Van de vele redevoeringen, welke de Prins tot de Staten-Generaal
hield, was die op den 9en Januari 1580 wel de meest merkwaardige,
die wederom een nieuw bewijs is zoowel van zijn edel en grootmoedig
hart, als van zijn diep doorzicht in de zaken van het land. Hij wilde
voor het uiteengaan van de leden, die weken lang vruchteloos waren
samen geweest, hen nog eens met ernst op hun verplichtingen wijzen
in deze moeilijke dagen van de wording van den nieuwen Staat. Hun
besluiteloosheid kende hij maar al te goed en zoolang dit zoo bleef,
zou de ondergang van het land niet kunnen voorkomen worden. "Voor
alle dingen," zegt hij, "moeten wij vaststellen of wij den vrede of
den oorlog willen," en zinspelend op de aanbiedingen van het Congres
te Keulen, vervolgt hij: "Als ik spreek van vrede, dan wil ik niet
in algemeene termen praten. Want wie bestaat er, die zóó'n vijand is
van zichzelf, zijne vrouw, zijne kinderen en wat nog meer zegt, van
zijn land, die niet uit zijn volle hart den vrede verlangt, waardoor
hij rustig en kalm zijn leven kan doorbrengen, het goede genieten,
dat God hem heeft gegeven en God dienen naar zijn geweten? Maar ik
spreek van den vrede, gelijk hij ons is aangeboden; want het is ijdel,
om in het algemeen over den vrede te praten, als men de bijzondere
omstandigheden niet in aanmerking neemt, die in de tractaten op den
voorgrond worden geplaatst, om tot den vrede te komen."
"Ik wil niet van mij zelf spreken, Mijne Heeren; nooit heb ik
mijn eigen belang gezocht, maar alleen de welvaart van het land;
ik ken wel de valsche lasteringen, die op mij worden geworpen,
niet door mijn vijanden alleen, maar ook door hen, die zeggen,
mijne vrienden te zijn. Toch trek ik mij die op geenerlei wijze aan
en ik wil dergelijke leugens niet bestrijden dan door de waarheid
van mijn leven, dat ik aan den dienst van het algemeen gewijd heb,
hetgeen ik hoop, dat God mij zal doen blijven najagen, zoolang ik
leef. Want daardoor zal ik aan de nakomelingschap de oprechtheid en
zuiverheid van al mijn bedoelingen doen kennen. Ik verzoek u daarom,
Mijne Heeren, acht te geven op hetgeen ik u voorstel en op hetgeen
ik u zeg en bevestig, hetgeen zoo dringend noodzakelijk is, dat ik
zonder dat geen ander middel zie om het land, dat tot heden onder
zooveel bezwaren door Gods hulp is bewaard, te kunnen redden."
Wie zich den inhoud van het vorig hoofdstuk te binnen brengt, zal dien
toon niet ten volle verstaan? Alles scheen in 1579 samen te spannen,
om den arbeid, dien Oranje verricht had, te vernietigen. Had hij te
midden van zooveel angsten en tegenspoed nu maar van het eerste lichaam
van den Staat, waarmede hij moest regeeren, krachtige ondersteuning
gevonden!
Het ontbrak hem daarin niet aan talrijke vrienden en geestverwanten;
maar wel verre, dat deze zich als één man rondom den Prins zouden
geschaard hebben, waren er allerlei hindernissen, die hen tot
geene daden brachten en die hen zelfs in dien benarden toestand
tot besluiteloosheid doemden. Het was hetzelfde gebrek, dat ook
later tijdens het bestuur der Republiek zooveel onheil teweegbracht;
dezelfde leemten in de staatsinrichting, die vaak in de beste dagen
van die Republiek tot zooveel uitstel, oneenigheid en daarom tot
werkeloosheid leidden, ze openbaarden zich met al haar jammerlijke
gevolgen reeds te midden van de wording van den Nederlandschen Staat.
Zoo ooit dan was in 1579 snel, krachtig, doortastend handelen
noodzakelijk, en dit konden de leden der Staten-Generaal niet,
want ze waren veel te afhankelijk. Het ontbrak eenvoudig aan een
centrale macht; steeds moesten de verschillende gewesten en steden bij
vernieuwing geraadpleegd worden over alles, wat men wilde besluiten.
De Prins zag zeer goed dat gebrek in; toen hij in Holland en Zeeland
optrad, had hij met hetzelfde te strijden gehad. Er was een centrale
macht noodig, een hoogste college, dat onmiddellijk besluiten kon,
als de nood het eischte.
"In onzen gedesorganiseerden toestand is het geen wonder, dat wij
slechts een stad (Maastricht), wel wonder, dat we niet reeds meerdere
steden verloren hebben. We moeten een organisatie en een centrale
macht hebben, Mijne Heeren, die beslissen en gehoorzaamheid eischen
kan. Nu komt iedereen, die in nood is, tot mij, alsof ik alles in
mijn hand heb, terwijl ik weet, hoe volkomen machteloos ik ben om
te handelen. Zoowel de militaire als de financieele toestand eischt
zulk een oppersten raad, die kan bevelen." In bijzonderheden wijst
de Prins dit verder aan en dan eindigt hij met te zeggen:
"Gaat dan heen naar uwe gewesten en steden en doet ze verstaan als
dringend noodzakelijk, wat ik u op het hart heb gedrukt. Ik bid
u daarbij, te gelooven, dat dit geen redevoering is, die ik tot u
gehouden heb, maar alleen een waarschuwing die, als ze niet wordt
opgevolgd, den ondergang van het land ten gevolge hebben zal.... Indien
uwe heeren en meesters een goed besluit nemen, dan hoop ik met Gods
hulp, dat het land zal gespaard worden; en vast ben ik besloten met
u te leven en te sterven."
Hoe goed zag Oranje de gebreken van de Staten-Generaal in, wanneer
wij hem hooren in den brief aan de vier leden van Vlaanderen:
"Kiest bovenal vertegenwoordigers, die hart voor de zaak van het
vaderland hebben en die bijzondere en partijdige belangen kunnen ter
zijde stellen. De gedeputeerden handelen als advocaten, die door de
gewesten of steden zijn aangesteld om op hun individueele eischen
aan te dringen en hun lokale belangen te beschermen, in plaats van
samen over het algemeen welzijn te beraadslagen als raadgevers,
wien de publieke zaken zijn toevertrouwd."
Noch in de redevoering van den Prins, noch in den brief aan de vier
leden van Vlaanderen wordt gesproken van het plan, Anjou's hulp in
te roepen. Dit onderwerp was echter dikwijls in de vergaderingen der
Staten-Generaal besproken en Oranje had zelfs een memorie opgesteld,
waarin de voordeelen van de erkenning van Anjou boven den koning
werden opgesomd. Ten slotte werd een ontwerp gemaakt, waaraan ook
Oranje zijn goedkeuring had gehecht. De macht van Anjou werd daarin
zeer beperkt. Hij zou zijn onafhankelijkheid van Frankrijk zoowel
als de privilegiën moeten handhaven; den godsdienstvrede en de Uniën
erkennen, terwijl zijn macht op financieel en militair gebied zeer
zou begrensd zijn. Buitendien zouden de Staten-Generaal volkomen
vrijheid van vergaderen hebben, terwijl Anjou ze minstens eens per jaar
moest bijeenroepen. Het duurde nog geruimen tijd, eer de gewesten dat
ontwerp hadden goedgekeurd; alleen Vlaanderen nam het onmiddellijk aan,
de anderen stelden uit of weigerden.
De Prins ging zelf in het eind van Januari naar Holland, waarheen
Matthias hem vergezelde. In het oude paleis der Nassau's te Breda
werden eerst eenige dagen doorgebracht en op den 1en Februari ging
Oranje naar den Haag, waar hij nog denzelfden dag aankwam. In drie
jaar tijds had hij Holland niet gezien. De hoofdbedoeling van zijn
tocht was, dit gewest persoonlijk te overreden, de souvereiniteit
van Anjou te aanvaarden. Met groote hartelijkheid werd de Prins in
Holland ontvangen en dat hem dit goed deed na al het wantrouwen in
den laatsten tijd in Brabant ondervonden, kunnen wij ons voorstellen.
Terwijl Oranje daar was trof hem echter een zeer ernstig verlies
door het verraad van Rennenberg, die zich aan het hoofd stelde der
koningsgezinden in Groningen en op den 3en Maart, na vermeestering
der stad, tot Parma overging.
Door onderschepte brieven was het den Prins duidelijk geworden, dat
er aan de plannen van Rennenberg niet te twijfelen viel; hij wilde
zich in dienst van den koning stellen, zoodat men het noodig achtte
dat Oranje met hem een onderhoud zou hebben. Rennenberg, die daar
heel begrijpelijk niet op gesteld was, begreep, dat hij terstond
moest handelen, wilde hij zijn plan niet zien mislukken.
"Op den avond van den 3en Maart 1580," zoo verhaalt Motley, "had
de graaf de aanzienlijkste families der stad op een bal en banket
genoodigd. Aan den disch vroeg de eerste burgemeester, Hildebrand,
den gastheer op den man af, wat er van de lasterlijke geruchten waar
was, die in omloop waren; hij hoopte, zei hij, dat het niet zoo zou
zijn en het alleen uitstrooisels van zijn vijanden waren. Alzoo ter
verantwoording geroepen, vatte Rennenberg den burgemeester bij de hand
en riep uit: "Wel, vader! hoe kunt gij, dien ik als een vader eer,
mij van zulk een boos stuk verdenken? Ik bid u, stel vertrouwen in
mij en heb geen vrees."
Zoo stelde hij den burgemeester en de overige gasten gerust. Het banket
en het dansen ging zijn gang, terwijl Rennenberg den aanslag regelde.
Nog dienzelfden nacht werden de voornaamste aanhangers der
staatspartij uit hun bed opgelicht en naar de gevangenis gebracht,
terwijl de geheime aanhangers van Rennenberg gewaarschuwd waren. Voor
dag en dauw stoven schuitenvoerders en ander gespuis, welgewapend het
marktplein op; zij droegen fakkels en vaandels en brachten de stille
stad met hun getier in rep en roer. De plaats werd bezet, voor het
stadhuis geschut geplant om de voornaamste straten te bestrijken en
op verschillende punten werden verschansingen opgeworpen.
Nauwelijks was de dag aangebroken, of Rennenberg reed in volle
wapenrusting het marktplein op, terwijl men merkte, dat hij zoo akelig
bleek zag. Door dertig ruiters gevolgd, die evenals hij van top tot
teen gewapend waren, riep hij de verzamelde menigte toe:
"Staat bij, staat bij, goede burgers! nu ben ik eerst uw Heer en
Stadhouder."
Terwijl hij sprak, baanden zich eenigen der aanzienlijkste burgers,
leden van den Raad, een weg door het gedrang en spraken de menigte op
een toon van gezag toe om zoo het oproer te dempen. Een van Rennenbergs
ruiters loste zijn karabijn op den voorsten der heeren, die niemand
anders was dan burgemeester Hildebrand. Hij viel dood neder aan de
voeten van den Stadhouder--van den man die hem weinige uren te voren
de hand had gedrukt, hem vader genoemd en gesmeekt had, geen argwaan
tegen hem te koesteren. De dood van dien aanzienlijken man bracht
heel wat ontsteltenis teweeg. Rennenberg sprak zijn aanhangers toe
en spoorde hen aan om wat zij vroeger misdaan hadden in het vervolg
door ijver in 's konings dienst weder goed te maken. Eenige dagen
later werd de stad weder plechtig aan den koning onderworpen, maar zoo
overhaast was de graaf te werk gegaan, dat hij niet in staat was om,
wat hij gehoopt had, ook de provincie mee te sleepen.
Ook Rennenberg dus ontrouw aan de goede zaak! Het was een groot
verlies, vooral ook, omdat het gevaarlijk was voor het gezag in het
Noorden, want in die gewesten bestond een sterke beweging ten gunste
van den koning van Spanje en het katholiek geloof. Het gevolg hiervan
was, dat in het Noorden een langdurige oorlogstoestand ontstond,
die pas met de Reductie van Groningen in 1594 ten gunste der Staten
is geëindigd.
Inmiddels was Oranje in Holland gebleven en tal van steden, in het
bijzonder Amsterdam, hadden hem geestdriftig ontvangen. Gedurende die
reis bleef Charlotte in Antwerpen en handelde als plaatsvervangster
van haar afwezigen gemaal. De Prins had bevolen, dat alle papieren aan
haar getoond zouden worden, voor ze verder verzonden werden. Hij had
een te zware taak in het Noorden te vervullen, om reeds zoo spoedig
naar Antwerpen terug te keeren, te meer, omdat hij zich vast had
voorgenomen, zijn doel met Anjou te bereiken, welken tegenstand hij
daarbij ook mocht ondervinden.
Bij de vele tegenwerking, die hij daarbij van alle zijden had, was
het gelukkig, dat hij in dat plan krachtig gesteund werd door Marnix,
die tengevolge van Anjou's vroegere vriendschappelijke verhouding
tusschen de Hugenoten, zeer met hem was ingenomen. Hij schreef zelfs
op verzoek van Oranje een geschrift, waarin de zaak van den Franschen
prins werd verdedigd.
In Holland belegde Oranje een zoogenaamde "Groote Vergadering,"
waarin ook de kleine steden vertegenwoordigd waren. In die vergadering
wilde men de stelling handhaven, die men in 1576 had ingenomen. In
de practijk hadden ze reeds toen de gehoorzaamheid aan Filips
opgezegd; nu waren ze bereid zelfs zijn naam uit hun staatsstukken
te verwijderen, maar in plaats daarvan die van Anjou te stellen,
daartoe konden ze niet overgaan. Ze verklaarden het gezag alleen aan
Oranje te willen toekennen. Merkwaardig, dat de Prins in de streek,
waar zijn persoonlijke invloed het sterkst was, in deze gewichtige
aangelegenheid zoo weinig kon uitwerken. Het was als met de erkenning
van Matthias, waarin Holland Oranje ook niet gevolgd had.
De Staten besloten ten slotte, dat de namen van hen en van Oranje aan
het hoofd van alle stukken zouden geplaatst worden; ze wilden hem
zelfs den titel van graaf van Holland geven. Deze besluiten bleven
echter geheim en alleen op voorwaarde dat Anjou deze beperking
van souvereiniteit zou toestaan, mocht de Prins verder met Anjou
onderhandelen.
Ook de andere gewesten toonden zich niet begeerig den Franschen prins
te erkennen en de invloed van Jan van Nassau was daar duidelijk
te bespeuren. Toen Oranje den 7en April den Haag verliet en naar
Antwerpen terugkeerde, bleef hij er bij, dat het noodzakelijk was,
zijn wil ten opzichte van Anjou, te doen zegevieren.
Jan van Nassau vertrok in den loop van den zomer ook uit het land. We
zagen reeds, dat niet alleen familieomstandigheden hem noopten dit
besluit te nemen; zijn kinderen hadden zeker een groote behoefte aan
zijn terugkeer, terwijl hij tevens een tweede huwelijk wilde sluiten
met Kunigonde, dochter van den keurvorst van de Paltz. Toch was dit
niet de hoofdreden van zijn vertrek. Hij kon het nu eenmaal niet eens
worden met de plannen van zijn broer; het verbond met Frankrijk vond
hij verschrikkelijk en in de Unie had hij zoo weinig vertrouwen, dat
een directeurschap van die Unie hem ook niet toelachte. Bovendien was
zijn positie in Gelderland allesbehalve te benijden, want wantrouwen,
tegenwerking, ja zelfs armoede in den letterlijken zin van het woord
waren zijn deel.
"De bakker heeft laten weten, dat hij na morgen geen brood meer wil
borgen, vóór hij betaald is," schreef de graaf in November en met
den slager scheen het niet beter gesteld, want in datzelfde schrijven
stond: "De kok heeft dikwijls geen vleesch om te braden, zoodat we vaak
's avonds zonder eten naar bed moeten gaan."
Het is licht te begrijpen, dat zijn vertrek voor den Prins een groot
verlies was. Toen Oranje en Charlotte hem bij zijn huwelijk hartelijke
brieven zonden, konden ze niet nalaten, de hoop uit te spreken, dat
zijn vertrek uit de Nederlanden slechts tijdelijk zou zijn, maar
de graaf wilde zich niet langer met de troebelen der Nederlanden
inlaten. Ook het pak pamfletten door den Prins aan Jan gezonden,
waarmede hij zijn terugkeer wilde bewerken, baatte niet. Graaf Jan
scheen het eens te wezen met Johan Casimir, die hem in een brief
gelukwenschte, uit dien chaos weg te zijn.
De Prins bleef alleen en voelde zich wel verlaten, want in een brief
aan zijn vriend Lazarus de Schwendi paste hij het oude latijnsche
spreekwoord op zich toe: "zoolang gij gelukkig zult zijn, zult gij
vele vrienden hebben; worden de tijden donker, dan is er niet een."
Toen Jan van Nassau in Dillenburg terugkeerde, was Juliana van
Stolberg overleden.
De laatste jaren van haar leven had ze tenminste het voorrecht gehad
haar zoon Willem gelukkig gehuwd te zien, hetgeen voor de oude moeder
een groote troost moet geweest zijn. We zagen reeds hoe bijzonder
Juliana zich over de verbintenis van haar zoon met Charlotte van
Bourbon had verheugd en ook hoe deze het hart van haar schoonmoeder
wist te winnen. Ofschoon de verschillende taal wel een beletsel
was voor een gemakkelijken omgang, bewezen tal van vriendelijke
attenties hoe hartelijk de verhouding dier beide vrouwen was. Het
in 1576 geboren kind kreeg ook den naam van Louise Juliana en de
gouden armband, die Juliana van Stolberg in de laatste dagen droeg,
was een geschenk van Charlotte.
Hoe eenzaam haar laatste levensjaren ook waren, aan hartelijke
belangstelling in den grooten krijg in de Nederlanden ontbrak het haar
nooit. Nog in 1577 schrijft ze van uit Siegen aan den Prins, dat hij
toch nooit een vrede ten koste van het geweten moet sluiten. Wat
verlangt ze in die dagen naar bericht en hoor haar waarschuwend
woord, wanneer ze den Prins voor oogen houdt, dat de Satan zich
in een schapenvacht hult om binnenkort als een verscheurende wolf
te voorschijn te komen, waardoor vele vrome Christenen in groote
treurigheid zullen worden gebracht. En dan haar vermaning aan het slot:
"Het is beter het tijdelijke dan het eeuwige te verliezen."
Voortdurend houden de verwanten van Juliana haar op de hoogte van wat
er in de Nederlanden voorvalt. Als ze in 1579 verneemt, hoe de pogingen
tot het sluiten van een algemeenen vrede weder zijn mislukt, daar van
Spanje geen gewetensvrijheid is te verkrijgen en ze bovendien hoort
spreken over de krasse maatregelen, die men zal nemen, dan schrikt de
oude, beproefde vrouw wederom op en schrijft vol droefheid in haar
hart aan Jan van Nassau. In dezen brief, eenige maanden voor haar
dood geschreven, vraagt ze dringend om nadere berichten, en spreekt
ze de hoop uit, dat God ten slotte een goeden vrede zal geven.
Hoe heerlijk voor haar, kort voor haar heengaan nog uit een brief
van den Prins te hooren, dat trots alle verleidelijke aanbiedingen,
niemand in de Nederlanden er over denkt een vrede te begeeren,
welke tegen God zou strijden, ze zullen er eerder alles aan wagen,
dan dien schat te verliezen.
Welk eene troostwoorden in haar laatste levensdagen!
Geen vrede zonder gewetensvrijheid, dat had ze haar zonen steeds
voorgehouden en ze kon nu gerust haar hoofd ter neer leggen, verzekerd
als ze was, dat haar kinderen, die daar ginds den grooten strijd
volhielden, aan haar hoofdbeginsel trouw bleven: "het Eeuwige meer
te achten dan het tijdelijke."
"De dood sluipt mij zachtkens achterna," heet het in een harer laatste
brieven; haar voorgevoel bedroog haar niet. Den 18en Juni 1580 overleed
zij; van al haar verwanten was alleen Graaf Ernst van Schauenburg bij
haar heengaan tegenwoordig. Den 22en Juni had de begrafenis plaats en
thans kan men nog altijd in de Dillenburger kerk het goed onderhouden
grafmonument van de stammoeder onzer Oranje's vinden.
Een merkwaardige figuur verdween met Juliana van Stolberg. Wat zij
voor ons volk is geweest van uit haar Dillenburger kasteel, kan niet
genoeg door ons worden gewaardeerd. Onze strijd in de bange jaren
van den krijg tegen Spanje was de hare en niet ten onrechte wordt
zij wel de priesteres genoemd van den bevrijder der Nederlanden en
zijne medestrijders.
Zij zag in den strijd van haar zoon de bevrijding van de Evangelische
geloofsgenooten van den gewetensdwang en de mogelijkheid van vrije
Evangelische prediking. Daarvoor offert ze haar zonen, drie ontvallen
haar bij Heiligerlee en Mook, twee anderen blijven in groot gevaar,
ver van haar verwijderd, maar daarover klaagt de arme moeder niet. Zoo
terecht heeft men gezegd, dat zij zeker wel het meest van al de
Nassau's heeft geleden, zij, die niet in de Nederlanden is gekomen,
maar daar van uit haar Dillenburger kasteel al haar zonen zag heengaan
om ze niet meer te zien wederkeeren.
Parma had in die dagen meer succes. Niet alleen was Rennenbergs verraad
een buitenkansje voor hem, maar ook in het Zuiden won hij terrein,
vooral na het gevangen nemen van den ijverigen Hugenoot La Noue.
Dit alles prikkelde Oranje tot beëindiging van de onderhandelingen
met Anjou, want daarna rekende hij stellig op Fransche hulp. Hij
wist het ten slotte zoover te brengen, dat de Staten-Generaal in
Augustus besloten, een deputatie naar Anjou te zenden, die daar
reeds geruimen tijd te Plessis bij Tours op had gewacht. Aan het
hoofd daarvan stond Marnix; verder twee Vlamingen, twee Brabanders
en twee uit het Noorden. Brabant en Vlaanderen zouden onmiddellijk
onder Anjou staan, Holland en Zeeland onder den Prins, terwijl daar,
evenals in de rest der Noordelijke Unie, de souvereiniteit van Anjou
slechts een naam zou zijn.
Den 19en September kwam, na tal van bezwaren, door Anjou geopperd,
het verdrag van Plessis-les-Tours tot stand, waarbij de vierde zoon
van Catharina de Medicis de souvereiniteit over de Nederlanden ontving.
Oranje had dus zijn doel bereikt! Thans zouden de resultaten moeten
worden afgewacht, want de toegezegde hulp van Frankrijk kon de eenige
redelijke grond voor het verdrag zijn.
JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.
Dochter van Graaf Botha van Stolberg (1467-1538) en Anna,
dochter van Graaf Filips van Eppstein-Königstein.
Geboren 15 Februari 1506 [+] 18 Juni 1580
Gehuwd: I. 9 Juni 1523 Filips II, Graaf van Hanau-Minzenberg,
geb. 17 Augustus 1501, [+] 28 Maart 1529.
II. 20 Sept. 1531 Willem de Rijke,
Graaf v. Nassau-Catzenellenbogen-Dillenburg,
geb. 10 April 1487 [+] 6 Oct. 1559.
-----------------------------------------------------------------------------
I I I I
Reinhard Katharina Fillips III Reinhard
geb. geb. geb. geb.
10 April 1524 26 Maart 1525 30 Nov. 1526 8 April 1528
[+] 12 April 1525. [+] na [+] 14 Nov. 1561 [+] 10 Oct 1554.
15 Juni 1581 geh. 22 Nov. 1551
geh. 1545 Helena, dochter
Graaf Johan IV van Johan II
v. Wied van Palz-
[+] 15 Juni 1581 Simmern.
Zeven kinderen. (uitgestorven.)
(Stammoeder
van het
Huis v. Wied.)
-----------------------------------------------------------------------------
I Stiefkinderen.
Juliana a. b.
geb. Elisabeth Magdalena
30 Maart 1529 geb. Oct 1515 geb. 6 Oct 1522
[+] 8 Juli 1595 [+] Jan. 1525. [+] 18 Aug. 1567
geh. I. 1549 geh. 1538 met
Thomas Graaf Herman, Graaf
van Daun en van Nuenar en
Kyrborg [+] 1533 Moers.
[+] 4 Dec. 1578.
a. Anna geh. met
Wilhelm, Heer
van Crichingen.
b. Juliana geh.
met Ernst,
Graaf van
Mansfelt.
II. 1567 Herman,
Graaf van
Manderscheid-
Blankenheim.
[+] 1604.
-----------------------------------------------------------------------------
II II II
Willem I Hermanna Jan
(de Zwijger geb. 9 Aug. 1534 geb. 22 Nov. 1536
(Zie familiestam.) jong gestorven. [+] 8 Oct. 1606
geh. I. 1559
Elisabeth doch-
ter George van
Leuchtenburg
[+] 1579.
II. 1580
Kunigunde
dochter Fred. III
Keurvorst v. d.
Paltz [+] 1586.
III. 1586
Jeannette doch-
ter Gr. Lodewijk
van Sayn.
Twintig kin-
deren. Voortzet-
ting Dillenburg-
sche, stichting
tal van andere
liniën o.a. door
kleind. v. Jan.
Huis Waldeck.
-----------------------------------------------------------------------------
II II II
Lodewijk Maria* Adolf
geb. geb. geb. 11 Juli 1540
10 Januari 1538 18 Maart 1539 [+] 24 Mei 1568
[+] 14 April 1574 [+] Januari 1599 (Sneuvelt bij
(Sneuvelt op de geh. 1556 Willem Heiligerlee.)
Mookerheide.) Graaf v. d. Berg
[+] 1586.
Negen kinderen.
Sterft in 1712 in
mannel. linie uit
met Oswald III,
die Frans
Willem van
Hohenzollern-
Sigmaringen
tot erfgenaam
van zijn bezit-
tingen in Zutfen
maakte.
-----------------------------------------------------------------------------
II II II
Anna Elisabeth Catharina
geb. 21 Sept. 1541 geb. 25 Sept. 1542 geb. 29 Dec. 1543
[+] 12 Febr. 1616 [+] 18 Nov. 1603 [+] 25 Dec. 1624
geh. 1559 geh. 1559 geh. 1560
Graaf Albrecht Conrad, Graaf Günther, Graaf
van Nassau- van Solms- v. Schwarzburg
Weilburg Braunfels [+] 15 Mei 1583.
[+] 11 Nov. 1593 [+] 27 Dec. 1592.
Veertien Veertien
kinderen. kinderen.
Stammoeder Hieruit komt
der linie het huis Solms.
Nassau-
Weilburg, enz.
-----------------------------------------------------------------------------
II II II
Juliana Magdalena Hendrik
geb. 10 Aug. 1546 geb. 15 Dec 1547 geb. 15 Oct. 1550
[+] 31 Aug. 1588 [+] 16 Mei 1630 [+] 14 April 1574
geh. 14 Juni 1575 geh. 27 Jan. 1567 (Sneuvelt op de
Albrecht, Graaf Wolfgang, Gr. Mookerheide.)
v. Schwarzburg- v. Hohenlohe-
Rudolstadt Weikersheim
[+] 10 April 1605. [+] 1610
Tien kinderen. Veertien
Huis kinderen.
Schwarzburg- Hieruit stam-
Rudolstadt. men Huizen
Hohenlohen-
Kirchberg
enz.
* Abusievelijk niet vermeld op bladz. 3, terwijl het sterfjaar van
Juliana's stiefkind Elisabeth moet zijn 1525 en geboorte en
sterfjaar van Elisabeth uit het tweede huwelijk moeten zijn
1542-1603.
Ook moet op bladz. 3 als kind van Jan den Oude in plaats van
Willem Lodewijk geplaatst worden Ernst Casimir, wiens zoon
Willem Frederik huwde met Albertina Agnes.
Was de positie van Matthias tot heden weinig eervol geweest, thans
kon men hem in het geheel niet meer gebruiken. Hij had als hoofd
gefigureerd, maar nu men in 1581 de souvereiniteit aan Anjou had
opgedragen, verviel het ambt van Matthias, die juist als landvoogd
van Filips II was opgetreden.
Toen Marnix uit Frankrijk teruggekomen was met de aldaar geteekende
overeenkomsten, werd de afzwering van den koning van Spanje een
allereerste eisch voor den nieuwen Staat. De Staten-Generaal hadden
reeds te voren hun zittingen van Antwerpen naar Amsterdam verplaatst,
daar men zich in het Zuiden niet meer veilig achtte. Den 22en Juli 1581
was door de Staten van Holland aan den Prins de souvereiniteit over
Holland en Zeeland nader aangeboden en den 26en Juli werd in den Haag
de vervallenverklaring van den koning van Spanje plechtig uitgesproken.
De Generale Staten, uit die van Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland,
Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijsel en Mechelen zeiden formeel
de gehoorzaamheid aan Filips II op.
In de wereldgeschiedenis is dit document, waarin de banden
verscheurd werden tusschen den autocratischen Spaanschen koning
en zijn onbevredigde onderdanen, hoogst merkwaardig. Het contract,
gesloten tusschen den regeerder en zijn volk, was door den eersten
verbroken, daar hij zijn verplichtingen niet had opgevolgd; daarom
was de andere contracteerende partij niet langer gehouden aan haar
verplichting tegenover hem en dus de afzwering van den koning voldoende
gerechtvaardigd. Een groote zestig jaar later zou het Engelsche
Parlement dit tegenover Karel I herhalen en twee eeuwen daarna liet
het Amerikaansche Congres eveneens de wettige onafhankelijkheid van
George III uitspreken.
De afzwering van Filips II is als een daad van de hoogste
eerloosheid beschouwd, en bovenal van de zijde der Ultramontaansche
geschiedschrijvers is een vloek uitgesproken over die snoodheid. Het
is hier de plaats niet de wettigheid of het recht van die afzwering te
onderzoeken; ook niet, in hoever men zich daarbij op het privilege van
de "Joyeuse entrée" van Brabant beroepen kon. Ons is het voldoende,
op te merken, dat de eed van afzwering niets nieuws aan de wereld
verkondigde, maar eenvoudig bestaande toestanden bevestigde en verder,
dat de Prins van Oranje van de dagen van 1568 af steeds openlijk het
recht van verdrukte onderdanen heeft verdedigd, om zich tegen den
vorst te verzetten, met een beroep op de souvereiniteit van het volk,
waaraan ook vorsten ondergeschikt zijn.
In woord en daad had Oranje die denkbeelden reeds jaren lang verspreid
en noch legitimisme, noch ultramontaansch staatsrecht zullen ooit
in staat zijn, deze daad van het Nederlandsche volk als ongoddelijk
voorgoed te brandmerken. Zoo ooit eenig volk recht heeft gehad, zich
het juk van de schouders te werpen, dan wel de Nederlanden in de 16e
eeuw, wier Calvinisme het hun daarbij voorschreef als een goddelijke
plicht. Zonde, zware zonde zou het voor hen geweest zijn, langer een
koning te dienen, die hun geen vrijheid van godsdienst zou geven, ja,
hun geloof wilde verwoesten, niet minder dan Filips het zich als de
zwaarste zonde zou hebben toegerekend, zoo hij hun godsdienstvrijheid
had geschonken.