ANJOU. JULIANA'S DOOD. AFZWERING VAN FILIPS II. 1580-1581.

Van de vele redevoeringen, welke de Prins tot de Staten-Generaal

hield, was die op den 9en Januari 1580 wel de meest merkwaardige,

die wederom een nieuw bewijs is zoowel van zijn edel en grootmoedig

hart, als van zijn diep doorzicht in de zaken van het land. Hij wilde

voor het uiteengaan van de leden, die weken lang vruchteloos waren

samen geweest, hen nog eens met ernst op hun verplichtingen wijzen

in deze moeilijke dagen van de wording van den nieuwen Staat. Hun

besluiteloosheid kende hij maar al te goed en zoolang dit zoo bleef,

zou de ondergang van het land niet kunnen voorkomen worden. "Voor

alle dingen," zegt hij, "moeten wij vaststellen of wij den vrede of

den oorlog willen," en zinspelend op de aanbiedingen van het Congres

te Keulen, vervolgt hij: "Als ik spreek van vrede, dan wil ik niet

in algemeene termen praten. Want wie bestaat er, die zóó'n vijand is

van zichzelf, zijne vrouw, zijne kinderen en wat nog meer zegt, van

zijn land, die niet uit zijn volle hart den vrede verlangt, waardoor

hij rustig en kalm zijn leven kan doorbrengen, het goede genieten,

dat God hem heeft gegeven en God dienen naar zijn geweten? Maar ik

spreek van den vrede, gelijk hij ons is aangeboden; want het is ijdel,

om in het algemeen over den vrede te praten, als men de bijzondere

omstandigheden niet in aanmerking neemt, die in de tractaten op den

voorgrond worden geplaatst, om tot den vrede te komen."

"Ik wil niet van mij zelf spreken, Mijne Heeren; nooit heb ik

mijn eigen belang gezocht, maar alleen de welvaart van het land;

ik ken wel de valsche lasteringen, die op mij worden geworpen,

niet door mijn vijanden alleen, maar ook door hen, die zeggen,

mijne vrienden te zijn. Toch trek ik mij die op geenerlei wijze aan

en ik wil dergelijke leugens niet bestrijden dan door de waarheid

van mijn leven, dat ik aan den dienst van het algemeen gewijd heb,

hetgeen ik hoop, dat God mij zal doen blijven najagen, zoolang ik

leef. Want daardoor zal ik aan de nakomelingschap de oprechtheid en

zuiverheid van al mijn bedoelingen doen kennen. Ik verzoek u daarom,

Mijne Heeren, acht te geven op hetgeen ik u voorstel en op hetgeen

ik u zeg en bevestig, hetgeen zoo dringend noodzakelijk is, dat ik

zonder dat geen ander middel zie om het land, dat tot heden onder

zooveel bezwaren door Gods hulp is bewaard, te kunnen redden."

Wie zich den inhoud van het vorig hoofdstuk te binnen brengt, zal dien

toon niet ten volle verstaan? Alles scheen in 1579 samen te spannen,

om den arbeid, dien Oranje verricht had, te vernietigen. Had hij te

midden van zooveel angsten en tegenspoed nu maar van het eerste lichaam

van den Staat, waarmede hij moest regeeren, krachtige ondersteuning

gevonden!

Het ontbrak hem daarin niet aan talrijke vrienden en geestverwanten;

maar wel verre, dat deze zich als één man rondom den Prins zouden

geschaard hebben, waren er allerlei hindernissen, die hen tot

geene daden brachten en die hen zelfs in dien benarden toestand

tot besluiteloosheid doemden. Het was hetzelfde gebrek, dat ook

later tijdens het bestuur der Republiek zooveel onheil teweegbracht;

dezelfde leemten in de staatsinrichting, die vaak in de beste dagen

van die Republiek tot zooveel uitstel, oneenigheid en daarom tot

werkeloosheid leidden, ze openbaarden zich met al haar jammerlijke

gevolgen reeds te midden van de wording van den Nederlandschen Staat.

Zoo ooit dan was in 1579 snel, krachtig, doortastend handelen

noodzakelijk, en dit konden de leden der Staten-Generaal niet,

want ze waren veel te afhankelijk. Het ontbrak eenvoudig aan een

centrale macht; steeds moesten de verschillende gewesten en steden bij

vernieuwing geraadpleegd worden over alles, wat men wilde besluiten.

De Prins zag zeer goed dat gebrek in; toen hij in Holland en Zeeland

optrad, had hij met hetzelfde te strijden gehad. Er was een centrale

macht noodig, een hoogste college, dat onmiddellijk besluiten kon,

als de nood het eischte.

"In onzen gedesorganiseerden toestand is het geen wonder, dat wij

slechts een stad (Maastricht), wel wonder, dat we niet reeds meerdere

steden verloren hebben. We moeten een organisatie en een centrale

macht hebben, Mijne Heeren, die beslissen en gehoorzaamheid eischen

kan. Nu komt iedereen, die in nood is, tot mij, alsof ik alles in

mijn hand heb, terwijl ik weet, hoe volkomen machteloos ik ben om

te handelen. Zoowel de militaire als de financieele toestand eischt

zulk een oppersten raad, die kan bevelen." In bijzonderheden wijst

de Prins dit verder aan en dan eindigt hij met te zeggen:

"Gaat dan heen naar uwe gewesten en steden en doet ze verstaan als

dringend noodzakelijk, wat ik u op het hart heb gedrukt. Ik bid

u daarbij, te gelooven, dat dit geen redevoering is, die ik tot u

gehouden heb, maar alleen een waarschuwing die, als ze niet wordt

opgevolgd, den ondergang van het land ten gevolge hebben zal.... Indien

uwe heeren en meesters een goed besluit nemen, dan hoop ik met Gods

hulp, dat het land zal gespaard worden; en vast ben ik besloten met

u te leven en te sterven."

Hoe goed zag Oranje de gebreken van de Staten-Generaal in, wanneer

wij hem hooren in den brief aan de vier leden van Vlaanderen:

"Kiest bovenal vertegenwoordigers, die hart voor de zaak van het

vaderland hebben en die bijzondere en partijdige belangen kunnen ter

zijde stellen. De gedeputeerden handelen als advocaten, die door de

gewesten of steden zijn aangesteld om op hun individueele eischen

aan te dringen en hun lokale belangen te beschermen, in plaats van

samen over het algemeen welzijn te beraadslagen als raadgevers,

wien de publieke zaken zijn toevertrouwd."

Noch in de redevoering van den Prins, noch in den brief aan de vier

leden van Vlaanderen wordt gesproken van het plan, Anjou's hulp in

te roepen. Dit onderwerp was echter dikwijls in de vergaderingen der

Staten-Generaal besproken en Oranje had zelfs een memorie opgesteld,

waarin de voordeelen van de erkenning van Anjou boven den koning

werden opgesomd. Ten slotte werd een ontwerp gemaakt, waaraan ook

Oranje zijn goedkeuring had gehecht. De macht van Anjou werd daarin

zeer beperkt. Hij zou zijn onafhankelijkheid van Frankrijk zoowel

als de privilegiën moeten handhaven; den godsdienstvrede en de Uniën

erkennen, terwijl zijn macht op financieel en militair gebied zeer

zou begrensd zijn. Buitendien zouden de Staten-Generaal volkomen

vrijheid van vergaderen hebben, terwijl Anjou ze minstens eens per jaar

moest bijeenroepen. Het duurde nog geruimen tijd, eer de gewesten dat

ontwerp hadden goedgekeurd; alleen Vlaanderen nam het onmiddellijk aan,

de anderen stelden uit of weigerden.

De Prins ging zelf in het eind van Januari naar Holland, waarheen

Matthias hem vergezelde. In het oude paleis der Nassau's te Breda

werden eerst eenige dagen doorgebracht en op den 1en Februari ging

Oranje naar den Haag, waar hij nog denzelfden dag aankwam. In drie

jaar tijds had hij Holland niet gezien. De hoofdbedoeling van zijn

tocht was, dit gewest persoonlijk te overreden, de souvereiniteit

van Anjou te aanvaarden. Met groote hartelijkheid werd de Prins in

Holland ontvangen en dat hem dit goed deed na al het wantrouwen in

den laatsten tijd in Brabant ondervonden, kunnen wij ons voorstellen.

Terwijl Oranje daar was trof hem echter een zeer ernstig verlies

door het verraad van Rennenberg, die zich aan het hoofd stelde der

koningsgezinden in Groningen en op den 3en Maart, na vermeestering

der stad, tot Parma overging.

Door onderschepte brieven was het den Prins duidelijk geworden, dat

er aan de plannen van Rennenberg niet te twijfelen viel; hij wilde

zich in dienst van den koning stellen, zoodat men het noodig achtte

dat Oranje met hem een onderhoud zou hebben. Rennenberg, die daar

heel begrijpelijk niet op gesteld was, begreep, dat hij terstond

moest handelen, wilde hij zijn plan niet zien mislukken.

"Op den avond van den 3en Maart 1580," zoo verhaalt Motley, "had

de graaf de aanzienlijkste families der stad op een bal en banket

genoodigd. Aan den disch vroeg de eerste burgemeester, Hildebrand,

den gastheer op den man af, wat er van de lasterlijke geruchten waar

was, die in omloop waren; hij hoopte, zei hij, dat het niet zoo zou

zijn en het alleen uitstrooisels van zijn vijanden waren. Alzoo ter

verantwoording geroepen, vatte Rennenberg den burgemeester bij de hand

en riep uit: "Wel, vader! hoe kunt gij, dien ik als een vader eer,

mij van zulk een boos stuk verdenken? Ik bid u, stel vertrouwen in

mij en heb geen vrees."

Zoo stelde hij den burgemeester en de overige gasten gerust. Het banket

en het dansen ging zijn gang, terwijl Rennenberg den aanslag regelde.

Nog dienzelfden nacht werden de voornaamste aanhangers der

staatspartij uit hun bed opgelicht en naar de gevangenis gebracht,

terwijl de geheime aanhangers van Rennenberg gewaarschuwd waren. Voor

dag en dauw stoven schuitenvoerders en ander gespuis, welgewapend het

marktplein op; zij droegen fakkels en vaandels en brachten de stille

stad met hun getier in rep en roer. De plaats werd bezet, voor het

stadhuis geschut geplant om de voornaamste straten te bestrijken en

op verschillende punten werden verschansingen opgeworpen.

Nauwelijks was de dag aangebroken, of Rennenberg reed in volle

wapenrusting het marktplein op, terwijl men merkte, dat hij zoo akelig

bleek zag. Door dertig ruiters gevolgd, die evenals hij van top tot

teen gewapend waren, riep hij de verzamelde menigte toe:

"Staat bij, staat bij, goede burgers! nu ben ik eerst uw Heer en

Stadhouder."

Terwijl hij sprak, baanden zich eenigen der aanzienlijkste burgers,

leden van den Raad, een weg door het gedrang en spraken de menigte op

een toon van gezag toe om zoo het oproer te dempen. Een van Rennenbergs

ruiters loste zijn karabijn op den voorsten der heeren, die niemand

anders was dan burgemeester Hildebrand. Hij viel dood neder aan de

voeten van den Stadhouder--van den man die hem weinige uren te voren

de hand had gedrukt, hem vader genoemd en gesmeekt had, geen argwaan

tegen hem te koesteren. De dood van dien aanzienlijken man bracht

heel wat ontsteltenis teweeg. Rennenberg sprak zijn aanhangers toe

en spoorde hen aan om wat zij vroeger misdaan hadden in het vervolg

door ijver in 's konings dienst weder goed te maken. Eenige dagen

later werd de stad weder plechtig aan den koning onderworpen, maar zoo

overhaast was de graaf te werk gegaan, dat hij niet in staat was om,

wat hij gehoopt had, ook de provincie mee te sleepen.

Ook Rennenberg dus ontrouw aan de goede zaak! Het was een groot

verlies, vooral ook, omdat het gevaarlijk was voor het gezag in het

Noorden, want in die gewesten bestond een sterke beweging ten gunste

van den koning van Spanje en het katholiek geloof. Het gevolg hiervan

was, dat in het Noorden een langdurige oorlogstoestand ontstond,

die pas met de Reductie van Groningen in 1594 ten gunste der Staten

is geëindigd.

Inmiddels was Oranje in Holland gebleven en tal van steden, in het

bijzonder Amsterdam, hadden hem geestdriftig ontvangen. Gedurende die

reis bleef Charlotte in Antwerpen en handelde als plaatsvervangster

van haar afwezigen gemaal. De Prins had bevolen, dat alle papieren aan

haar getoond zouden worden, voor ze verder verzonden werden. Hij had

een te zware taak in het Noorden te vervullen, om reeds zoo spoedig

naar Antwerpen terug te keeren, te meer, omdat hij zich vast had

voorgenomen, zijn doel met Anjou te bereiken, welken tegenstand hij

daarbij ook mocht ondervinden.

Bij de vele tegenwerking, die hij daarbij van alle zijden had, was

het gelukkig, dat hij in dat plan krachtig gesteund werd door Marnix,

die tengevolge van Anjou's vroegere vriendschappelijke verhouding

tusschen de Hugenoten, zeer met hem was ingenomen. Hij schreef zelfs

op verzoek van Oranje een geschrift, waarin de zaak van den Franschen

prins werd verdedigd.

In Holland belegde Oranje een zoogenaamde "Groote Vergadering,"

waarin ook de kleine steden vertegenwoordigd waren. In die vergadering

wilde men de stelling handhaven, die men in 1576 had ingenomen. In

de practijk hadden ze reeds toen de gehoorzaamheid aan Filips

opgezegd; nu waren ze bereid zelfs zijn naam uit hun staatsstukken

te verwijderen, maar in plaats daarvan die van Anjou te stellen,

daartoe konden ze niet overgaan. Ze verklaarden het gezag alleen aan

Oranje te willen toekennen. Merkwaardig, dat de Prins in de streek,

waar zijn persoonlijke invloed het sterkst was, in deze gewichtige

aangelegenheid zoo weinig kon uitwerken. Het was als met de erkenning

van Matthias, waarin Holland Oranje ook niet gevolgd had.

De Staten besloten ten slotte, dat de namen van hen en van Oranje aan

het hoofd van alle stukken zouden geplaatst worden; ze wilden hem

zelfs den titel van graaf van Holland geven. Deze besluiten bleven

echter geheim en alleen op voorwaarde dat Anjou deze beperking

van souvereiniteit zou toestaan, mocht de Prins verder met Anjou

onderhandelen.

Ook de andere gewesten toonden zich niet begeerig den Franschen prins

te erkennen en de invloed van Jan van Nassau was daar duidelijk

te bespeuren. Toen Oranje den 7en April den Haag verliet en naar

Antwerpen terugkeerde, bleef hij er bij, dat het noodzakelijk was,

zijn wil ten opzichte van Anjou, te doen zegevieren.

Jan van Nassau vertrok in den loop van den zomer ook uit het land. We

zagen reeds, dat niet alleen familieomstandigheden hem noopten dit

besluit te nemen; zijn kinderen hadden zeker een groote behoefte aan

zijn terugkeer, terwijl hij tevens een tweede huwelijk wilde sluiten

met Kunigonde, dochter van den keurvorst van de Paltz. Toch was dit

niet de hoofdreden van zijn vertrek. Hij kon het nu eenmaal niet eens

worden met de plannen van zijn broer; het verbond met Frankrijk vond

hij verschrikkelijk en in de Unie had hij zoo weinig vertrouwen, dat

een directeurschap van die Unie hem ook niet toelachte. Bovendien was

zijn positie in Gelderland allesbehalve te benijden, want wantrouwen,

tegenwerking, ja zelfs armoede in den letterlijken zin van het woord

waren zijn deel.

"De bakker heeft laten weten, dat hij na morgen geen brood meer wil

borgen, vóór hij betaald is," schreef de graaf in November en met

den slager scheen het niet beter gesteld, want in datzelfde schrijven

stond: "De kok heeft dikwijls geen vleesch om te braden, zoodat we vaak

's avonds zonder eten naar bed moeten gaan."

Het is licht te begrijpen, dat zijn vertrek voor den Prins een groot

verlies was. Toen Oranje en Charlotte hem bij zijn huwelijk hartelijke

brieven zonden, konden ze niet nalaten, de hoop uit te spreken, dat

zijn vertrek uit de Nederlanden slechts tijdelijk zou zijn, maar

de graaf wilde zich niet langer met de troebelen der Nederlanden

inlaten. Ook het pak pamfletten door den Prins aan Jan gezonden,

waarmede hij zijn terugkeer wilde bewerken, baatte niet. Graaf Jan

scheen het eens te wezen met Johan Casimir, die hem in een brief

gelukwenschte, uit dien chaos weg te zijn.

De Prins bleef alleen en voelde zich wel verlaten, want in een brief

aan zijn vriend Lazarus de Schwendi paste hij het oude latijnsche

spreekwoord op zich toe: "zoolang gij gelukkig zult zijn, zult gij

vele vrienden hebben; worden de tijden donker, dan is er niet een."

Toen Jan van Nassau in Dillenburg terugkeerde, was Juliana van

Stolberg overleden.

De laatste jaren van haar leven had ze tenminste het voorrecht gehad

haar zoon Willem gelukkig gehuwd te zien, hetgeen voor de oude moeder

een groote troost moet geweest zijn. We zagen reeds hoe bijzonder

Juliana zich over de verbintenis van haar zoon met Charlotte van

Bourbon had verheugd en ook hoe deze het hart van haar schoonmoeder

wist te winnen. Ofschoon de verschillende taal wel een beletsel

was voor een gemakkelijken omgang, bewezen tal van vriendelijke

attenties hoe hartelijk de verhouding dier beide vrouwen was. Het

in 1576 geboren kind kreeg ook den naam van Louise Juliana en de

gouden armband, die Juliana van Stolberg in de laatste dagen droeg,

was een geschenk van Charlotte.

Hoe eenzaam haar laatste levensjaren ook waren, aan hartelijke

belangstelling in den grooten krijg in de Nederlanden ontbrak het haar

nooit. Nog in 1577 schrijft ze van uit Siegen aan den Prins, dat hij

toch nooit een vrede ten koste van het geweten moet sluiten. Wat

verlangt ze in die dagen naar bericht en hoor haar waarschuwend

woord, wanneer ze den Prins voor oogen houdt, dat de Satan zich

in een schapenvacht hult om binnenkort als een verscheurende wolf

te voorschijn te komen, waardoor vele vrome Christenen in groote

treurigheid zullen worden gebracht. En dan haar vermaning aan het slot:

"Het is beter het tijdelijke dan het eeuwige te verliezen."

Voortdurend houden de verwanten van Juliana haar op de hoogte van wat

er in de Nederlanden voorvalt. Als ze in 1579 verneemt, hoe de pogingen

tot het sluiten van een algemeenen vrede weder zijn mislukt, daar van

Spanje geen gewetensvrijheid is te verkrijgen en ze bovendien hoort

spreken over de krasse maatregelen, die men zal nemen, dan schrikt de

oude, beproefde vrouw wederom op en schrijft vol droefheid in haar

hart aan Jan van Nassau. In dezen brief, eenige maanden voor haar

dood geschreven, vraagt ze dringend om nadere berichten, en spreekt

ze de hoop uit, dat God ten slotte een goeden vrede zal geven.

Hoe heerlijk voor haar, kort voor haar heengaan nog uit een brief

van den Prins te hooren, dat trots alle verleidelijke aanbiedingen,

niemand in de Nederlanden er over denkt een vrede te begeeren,

welke tegen God zou strijden, ze zullen er eerder alles aan wagen,

dan dien schat te verliezen.

Welk eene troostwoorden in haar laatste levensdagen!

Geen vrede zonder gewetensvrijheid, dat had ze haar zonen steeds

voorgehouden en ze kon nu gerust haar hoofd ter neer leggen, verzekerd

als ze was, dat haar kinderen, die daar ginds den grooten strijd

volhielden, aan haar hoofdbeginsel trouw bleven: "het Eeuwige meer

te achten dan het tijdelijke."

"De dood sluipt mij zachtkens achterna," heet het in een harer laatste

brieven; haar voorgevoel bedroog haar niet. Den 18en Juni 1580 overleed

zij; van al haar verwanten was alleen Graaf Ernst van Schauenburg bij

haar heengaan tegenwoordig. Den 22en Juni had de begrafenis plaats en

thans kan men nog altijd in de Dillenburger kerk het goed onderhouden

grafmonument van de stammoeder onzer Oranje's vinden.

Een merkwaardige figuur verdween met Juliana van Stolberg. Wat zij

voor ons volk is geweest van uit haar Dillenburger kasteel, kan niet

genoeg door ons worden gewaardeerd. Onze strijd in de bange jaren

van den krijg tegen Spanje was de hare en niet ten onrechte wordt

zij wel de priesteres genoemd van den bevrijder der Nederlanden en

zijne medestrijders.

Zij zag in den strijd van haar zoon de bevrijding van de Evangelische

geloofsgenooten van den gewetensdwang en de mogelijkheid van vrije

Evangelische prediking. Daarvoor offert ze haar zonen, drie ontvallen

haar bij Heiligerlee en Mook, twee anderen blijven in groot gevaar,

ver van haar verwijderd, maar daarover klaagt de arme moeder niet. Zoo

terecht heeft men gezegd, dat zij zeker wel het meest van al de

Nassau's heeft geleden, zij, die niet in de Nederlanden is gekomen,

maar daar van uit haar Dillenburger kasteel al haar zonen zag heengaan

om ze niet meer te zien wederkeeren.

Parma had in die dagen meer succes. Niet alleen was Rennenbergs verraad

een buitenkansje voor hem, maar ook in het Zuiden won hij terrein,

vooral na het gevangen nemen van den ijverigen Hugenoot La Noue.

Dit alles prikkelde Oranje tot beëindiging van de onderhandelingen

met Anjou, want daarna rekende hij stellig op Fransche hulp. Hij

wist het ten slotte zoover te brengen, dat de Staten-Generaal in

Augustus besloten, een deputatie naar Anjou te zenden, die daar

reeds geruimen tijd te Plessis bij Tours op had gewacht. Aan het

hoofd daarvan stond Marnix; verder twee Vlamingen, twee Brabanders

en twee uit het Noorden. Brabant en Vlaanderen zouden onmiddellijk

onder Anjou staan, Holland en Zeeland onder den Prins, terwijl daar,

evenals in de rest der Noordelijke Unie, de souvereiniteit van Anjou

slechts een naam zou zijn.

Den 19en September kwam, na tal van bezwaren, door Anjou geopperd,

het verdrag van Plessis-les-Tours tot stand, waarbij de vierde zoon

van Catharina de Medicis de souvereiniteit over de Nederlanden ontving.

Oranje had dus zijn doel bereikt! Thans zouden de resultaten moeten

worden afgewacht, want de toegezegde hulp van Frankrijk kon de eenige

redelijke grond voor het verdrag zijn.

JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.

Dochter van Graaf Botha van Stolberg (1467-1538) en Anna,

dochter van Graaf Filips van Eppstein-Königstein.

Geboren 15 Februari 1506 [+] 18 Juni 1580

Gehuwd: I. 9 Juni 1523 Filips II, Graaf van Hanau-Minzenberg,

geb. 17 Augustus 1501, [+] 28 Maart 1529.

II. 20 Sept. 1531 Willem de Rijke,

Graaf v. Nassau-Catzenellenbogen-Dillenburg,

geb. 10 April 1487 [+] 6 Oct. 1559.

-----------------------------------------------------------------------------

I I I I

Reinhard Katharina Fillips III Reinhard

geb. geb. geb. geb.

10 April 1524 26 Maart 1525 30 Nov. 1526 8 April 1528

[+] 12 April 1525. [+] na [+] 14 Nov. 1561 [+] 10 Oct 1554.

15 Juni 1581 geh. 22 Nov. 1551

geh. 1545 Helena, dochter

Graaf Johan IV van Johan II

v. Wied van Palz-

[+] 15 Juni 1581 Simmern.

Zeven kinderen. (uitgestorven.)

(Stammoeder

van het

Huis v. Wied.)

-----------------------------------------------------------------------------

I Stiefkinderen.

Juliana a. b.

geb. Elisabeth Magdalena

30 Maart 1529 geb. Oct 1515 geb. 6 Oct 1522

[+] 8 Juli 1595 [+] Jan. 1525. [+] 18 Aug. 1567

geh. I. 1549 geh. 1538 met

Thomas Graaf Herman, Graaf

van Daun en van Nuenar en

Kyrborg [+] 1533 Moers.

[+] 4 Dec. 1578.

a. Anna geh. met

Wilhelm, Heer

van Crichingen.

b. Juliana geh.

met Ernst,

Graaf van

Mansfelt.

II. 1567 Herman,

Graaf van

Manderscheid-

Blankenheim.

[+] 1604.

-----------------------------------------------------------------------------

II II II

Willem I Hermanna Jan

(de Zwijger geb. 9 Aug. 1534 geb. 22 Nov. 1536

(Zie familiestam.) jong gestorven. [+] 8 Oct. 1606

geh. I. 1559

Elisabeth doch-

ter George van

Leuchtenburg

[+] 1579.

II. 1580

Kunigunde

dochter Fred. III

Keurvorst v. d.

Paltz [+] 1586.

III. 1586

Jeannette doch-

ter Gr. Lodewijk

van Sayn.

Twintig kin-

deren. Voortzet-

ting Dillenburg-

sche, stichting

tal van andere

liniën o.a. door

kleind. v. Jan.

Huis Waldeck.

-----------------------------------------------------------------------------

II II II

Lodewijk Maria* Adolf

geb. geb. geb. 11 Juli 1540

10 Januari 1538 18 Maart 1539 [+] 24 Mei 1568

[+] 14 April 1574 [+] Januari 1599 (Sneuvelt bij

(Sneuvelt op de geh. 1556 Willem Heiligerlee.)

Mookerheide.) Graaf v. d. Berg

[+] 1586.

Negen kinderen.

Sterft in 1712 in

mannel. linie uit

met Oswald III,

die Frans

Willem van

Hohenzollern-

Sigmaringen

tot erfgenaam

van zijn bezit-

tingen in Zutfen

maakte.

-----------------------------------------------------------------------------

II II II

Anna Elisabeth Catharina

geb. 21 Sept. 1541 geb. 25 Sept. 1542 geb. 29 Dec. 1543

[+] 12 Febr. 1616 [+] 18 Nov. 1603 [+] 25 Dec. 1624

geh. 1559 geh. 1559 geh. 1560

Graaf Albrecht Conrad, Graaf Günther, Graaf

van Nassau- van Solms- v. Schwarzburg

Weilburg Braunfels [+] 15 Mei 1583.

[+] 11 Nov. 1593 [+] 27 Dec. 1592.

Veertien Veertien

kinderen. kinderen.

Stammoeder Hieruit komt

der linie het huis Solms.

Nassau-

Weilburg, enz.

-----------------------------------------------------------------------------

II II II

Juliana Magdalena Hendrik

geb. 10 Aug. 1546 geb. 15 Dec 1547 geb. 15 Oct. 1550

[+] 31 Aug. 1588 [+] 16 Mei 1630 [+] 14 April 1574

geh. 14 Juni 1575 geh. 27 Jan. 1567 (Sneuvelt op de

Albrecht, Graaf Wolfgang, Gr. Mookerheide.)

v. Schwarzburg- v. Hohenlohe-

Rudolstadt Weikersheim

[+] 10 April 1605. [+] 1610

Tien kinderen. Veertien

Huis kinderen.

Schwarzburg- Hieruit stam-

Rudolstadt. men Huizen

Hohenlohen-

Kirchberg

enz.

* Abusievelijk niet vermeld op bladz. 3, terwijl het sterfjaar van

Juliana's stiefkind Elisabeth moet zijn 1525 en geboorte en

sterfjaar van Elisabeth uit het tweede huwelijk moeten zijn

1542-1603.

Ook moet op bladz. 3 als kind van Jan den Oude in plaats van

Willem Lodewijk geplaatst worden Ernst Casimir, wiens zoon

Willem Frederik huwde met Albertina Agnes.

Was de positie van Matthias tot heden weinig eervol geweest, thans

kon men hem in het geheel niet meer gebruiken. Hij had als hoofd

gefigureerd, maar nu men in 1581 de souvereiniteit aan Anjou had

opgedragen, verviel het ambt van Matthias, die juist als landvoogd

van Filips II was opgetreden.

Toen Marnix uit Frankrijk teruggekomen was met de aldaar geteekende

overeenkomsten, werd de afzwering van den koning van Spanje een

allereerste eisch voor den nieuwen Staat. De Staten-Generaal hadden

reeds te voren hun zittingen van Antwerpen naar Amsterdam verplaatst,

daar men zich in het Zuiden niet meer veilig achtte. Den 22en Juli 1581

was door de Staten van Holland aan den Prins de souvereiniteit over

Holland en Zeeland nader aangeboden en den 26en Juli werd in den Haag

de vervallenverklaring van den koning van Spanje plechtig uitgesproken.

De Generale Staten, uit die van Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland,

Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijsel en Mechelen zeiden formeel

de gehoorzaamheid aan Filips II op.

In de wereldgeschiedenis is dit document, waarin de banden

verscheurd werden tusschen den autocratischen Spaanschen koning

en zijn onbevredigde onderdanen, hoogst merkwaardig. Het contract,

gesloten tusschen den regeerder en zijn volk, was door den eersten

verbroken, daar hij zijn verplichtingen niet had opgevolgd; daarom

was de andere contracteerende partij niet langer gehouden aan haar

verplichting tegenover hem en dus de afzwering van den koning voldoende

gerechtvaardigd. Een groote zestig jaar later zou het Engelsche

Parlement dit tegenover Karel I herhalen en twee eeuwen daarna liet

het Amerikaansche Congres eveneens de wettige onafhankelijkheid van

George III uitspreken.

De afzwering van Filips II is als een daad van de hoogste

eerloosheid beschouwd, en bovenal van de zijde der Ultramontaansche

geschiedschrijvers is een vloek uitgesproken over die snoodheid. Het

is hier de plaats niet de wettigheid of het recht van die afzwering te

onderzoeken; ook niet, in hoever men zich daarbij op het privilege van

de "Joyeuse entrée" van Brabant beroepen kon. Ons is het voldoende,

op te merken, dat de eed van afzwering niets nieuws aan de wereld

verkondigde, maar eenvoudig bestaande toestanden bevestigde en verder,

dat de Prins van Oranje van de dagen van 1568 af steeds openlijk het

recht van verdrukte onderdanen heeft verdedigd, om zich tegen den

vorst te verzetten, met een beroep op de souvereiniteit van het volk,

waaraan ook vorsten ondergeschikt zijn.

In woord en daad had Oranje die denkbeelden reeds jaren lang verspreid

en noch legitimisme, noch ultramontaansch staatsrecht zullen ooit

in staat zijn, deze daad van het Nederlandsche volk als ongoddelijk

voorgoed te brandmerken. Zoo ooit eenig volk recht heeft gehad, zich

het juk van de schouders te werpen, dan wel de Nederlanden in de 16e

eeuw, wier Calvinisme het hun daarbij voorschreef als een goddelijke

plicht. Zonde, zware zonde zou het voor hen geweest zijn, langer een

koning te dienen, die hun geen vrijheid van godsdienst zou geven, ja,

hun geloof wilde verwoesten, niet minder dan Filips het zich als de

zwaarste zonde zou hebben toegerekend, zoo hij hun godsdienstvrijheid

had geschonken.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 61 / 80 题