Hij verklaart voor zich,
vast besloten te zijn, tot het uiterste deze landen, den godsdienst
en de vrijheid te verdedigen en hoopt, dat God hem daarin ter zijde
zal staan.
In een postscriptum van dien brief zegt Oranje nog dit:
"Mijn broeder, deze letteren waren een week geleden geschreven. Sedert
zijn wij zeker ingelicht, dat men te Gent met den Prins van Parma
onderhandelt, om onze zijde te verlaten en ook in eenige andere
(steden) in Vlaanderen. Dat zijn nu de vruchten, die ik altijd
gezien heb van dergelijke raadgevingen. Ik zou wel willen, dat
uw theologanten mij eens duidelijk maakten, met welk geweten die
van Gent en hunsgelijken de broeders zoo kunnen verlaten.... Zelfs
vertelt men mij, dat Dathenus mede den raad heeft gegeven, om over
zulk een eervolle capitulatie te onderhandelen...."
Had de Prins ongelijk, om zoo te oordeelen, nu de heftigste Calvinisten
zich weer in de armen van Spanje wierpen! Welk een tegenstelling! Zij
waren eenvoudig onwillig zijn raad te volgen. Zelfs Hembyze was tot
den vijand overgeloopen. Teruggekeerd uit Duitschland was hij weer
dezelfde demagoog van vroeger gebleven en zou de stad aan Parma hebben
overgeleverd, zoo dit niet voorloopig door zijn gevangenneming was
belet. Ondertusschen gingen Yperen en Brugge in Parma's handen over.
Aan de wedererkenning van Anjou als landsheer bleef derhalve Oranje
alle hoop op uitkomst vastknoopen. Om den persoon van den hertog, het
is voldoende gezegd, was het hem in het minst niet te doen. Het was
alleen en uitsluitend Frankrijk, waarop hij in dezen bouwde. Hij wist,
hoe Catharina de Medicis en Hendrik III alle moeite hadden gedaan,
om aan den jongsten zoon een souvereiniteit te bezorgen. Kon hij
hun daarin ter wille zijn, dan was de eene dienst de andere waard,
hetgeen, gevoegd bij Frankrijks vroegere houding tegenover Spanje,
hem alle hoop gaf, dat langs dien weg het behoud van de Nederlanden
nog te bereiken zou zijn.
Inderdaad, als men Oranje's laatste gedachten over den toestand
nauwkeurig leest in de brieven aan zijn broeder, dan is hij om zijn
zoogenaamde Franschgezindheid niet te veroordeelen. Het is niet de
vraag, of de toekomst hem in het gelijk gesteld heeft. Zij bergde
gansch andere dingen in haar schoot, dan Oranje kon vermoeden. En
wil men de toekomst er bij aanhalen, dan is het gedurende Leicesters
verblijf in het land ten duidelijkste bewezen, dat ook de Engelsche
hulp, waarop Buys altijd aandrong, niets heeft gegeven. Het is alleen
de vraag, of op het gegeven oogenblik in 1583 en 1584 Oranje's politiek
niet nog de wijste was, of hij, rekening houdende met den toestand
van het oogenblik, anders kon en mocht handelen.
Het is bekend dat alles in duigen viel door den dood van
Anjou. Aangetast door een slepende ziekte, zette hij wel zijn
onderhandelingen met Oranje en de Staten-Generaal voort, die tot
een goed eind schenen te leiden, maar hij stierf te Château-Thierry
10 juni 1584. Met zijn dood hield hij op een probleem te zijn in de
Nederlandsche politiek. Persoonlijk werd er niets aan hem verloren;
want hij was zwak, verraderlijk, onwaar en schaamteloos. Voor den
Prins was die dood in zoover een verlies, als hij het middel zou
geweest zijn, om met Fransche hulp Nederland te redden. De poging,
om Hendrik III zelf tot souverein te verklaren, mislukte.
Meer dan eens waren we reeds in de gelegenheid op te merken,
dat Holland en Zeeland de souvereiniteit alleen aan den Prins
wilden geven. Die gewesten hadden voortdurend hunne zelfstandigheid
voorbehouden. De Unie van Delft had ze vereenigd en de Pacificatie van
Gent had hen geheel zelfstandig gelaten. De Unie van Utrecht hadden
ze wel geteekend, maar meer met de bedoeling om in de andere gewesten
een ringmuur voor hunne veiligheid te vinden. Doch hoe begeerig ze
ook waren op hun eigen onafhankelijk bestaan, ze begrepen toch zeer
goed, dat alleen de centrale macht over hen haar steunpunt zou kunnen
vinden in een landsheer. Die landsheer mocht niemand anders zijn
dan Oranje. Deze echter had, gelijk we hoorden, daarvoor niet veel
ooren. Hij wilde Anjou niet krenken; hij keurde de afzonderlijke
positie van twee gewesten af, zijn ideaal van een Nederlandschen
Staat was veel grooter, veel omvattender, veel verdraagzamer, veel
democratischer ook, dan ooit door die scheiding was te bereiken. Toch
hield men van de zijde dier gewesten niet op, hem de souvereiniteit aan
te bieden, terwijl ze Anjou alleen erkenden als beschermheer van hun
bondgenooten. Na den moordaanslag van Jaureguy en de herstelling van
den Prins werd er bij vernieuwing door de beide gewesten met kracht op
aangedrongen, met het gevolg, dat hij, gelijk we reeds met een enkel
woord vermeldden, behoudens nader vast te stellen voorwaarden, uit
Brugge op den 14en Aug. 1582 in den volgenden brief het aanbod aannam.
"Wij Willem, Prins van Oranje enz. groeten u. Aangezien
de afgevaardigden van Holland en Zeeland verklaard hebben,
dat de koning van Spanje zijn rechten als graaf van Holland
en Zeeland heeft verbeurd en zij ons hebben verzocht, de
graafschappen en de heerschappij over de landen te aanvaarden,
om ze met den titel van graaf te besturen, hebben wij dit
verzoek dankbaar ingewilligd en nemen in tegenwoordigheid
van dezen de graafschappen van Holland en Zeeland aan, om ze
tegen den koning van Spanje te beschermen."
Daarop volgden allerlei onderhandelingen over de voorwaarden en
toen kwamen er vanzelf weer allerlei bezwaren op het tapijt. De
gebeurtenissen te Antwerpen door de Fransche furie hadden den Prins
belet, zelf naar Holland te komen; maar die gebeurtenissen waren
oorzaak, dat de onderhandelingen met kracht werden voortgezet. Dat
de Prins met die aanneming geheel op eigen behoud bedacht was, is
onwaar. Uit alles blijkt, dat hij het aanbod meer heeft aangenomen
uit nood, dan met lust. In zijn brieven wordt er slechts gewag van
gemaakt als van een weinig beteekenende zaak.
Op 5 April 1583 kwamen adel en afgevaardigden van groote en kleine
steden tot de definitieve bezegeling van de opdracht, doch ook toen
bleven de voorwaarden, waaronder hij als graaf zou worden gehuldigd,
nog een struikelblok. Bezwaren van allerlei aard vertraagden de
onderhandelingen. Holland wilde niet zonder Zeeland handelen en in
Zeeland was Middelburg, beducht voor het markiezaat van den Prins van
Veere en Vlissingen, steeds gevoelig voor krenking zijner rechten. Ook
in Holland waren enkele steden als Amsterdam, Gouda en den Briel,
die uit vrees voor hun privilegiën geen groote gezindheid toonden,
om de souvereiniteit aan den Prins te geven.
Bij de stichting der regentenrepubliek in 1588 was er dan ook geen
quaestie van souvereiniteit van Oranje. Ook de vereeniging met Utrecht
had bezwaren. Wel richtten de Staten van Holland een rondgaanden
brief tot die van Utrecht, Friesland, Overijsel, Brabant, Vlaanderen
en Gelderland en ook aan de Staten-Generaal op den 10en Mei 1583,
waarin zij de redenen uiteenzetten, die hen bewogen tot de aanbieding
der souvereiniteit aan den Prins en zij drukten de hoop daarin uit,
dat die maatregel de goedkeuring der zuster-gewesten zou wegdragen. Wel
verklaarden Utrecht en Zeeland op 15 Nov. 1583, dat zij in hun oude
Unie met Holland onder één bestuur wilden blijven, maar daarmede was
de zaak er nog niet door. Want het ontwerp van 30 December 1583 moest
eerst nog vóór de huldiging aan de goedkeuring der vroedschappen van
de steden worden onderworpen, terwijl men hoopte door persoonlijken
invloed Amsterdam en Gouda te bewegen, hun verzet te laten varen.
Indien men den inhoud van het merkwaardige stuk, dat den Prins tot
Graaf verhief, aandachtig nagaat, dan ziet men er wel den invloed
in van denzelfden man, die vier jaar later vooral de schepper is
geweest van de constitutie der regentenrepubliek; wij bedoelen van
Oldenbarnevelt. Deze was in die dagen pensionaris van Rotterdam
en hij was met den landsadvokaat Buys en met François Maelson, de
voornaamste leider in de onderhandelingen over de voorwaarden van
het graafschap. Zeker werd er aan den Prins souvereiniteit en wel
eene absolute in toegekend, maar dit absolute bedoelde de losmaking
van alle banden met het rijk; als souverein had hij geen souverein
boven zich te erkennen. Doch wanneer men nagaat, waarin de graaf al
niet van de Staten afhankelijk zou zijn, dan ziet men in, dat het
onbaatzuchtig karakter van den Prins er toe noodig was, om zulk een
betrekkelijk afhankelijke positie aan te nemen.
Hij moest en dat was natuurlijk, de privilegiën en de Unie handhaven;
maar welk een belemmering! Hij mocht geen nieuwe privilegies geven,
geen verdragen sluiten, geen andere plaatsen, steden of heerlijkheden
onder zijn bescherming nemen, geen omslag of heffing doen plaats
hebben, geen oorlog voeren, geen vrede of bestand sluiten, geen
verbonden aangaan, met geen vreemde mogendheden onderhandelen
enz. enz. zonder de toestemming der Staten. Allerlei belemmerende
bepalingen werden uit de Joyeuse Entrée of uit het tractaat met Anjou
overgenomen. Kortom, zijn autoriteit werd veel meer begrensd, dan die
was geweest sedert hij in Holland (1572) was gekomen. Bij de Staten
was eigenlijk de oppermacht geplaatst en Oranje stemde er in toe,
dat dit zoo werd bepaald.
Eenige aanhangers van den Prins te Utrecht verzetten zich tegen die
beperkingen; volgens deze was al het voordeel bij de Staten; de burgers
waren in 't geheel niet in tel en de Prins zelf meer administrateur
met zeer begrensde rechten. In den loop van de lente van 1584 werden
die voorwaarden toen nog eens in de steden behandeld, in Juni was
men daarmede zoover gereed, dat dertien steden ze hadden geteekend;
Gouda zou toestemmen, als Zeeland het deed en Amsterdam eischte,
dat ook zijn schutterij en notabele burgers die goedkeurden.
Op den 6en Juli bood de Prins daarop den Staten van Holland eene
memorie aan, waarin hij niet zonder groote gevoeligheid uitsprak,
dat hun eindeloos talmen met de voorwaarden van het graafschap, dat ze
hem hadden aangeboden, voor hem een eerezaak werd. En natuurlijk. Van
1580 af had men niet opgehouden het Oranje aan te bieden en hoewel hij
er eerst volstrekt geen lust in had, was hij er eindelijk in 1582 toe
besloten, om hun aanbod te aanvaarden. Toen dit echter geschied was,
moesten de gewesten en de steden het weer over de voorwaarden eens
worden en bleven zelfs enkele plaatsen er afkeerig van. Was dat niet
inderdaad beleedigend voor den Prins?
Had hij geen recht, om daarover hoogst ontstemd te zijn en de Staten
van Holland voor oogen te houden, dat zijn eigen eer met dat eeuwige
talmen was gemoeid? Want wat was het geval? "Ziende een iegelijk,
dat die zaak zoo lang aanloopt en wordt opgehouden, zonder daarvan
eenige reden te weten, geeft ook ieder daarover zijn oordeel en
maken ze daarop hun discoursen en hun vreemde propoosten." Dit vooral
bewoog Oranje, den Heeren Staten vriendelijk te verzoeken, een eind
aan die zaak te maken, ter wille van zijn eigen eer en reputatie,
zoowel als voor het belang van het land. Daarbij geeft de Prins hun
nog in bedenking om zijn autoriteit, die zij op allerlei wijze willen
besnoeien, toch in enkele meerdere punten te willen erkennen, daar
zonder zulk een autoriteit alle wetten en ordonnantiën als een lichaam
zijn zonder ziel en men niets met autoriteit kan executeeren zonder
hulp van de justitie (welke de hand en de macht is der overheid), die
derhalve naar de meening van Oranje aan hem den eed van getrouwheid
moet doen, en waarover hij het gebied moet hebben.
Kortom--wij gevoelen, dat de Prins ontstemd was over de manier van
handelen van de Staten van Holland. Het was weer hetzelfde oude
liedje. Zij konden hem niet missen en ze wilden niet te veel afstaan
van hun eigen macht. Van 1574 af had dit telkens tusschen hem en de
Staten tot minder aangename verhouding geleid. Meermalen had hij hun
aangeboden, hen te verlaten, indien ze dan zoo bevreesd waren voor
misbruik van macht. Nu zij hem het graafschap hadden aangeboden (hij
zelf had het waarlijk niet gevraagd) moesten ze toch ook begrijpen,
dat de centrale macht bij hem moest berusten en dat anders hun aanbod
niets beduidde.
Datzelfde uitstellen, dat eeuwig talmen, dat zenden van alle
voorstellen van collegie naar collegie, van Staten naar steden en weer
van steden naar Staten, het is de groote kranke plek gebleven van de
geheele staatsinrichting der Republiek. Die aanmatiging van de regenten
der steden, die vrees om een ander eenige meerdere autoriteit te geven,
die we hier bij de aanbieding van het graafschap aan den Prins zagen,
het heeft twee eeuwen lang de toestanden bedorven en is ook eindelijk
de oorzaak geworden van den ondergang van den Staat. Dat die Republiek
toch zulk een roemrijke geschiedenis heeft gehad, was waarlijk niet aan
haar inrichting, maar aan haar groote mannen te danken. Ongetwijfeld
zou aan Prins Willem het graafschap zijn geschonken en zou hij door
de grootheid van zijn geest in staat zijn geweest, alle hinderpalen
te boven te komen, zoo hij niet slechts veertien dagen na de vermelde
memorie werd vermoord.
Hij zou bovenal in Amsterdam een geduchte oppositie gevonden hebben;
want daar was het verzet tegen de toekenning van het graafschap aan
Oranje, het hevigst geweest. De vader van den geschiedschrijver Hooft,
de zeer invloedrijke burgemeester C. Pzn. Hooft, protesteerde in de
zitting der vroedschap in de maand Juni heftig tegen die toekenning;
hij beweerde niet te kunnen inzien, wat voordeel er gelegen was
in de verheffing van den Prins tot graaf. Ook meende hij, dat het
niet in overeenstemming met de Unie van Utrecht was, als sommige
der bondgenooten een onafhankelijken stap deden. Waarschijnlijk zou
echter deze Hooft wel zijn hoofd in den schoot hebben gelegd en zou
de tegenstand van Amsterdam wel overwonnen zijn, zoo het lang beraamde
plan tot uitvoering had kunnen komen. Enkelen beschouwen de reden van
Hooft als de uitdrukking van een algemeene kwade gezindheid tegen
den Prins. Dat behoeft geen weerlegging. Amsterdam is hetzelfde
weerstrevende Amsterdam gebleven tijdens de Republiek, en Kluit
beweert niet ten onrechte, dat, al vond Hooft den titel van graaf
voor Oranje ongepast, hij volstrekt niet begeerde om den Prins de
macht te ontnemen, die hij reeds vele jaren had uitgeoefend. Nu de
dood aan dat alles een eind maakte, kwam de souvereiniteit niet aan
een persoon maar aan de Staten en de steden.
In 1584 was de erkenning van den Prins tot souverein niet anders
geweest, dan een natuurlijk gevolg van de afzwering van Filips'
gezag en van den onwil om Anjou als souverein te erkennen. Het was
daarbij ook een openlijke en duidelijke verklaring, dat Holland,
Zeeland en Utrecht niet het voornemen hadden, het droevig voorbeeld
der Waalsche gewesten te volgen, om zich weer aan het gezag van den
koning van Spanje te onderwerpen.
Indien de huldiging van Oranje had plaats gehad voor zijn dood, dan
zouden ook zijn opvolgers de souvereiniteit bezeten hebben. Want
uitdrukkelijk was reeds bepaald, dat na den dood van den Prins,
de Staten van Holland en Zeeland een zijner wettige zonen, dien zij
voor die waardigheid het meest geschikt achtten, tot graaf zouden
verheffen. Nu die dood plaats had vóór de huldiging, trokken de
Staten de souvereiniteit weer aan zich; ze hadden die ook niet geheel
weggegeven. De verhouding, waarin Maurits en zijne opvolgers tot de
gewesten stonden, had een geheel ander karakter.
Eeuwen zouden nog voorbijgaan, voor en aleer zijn nakomelingschap
de vruchten van den arbeid van den Zwijger inoogstte, die zelf nog
uit het leven werd weggenomen, voordat hij het loon voor al zijn
arbeid en moeite ontving. Het ging hem daarbij, als de meeste groote
mannen uit de geschiedenis, die zelven de vruchten van hun strijd
niet aanschouwd hebben, maar die daarom ook des te hooger staan in
de schatting en de vereering van de nakomelingschap.