Op den 5en Mei 1582 was Charlotte van Bourbon gestorven als slachtoffer
van al hare zorgen voor den herstellenden Prins na den moordaanslag
van Jaureguy. Met haar was de moeder van zes jonge meisjes, waarvan
het oudste nauwelijks zes jaar telde, in het graf gedaald en tegelijk
de stiefmoeder van de andere kinderen van Oranje, die haar allen om
strijd evenzeer liefhadden. Deze dood was een zware beproeving voor
den man, die zulk een behoefte had aan de zorg eener liefhebbende
echtgenoote. Toch schijnt de Prins zich over die beproeving niet veel
te hebben uitgelaten; wie hem daarom van onverschilligheid zou willen
beschuldigen, vergeet, dat ware droefheid zich meestal verbergt. Ook
is het geen bewijs van onverschilligheid omtrent de nagedachtenis van
Charlotte van Bourbon, dat Oranje zich een jaar later reeds voor de
vierde maal een nieuwe echtgenoote gekozen had. Hoe schijnbaar vreemd
ook, niemand zal ontkennen, dat zulk een gezin, met zes jonge kinderen,
de zorg eener moeder onmogelijk kon ontberen.
Ook het belang van den wordenden staat eischte, dat hij weder
een huwelijk sloot. Zijn oudste zoon Filips Willem was steeds in
Spanje gevangen en op diens terugkeer kon in het minst niet gerekend
worden. De eenige zoon, die dus de taak van zijn vader kon voortzetten,
was Maurits; doch hoe gevaarlijk was het bezit van dien eenigen! Alle
andere kinderen waren dochters. Eene nieuwe Prinses van Oranje
kon de mannelijke lijn misschien versterken en de vraag bleef dus
slechts over, wie te kiezen. Trots de antipathie van het volk tegen
de Franschen, schreef zijn staatkunde hem voor, een volksgenoote van
zijn vorige echtgenoote te nemen. Hij wilde den band tusschen hem
en de Franschen ook door zijn vierde huwelijk versterken, want hij
bleef al zijn hoop op Frankrijk vestigen en op hulp van daar. Zag hij
misschien in de toekomst reeds Hendrik van Navarre op den troon? Hij
zou dien tijd niet beleven, maar onmogelijk is het niet, bij de
kinderloosheid van Hendrik III en de zwakke gezondheid van Anjou,
dat dit ook door zijn gedachten speelde.
Wie hij dan koos? De admiraal Coligny, het voornaamste slachtoffer van
den Bartholomeusnacht, had eene dochter nagelaten, Louise genaamd,
die gehuwd was geweest met den Protestantschen edelman Teligny. Ook
deze was tegelijk met zijn schoonvader in dien nacht vermoord en zij
had dus in hare jeugd de droevigste levenservaringen gehad. Toen was
ze toch pas 17 jaren; want ze was geboren in 1555 en zeven jaar oud,
toen de godsdienstoorlogen, waaraan haar vader zulk een groot aandeel
had genomen, waren begonnen.
Hare moeder was Charlotte de Laval, eene edele vrouw, door wier invloed
vooral Coligny de groote verdediger der Hugenoten is geworden, doch
die te vroeg is gestorven, om op Louise een sterken invloed uit te
oefenen. Zij was en bleef meer het evenbeeld van haar vader. "Haar
innerlijk had ze geërfd van het krachtig en ernstig geslacht der
Coligny's. Zij bezat hun meer nadenkend dan hartstochtelijk karakter,
was zeer fijngevoelig, rustig, kloek in het handelen en standvastig
in tegenspoed."
Na den Bartholomeusnacht en den afschuwelijken moord op haar vader
en echtgenoot, schijnt ze gevlucht te zijn eerst naar Savoye, daarna
naar Bern, later naar Bazel. Hoe zij aan den algemeenen moord op de
Hugenoten is ontkomen, is een raadsel, doch op de genoemde plaatsen
treft men haar achtereenvolgens aan. In Bazel was zij omringd door
familieleden, hare broeders en hare tante Anna de Salm. Het vredesedict
van 1576 opende haar de mogelijkheid, naar Frankrijk terug te keeren;
daar woonde zij toen vijf jaar op het adellijk landgoed van Lierville
en bezocht van daar zelfs het hof te Parijs, waar haar verschijning
door Brantôme met gloed wordt beschreven. Want terwijl men verwachtte
eene puriteinsche te zien in stemmig gewaad, verscheen daar eene
jonge vrouw, vol gratie, met schoone oogen, spiegels eener reine ziel,
een levendige, frissche gelaatskleur en bevallige, zedige manieren.
Willem van Oranje, de geestverwant van haar vader, deed toen bij
deze hoog beschaafde vrouw zijn huwelijksaanzoek. Hij kende haar
persoonlijk niet, maar ging daarbij af op den indruk, dien zij op
het Fransche hof had gemaakt. Louise's familie bovenal was door dat
aanzoek zeer gestreeld. Het was voor de Châtillons een eer, zich te
verbinden met een man, die de luister van de Nassau's was en daarbij
kon de zaak van het Protestantisme en het verbond tusschen Geuzen
en Hugenoten slechts bevorderd worden door een huwelijk tusschen
Oranje en eene dochter van Coligny. Mocht dan ook de weduwe Teligny
eerst nog bezwaren gehad hebben, zij bezweek voor den aandrang der
haren en in April 1583 ging de achtentwintigjarige naar Antwerpen,
om aan de zijde van den vijftiger haar leven te vervolgen.
Indien ze van te voren geweten had, aan welke beleedigingen zij om
haar Fransche nationaliteit in Antwerpen zou hebben blootgestaan,
waarschijnlijk zou ze dan die stad althans hebben ontweken. Want
slechts drie maanden kon de Prins het daar met haar uithouden. Het
waren toen juist de gespannen dagen van de verzoening met Anjou,
doorgedreven, omdat Oranje geen anderen uitweg zag. Maar het volk, dat
zijne beweegredenen niet kon doorzien, was zeer op hem gebeten. Zijne
nieuwe echtgenoote moest dit dubbel ontgelden. Niet alleen werd zij
bij haar aankomst zeer koel ontvangen, maar zelfs op straat stond zij
aan de beleedigingen van het woedende volk bloot. Langen tijd is die
onheusche bejegening bij Louise in bittere herinnering gebleven. Ze
moesten zelfs, tot in hunne woning bedreigd, voor de woede van het
volk de stad verlaten en toen namen ze hun toevlucht tot Delft. De
reis daarheen schijnt alles behalve aangenaam en gemakkelijk geweest
te zijn; althans de Fransche Memoirenschrijver Aubérie de Maurier
verhaalt, dat zijn vader hem eens verteld had, dat Louise de Coligny
zeer verbaasd was over het verschil tusschen Fransche en Hollandsche
gewoonten. In plaats van in een koets werd ze in een open wagen gezet
met een plank er in, om op te zitten. Op den korten afstand tusschen
Rotterdam en Delft was zij in dat voertuig bijna geradbraakt.
We weten, hoe kort zij de levensgezellin van den Prins is geweest,
daar hij een jaar later werd vermoord. Doch dat eene jaar is voldoende
geweest, om haar te vormen tot die edele moeder en stiefmoeder,
waarvan de geschiedenis de weerga niet kent. Indien het ons vergund is,
een gevolgtrekking uit haar latere toewijding aan Oranje's kinderen
te maken, dan moeten wel in dat eene levensjaar van den Prins, dat
zij samen sleten, tusschen hem en haar de innigste banden geknoopt
zijn. Daardoor alleen kon zij haar geheele verdere leven in den dienst
zijner kinderen besteden.
Louise de Coligny was eene waardige opvolgster van Charlotte van
Bourbon. Ook zij toonde gehechtheid aan het huiselijk leven met al zijn
zware plichten. Het was voor haar een genot, zich aan de kinderen uit
de vorige huwelijken van den Prins te wijden. Voor hen heeft zij haar
leven lang gewaakt en gezorgd; vaak onder de grootste ontberingen
heeft ze hen met zooveel liefde onder hare moederlijke bescherming
genomen, dat ze daarom alleen in de dankbare nagedachtenis van allen,
die Oranje vereeren, moest voortleven.
Haar leven voor de kinderen van den Prins, inzonderheid voor de
dochters van Charlotte van Bourbon, kan hier niet worden behandeld. Dit
ligt geheel buiten ons terrein. Wat hier echter nog wel een plaats
verdient, is de vermelding van de blijde gebeurtenis, dat ze op 28
Februari 1584 het levenslicht schonk aan een zoon, Frederik Hendrik
genaamd, onder wiens bestuur de gouden eeuw der republiek een aanvang
nam. Die zoon werd aldus genoemd naar de koningen van Denemarken en
van Navarre; zijn geboorte verbeterde de stemming van de Hollanders
tegenover haar, die eerst om haar Fransche nationaliteit lang niet
in aanzien was.
Het laatste levensjaar van den Prins heeft zij tot een der gelukkigste
jaren van zijn stormachtig leven gemaakt. De huiselijke deugden van
Louise, gepaard aan een opgewekten geest, waren voor den vermoeiden en
afgematten strijder een bron van groot genot. Op het oude Prinsenhof
te Delft was hem bovenal de stille familiekring zoo welkom. Al rustte
hij ook daar nog niet van zijn arbeid, het was met dat vermoeiend
heen en weer trekken gedaan, waardoor Charlotte zoo vaak van zijn
tegenwoordigheid werd beroofd. In één woord, de Prins vond in het
smartvolle verlies van zijn derde vrouw een groote vertroosting in
zijn vierde huwelijk. Het heeft gelukkig niet zooals zijn tweede en
derde echt de tongen der booze wereld aan het spreken gebracht. Ook
zijn familie in Duitschland schijnt zich rustig te hebben neergelegd
bij het feit. Aan Jan van Nassau schreef de nieuwe schoonzuster op den
12en Juli 1583 een briefje van dezen korten maar vriendelijken inhoud:
"Ik wil niet nalaten u te verzekeren, hoe vereerd ik mij gevoel,
dat God het Monseigneur den Prins in het hart heeft gegeven, mij
als zijn levensgezellin aan te nemen; als de grootste gunst van Hem
beschouw ik het, dat Hij mij heeft verbonden aan zoovele edele heeren
van groote qualiteit, die daarbij ook de vreeze Gods kennen, onder
welke gij, Mijnheer, den eersten rang inneemt en waarom dan ook ik
mij het eerst geneigd gevoel, u mijn nederige diensten aan te bieden,
hopende, dat ik daardoor alles zal kunnen doen, wat u aangenaam is."
Hebben de tijdgenooten het huwelijk van den Prins met een dochter van
den admiraal Coligny, blijkbaar aangemerkt als een overwinning van
de goede zaak, dit mag ook wel levendig blijven in de herinnering der
nakomelingschap, die tot in lengte van dagen zal moeten indachtig zijn,
dat niet alleen het huis van Oranje, maar ook de Pruisische dynastie
door Frederik Hendrik, den zoon van Louise, in de vrouwelijke linie
afstamt van de beide grootste slachtoffers voor het Protestantisme
uit de 16e eeuw, van Willem van Oranje en van Gaspar de Coligny.