BAN EN APOLOGIE. 1580.

Reeds voor en in 1573 had men over geheime moordaanslagen tegen den

Prins gedacht. Granvelle zoowel als Alva waren daartoe de aanstokers

geweest. Zoowel de een als de ander had echter een tijdlang Filips'

ongenade moeten ondervinden. Granvelle vertoefde van 1574 af in

een soort van ballingschap te Rome, maar was steeds op de hoogte

gebleven van den toestand der Nederlanden door zijn ouden vriend

Morillon, vicaris-generaal van zijn vroeger aartsbisdom. En Alva,

wiens regeeringsstelsel in de Nederlanden, volgens vele vertrouwde

raadgevers van den koning veel had bedorven, werd sedert 1574 evenmin

aan het hof te Madrid geduld. In 1579 en in 1580 werden echter beiden,

Granvelle zoowel als Alva, weer in genade aangenomen, de laatste

om Portugal voor Spanje te gaan veroveren, de eerste, om den koning

vooral voor de verwarde zaken in de Nederlanden van raad te dienen.

Nu was volgens den kardinaal de landvoogdij niet in goede

handen bij Parma, en moest diens moeder Margareta weder een

tijdlang als landvoogdes optreden, terwijl haar zoon het leger

zou besturen. Vandaar, dat Filips' zuster nog eenmaal als hoofd

der regeering optrad en van 1581-1583 uit Italië in de Nederlanden

kwam. Ze liet echter haar zoon in alles handelen en na haar vertrek

werd Parma weder zelf landvoogd.

Granvelle's politiek tegenover Oranje was een geheel andere dan die

men tot dien tijd gevolgd had. Van onderhandelingen, zooals vroeger te

Breda, te Geertruidenberg en te Keulen, wilde hij niet meer weten. Hij

begreep terecht, dat bij de groote tegenstelling der beginselen zulk

een onderhandeling geen vruchten dragen kon. Toch was en bleef Oranje

de ziel van den geheelen opstand. Met zijn dood was, volgens zijn

meening, alles uit. Doch niet langer moesten er geheime moordaanslagen

bedacht worden, die de Prins, door zijn spionnen ingelicht, best kon

ontkomen. Openlijk moest er een prijs op zijn leven worden gesteld.

Dit geschiedde door den ban, die in 1580 over het hoofd van den

Prins werd uitgesproken. Zoo stelde Karel V een prijs op het hoofd

van Maurits van Saksen en Karel IX op dat van Coligny. Bij Filips

vond het voorstel aanstonds een gewillig oor en Granvelle haastte

zich dan ook, aan Margareta van Parma zijn blijdschap te melden,

dat Filips het plan had toegejuicht.

Parma en zijn raad wezen nog den koning op de gevaren er aan

verbonden. Hij waarschuwde hem zelfs tegen dat afschuwelijk bedrijf,

omdat hij er het tegendeel van verwachtte, dan in Spanje gemeend

werd. "Is de Prins dood; dan is het uit met den opstand, want hij

is er de ziel van," zoo redeneerde men in Filips' omgeving. "Zijn

populariteit zal er door toenemen in de Nederlanden; de verraderlijke

aanslag zal de liefde van het volk voor den verafgoden Prins slechts

vermeerderen," zoo oordeelden Parma en de Raad van State en gelijk

de geschiedenis heeft bewezen, was dit juist. Maar de koning hield

vol en ook Parma gaf eindelijk toe, doch slechts noode; want al

dagteekende de ban reeds van 15 Maart 1580, pas in Mei liet hij hem

openbaar maken en in Augustus openlijk verspreiden.

In dit document worden eerst al de weldaden genoemd, die Karel V en

Filips II aan Oranje hebben bewezen, en daarna alles opgesomd, wat hij

van den dag af, dat Filips het land verliet, gedaan heeft om het volk

af te trekken van zijn koning en van zijn God. In den breede vooral

wordt herinnerd aan de bescherming door den Prins aan de ketters

verleend, de godsdienstvrijheid (d. w. z. de godsdienstverwarring)

door hem bevorderd, de schandelijke behandeling, door hem of zijn

vervolgers den R. K. geestelijken berokkend. Zijn derde huwelijk met

eene weggeloopen abdis, terwijl zijn tweede vrouw nog in leven was,

wordt als vloekwaardig voorgesteld. Doch bovenal wordt zijn onwil,

om in elk vredesvoorstel te treden, boosaardig gevonden. Steeds

dieper en dieper had hij zich in rebellie en ketterij gestoken en

zich eindelijk zelfs door een oproerige vergadering tot Ruwaard van

Brabant doen benoemen.

"Dus om al die redenen, om al zijn kwaad als voornaamste verwoester van

den publieken vrede, ja als de pest der Christenheid.... verbannen

wij hem voor eeuwig en verbieden al onze onderdanen met hem te

verkeeren. Wij vergunnen een ieder, hem schade te doen aan lijf en

goed. Wij verklaren hem voor een vijand van het menschelijk geslacht en

stellen hem buiten de wet en opdat de deugd en de vroomheid geprezen

worde, beloven wij, als er zich iemand mocht bevinden, edel en vroom

genoeg, om ons van die pest te verlossen en hem dood of levend ons

over te leveren, dezen aanstonds na de volvoering der daad 25.000

gouden kronen en den adeldom te schenken, terwijl we hem absolutie

geven voor elke andere misdaad, die hij soms mocht hebben begaan."

Als we die ijzingwekkende woorden lezen, uitgesproken over het

hoofd van den ons onvergetelijken Zwijger, dan gruwen we van de

bedrijvers. Geheel daargelaten onze aanhankelijkheid aan hem, wien die

snoode daad gold en dus afgezien van alle subjectieve beoordeeling,

moet ieder het woord van Montesquieu beamen: "De adeldom beloofd voor

zulk een daad! Zulk een daad bevolen in den naam van God! Werpt dat

niet alle denkbeelden van eer, van zedelijkheid en van godsdienst

omver?"

De Prins was in Antwerpen, toen hij van dien ban hoorde. Zijn eerste

gedachte was, dien te beantwoorden; doch alvorens dit te doen,

raadpleegde hij verscheidene aanzienlijke personen en raden. Zoo

schreef hij o. a. aan den raad van justitie van Holland, Zeeland en

Friesland, aan wie hij het stuk ter lezing zond en vroeg hun daarin

"goede raad en advies te willen mededeelen; alzoo wij zekerlijk achten,

dat gijlieden van deze zaak recht zult kunnen oordeelen."

Op den 13en December bood hij daarop aan de Staten-Generaal, te

Delft verzameld, zijne Apologie aan en op den 14en besloten die

staten, na dit stuk te hebben gehoord, het onmiddellijk te laten

drukken. Deze beroemde Apologie, waarheen reeds meer dan eens in

dit werk werd verwezen, is terecht een meesterstuk genoemd. "Het is

een welsprekende aanklacht tegen den koning en zijn staatsbeleid, een

heldere uiteenzetting van al het gebeurde, een schitterende verdediging

van zijn eigen leven en van de taak, die hij zich gesteld had, een

historisch stuk van hooge waarde." Voltaire had geen ongelijk dit

antwoord van Willem van Oranje "een der schoonste monumenten van de

geschiedenis" te noemen. Zeker, de bitterheid, die er uit spreekt,

is niet te rechtvaardigen. De beschuldigingen, die de Prins den

koning over zijn persoonlijk leven doet, zijn gegrond op onbewezen

feiten. Maar zulk een verweerschrift tegen zulk een geweldigen aanval

kon niet geheel onpartijdig zijn. De Apologie is waarschijnlijk

met medewerking van den hofprediker Pierre (l'Oyseleur) de Villiers

samengesteld; doch duidelijk kan ieder, die met 's Prinsen brieven

vertrouwd is, er ook overal de merkteekenen van zijn eigen hand en

geest in zien. In zijn geheel is zij geen monument van letterkundigen

stijl, doch er zijn brokstukken in, zoo schitterend, dat we niet kunnen

nalaten, enkele daarvan tot kenschetsing van het geheel in onze taal

over te brengen. Oorspronkelijk in het Fransch en Vlaamsch geschreven,

werd zij aanstonds aan de meeste souvereinen en prinsen van Europa

toegezonden. In de oorspronkelijke uitgaven van de Apologie is dan

ook de brief van den Prins aan de koningen en andere potentaten der

Christenheid, dien hij ter begeleiding van de verdediging aan dezen

toezond, aan het hoofd daarvan te vinden.

Reeds de toon, waarmee het stuk aanvangt, is vol waardig

zelfgevoel. Beschuldigd, alleen uit louter eigenbelang gehandeld te

hebben, verheugt het hem, dat deze gelegenheid tot zelfverdediging

hem door de proscriptie geschonken is. "Indien die niet over mij was

uitgesproken, indien ik den haat der Spaansche natie niet op mijn weg

had ontmoet, dan zou ik het voordeel gemist hebben van dit getuigenis,

dat mij door mijne vijanden is geschonken en dat ik den heerlijksten

roem heet, waarmee ik voor mijn dood had kunnen begeeren gekroond te

worden. Want wat is aangenamer in deze wereld vooral voor hem, die

zulk een groot en uitmuntend werk heeft ondernomen, als de vrijmaking

van zulk een goed volk, onderdrukt door zulke slechte lieden; wat

is aangenamer dan doodelijk gehaat te worden, door zijn vijanden,

die tevens zijn de vijanden van het vaderland? De Spanjaarden en

hunne aanhangers hebben gedacht mij door deze proscriptie te schaden,

maar ze hebben mij integendeel het meest daardoor verblijd en reden

tot tevredenheid gegeven. Want ze hebben voor mij een veld geopend,

om mij breeder te verdedigen, dan ik ooit had durven wenschen en om

aan de geheele wereld de rechtvaardigheid en de billijkheid mijner

ondernemingen te bewijzen en daardoor aan mijne nakomelingschap een

voorbeeld van navolgenswaardige deugd achter te laten voor allen,

die den adel van onze voorouders niet willen onteeren, van welke

geen enkele ooit de tirannie heeft begunstigd. Ook wordt door deze

proscriptie niet alleen mijn persoon getroffen en op barbaarsche

wijze prijs gegeven, maar men wil ook door mij te wonden, den

geheelen staat van deze landen doodelijk grieven. Dit geschiedt nu

niet door infame libellen, opgesteld door menschen van niets, wier

beleedigingen mij niet meer zouden treffen dan de tong van eenig klein

serpent, dat men beter doet met den voet te vertrappen dan het met

wapens te bestrijden. Neen, mannen van zoo groote qualiteit hebben

hun grootheid zoo laaghartig verlaagd, dat zij er zich mee vermaken

mij zoo valschelijk te beschuldigen en te belasteren! Daarom heeft

het mij noodzakelijk geschenen, om te spreken, opdat het gemeene

vaderland, waarvoor ik bereid ben, mijn leven te offeren, zooals ik

met mijn goederen gedaan heb, door mijn stilzwijgen niet benadeeld

worde en opdat de illustre titels van zooveel landen en koninkrijken,

(die de koning zich geeft) de oogen van velen niet zouden verblinden,

die eerder de zaken dezer wereld naar den schijn dan naar de soliditeit

der rede beoordeelen."

Na die inleiding worden alle punten van de beschuldiging, in den

ban uitgesproken, breedvoerig weerlegd en geeft de Prins zelf een

uitvoerig overzicht van zijn leven, in verband met den loop van

den opstand in de Nederlanden. Zijn ondankbaarheid was in den ban

allereerst genoemd--doch volgens den Prins behoefde er van zijn zijde

geen sprake te zijn van dankbaarheid--daar hij de wettige erfgenaam was

geworden van al de goederen der Nederlandsche Nassau's en al herdacht

hij de nagedachtenis van Karel V met eerbied, deze heeft hem niets

geschonken, terwijl daarbij zijn vorstendom Oranje hem rechtens op

dezelfde lijn plaatst als de grootste souverein van Europa.

De laaghartige beschuldigingen van den Prins om zijn derde huwelijk en

de smaad welke dientengevolge Charlotte van Bourbon wordt aangedaan,

voert den zelfverdediger tot eene bitterheid, die, hoewel zeer

begrijpelijk, toch niet anders dan veroordeeld kan worden. Hij houdt

den koning, de toenmaals door velen geloofde, maar tot heden onbewezen

misdaden uit zijn privaat leven voor oogen en beschuldigt hem van

bloedschande en moord op zijn naaste betrekkingen. Ook de Paus moet

de volgende bittere waarheid vernemen:

"Men zegt dat mijn derde huwelijk met de gewezen abdis alleen

veroorloofd zou zijn geweest, als tenminste de Paus daartoe dispensatie

gegeven had. Goddank weet ik reeds langen tijd, wat die handel in

dispensaties van Rome waard is en het is zóóver van mij, dat ik daartoe

mijn toevlucht zou willen nemen, dat ik integendeel hoop, dat God mij

de gunst wil schenken den ondergang van die mystieke regeering mee te

bevorderen, die hij in zijn spelonk te Rome gevestigd houdt en waardoor

hij over de geheele aarde geheerscht heeft, terwijl prinsen en koningen

zijn pantoffel kusten en zelfs een keizer zich voor zijn voeten wierp."

"Ook werpt men mij voor de voeten, dat ik een vreemdeling ben. Alsof

de Prins van Parma dan een groot vaderlander is, die noch in dit land

geboren is, noch een stuiver goed er bezit, noch eenigen titel en

toch commandeert hij over hen, die zich als arme slaven gehoorzaam

in zijn dienst hebben gesteld."

"Of zal men antwoorden: Filips is koning; dan zeg ik, dat mij die

naam van koning geheel onbekend is. Laat hij het zijn in Castilië en

Arragon, in Napels en de Indiën en overal, waar hij naar willekeur

regeert, als hij wil zelfs in Jeruzalem--in dit land ken ik slechts

hertog en graaf, wier macht volgens onze privilegiën, die hij bij

de "joyeuse entrée" heeft bezworen, zeer is begrensd. En nu wat

mij aangaat, is het bekend, dat ik en mijn voorgangers, waarvan ik

in rechte linie afstam, sedert meer dan 200 jaar graafschappen en

baronieën in Luxemburg, Brabant, Vlaanderen en Holland bezeten hebben."

Met de uiteenzetting van dit laatste acht de Prins tevens de valschheid

der bewering bewezen, als ware hij een vreemdeling.

Daarop volgt een overzicht van hetgeen Karel V voor deze landen

was geweest, van zijn afstand van den troon en van de schandelijke

Spaansche middelen die sedert in het werk gesteld werden, om de

Nederlanden tot dezelfde slavernij te brengen, die Spanje overal

waar het kan en overal in de Indiën, uitoefent. Daartegen kwam men

in verzet, door de vergadering der Staten-Generaal en de verwijdering

der Spaansche troepen te eischen.

Hoogst merkwaardig is vervolgens het gedeelte aan den godsdienst

gewijd en tevens de beschuldiging, die men in den ban kan vinden,

dat de Prins de ketters verdedigd had.

"Ik beken, dat ik die nooit heb gehaat. Want van mijne wieg af was

ik zelf in hun begrippen opgevoed. Mijn vader had er in geleefd,

was er in gestorven en had de misbruiken der kerk uit zijn rijk

verwijderd. Wie zal het dan vreemd vinden, dat die nieuwe leer zoo

in mijn hart was gegraveerd en er zulke wortels in had geworpen,

dat zij op haar tijd vruchten moest voortbrengen? Zeker, gedurende

lange jaren werd ik in de kamer des keizers opgevoed en toen ik den

leeftijd bereikt had om de wapens te dragen, had ik al spoedig groote

charges in de legers te vervullen; buitendien vond de godsdienst weinig

voedsel en dacht ik te midden van het wapenberoep, de jacht en andere

lichaamsbewegingen der jonge edelen weinig om mijn zieleheil. En

toch heb ik groote reden, om God te danken, die niet heeft gewild,

dat het heilige zaad zou worden verstikt. Nooit had ik behagen in die

wreede straffen te vuur en te zwaard, die in dien tijd hen troffen,

die tot den nieuwen godsdienst behoorden" enz.

En dan volgt de mededeeling, die op een vorige bladzijde van dit werk

reeds werd besproken, dat namelijk Koning Hendrik van Frankrijk in het

bosch van Vincennes hem de plannen van Alva omtrent de uitroeiing der

ketterij vertelde en welke plannen er dientengevolge in zijn gemoed

begonnen te rijzen.

Daarop worden de ons bekende bladzijden uit den eersten tijd van den

opstand herdacht: Margareta's bestuur, Granvelle's heerschzucht, het

smeekschrift, de beeldenstorm enz. Wat den laatsten aangaat, werpt

hij alle medeplichtigheid van zich. Omtrent de vrijheid van geweten,

die hij had bevorderd, zegt hij de volgende schoone woorden:

"Indien ze daaronder verstaan, dat ik vrijheid zou geven aan zulke

goddeloosheden als er gewoonlijk in het huis van den Prins van

Parma plaats hebben, waar het atheïsme en andere deugden van Rome

vrij spel hebben, dan antwoord ik, dat men dergelijke vrijheid of

liever bandeloosheid zoeken moet bij de erfgenamen van Pierre Louis

(Farnese). [12]

Maar wel beken ik gaarne, dat de vuren, waarmee men zoovele arme

Christenen heeft gemarteld, nooit aangenaam zijn geweest in mijn

oogen en dat ik den raad gaf, om in de Nederlanden de vervolgingen

te staken. Ja, ik zal meer bekennen, opdat de vijanden weten, dat

zij met een tegenpartij te doen hebben, die rond en open spreekt,

te weten dat de koning, toen hij van Zeeland vertrok, van de laatste

plaats, die hij aanschouwde, toen hij het land verliet, mij beval,

verscheidene menschen, die in welstand waren, te doen sterven, omdat

zij in hun godsdienst verdacht waren; dit heb ik niet willen doen,

maar heb hen integendeel gewaarschuwd, wel wetende, dat ik dat niet

kon doen met een goed geweten en dat men Gode meer moest gehoorzamen

dan de menschen.

Dat de Spanjaarden dan zeggen, wat hun goed zal dunken, ik weet,

dat vele andere volken en natiën, die tegen hen wel kunnen opwegen

en die geleerd hebben, dat men door vuur en zwaard niets vordert,

mij zullen prijzen en mijn daad zullen goedkeuren.

En omdat gij, Mijne Heeren, met de algemeene toestemming des volks

het reeds hebt goedgekeurd, de strengheid der plakkaten veroordeeld en

die wreede executies hebt doen ophouden, bekommer ik er me niets om,

wat de Spanjaarden en hun aanhangers daarover mompelen. Ook kan ik

mij niet genoeg verbazen over hun dwaasheid, als ze zich niet schamen,

mij de moorden van de lieden hunner kerk voor den voet te werpen, daar

ze niet alleen weten, dat mijn natuur geheel en al verwijderd is van

dergelijke geweldenarijen als dat het u en de geheele wereld bekend

is, dat op mijn bevel en om reden van dergelijke buitensporigheden,

die zij mij aanwrijven, geen enkel werd ter dood gebracht en anderen,

die door mijn voorname beambten waren gevangen genomen, door mij zijn

losgelaten.... Eindelooze lasteringen werpen zij op onzen godsdienst;

ze noemen ons ketters, maar dat doen ze reeds zoo geruimen tijd,

zonder dat ze tot hun doel komen, dat die beleedigingen veel gelijken

op de woorden van toornige vrouwen, ze verdienen geen antwoord."

Levendig wordt de verdere loop van zaken geteekend en o. a. over Don

Juan gezegd: "Heel het verschil tusschen Don Juan, den hertog van

Alva en Louis de Requesens bestond daarin, dat hij jonger en dwazer

was dan de anderen, dat hij zoo lang zijn venijn niet kon bedekken,

noch zijn eigenlijke opdracht ontveinzen, noch zijn schitterende handen

kon afhouden van de begeerte ze in ons bloed te doopen." Beschuldigt

men hem, de Pacificatie en zijn eed niet trouw te zijn gebleven, dan

is zijn antwoord gereed: "Alsof die banden gesloten waren, om mij en

de heeren van Holland en Zeeland te kluisteren; terwijl die goede en

loyale vredemakers! elke verplichting van wet, loyauteit en trouw

verbraken om alles te doen, wat hun deloyaal hart hun inblies! Zij

hadden Don Juan (zoo zeggen ze,) doen beloven de Spanjaarden uit

het land te zenden; alsof in dat enkele punt geheel ons accoord

was gelegen. Voordat zij vrede met Don Juan sloten (Eeuwig Edict,)

hadden ze mij in mijn stadhouderschap moeten herstellen, mijn goederen

en mijn zoon terug moeten geven, die al zoo geruimen tijd gevangen

gehouden wordt."

Omtrent zijn keuze tot Ruwaard van Brabant en Luitenant-Generaal, die

den Prins voor de voeten geworpen was als een bewijs zijner eerzucht

en ontrouw--dienaangaande stelt hij in het helderste licht, hetgeen ook

door ons vroeger duidelijk is gemaakt, dat hij alleen voor den aandrang

van het Zuiden bezweken was, om die posten te aanvaarden. Geestig en

ironisch behandelt hij de beschuldiging van zijn populariteit:

"Indien dit waar is, wat ze van mij en van het groote crediet, dat

ik bij het volk heb, zeggen, dan belijden ze daarmede te gelijker

tijd hun tirannie en wreedheid, waardoor ze het volk van zich zelf

afkeerig gemaakt hebben. En indien het volk mij vrijwillig gekozen

heeft om zijn vrijheid te verdedigen, wat kan men dan anders zeggen,

wat zullen de vreemde volken zeggen, zoo niet dit: dat het volk heeft

gemeend, dat er iets in mij was, hun gunst en vriendschap waard,

en dat er in hen iets was, waardig een uitersten haat. Ik belijd hun

dus, dat ik ben en zal zijn mijn geheele leven populair, d. w. z. dat

ik uw privilegiën zal handhaven en verdedigen. Wat zijn hun wijze

hersenen toch ontbloot van gezond verstand; terwijl zij meenen mij

te blameeren, doen ze niet anders dan mij prijzen... Hem, dien ze

het leven onwaard keuren, om het heil van de publieke zaak te dienen

(want wat is anders dat heil dan de welvaart van het volk?), zullen

ze door hun dwaasheid zooveel meer geëerd maken, als het volk meer

hem acht, die het wil handhaven, dan hem die het wil onderdrukken."

Doch waar zou het einde zijn, indien we den schrijver der Apologie

op den voet volgden. Een voor een weerlegt hij alle beschuldigingen,

tegen hem ingebracht. Doch hij stelt zich niet met zelfverdediging

tevreden, zelf valt hij ook aan en in dien aanval is hij niet altijd

billijk, n.l. daar niet, waar hij de oneer hem aangedaan, door zijn

derde vrouw in het geding te brengen, bespreekt met het vermelden van

feiten, welker waarheid niet boven bedenking is verheven. En van het

slot nog deze mooie woorden:

"En nu wat mij zelf in het bijzonder aangaat, gij ziet, mijne heeren,

dat het dit hoofd is, dat ze zoeken; dat hebben zij met zulk een prijs,

met zulk een groote som gelds ten doode bestemd en gewijd, omdat de

oorlog niet eindigen zal, zooals ze zeggen, zoolang ik bij u ben. God

gave, dat mijne eeuwige verbanning of zelfs mijn dood u kon aanbrengen

de ware bevrijding van zooveel kwaad en onheil, als de Spanjaarden,

die ik zoo dikwijls heb zien beraadslagen en die ik van buiten en

van binnen ken, u berokkenen! Wat zou die verbanning mij lief, die

dood mij aangenaam zijn! Want waarom heb ik al mijn goederen in de

waagschaal gesteld? Was het om mij te verrijken? Waarom heb ik mijn

eigen broeders verloren die ik meer dan mijn leven liefhad? Was het,

om anderen te vinden? Waarom heb ik mijn zoon zoolang gevangen gelaten,

mijn zoon, dien ik zoozeer moet terug wenschen als vader? Kunt gij

hem mij teruggeven? Waarom heb ik mijn leven zoo dikwijls aan gevaren

blootgesteld? Welken prijs kan ik anders voor langdurigen arbeid

verwachten, zoo het niet is, voor U, zelfs ten koste van mijn bloed,

de vrijheid te verkrijgen? Indien gij oordeelt, mijne heeren, dat

òf mijne afwezigheid òf zelfs mijn dood u kan dienen, ik ben bereid

te gehoorzamen: beveel, zend mij naar de einden der aarde, ik zal

uw bevel opvolgen. Ziedaar mijn hoofd. Geen vorst noch koning heeft

er macht over, alleen gij beschikt er over ten uwen beste, tot het

behoud van Uw gemeenebest. Doch indien gij oordeelt, dat mijn kleine

ervaring en ijver, dat de rest mijner goederen en van mijn leven u nog

kunnen dienen, beslist dan over alle punten, die ik U voorstel. En

indien gij meent, dat ik eenige liefde tot het vaderland bezit, dat

ik eenige bekwaamheid heb, om U te raden, geloof dan ook, dat het het

eenige middel is, om U te bevrijden. Laat ons samen één van hart en

wil voortgaan; omhelzen wij samen de verdediging van dit goede volk,

dat niet anders vraagt, dan goeden raad en niet anders wenscht, dan

dien te volgen. En indien gij, dit doende, voortgaat mij de gunst

te toonen, die gij mij van lange her hebt bewezen, dan hoop ik,

met Uw hulp en de genade van God, die ik zoo vaak ondervonden heb in

radelooze oogenblikken, dat ik, wat door U is besloten, zal kunnen

handhaven voor het welzijn en het behoud van U zelf, uwe vrouw en

kinderen en van alle heilige zaken." "Je maintiendrai."

Aan dit devies van zijn wapen zou dus de Prins omtrent Nederland

getrouw zijn.

De ban en de apologie vormden tal van dagen een punt van bespreking

in de Staten, met het gevolg, dat zij hun volkomen vertrouwen in den

Prins uitspraken en hem tot zijn veiligheid een versterkte lijfwacht

aanboden; ze vernieuwden de belofte, Oranje in alle opzichten te

zullen bijstaan.

Wanneer wij ons nu de onderhandelingen met Anjou te binnen brengen,

die de Prins in het jaar 1580 met geweld doorzette, en ons daarbij

voor den geest stellen hoe zoowel de ban als de apologie uit datzelfde

jaar dagteekenen, dan bevreemdt ons de ijver van Oranje nog minder,

om de souvereiniteit van Filips op Anjou over te brengen.

Door den verachtelijken ban geprikkeld, gaf Oranje des te eer

aan zijn voornemen gevolg, om de banden met Spanje voor goed te

verscheuren. Tot dien tijd had de naam des konings hem nog gediend, om

al zijn officieele daden te verrichten; die naam was thans die ijdele

eer niet meer waard. Uit alle staatsstukken van de Nederlanden moest de

naam worden uitgewischt van een koning, die zich het regeeren onwaard

had getoond. In Holland en Zeeland wilde men van een verplaatsing van

de souvereiniteit naar Anjou niets weten. Daar stond men op het punt,

den Prins de grafelijke waardigheid op te dragen; alleen indien dit

geschiedde, zou men voor den vorm in den nieuwen landsheer berusten.

In Juni 1581 nam Matthias, dien men in dat alles weinig of niet

gekend had, zijn ontslag. De schadeloosstelling, die men beloofde,

werd later niet eens geschonken. De oude beschermeling van den hertog

van Aerschot, door den Prins tijdelijk als zijn werktuig gebruikt,

werd eenvoudig op zij gezet. Zijn schijnregeering hier te lande was

zoo onbeduidend mogelijk geweest. Toen hij in 1612 zijn broeder Rudolf

als keizer opvolgde, barstte onder zijn regeering de jammervolle

30-jarige oorlog in Duitschland uit. (1618)

De Prins werd uitgenoodigd, om tot de komst van Anjou, met de

Staten-Generaal het landsbestuur in handen te nemen, hetgeen hij

na eenige aarzeling deed. Hij werd dus voorloopig landvoogd voor de

Staten-Generaal; buitendien had hij de souvereiniteit over Holland

en Zeeland, al wilde hij nog niet van den titel van graaf weten,

om Anjou niet te ontstemmen, wien eigenlijk over die gewesten het

graafschap in naam althans toeviel. Doch de Staten van Holland en

Zeeland wilden Anjou als zoodanig niet erkennen en ze gaven daarom

voorloopig de "hooge overheid" aan Oranje. In Zeeland werd buitendien

zijn macht zeer vergroot, door den aankoop van het markiezaat van

Veere en Vlissingen in 1581, waardoor hij zelfstandig in het bezit

der functiën van Eersten Edele kwam.

Het is hier de plaats niet, om de voorloopige voorzieningen in de

regeering der verschillende gewesten, die dringend noodig waren

geworden, te beschrijven. Alleen in zoover ze in betrekking stonden

tot den Prins, moet er iets van worden vermeld. Wat Utrecht aangaat,

daarover behield Oranje het stadhouderschap. De moeilijkheid bestond

daar vooral in de verhouding tusschen de macht der katholieke

geestelijkheid en de Staten. Die macht der geestelijkheid was

voorheen zeer overwegend geweest; de voortgang van het Calvinisme

maakte verandering onmisbaar.

In de Staten ging ten gevolge van Oranje's bemoeiingen de vroegere

macht der geestelijkheid over op de zoogenaamde geëligeerden, die

later als het derde lid van de Staten fungeerden. Wat Gelderland

betreft, daar kwam Jan van Nassau, trots tallooze aanzoeken, niet

terug; hij nam zelfs in April 1581 zijn ontslag. Op aandrang der

talrijke katholieken en koningsgezinden werd daar van den Bergh, de

zwager van Oranje, stadhouder. Toch bleef de invloed van den Prins er

zeer groot. In Friesland werd hij stadhouder, al moest hij daar door

een plaatsvervanger regeeren. Groningen, de Ommelanden, Overijsel en

Drente waren door het verraad van Rennenberg in een oorlogstoestand

gekomen, die jaren lang duurde.

Door deze en dergelijke schikkingen werd door Oranje in die dagen

de regeeringsvorm der Republiek voorbereid, die in 1588 haar beslag

kreeg. Hoe democratisch ook gezind, de Prins moest overal rekening

houden met de Staten en de regenten, zoodat hij mede kan worden

aangemerkt als de stichter der aristocratische regenten-republiek. De

oorsprong der souvereiniteit lag ook volgens hem in de Staten, niet

in den landsheer. De Staten konden de hooge overheid opdragen, aan

wien zij wilden; zoolang die door niemand was aanvaard, berustte de

oppermacht bij de Staten zelven. Het is bekend, welke gevolgen die

opvatting in de toekomst gehad heeft.

Groot, machtig groot bleef dus de invloed van Oranje, niettegenstaande

de keuze van Anjou tot souverein. Vooreerst was deze er nog niet;

dan waren de meeste gewesten van hem afkeerig en eindelijk buiten

alle titels en waardigheden om, was de persoonlijke invloed van den

Prins in de meeste gewesten zeer groot. Het zou hem weinig moeite

kosten, ook Anjou tot zijn instrument te maken. Meer heeft de Prins

trouwens ook nooit van Anjou verwacht. De nood was hem opgelegd. Er

moest een beschermer, een souverein wezen. Dat hij zelf daarnaar

niet verlangde en telkens zelfs het graafschap van Holland weigerde,

is wel het grootste bewijs van zijn onbaatzuchtigheid.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 63 / 80 题