ORANJE EN DE UNIE VAN UTRECHT. NIEUWE ANGSTEN EN GEVAREN. 1578-1579.

In dezelfde maand December 1578, toen de Prins door zijn persoonlijk

optreden in Gent de orde daar herstelde, was het door middel

van intriges voorloopig gelukt, de Zuidelijke gewesten Artois en

Henegouwen langzamerhand onder de gehoorzaamheid van den koning

terug te brengen. Een tijdlang had men ook te strijden gehad tegen

de Calvinistische democratie in de hoofdstad van Artois en ook

Anjou telde er nog tal van aanhangers, maar zoowel de afkeer van de

Gentsche Calvinistische ijveraars en de gehechtheid aan den katholieken

godsdienst waren oorzaak, dat het Parma ten slotte gelukte Montigny,

de leider der Waalsche Malcontenten, voor de zaak van den koning

te winnen.

Den 26en December verliet Anjou Henegouwen en in dezelfde maand ruimde

nog een ander ridder het veld in de Nederlanden. Johan Casimir had in

Gent ontdekt, dat hij zich niet opgewassen voelde tegen den invloed van

Oranje; teleurgesteld verliet hij het land, maar werd ook in Engeland

door Elisabeth, die hem gesteund had, niet vriendelijk ontvangen.

Werd de Prins van Oranje geheel verrast door die beweging in het

Zuiden, welke ten doel had zich bij Parma aan te sluiten? Met de

onderwerping van Gent hoopte hij wel, dat het geheele Zuiden trouw

aan de Pacificatie zou blijven, maar meer dan hoop was het ook niet

en het beste bewijs, dat de Prins het dreigende gevaar van het Zuiden

wel begreep, is zijn voorarbeid in 1578, die tot de Unie van Utrecht

heeft geleid.

Men beweert wel, dat niet de Prins, maar zijn broer Jan dien voorarbeid

heeft verricht en Oranje zelfs onwaarheid spreekt, als hij in zijn

Apologie zegt, die Unie tot stand te hebben gebracht, maar dit is

onjuist. Zeker, de Prins droeg aan zijn broer het voorloopige werk

voor die Unie op, maar niet Jan, doch Willem was er de ontwerper van.

Reeds sinds 1576 stond Oranje zulk een confederatie voor den geest; bij

het verdrag van Delft in dat jaar hadden Holland en Zeeland een Unie

gesloten en in 1577 was ook Utrecht toegetreden. Al bevond Oranje zich

sedert dien tijd in het Zuiden, hij had toch waarlijk zijn aandacht

van het Noorden niet afgetrokken. Wat Friesland en Groningen betreft,

rekende hij op den graaf van Rennenberg en ook op Drente en Overijsel

meende hij staat te kunnen maken.

Gelderland zou waarschijnlijk het moeilijkst te winnen zijn voor zulk

een Unie.

Met het oog daarop werd door zijn machtigen invloed op den 10en Maart

1578 door den landdag te Arnhem besloten, Graaf Jan de stadhouderlijke

waardigheid over dat gewest op te dragen. Het doel, dat Oranje daarbij

vooral op het oog had, was de versterking van den band tusschen de

Noordelijke gewesten. Wie kon beter Oranje's plaatsvervanger in

het Noorden zijn dan broer Jan, die zoo geheel met de plannen en

bedoelingen van den Prins op de hoogte was.

De Graaf ging echter niet in alles met zijn broeder mee, want hij kon

zich volstrekt niet vereenigen met Oranje's voorliefde voor Frankrijk

en het was dus gelukkig, dat Anjou tijdelijk verdwenen was. Ook was

er verschil van opvatting over den godsdienst; de verdraagzaamheid van

Willem werd door Jan niet gedeeld, hij was veel beslister Calvinist en

wilde dan pas aan het katholicisme concessies doen, wanneer daardoor

alleen zijn eigen godsdienst kon beschermd worden.

Dit bleek ook al spoedig na zijn komst in Gelderland, want op

allerlei wijzen bevorderde hij de Calvinistische prediking en hield

daardoor zeer weinig rekening met de katholieke meerderheid van het

gewest. Aan zijn ijver gaf hij zoo toe, dat hij zelfs naar Dillenburg

kon schrijven, dat er in Tiel een heerlijk vreugdevuur was gemaakt van

alle beelden eener kerk en dat de klokken hadden geluid totdat alles

in asch was vergaan, terwijl in Nijmegen monniken waren verjaagd en

ook een kerk in bezit was genomen.

De geest van de Gentsche Calvinisten woonde ook in Jan van Nassau,

tengevolge waarvan hij bij de Staten van Gelderland veel verzet vond

om zich bij de gewenschte Noordelijke Unie aan te sluiten. Gelderland

vreesde voor het overwicht van Holland en Zeeland en de oude Geldersche

adel was bang zijn invloed te verliezen. Toch bracht Jan van Nassau

het zoover, dat er in September een buitengewone vergadering van

Gelderland werd samengeroepen, waar ook vijf vertegenwoordigers uit

Holland o.a. Oldenbarnevelt, aanwezig waren.

De heftigste tooneelen hadden daarbij plaats en veel succes had die

vergadering niet. Toen nu Jan van Nassau een poos naar Duitschland

was geweest, werd door Oranje het plan van de Unie weer opgevat en

op den 15en November liet hij een generale dagvaart in Holland en

Zeeland beschrijven, waar nieuwe voorstellen omtrent bepalingen der

Unie werden aangenomen. Deze vielen zoo in den smaak van Utrecht

en Gelderland, dat reeds in December Utrecht, Holland, Zeeland en

Friesland voorloopig teekenden en de conferentie reeds den 10en

Januari te Utrecht samenkwam. Hier werd den 23en Januari 1579 de

Unie van Utrecht gesloten, die ook door Graaf Jan als Stadhouder van

Gelderland werd geteekend.

De inhoud van deze Unie was hoofdzakelijk de volgende: De gewesten,

die haar teekenden, wilden geenszins van de Generale Unie, door

de Pacificatie van Gent aangenomen, scheiden, integendeel, zij

hielden die in waarde, doch ze wilden zich ten eeuwigen dage tot een

geheel vormen, "alsof ze maar één provincie waren," onverminderd de

bijzondere privilegiën van de gewesten en de steden. Ze beloofden

elkander met goed en bloed tegen alle geweld bij te staan. De kosten

van de verdediging (die in bijzonderheden werd vastgesteld) zouden

eensdeels uit de domeinen, anderdeels uit belastingen gevonden

worden. Daarin, zoowel als in quaesties van vrede of bestand, was

eenstemmigheid noodig; in andere zaken gold de meerderheid. Kon die

eenstemmigheid niet worden verkregen, dan besliste de stadhouder,

"nu ter tijd wezende."

Wat den godsdienst aanging, zouden Holland en Zeeland naar hun

goeddunken handelen, terwijl de andere gewesten òf den religievrede

konden aannemen òf in 't bijzonder zulke orders konden uitvaardigen

als de rust en de welvaart van dat gewest eischten.

Men ziet de hand van den Prins duidelijk in dezen arbeid. Ook het

opdringen van den religievrede in gewesten, waar zulks onnoodig was,

lag niet in zijn geest. Jan van Nassau, door zijn broeder ernstig

onderhouden over zijn al te grooten ijver voor het Calvinisme,

was door den invloed van den Prins thans ook geneigd tot die

uniebepalingen. Het schoone denkbeeld van de Unie der zeven staten,

alsof zij maar één provincie waren, was ongetwijfeld een gedachte

van Oranje. Hoe menigmalen ook later afgestuit op het provincialisme,

op den duur is die Unie toch tot stand gekomen.

Door die gedachte alleen kunnen we beweren, dat Oranje de stichter

is van den Nederlandschen Staat.

Zeker, de Unie van Utrecht heeft vele schaduwzijden leeren

kennen. Er waren willekeurige en dubbelzinnige bepalingen in. Maar

de duidelijk sprekende punten omtrent de solidariteit tegenover

den gemeenschappelijken vijand, van onderlinge aansprakelijkheid

voor de kosten van den Staat, van algemeenen dienstplicht zelfs en

van betrekkelijke godsdienstvrijheid zijn inderdaad den grootsten

lof waard.

De geruchten, die in het Zuiden kwamen over het vormen eener

afzonderlijke Unie der Noordelijke gewesten, bevorderden ook daar het

streven, zich te vereenigen. In dezelfde maand Januari 1579, dat de

Unie van Utrecht tot stand kwam, werd in het Zuiden de welbekende Unie

van Atrecht gesloten, die, voorbereid door de agenten van Parma en den

aanvoerder der Malcontenten, voorloopig Henegouwen, Artois, Rijsel,

Douai en Orchies omvatte en waarbij het behoud van den katholieken

godsdienst en het gezag van den koning op den voorgrond stonden.

Wel trachtte de Prins nog de scheiding te voorkomen en gelukte het

hem, zelfs drie dagen na het sluiten der Unie van Atrecht (6 Januari)

den vrede tusschen Vlaanderen en de Malcontenten te doen teekenen,

maar de verbittering van de katholieke bewoners van Artois en

Henegouwen tegen de Vlaamsche Calvinisten en den Prins was te groot,

dan dat de scheiding kon voorkomen worden. De woeste uitbarsting

van het Calvinisme onder het Gentsche gepeupel; de onbeschaamde

buitensporigheden, in die Vlaamsche stad en elders bedreven, waren

de hoofdoorzaak, dat Parma's verleidelijke taal, om zich weder onder

't gezag van den koning te stellen, zooveel gunstige ooren vond.

Staatsman en krijgsheld tevens, verzuimde hij aan de eene zijde geen

enkele gelegenheid, om door voorkomendheid en vrijgevigheid personen

en gemeenten te herwinnen voor de zaak des konings, aan de andere

zijde om zich met allen spoed voor te bereiden op vernieuwing van

den krijg tegen Oranje en de gewesten, die zijne partij hielden.

De Prins liet niet na, de weifelende streken voor de Staten-Generaal

te behouden, doch de genoemde gewesten waren en bleven onherroepelijk

verloren. Nog duurde het vier maanden, eer het verbond, dat voorloopig

op 6 Jan. gesloten was, werd bekrachtigd. Eerst op den 17en Mei 1579

werd te Atrecht het verdrag van reconciliatie door de staten van

Henegouwen en Artois, door Rijsel, Douai en Orchies geteekend. Het

behoud van het katholicisme en van het gezag van den koning stonden

op den voorgrond; doch ook werden de Pacificatie van Gent, de 1e Unie

van Brussel en het Eeuwig Edict bevestigd.

In den loop van het jaar werden tal van meerdere streken en steden en

niet minder edelen en grooten voor de Unie van Atrecht gewonnen. Doch

reeds de aanvankelijk geslaagde verzoening met den koning, die van zijn

kant handhaving der privilegiën, terugtrekking der vreemde troepen en

een Prins van den bloede als landvoogd beloofde, maakte wijd en zijd

grooten indruk. Zelfs verhaalt men, dat er feesten ter eere van die

gebeurtenis in Parijs werden gevierd. In een der schouwburgen gaf men

een pantomime, waarin Filips een mooie makke koe op de planken bracht,

die echter plotseling weerspannig werd, tegen begon te spartelen, de

leidsel brak en bijna was weggeloopen. Daarna kwam Alexander Farnese

op, die het gebroken touw weer trachtte samen te binden, terwijl ook

de Staten-Generaal op het tooneel verscheen. Sommigen pakten de koe

bij de horens of sloegen ze op den rug, terwijl anderen van voren

bleven staan en om hulp riepen.

De Duitsche keizer, de Fransche koning en de Engelsche koningin,

die soms medelijden met de koe hadden, dan weer met haar vervolgers,

waren toeschouwers. Alençon (de hertog van Anjou) liep er dapper op

af en greep de koe bij haar staart. Daarop kwamen Oranje en Casimir op

het tooneel met een melkemmer en trachtten haar te melken, toen Parma

den halster greep en het dier triomfantelijk naar Filips terugbracht,

dat met den eenen poot Casimir, met den anderen Oranje een schop gaf.

Zeker eene Oranje geheel onwaardige voorstelling, alsof hij slechts de

Nederlanden als eene melkgevende koe beschouwde, doch een niet onaardig

verhaal in zoover als ze uitdrukking gaf aan de publieke meening in den

vreemde omtrent den thans gedeeltelijk bedwongen opstand. Dat echter de

koe, hoe ook gedeeltelijk getemd, voor een ander deel even weerbarstig

bleef en haar doel heeft bereikt, om in beter, schooner landouwen te

grazen, heeft de verdere geschiedenis der Noordelijke gewesten wel

bewezen. Doch op dat oogenblik was het voor den Prins een vreeselijke

slag. Hij, die in de Pacificatie van Gent als de vrijverklaring der 17

Nederlandsche gewesten, zijn levensideaal had meenen te vinden, zag in

de Unie van Atrecht de vernietiging van zijn schoonsten wensch. Want

al beriep zich Atrecht zoowel als Utrecht op die Pacificatie, ze had

voor beider oor een geheel anderen klank. Voor den Prins was zij de

uitdrukking geweest van: vrede door vrijheid, voor Parma en de zijnen

zou ze zijn: vrede na nieuwen strijd tot onderdrukking.

Hoe hard het Oranje dan ook viel, om van zijn ideaal te scheiden,

hoe hij daarom alleen zoo lang mogelijk vertraagd had, zelf de Unie

van Utrecht te onderteekenen, toch deed hij dit eindelijk op den

3en Mei 1579. Ten volle was hij er niet mede ingenomen, al was ook

het denkbeeld van hem afkomstig. Hij kon zelf niet ontkennen, dat

die Unie den katholieken Walen moest mishagen wegens de duidelijke

voorliefde van haar voorstanders, in het bijzonder van Jan van Nassau,

voor het Calvinisme.

Met den religievrede, zooals hij dien begeerde, stond het ook in die

Unie tamelijk zwak. De Prins deed daarom in April nog een poging,

om op den religievrede een generale Unie te bouwen, doch ook die

poging stuitte af op de leden der Utrechtsche Unie. Zoolang hij nog

kans meende te hebben op 't welslagen van zijn onderhandelingen met

Montigny e. a., trad de Prins niet openlijk tot de Unie toe. Toen

het eindelijk bleek, dat de verzoening van de Waalsche gewesten met

den koning zeker zou volgen, bekrachtigde ook hij de Unie van Utrecht

met zijne handteekening.

In den loop van 1579 en 1580 werd deze Unie nog door Friesland,

Overijsel en Drente onderschreven; Rennenberg teekende in Juni 1579,

doch reeds een jaar later volgde zijn schandelijke afval. Ook enkele

steden in Brabant en Vlaanderen traden toe.

Sedert het eind van 1578 had Parma, wiens macht zich thans over

tal van gewesten uitstrekte, het plan Maastricht te belegeren. Na

strooptochten door het zuidelijk gebied der Staten en den slag bij

Burgerhout op 23 Februari 1579, legerde hij zich in het begin van

Maart voor die veste. De inwoners toonden het vaste voornemen, den

Spaanschen veldheer van hun poorten te verdrijven. De oude geschiedenis

van dapperheid aan beide kanten, herhaalde zich hier; van weerszijden

werden er mijnloopen gegraven en trachtten de verschillende troepen

elkander in de diepte der aarde te verrassen.

Parma was het rijkst aan hulpmiddelen. Hij bouwde een reeks sterke

forten rondom de stad, zelfs woningen voor zijn soldaten, om hen des

te langer de ongemakken van den krijg te doen verduren. Oranje had

met moeite een leger van 7000 man verzameld, dat, door graaf Jan

en Hohenlohe geleid, bestemd was om Maastricht te verlossen, doch

reeds de eerste aanblik op die stad, welke als 't ware Maastricht

omsingelde, bewees hun, dat het een verloren spel was. Nog op 25

Juni werd er een brief van Oranje in de stad geworpen, die binnen

14 dagen hulp beloofde. Het was reeds te laat, want op den 29en Juni

werd Maastricht stormenderhand genomen.

Een poging van den Prins, op het congres in Keulen een wapenstilstand

voor Maastricht te verkrijgen, was afgestuit op een weigering

van Parma, die wel wist, dat Maastricht het niet lang meer zou

uithouden. De verovering had bij verrassing plaats, toen de stad nog

in diepen slaap was. Er volgde een moord met al zijn onbeschrijflijke

verschrikkingen, zooals Spaansche soldaten, die 4 maanden in gevaar

en nood hadden geleefd, alleen konden volvoeren. Al moge het getal

van 8000 omgekomenen bij de belegering en den driedaagschen moord wat

overdreven zijn, zeker is het waar, dat de helft der bevolking door

het zwaard of de pest is omgekomen en dat Maastricht en omstreken voor

geruimen tijd in de grootste ellende en armoede gedompeld waren. Geen

wonder, dat Parma na deze groote overwinning voor de Spaansche zaak,

den 3en Juli zijn zege-intocht in de arme stad hield.

Het was een vreeselijke slag voor de nationale partij van het Noorden

en daarbij allernoodlottigst voor den naam van den Prins, die algemeen

beschuldigd werd, de stad aan haar lot te hebben overgelaten. De

inwoners, zoo sprak men, hadden op hem vertrouwd. Hij had toch

hulp en verlossing beloofd, indien ze het konden uithouden? Wat men

na de nederlaag op de Mookerheide had gezegd, werd thans herhaald

n. l. dat zijn halfheid en uitstel de ramp hadden veroorzaakt. Geen

held van eenig volk ontgaat zulk een oordeel, als tegenspoed hem

achtervolgt. Toch was zulk een verwijt na den val van Maastricht voor

den Prins zeer moeilijk te dragen.

Het waren donkere dagen voor Oranje, want behalve het verlies van

deze stad moest het hem ook wel droevig stemmen, dat tal van edelen

de zijde van den koning kozen. In Juli ging de jonge graaf van Egmond,

die den Prins eerst zoo dapper had terzijde gestaan, tot de partij van

Filips over; iets later volgden Aerschot, Schets van Grobbendonck en

anderen. Heze was reeds overgegaan, Havré zou spoedig volgen ja, zelfs

de oudste zoon van Oranje's zwager, van den Berg, koos Parma's partij.

"Ik kan den Prins nu niet verlaten," schreef graaf Jan aan zijn

Dillenburgsche vrienden, "daar hij bijna door iedereen in den steek

wordt gelaten behalve door mij en den stadhouder van Friesland."

Ook deze zou binnenkort afvallig worden. Rennenberg, op wien Oranje

geheel had vertrouwd, begon in het najaar sterk naar de Spaansche zijde

te neigen. Zelf katholiek ergerde ook hem de rumoerige beweging der

Calvinisten in het Noorden, maar de doorslag gaf niet die ergernis,

maar wel de belooning, welke hem werd toegezegd en ook de vrees,

misschien zelf het slachtoffer te worden. In Maart had de overgang pas

plaats, nadat Oranje nog door een persoonlijk bezoek had geprobeerd,

hem te weerhouden.

In de laatste maanden van 1579 was ook een poging in Keulen mislukt om

den vrede te herstellen. Het plan was van Keizer Rudolf uitgegaan en

Filips, vroeger nooit gezind zulk een congres te steunen, had ook

een gezantschap gezonden. Tal van Europeesche mogendheden waren

er samengekomen om de belangen der Nederlanden te bespreken. De

Nederlandsche gezanten gaven niet onduidelijk te verstaan, dat, ingeval

de vrede niet werd gesloten, men den koning als vervallen van zijn

souvereiniteit zou beschouwen en het volk als ontheven van zijn eed van

trouw. Doch wat konden onderhandelingen baten als de Spaansche koning

niet toe wilde geven op het belangrijke punt van godsdienstvrijheid,

hetgeen door de Staten-Generaal juist geëischt werd.

De afgevaardigden van dit college vertrokken, toen het duidelijk bleek,

dat men niet tot overeenstemming kon komen, maar de vertegenwoordigers

van vijf gewesten bleven en het gevolg hiervan was de officieele

verzoening van het Zuiden met den koning.

Het is merkwaardig, dat in dien tijd toen er geen couranten waren,

die uitdrukking gaven aan eene publieke meening, een land zoo

spoedig onder den algemeenen indruk kon komen van de verschillende

gebeurtenissen. Toch was dit zoo, want in den zomer van 1579 bestond

er tegen Oranje een algemeen wantrouwen, zoo hemelsbreed verschillend

van de warme gevoelens, die eenige maanden vroeger voor "Vader Willem"

gekoesterd werden.

"Ik kan niet genoeg zijn voorzichtigheid en gelijkmoedigheid, om

zooveel zaken en zooveel beleedigingen te dragen, bewonderen. Ik

geloof, dat er in de Christelijke wereld geen eminenter man bestaat,"

zoo schreef Hubert Languet aan Sidney.

Nergens zaten zijn vijanden stil, overal was men bezig zijn gezag

te ondermijnen en we kunnen ons zoo begrijpen, dat Oranje aan de

Magistraat van het woelige Gent o. a. schreef:

"..... Wil daarbij bedenken, dat zij die mij zoo blameeren, vrijheid

van spreken hebben, doordat ik die vrijheid door het bloed mijner

familie, door mijn werkzaamheden en de opoffering van mijn geld voor

hen heb gekregen. Zij zijn alleen aan mij dank schuldig, dat ze zoo

vrij over mij kunnen spreken."

Men ontzag zich zelfs niet, den Prins op schandelijke wijze te

belasteren. Tot in de vergadering der Staten-Generaal drong die laster

door. Er kwam een bode in Antwerpen met een brief aan de Staten, zoo

vol lastertaal omtrent den Prins, dat de Secretaris van den Raad,

die het stuk overluid begon te lezen, maar ziende wat de bedoeling

er van was, daarmee twee, drie keeren uit louter schaamte ophield. De

Prins dat bemerkende, nam toen den brief zelf in zijn handen en las hem

tot het einde toe aan de vergadering voor. Dat was zeker de schoonste

en edelste zelfverdediging; maar blijkbaar was de bedoeling van het

schrijven, Oranje in algemeen diskrediet te brengen.

Was bij al dien afval, ontrouw en laster, Vlaanderen nog maar in rust

gebleven, doch de Prins zei terecht van dit gewest: "Die oproeren in

Vlaanderen bederven geheel onze zaken."

Nadat Oranje er de orde had hersteld bleef het er maar kort rustig;

het fanatisme der Calvinisten ontwaakte echter weer en sloeg

zelfs over naar Antwerpen, waar op den Hemelvaartsdag (28 Mei) een

processie, die Matthias bijwoonde, aanleiding gaf tot een heftige

uitbarsting van het gepeupel, waarbij twee menschen gedood werden en

de landvoogd zelf in levensgevaar verkeerde. Oranje slaagde er wel

in, verder bloedvergieten te voorkomen, maar in een vergadering van

overheidspersonen dreigde hij, het land te zullen verlaten, indien

de ongeregeldheden niet konden worden gestild. De magistraat beloofde

zijn best te zullen doen, indien hij hen althans niet alleen liet.

De hoofdreden van deze nieuwe onlusten, welke ook in andere plaatsen,

maar vooral in Gent voorkwamen, was het niet direct nakomen van

de voorwaarden door de Malcontenten. Oranje werd daar weder het

slachtoffer van den geloofshaat en Hembyze met Dathenus ontzagen zich

niet hem openlijk en heftig te belasteren en de volkswoede om zijn

verdraagzaamheid en Franschgezindheid tegen hem op te wekken. Die

volksleiders riepen om Johan Casimir, dien zij als een vertrouwbaar

geloofsgenoot wilden terughebben.

Dathenus noemde Oranje rondweg een godloochenaar, die even gemakkelijk

van zijn godsdienst als van zijn kleedingstuk veranderde. Eerst nam

de Prins geen notitie van die lastertaal, maar later schreef hij in

een brief aan de Gentsche burgers:

"Men heeft mij verteld, dat Mr. Dathenus mij als een man zonder

godsdienst of trouw, als iemand alleen door eerzucht beheerscht,

heeft geteekend en dat hij ook andere dingen gezegd heeft, die hem in

zijn ambt in het minst niet voegen. Ik geloof niet, dat het noodig

is, daarop eenig antwoord te geven. Alleen wil ik zeggen, dat ik

gaarne bereid ben, het oordeel daarover aan allen, die mij kennen,

over te laten."

Nogmaals begreep Oranje, dat hij door persoonlijk bezoek iets goeds

zou kunnen uitwerken. Toen hij kwam, stond Rijhove aan zijn zijde om

met kracht Hembyze en Dathenus te weerstaan. Hoewel deze heeren niets

ontzagen, Oranje bij het volk te belasteren en het te waarschuwen tegen

de plannen van den Prins om het land aan Anjou en de Franschen over te

geven, Oranje bleef hen meester. Hembyze werd uit de regeering gezet

en gedwongen met Dathenus de vlucht te nemen. Ze zochten een wijkplaats

bij Casimir in Duitschland, die ze onder zijn bescherming nam.

Het jaar 1579 bracht dus wel nieuwe angsten en gevaren voor den

Prins. Hoe weinigen zouden te midden van zooveel verraad en ontrouw,

laster en afval, zijn staande gebleven! Hoevelen zouden in zulk

een bangen strijd de voordeelige voorwaarden van het Congres van

Keulen, die hem persoonlijk werden aangeboden, met beide handen hebben

aangenomen! Niet alzoo de Zwijger. Hij verloor trots allen tegenstand

zijn moed niet; zijn onwrikbaar geloof in de toekomst van het land

en in die der vrijheid, hield hem staande. De Prins gevoelde die

hopelooze verdeeldheid, terwijl Parma met den dag krachtiger werd;

bovendien het vreeselijk lot van Maastricht bedreigde ook andere

steden, terwijl hierdoor bij vernieuwing dringende behoefte aan

buitenlandsche hulp ontstond. Dit leidde, zooals we later zullen

zien, tot de aanbieding van de souvereiniteit aan den hertog van

Anjou. Vele moeilijkheden waren echter nog te overwinnen, want tegen

Anjou's candidatuur bestonden in het land groote bezwaren.

De verhouding van Oranje tot Anjou heeft misschien, meer dan eenige

andere daad van hem, aan de afbrekende critiek van zijn vijanden

blootgestaan en niet alleen zijn tegenpartij, maar ook tal van

aanhangers van den Prins hebben zijn Fransche politiek veroordeeld.

Uit een openbaar gemaakte correspondentie is ten duidelijkste gebleken,

dat de Staten-Generaal het werkelijk belang van het land op 't oog

hadden, toen ze met Anjou nieuwe onderhandelingen aanknoopten. Deze

was na de voorloopige erkenning van Filips te Atrecht en nadat hij

bemerkt had, dat de Zuid-Nederlandsche heeren niet van hem gediend

waren, den 19en Januari 1579 naar Frankrijk teruggekeerd, weinig

vermoedende, dat zijn hulp zoo spoedig weer zou worden ingeroepen.

Door Anjou's gezant, die hij had achtergelaten, werden de betrekkingen

met den Prins en de Staten-Generaal aangehouden. Tal van gewesten

wilden niets van Anjou weten, zooals Vlaanderen en Holland, maar er was

een omstandigheid, die de oppositie in 1579 wat kalmeerde. Elisabeth

van Engeland, die vroeger gedreigd had haar steun te ontzeggen, indien

de Nederlanden hulp bij Anjou zochten, was van politiek veranderd

en wendde zelfs een huwelijk met Anjou voor. Ofschoon dit alleen

een politieke kunstgreep van haar was tegenover Frankrijk en Spanje,

gaf zij zóó een schijn van waarheid aan dit plan, dat men algemeen een

huwelijk verwachtte. De hoop hierop was wel oorzaak, dat de antipathie

tegen hem in het land verminderde, al bleef die nog zeer groot.

De Prins bleef bij zijn meening, dat de aanvaarding van Anjou's

souvereiniteit het eenige middel zou zijn om den strijd tegen den

koning van Spanje vol te houden. Hij gaf dit advies dan ook aan de

Staten, maar liet duidelijk uitkomen, dat zij hierin moesten beslissen;

de persoon van Anjou was hem onverschillig, maar als representant

van Frankrijk zocht hij dezen vorst.

Vooral Jan van Nassau was zeer sterk tegen Anjou. Zijn streng

Calvinisme veroorzaakte, dat hij van het ontrouwe, verraderlijke

Frankrijk niets goeds verwachtte. Hij stelde Franschen en Spanjaarden

op één lijn. Had hij zijn eigen wil in 1579 kunnen doorzetten,

dan zou Graaf Jan reeds zijn stadhouderschap van Gelderland hebben

neergelegd en naar Dillenburg zijn teruggekeerd. In Juli was daar des

te meer reden voor, door het overlijden van zijn echtgenoote, gravin

Elisabeth, wier dood door allen, ook door zijn oude moeder Juliana,

ten zeerste werd betreurd.

Oranje liet echter zijn broer niet los; hij had hem te veel noodig

en in het jaar van de Unie van Utrecht was hij in het Noorden de

rechterhand van den Prins. Met de Fransche politiek kon broer Jan

zich volstrekt niet vereenigen; er bestaat zelfs een memorandum van

hem, waarin hij op de groote nadeelen van het verbond met Frankrijk

wijst. Hij waarschuwt de landen daarin, zich toch niet in te laten met

"dergelijke goddelooze tirannen" als Frankrijks vorsten en hij vreest,

dat ze daardoor bij de nakomelingschap een slechten naam op zich laden.

Het verzet van Graaf Jan was wel begrijpelijk, maar thans kon zijn

plan om zonder steun de zaak tot een goed einde te brengen, nog niet

verwezenlijkt worden. Na tien jaar zou men tot de erkenning komen,

dat een monarchie door een op zich zelf vertrouwende republiek te

vervangen was. Te midden van al den tegenstand, die Oranje in 1579

beleefde, was het begrijpelijk, dat hij in de hulp van een nieuwen

souverein de kracht tot behoud meende te vinden.

De Prins vond geen tijd, alle langdradige brieven en waarschuwingen

van zijn broeder te beantwoorden en hij zond hem een kort bericht,

waarin hij meldde, dat hij alles zorgvuldig had gelezen en den wensch

tevens uitsprak, zijn broeder te spreken. Hij wilde Jan niet verliezen,

maar voor dezen werd het blijven op den duur zeer moeilijk, want

ook in Nassau hadden zijn kinderen groote behoefte aan hem. Toch is

het waarschijnlijk, dat niet dit laatste, maar wel de afkeuring van

de politiek van den Prins, de hoofdoorzaak was van het vertrek uit

Nederland in 1580. Graaf Jan meende nu eenmaal, dat de zoogenaamde

verdraagzaamheid van den Prins, het leenen van een oor aan den

duivel was.

Oranje ging op den ingeslagen weg voort en bereikte met Anjou in 1581

zijn doel.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 59 / 80 题