Gedurende de ziekte van den Prins werd Anjou als het actieve hoofd der
regeering beschouwd. Van zijn ziekbed uit trachtte Oranje het gezag
van den Franschen Prins te versterken en het volk aan te sporen, den
wil van hem te eerbiedigen, dien zij als souverein hadden gekozen. In
Juli ontving deze den titel van graaf van Vlaanderen, hertog van
Gelderland en Heer van Friesland. Holland bleef natuurlijk op zijn
eisch staan, den Prins den titel van graaf te geven en op den 14en
Aug. 1582 liet deze zich dan ook bewegen, de grafelijke waardigheid
in beginsel te aanvaarden, voorloopig echter nog zeer in 't geheim,
ten einde Anjou niet tot argwaan te prikkelen.
Bij gelegenheid van Anjou's aanvaarding van het graafschap over
Vlaanderen, welke in Augustus te Gent plaats had, werd de Fransche
prins door de Calvinistische bevolking zeer koel ontvangen. Te
Brugge schijnt zelfs de koelheid tot haat en tot moordaanslag op
Anjou en Oranje beiden geleid te hebben. Volgens Hooft werden een
Italiaan met name Basa en een Spanjaard, Salcedo genaamd, ontdekt,
terwijl zij uitvoering wilden geven aan de misdaad, beide prinsen
te vergiftigen. Zij beleden, dat ze door Parma tot dat plan waren
aangezet. Ongelukkig was zelfs de jonge graaf van Egmond, die onlangs
tot de Spaansche partij was overgegaan, in dit complot gemengd,
om den vriend van zijn vader te vermoorden. Men zegt, dat hij aan
Oranje's tusschenkomst zijn leven te danken had, daar het hem gelukt
zou zijn door bemiddeling van den Prins naar Frankrijk te ontsnappen.
Aan Anjou werden overvloedige eerbewijzen gegeven en toch gevoelde
de Fransche prins zich hier niet thuis. Hij beklaagde zich, dat hij
niet naar behooren werd behandeld. Niet alleen toonde men op allerlei
wijze zijn antipathie tegen de zeden en gewoonten van de hovelingen
van Anjou; niet alleen haatten de Calvinisten zijn katholiek geloof;
maar ook vond hij alle belemmeringen en beperkingen der vorstelijke
macht in de praktijk zoo onverdragelijk, dat hij zeer spoedig reeds
met het denkbeeld omging te trachten die vorstelijke macht, die
zooveel voordeden verschafte, te vergrooten. Zelfs de kosten voor
zijn hofhouding waren moeilijk op te brengen.
Elisabeth, die nog steeds als bruid van Anjou poseerde en bij wie deze
zich over de behandeling beklaagde, schreef o. a. aan Oranje: "Voor
een edelman, die zijn land uit medelijden voor de arme Nederlanders
heeft verlaten, komt het mij ongepast voor, dat hij zoo slecht betaald
wordt en gedwongen is een tweede rol te spelen." Dat was dan ook de
grootste grief van Anjou en zijn hovelingen, die zich roem, eer en
voordeel van de Nederlanden hadden voorgesteld en die het tegendeel
van dat alles daar vonden. De laatsten trachtten dan ook hun heer te
overreden, om op de een of andere wijze zijn gezag uit te breiden en
zijn macht te vermeerderen. "Neem door middel van een stoutmoedige daad
uw rechten; maak u meester van Vlaanderen en Frankrijk zal u steunen."
Die toon klonk aangenaam in Anjou's ooren. Verraad was een
familiezwak. Ook zijn moeder, Catharina de Medicis was, gelijk bekend
is, daarvan niet afkeerig en steunde de taal dier hovelingen. Zoo
besloot Anjou, vertrouwende op krachtdadige hulp uit Frankrijk, zich
meester te maken van verschillende Vlaamsche steden. Duinkerken,
Dixmuiden, Dendermonde, Brugge, Gent en Vilvoorden zouden, onder
voorwendsel dat er oproerige bewegingen moesten worden gedempt, worden
genomen. De hertog nam zelf Antwerpen voor zijn rekening. De maarschalk
Biron zou met een leger uit Frankrijk Anjou te hulp komen en met hem
alles voor den aanslag overleggen. Voor den Prins had het den schijn,
alsof dat leger onder Biron samen zou werken met het statenleger,
dat op 35.000 man werd geschat, ten einde Parma, die steeds vorderde,
uit zijn stellingen te verdrijven.
Oranje werd dus door den aanslag van Januari 1583 verrast. Wel had
hij van die ontevredenheid van Anjou en de zijnen gehoord, maar
aan de geruchten, die tot hem kwamen, sloeg hij geen geloof en hij
vermeed alleen in de laatste dagen omgang met den Franschen prins. Du
Plessis-Mornay was met opzet door Anjou verwijderd; deze had den Prins
nog voor zijn vertrek gewaarschuwd, maar Oranje meende, dat hij nog
wel zooveel invloed op Anjou zou hebben om hem van onberaden stappen
terug te houden.
Op den 16en Januari waren er te Burgerhout, vlak bij Antwerpen, eenige
duizenden Fransche soldaten verzameld. Een gemaskerd persoon kwam den
nacht daaropvolgende in de stad; hij waarschuwde de bewoners tegen de
gevaren, die hen bedreigden. In elk geval was er argwaan en vermoeden
in de lucht en waren burgers en soldaten niet vrij van vrees. De
wacht werd zelfs verdubbeld. De kapitein deelde zijn angst aan Oranje
mede, die hem echter verzekerde, dat hij alle vertrouwen had op de
eerlijkheid van den protector, hoewel hij de voorzorgsmaatregelen,
die genomen werden, niet afkeurde. Zoo weinig geloof hechtte Oranje
aan de geruchten, dat hij den burgemeester zelf naar het hertogelijk
hoofdkwartier zond, om Anjou te vertellen, wat er van hem in de stad
werd gezegd. Heftig protesteerde die trouwe bondgenoot tegen dien
laster; hij wilde wel voor Antwerpen sterven, maar de stad krenken
nooit; een geheime aanslag op hare vrijheden ging zijn bevatting
te boven.
Vroeg in den morgen van den 17en Januari ging Anjou naar Oranje,
ten einde hem voor te stellen gezamenlijk eene revue te houden
over de voor de stad verzamelde troepen; doch de Prins weigerde,
onder voorwendsel van ziekte; hij bleef te huis, in zijn woning bij
de citadel, dus iets buiten de stad en verzocht ook Anjou dien dag
in de stad te blijven. Tegen den middag ontving Anjou een brief,
die hem zeer ontroerde.
Onmiddellijk daarna besteeg hij een paard, reed door de Kipdorppoort
de stad uit met ongeveer 200 gewapende volgers. Tegen dezen zou hij,
daar buiten gekomen, gezegd hebben: "Ziedaar uw stad, neem ze in
bezit!" Volgens een ander berichtgever zou zijn gunsteling Rochepot
door middel van een geveinsden val het afgesproken teeken gegeven
hebben, waarop hij met de zijnen, gevolgd door het leger, onder den
kreet: "Ville gagnée! Tue! Tue! Vive la messe!" de stad zou overrompeld
hebben. Het was met recht een overrompeling, want de burgers zaten nog
aan den maaltijd. De Franschen, ten getale van 3600 man, drongen door
tot de beurs en vingen reeds met plunderen aan. Doch plotseling keerde
de kans. Wel waren de burgers onvoorbereid, maar deze schok trof hen
allen zóó, dat ze zonder onderscheid van ouderdom, van geloof, van
sekse als één man op de Franschen aanvielen met allerlei soort van
wapens. Van de daken werden de Franschen met allerlei projectielen
zoo heftig bestookt, dat ze de poort weder uitvluchtten, na de helft
van de hunnen aan dooden, gewonden en gevangenen te hebben verloren.
Alles was zoo spoedig in zijn werk gegaan, dat Oranje van uit zijn
verwijderd kwartier niet eer het tooneel bereikte, dan toen het ergste
reeds voorbij was. Men zegt dat zijn eerste woord was: "Schiet niet
burgers, het is een misverstand!" Maar als een misverstand kon deze
verraderlijke aanval toch moeilijk worden opgevat. Toch hield Oranje
die meening blijkbaar vol, getuige zijn volgende pogingen om zich
weer met Anjou te verzoenen. De verraderlijke aanval ontving later
den naam van Fransche furie, als tegenhanger van de Spaansche furie
van het jaar 1576, die Antwerpen verwoestte.
Gelukkig was deze aanslag op de rijke koopstad niet gelukt; evenmin die
te Brugge. Doch te Dendermonde, te Dixmuiden en Duinkerken slaagden de
Fransche troepen in hun onderneming. Anjou besloot naar Dendermonde
te gaan, doch verloor op één tocht daarheen nog een duizend man,
tengevolge van een overstrooming van een dijk bij Mechelen, dien
men had doorgestoken, om zijn voortgang te verhinderen. Daardoor
werd hij eerst verplicht, bij Berchem in de buurt van Vilvoorden te
kampeeren en kon pas een paar dagen later naar Dendermonde gaan. Zijn
bedoelingen waren duidelijk geweest. Zijn rentmeester, La Fougère,
die te Brugge was gevangen genomen, bekende, dat het plan van den
hertog was geweest, zich van den persoon van Oranje te verzekeren,
de stad te plunderen, den hervormden godsdienst af te schaffen,
de staatsregeling, die hij bezworen had, omver te werpen en de
renversaalbrieven, waarbij hij Oranje's gezag in Holland, Zeeland en
Utrecht erkend had, te vernietigen.
Dit geheele plan was gelukkig in duigen gevallen. Toch verzuimde de
hertog geen oogenblik, zijn briefwisseling te heropenen met den man,
wiens rivaliteit hij vreesde en met de Staten; deze briefwisseling
zoekt tevergeefs haar weerga in stoutmoedige brutaliteit. Zijn
eerste brief werd op den namiddag van den 17en geschreven; Oranje
moest daaruit verstaan, dat de gebeurtenissen van den dag geheel
waren veroorzaakt ten gevolge van de onwaardige behandeling, door
hem ondervonden. Ook vroeg hij den Prins te zorgen, dat zijn volk
geen leed werd aangedaan. Aan de Staten schreef hij terzelfder tijd
een brief, waarin hij alles poogde te verklaren. Hij vroeg daarin,
zijn huisraad en kleederen en al wat het eigendom van zijn gevolg
was, aan hem toe te zenden, de gevangenen los te laten en proviand
voor zijn manschappen. Zelfs beloofde hij, met geheele verdraaiing
van de waarheid, dat hij bereid was, te vergeten en te vergeven,
al was hij nog zoo slecht behandeld.
Oranje had het volk op straat tot bedaren gebracht; maar aanstonds
begreep hij ook, dat hij, zonder de Franschen te veel te verbitteren,
het verzet tegen dergelijke aanslagen moest leiden. Had hij echter
daarbij toegegeven aan de rechtmatige verontwaardiging der Staten,
dan zouden er wellicht uitingen zijn gehoord, die de slimste gevolgen
hadden kunnen hebben. Zoo geheel onmogelijk was het dan niet, dat Anjou
zich met Parma had vereenigd en dan was alles verloren geweest. Hij
trachtte dus de gemoederen te kalmeeren en de Staten te bewegen,
opnieuw met Anjou in onderhandeling te treden. Die houding was des
te moeilijker, omdat de verontwaardiging over de schandelijke daad
van Anjou algemeen was; niet alleen in de Nederlanden, maar ook in
Engeland, Duitschland en onder de Hugenoten. De Duitschers, die zoo
tegen den Franschen prins hadden gewaarschuwd, en die vooral de hulp
van een zoon van Catharina de Medicis voor de zaak der Nederlanden
hadden afgekeurd, riepen nu triomfantelijk uit, dat ze dat wel hadden
voorspeld.
De landgraaf van Hessen schreef o. a. aan een zijner vrienden, dat
hij hoopte, dat men zich niet langer honig om den mond zou laten
smeren, want het was nu toch zeker duidelijk genoeg gebleken, dat
men zich, door hulp van Anjou aan te nemen, als schapen aan den wolf
had overgegeven.
Koningin Elisabeth sloeg wel een anderen toon aan dan de landgraaf;
zij vroeg aan Oranje de juiste toedracht omtrent het voorgevallene
te mogen vernemen en sprak de hoop uit, dat Anjou door dit nieuwe
voorval niet in gevaar zou komen, want er was haar aan "de fortuin
van Monsieur" veel gelegen. Aan het slot van haar schrijven zei ze
nog even, dat Monsieur meer dan eens geklaagd had over het onrecht
en de onwaardigheden, die hij in het land ondervonden had.
Catharina de Medicis, de moeder van Anjou, ging nog een stapje
verder; ook zij schreef den Prins en bond hem op 't hart zich niet
aan ondankbaarheid tegenover haar zoon schuldig te maken!
Het antwoord van Oranje op de brieven van Elisabeth en Catharina de
Medicis was eenvoudig en waardig. Tegenover de laatste bepleitte hij
zijn volkomen onschuld en voegde erbij, dat het heilzaam zou geweest
zijn als Anjou zijn raad had opgevolgd. Hij laat verder aan moeder
en "bruid" over, uit te maken, wie in deze zaak schuldig is en wie
niet. Hij blijft zich bovendien in de gunst van den koning aanbevelen,
waaruit blijkt dat Oranje, trots het gebeurde, nog alles van Fransche
hulp verwachtte.
In de maand Februari vroegen de overheidspersonen in Antwerpen aan
Oranje, om beslist zijne meening te kennen te geven over hetgeen
gedaan moest worden en daarop gaf de Prins zijn advies. Dit advies,
door hem slechts noode gegeven, omdat hij wist, hoeveel malen hij
reeds het slachtoffer was geweest van klachten en lasteringen, als God
het volk bezoeken wilde, is hoogst merkwaardig, vooral om de zoozeer
veroordeelde houding van Oranje tegenover Anjou ook na de Fransche
furie. Hij verzoekt daarin allereerst, dat zijn hoorders zich goed
zullen te binnen brengen, hoevele malen hij hun gevraagd heeft, of ze
middelen hadden, om zich zelf te verdedigen. De geheele onderhandeling
met Anjou was van de eerste dagen af gegrond op hunne overtuiging,
dat er geen andere weg voor hen openstond. Al had de Fransche prins
door zijn gedrag alle overeenkomsten vernietigd, toch waren er nog
slechts drie wegen open: Verzoening met Filips, Onafhankelijkheid
van elke hulp en bouwen op eigen kracht, of Verzoening met Anjou.
Werkelijk waren er in Antwerpen, die het eerste zouden begeerd
hebben. Tot hen sprak de Prins: "Indien gij den Spanjaard wilt,
doodt mij dan allereerst." Als toch Antwerpen zijn Evangelischen
godsdienst wilde behouden, dan was de terugkeer tot Spanje immers
onmogelijk. Verkieslijk was het zeker, alleen van eigen hulpbronnen,
van eigen krachten afhankelijk te zijn, doch in het midden van den
oorlog, met vijanden aan alle zijden, was die onafhankelijkheid geheel
en al onpractisch.
Er was gebrek aan centrale macht, aan centraal belang en aan centrale
verantwoordelijkheid in de Unie. Elk gewest dacht veel meer om
locaal eigenbelang, dan om het algemeen welzijn. Hij kon niet inzien,
hoe zij zonder eenige buitenlandsche hulp te zamen één koers zouden
blijven houden. Afgunst op elkander was een ernstige hinderpaal voor
een algemeene regeering. Daarom was het Oranje's meening, dat Anjou
met Frankrijk achter zich, nog de beste en eenige hulp bleef. Zelfs de
godsdienstbezwaren achtte Oranje gering. Want hij zag, dat ook elders
de Christelijke kerken met souvereinen, die niet van hun geloof waren,
verbonden sloten of zich aan hen onderwierpen.
Kortom, er was geen andere weg en dien af te snijden was naar
zijn meening het gevaarlijkste. Oranje deinsde er zelfs niet
voor terug, zijn eigen populariteit in de waagschaal te stellen
en stoorde zich niet aan verdachtmaking, waar hij dit het beste
vond, die onderhandelingen tusschen een trouweloos landsheer en
zijne onderdanen voort te zetten. Vooral het argument, dat er bij
verwerping van Anjou kans bestond op een verbinding van dezen met
Parma, woog zeer zwaar. Buitendien kon men thans aan den Franschen
prins voorwaarden stellen, waardoor elk nieuw gevaar van zijn kant
kon worden voorkomen. En inderdaad hadden die besprekingen, die door
den Prins met de hoogste politieke virtuositeit werden geleid, het
gevolg, dat men in de maand Maart met Anjou, die nog te Dendermonde
was, aan het onderhandelen ging. De toon, dien hij toen aansloeg,
was een andere dan de eerste; hij weet toen alles aan een ongelukkig
toeval en de insubordinatie van zijn soldaten. Het gevolg was dat er
een accoord werd gesloten. Hij zou zich naar Duinkerken terugtrekken,
in afwachting van een definitieve schikking zijn leger ontbinden en
zich later te Mechelen vestigen; zijn gevangenen te Antwerpen zouden
worden bevrijd en hem zou een som van f 90.000 worden uitbetaald.
Anjou schreef daarop op 26en Maart 1583 een briefje aan den Prins uit
Dendermonde, waarin hij zijn vreugde te kennen gaf over de gelukte
verzoening met de Staten. Hij drukte daarin de verzekering uit, dat er
van zijn kant geen fouten meer zouden begaan worden en beval zich in
de goede genegenheid van Oranje aan. Ook vroeg hij hulp om zijn heilig
en heilzaam werk te kunnen voltooien. Nog slechts drie maanden zou hij
echter in het land blijven. Reeds in Juni verliet hij het, wel niet met
het voornemen om het voor goed vaarwel te zeggen (want hij bleef nog
steeds met den Prins in briefwisseling), doch hij keerde er niet terug.
Parma trok slechts voordeel van al deze beroeringen met Anjou. De
omstandigheid, dat zijn moeder in 1581 en 1582 weder als landvoogdes
naast hem als legerhoofd had gefungeerd, met welke schikking hij zelf
weinig was ingenomen, had zeker medegewerkt tot den niet snelleren
voortgang der Spaansche zaak. Hij had in Maart 1582 een beroep op de
steden gedaan en zijn agenten waren overal in het geheim werkzaam,
doch hij wachtte den loop der gebeurtenissen in Antwerpen af.
Nauwelijks was de aanslag van Anjou tegen de Scheldestad mislukt,
of de Spaansche landvoogd herhaalde niet alleen zijn verzoek aan die
gewesten, om onder de trouw des konings terug te keeren, maar zoowel
door militaire als door diplomatieke manoeuvres trachtte hij dat
doel te bereiken. Hij trad zelfs met Anjou in geheime onderhandeling,
hetgeen niet voor Oranje verborgen bleef, die daarom des te meer op
verzoening met den hertog aandrong. Toen dit laatste in Maart 1583
gelukt was, maakte Parma zich in het voorjaar meester van Duinkerken
Nieuwpoort, Dixmuiden en Eindhoven. Ja zelfs te Gent werd er over
verzoening met Spanje gesproken, waartoe in 1584 zelfs Hembyze, die er
teruggekeerd was, de hand leende. Oranje zond tal van brieven aan de
magistraat van Gent en aan verschillende private personen, ten einde
dat onheil te keeren en hen trouw te doen blijven aan de generaliteit.
Al deze dingen waren zeer ontmoedigend voor den Prins. Wat hem zeker
het meest in die dagen trof, was de houding van zijn zwager Willem van
den Berg, echtgenoot zijner tweede zuster Maria van Nassau. Deze had
reeds verscheidene malen blijk gegeven van onverschilligheid tegenover
zijn schoonbroeder en de algemeene zaak. In 1579 had zijn vrouw hem
tegenover haar broeders nog met kracht verdedigd en de beschuldigingen,
die tegen hem werden ingebracht, als laster doen voorkomen. Toch werd
er later een briefwisseling uit dat jaar tusschen hem en Parma ontdekt.
Toen hij in 1581 in plaats van Jan van Nassau stadhouder van Gelderland
werd, geschiedde dit op voorspraak van den Prins, die toen aan de
Staten schreef: "Mijn schoonbroeder, die een aanbeveling voor het
stadhouderschap wenscht, heeft mij verzekerd van zijn liefde en
toewijding aan de rechtvaardige zaak van het vaderland. Ik wenschte
alleen, dat hij dit vroeger had bewezen. Doch beter laat dan nooit."
Men kan niet zeggen dat de lofspraak groot was; doch de Gelderschen
namen hem aan en een tijdlang schijnt hij te goeder trouw geregeerd
te hebben. In 1583 echter kwam er weder eene briefwisseling tusschen
hem en Parma aan het licht, die overtuigend bewees, dat van den
Berg slechte voornemens koesterde. Hij zou namelijk Zutfen aan Parma
overleveren. Toen werd hij op den 15 November met zijn echtgenoote
en zijn zonen gevangen genomen en naar den Haag gevoerd. Een jaar
bleef hij in Delfshaven gevangen. Toen hij bevrijd was, nam hij
onmiddellijk met al zijn zoons dienst onder den koning. Deze treurige
geschiedenis in zijn eigen familie vermeerderde natuurlijk Oranje's
smart over al den afval niet weinig. Als opvolger van van den Berg
werd in Gelderland Adolf, graaf Nieuwenaar, gekozen, die met het oog
op hetgeen in Duitschland aanhangig was, voor Gelderland een zeer
gewenschte stadhouder bleek.
Slechts een enkel woord over die in Duitschland aanhangige zaak,
aangezien ze tot niets heeft geleid en de Prins er ook weinig
beteekenis aan hechtte. Bedoeld wordt de overgang van den aartsbisschop
van Keulen, Gebhard Truchsesz von Waldburg en de pogingen, die op
grond daarvan bovenal Jan van Nassau in dezen tijd in het werk stelde,
om eene algemeene beweging aan den Rijn in het leven te roepen,
ten einde Spanje van dien kant het hoofd te bieden. Ongelukkig werd
Johan Casimir van de Paltz daarbij ingeroepen. Oranje had er al
dadelijk niet veel vertrouwen in; te lang had hij van Duitschland
enkel tegenwerking ondervonden; de verschijning van Johan Casimir als
legerhoofd ontnam hem alle vertrouwen op den goeden loop dier Keulsche
zaken, en de uitkomst bevestigde volkomen zijn vrees, want voor het
jaar 1583 verstreek, was de geheele beweging op niets uitgeloopen en
was de oud-aartsbisschop, die door een goed katholiek was vervangen,
genoodzaakt een toevluchtsoord bij den Prins in Delft te zoeken.
Bij den Prins te Delft. Want daarheen was Oranje zelf op den 22en
Juli 1583 verhuisd. De verzoening met Anjou had hem in Antwerpen
zijn populariteit doen verliezen. Het volk had zijn motieven om
Anjou te herstellen in het gezag, dat hij misbruikt had, niet kunnen
begrijpen. Vrees voor de Franschen bleef de burgers bekruipen en ze
begonnen Oranje zelfs te beleedigen. De kreet werd gehoord: "Verrader,
hij is van plan om Antwerpen aan de Franschen over te leveren." Ook
zijn leven werd bedreigd; een woedende menigte, die zijn persoon
wilde aanvallen, was met moeite tot bedaren te brengen en de overheid
vreesde zelfs die aanranders te straffen. Dit gemis van vertrouwen
trof den Prins diep; ook beleedigde het hem dat de bedreiging van
zijn persoon niet gestraft werd. De Staten-Generaal waren op dat
oogenblik te Middelburg vereenigd. Daarheen verhaastte hij toen zijn
reis, om kort daarop met zijn gezin het oude St. Agatha-klooster te
Delft te betrekken.