MOEILIJKE DAGEN. DON JUAN. PARMA. DE PRINS TE GENT. 1578.

Sedert tien jaar was er zooveel gebeurd in het leven van den Prins,

dat we ons bijna niet kunnen voorstellen, dat er zulk een betrekkelijk

kort tijdsverloop ligt tusschen zijn eersten hopeloozen veldtocht

van het jaar 1568, gedurende zijn ballingschap in Dillenburg en zijn

triomfen in den aanvang van 1578. Wie hem, na dien roemloozen veldtocht

tegen Alva, toen hij nauwelijks op Fransch grondgebied een toevlucht

kon vinden, had voorspeld, dat hij na tien jaar eigenlijk de eerste

in datzelfde land zou zijn, ware zeker door den Prins glimlachend en

ongeloovig aangezien.

Maar, nu eenmaal op dat hooge standpunt geplaatst, moet het hem wel

eens benauwd hebben, als hij er aan dacht op welke wijze zijn taak

te vervullen. Op een rozenbed heeft hij zeker geen enkelen nacht

geslapen. Hij wist wel, dat nijd en heerschzucht, fanatisme en intrige

rond hem spookten en hem die hooge stelling moeilijk zouden maken. En

dan was het voor hem ook een vraag of hij met zijn hooge denkbeelden

van verdraagzaamheid en eendracht wel in staat zou zijn, de demonen te

bezweren, die afgunst en haat, bijgeloof en tweedracht rondstrooiden.

De eerste, die hem op zijn weg van practische pacificatie der gewesten

belemmerde, was Don Juan. Geen wonder; hij was in Luxemburg gebleven,

waar zijn woede en wraakzucht steeds toenamen, naarmate de berichten

uit Brussel hem duidelijker maakten, hoe zijn kortstondig gezag

werd geïgnoreerd.

Zijn koninklijke broeder, die hem eigenlijk niet geheel vertrouwde,

had eindelijk zijn beden verhoord. Uit Italië waren 3000 Spanjaarden

teruggekeerd en Alexander Farnese, Prins van Parma, zoon van Margareta,

was op weg om Don Juan te ondersteunen en te vervangen. Door

versterking van het leger met 4000 Fransche katholieken, kon de

sterkte van zijn krijgsmacht op het einde van Januari op 16000 man

worden geschat.

Wat konden de Staten daar tegenover plaatsen, toen Don Juan op den

25en Januari een manifest in drie talen afkondigde, waarin hij den

wapenstilstand voor geëindigd verklaarde en zijn bedoeling uitsprak,

om door wapengeweld het gezag van koning en kerk te herstellen?

Het statenleger was door de overkomst van 4000 Schotten uit

Engeland en eenige honderden Duitsche ruiters en Hugenoten niet veel

geringer in aantal, maar het leger van Don Juan was oneindig beter

georganiseerd. De Nederlandsche edelen hadden twist over het militair

gezag; elk leider beschouwde zich als den gelijke zijner collega's,

zoodat van eendrachtig handelen geen sprake was.

Toen nu Farnese bij Don Juan aankwam, waren juist de voornaamste

edelen, als Lalaing, Melun e. a. afwezig om de bruiloft van den heer

de Bersele te vieren, zoodat het commando aan jongeren als Filips

van Egmond, Heze en Havré was overgelaten. De tegenpartij maakte

van deze gunstige gelegenheid gebruik en besloot onmiddellijk den

aanval op het kamp van het statenleger te wagen. Op den laatsten

Januari trokken de patriotten terug, den kant op naar Brussel en

waren zij te Gembloux. Don Juan, door den Prins van Parma vergezeld,

vervolgde het terugtrekkend leger; zijn banier met het kruisbeeld

erop droeg de gedenkwaardige woorden: "In hoc signo vici Turcos, in

hoc haereticos vincam" (Met dit teeken heb ik de Turken overwonnen;

hiermede zal ik ook de ketters overwinnen.) Een trouwe zoon dus van

den Paus, die eveneens Turken en ketters op één lijn had gesteld.

Er begon eene schermutseling, die eerst gunstig scheen voor het

statenleger doch eene stoute beweging van Parma keerde de fortuin. Hij

deed door een gevaarlijk moeras heen een onverwachten aanval op zijn

vijanden. Een schitterend legeraanvoerder zou hen nog gered hebben,

maar die was er niet, zoodat de patriotten zich zonder slag of stoot

overgaven of in de pan werden gehakt. Fabelachtige getallen worden

er genoemd van gesneuvelden; volgens eene berekening zelfs zou elk

Spanjaard het leven van tien Nederlanders hebben uitgebluscht. Wat

daarvan ook moge zijn, geheel het statenleger was vernietigd; een

groot getal verdronk in de Maas, terwijl een onbeduidend aantal

Spanjaarden om het leven kwam.

Welk een ramp! De gewesten waren pas verbonden en zou die vereeniging

eenige vastheid hebben, dan was er voorspoed noodig geweest. Dat

juist nu zulk een slag moest vallen was al bijzonder noodlottig. Door

een gelukkige overwinning zou de pas gevestigde regeering steun

hebben gekregen en was het haar misschien mogelijk geweest zoowel

de hartstochten der burgerij te kalmeeren als de aanzienlijke edelen

voor zich te winnen. Wat Oranje aangaat, de adel voelde met dubbele

kracht zijn wrok tegen hem opkomen en weet hem gaarne de schuld van

alle onheil.

In Brussel heerschte na de nederlaag bij Gembloux groote

ontsteltenis, want men vreesde, dat Don Juan ook spoedig die stad zou

bedreigen. Dubbel gelukkig dus, dat Oranje door kalme vastberadenheid

de diepe verslagenheid wist te overmeesteren en geen oogenblik zijn

tegenwoordigheid van geest verloor. Het leger werd door hem versterkt

en aan Bossu liet bij de verdediging van de hoofdstad over, terwijl

de Prins met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen vertrok.

Wel viel Brabant grootendeels in handen van Don Juan, maar tot Brussel

naderde hij niet. Gebrek aan geld verhinderde hem bovendien van zijn

overwinning groote vruchten te plukken.

Straks zullen we zien, hoe de binnenlandsche tweedracht voor het gezag

van Oranje nog veel schadelijker was dan de nederlaag van Gembloux.

Een merkwaardige gebeurtenis in den aanvang van 1578 was de overgang

van de stad Amsterdam naar 's Prinsen zijde.

Tot dien tijd was die gewichtige plaats onder 's konings gezag

gebleven. Oranje had niet nagelaten, den handel daarvan gevoelig

te treffen en zoowel die nadeelige gevolgen voor de welvaart van

Amsterdam als de invloed van afgezanten uit Utrecht bewerkten den

ommekeer. De burgers namen een verdrag aan op dezelfde voorwaarden

als de Utrechtsche Satisfactie. Aan de verschillende hervormde sekten

werd vrijheid van eeredienst, ieder overeenkomstig haar gebruiken,

gegeven alsook om hun dooden binnen de wallen te begraven. Ieder was

niet evenzeer met die Satisfactie voldaan; van daar dat er in den loop

van den winter allerlei beroeringen in de gemeente plaats hadden,

die eindelijk in de maand Mei in een oproer uitbarstten, waarbij

de partijgenooten van den Prins de zege behaalden en tegenover de

katholieke fractie, die vrij sterk was gebleven, eene stedelijke

regeering samenstelden, die de nieuwe maatregelen kon doorvoeren.

Toen de Prins midden in den winter met Matthias en den Raad van State

naar Antwerpen ging, schijnt zijn familie zich daar met hem te hebben

vereenigd. Uit die stad althans schreef Oranje's oudste dochter Marie

een briefje aan Graaf Jan, die in naam der regeering naar Gelderland

op reis was gegaan. Deze was jarenlang de huisgenoote van haar oom

in Nassau geweest; vandaar dat zij tegenover hem een kinderlijke

genegenheid gevoelde en hem zelfs met den titel van vader aanspreekt.

Na haar verontschuldiging te hebben aangeboden, dat zij hem niet eerder

dank heeft gezegd voor al zijne zorgen voor haar, vervolgt zij aldus:

"Uwe Exc. zal waarschijnlijk gehoord hebben van de

veranderingen, die hier sinds uw vertrek hebben plaats

gehad--hoe ons volk een nederlaag heeft geleden en hoe de

vijand Gembloux en Leuven heeft veroverd. Ik hoop, dat God

alles nog terecht zal brengen. De aartshertog, de hertogen

van Aerschot, Havré en andere Brusselsche edelen zijn hier

met hunne vrouwen ... Ik hoorde, dat uwe Exc. goed en wel te

Nijmegen zijt aangekomen en verblijd mij bijzonder, dat men

in Gelderland zoo verheugd is, u bij zich te hebben; doch

het zal voor u geen geringe last zijn, zoo lang van huis

weg te blijven, ook om de onkosten. Ik hoop, dat zij al uw

moeite zullen beloonen en u een gelegenheid zullen aanbieden,

eens naar Nassau te gaan. Ik weet toch, hoe uw moeder en uw

vrouw naar u zullen verlangen; het is al zoo lang geleden,

dat gij ze gezien hebt.

"Nog moet ik u, waarde vader! vertellen, dat wij hier in

het kasteel zijn gelogeerd, maar gij kunt niet gelooven,

hoe vreeselijk koud het is. Ik ben bang hier langer te moeten

blijven en vrees, dat ik nog bevriezen zal. Wat zou het een

genot voor mij zijn, wakker te worden en mij zelf te bevinden

in mijn lief klein kamertje in Dillenburg. Mocht dat weder

eens gebeuren, enz.

Antwerpen 10 Februari 1578.

Op die wijze houdt de oudste dochter van den Prins diens broeder Jan

op de hoogte van den toestand. Op den 8en Maart schreef ze weder aan

haar vaderlijken oom:

"Hoe de zaken hier gaan, heeft uwe Exc. zonder twijfel reeds

gehoord. De vijand heeft Aerschot, Sichem en Dietz veroverd,

waar hij, naar ik verneem, schandelijke tirannie uitoefent,

zoodat het arme volk diep te beklagen is. Er gaat een gerucht,

dat de vijand denkt voort te gaan naar Maastricht en zelfs naar

Mechelen. Alles is in Gods hand. Verder, dierbare vader, moet

ik u vertellen, dat de markies van Havré vandaag of morgen

naar Engeland gaat en mijn neef, Graaf Willem Lodewijk met

zich mede neemt. Daar mijn vader zag, dat uw zoon zoozeer

begeerig was Engeland te bezoeken en iets van de wereld te

zien, dacht hij, dat het een goede gelegenheid voor hem was,

om in passend gezelschap mee te gaan. Hij gaf zijn toestemming

en vertrouwde hem aan Joachim van Lier; dat verheugde mij zeer,

want gij weet, dat deze een godvreezend edele is. Als mijn

neef Willem hem tot model neemt, gelijk ik niet twijfel, kan

hij geen kwaad leeren. Uwe Exc. zou moeilijk kunnen gelooven,

hoe knap mijn neef er nu uitziet ... Ik hielp hem met geld

zooveel ik kon en hoop dat gij niet ontevreden zult zijn met

zijn reisplan.

Antwerpen 8 Maart.

Doch genoeg van deze jongemeisjesbrieven, die wederom bewijzen,

welk eene aardige verhouding er tusschen de kinderen van den Prins

en zijn broeder Jan bestond.

Hoe schadelijk ook de nederlaag voor het gezag van Oranje mocht wezen

zijn toestand werd, zooals we straks zeiden, nog veel moeilijker

gemaakt door de tweedracht tusschen de gewesten, welke vooral uit

het verschil in godsdienst voortsproot.

Het ideaal van den Prins, godsdienst en gewetensvrijheid voor allen,

bleek spoedig in de toenmalige omstandigheden onbereikbaar. De

maatschappij was er nog niet rijp voor en Oranje moest ondervinden,

dat al zijn schoone plannen van verdraagzaamheid en wederzijdsche

eerbiediging niet zoo dadelijk verwezenlijkt konden worden. Evenmin

als de katholieke was de Calvinistische partij in de Zuidelijke

Nederlanden vatbaar, om de staatkunde van den grooten Zwijger te

verstaan. Ja, ze vonden beiden, een ieder op haar standpunt, die

staatkunde geheel in strijd met Gods gebod. De Calvinist beschouwde

het Pausdom als den gevloekten poel van ongerechtigheid en al zijn

instellingen als het werk van Satan; hoe zouden ze dan vrijheid van

godsdienst kunnen geven aan de priesters om die ongerechtigheid te

handhaven en te verspreiden? En de Katholieken--volgens hen was het

geheele werk van Luther en Calvijn uit den booze en mocht hun leer

niet binnen hunne landpalen geduld worden.

Die tegenstelling tusschen de beide godsdiensten moeten we steeds in

het oog houden, willen we de verwarring van het jaar 1578 begrijpen,

want aan de meeste dingen lag die tegenstelling ten grondslag.

In het Zuiden van het land waren het vooral Vlaanderen met Gent aan

het hoofd en Artois en Henegouwen, waar de moeilijkheden het grootst

waren. In de beide laatste gewesten speelden behalve de godsdienst

ook de intriges van Anjou met zijn vrienden en die van Don Juan hun

fatale rol.

Veroorzaakte de nederlaag te Gembloux reeds, dat men hier en daar

de kreet "verraad" vernam en men allerlei bedreigingen tegen de

geestelijkheid uitte, daarbij kwam nog het verzet tegen de belastingen,

die door de Staten waren uitgeschreven. Don Juan en Anjou hielden

bovendien de gewesten door middel van hun agenten in voortdurende

onrust en de laatste had in Henegouwen een sterken aanhang, die

vooral door Lalaing gesteund werd. Daar Oranje in die dagen hulp

van Engeland verwachtte, maar nog niet zeker van die steun was,

begreep hij, dat hij Anjou niet van zich moest verwijderen en sloot

de Prins zelfs een verdrag met hem, waarbij Anjou den schoonen titel

ontving van "Défenseur de la liberté des Pays-Bas contra la tyrannie

des Espagnols et de leurs adhérents." Hem werd daarbij alleen in de

toekomst eenig uitzicht op souvereiniteit gegeven, zoodat het verdrag,

dat van Oranje's zijde niets dan politiek was, voor Anjou geen groote

beteekenis had.

Het eenige doel van Oranje was te zorgen, dat Henegouwen zich niet

van de overige staten zou losmaken.

In Vlaanderen wilde men van Fransche hulp niets weten, doch aller oogen

waren daar gericht op Johan Casimir van de Paltz, die met Engelsch

geld een leger in Duitschland had geworven. Kerken en kloosters

plunderend en verwoestend, kwam dit leger in Juli in ons land; met het

statenleger vereenigd, bedroeg het ongeveer 40.000 man, waartegen Don

Juan nauwelijks de helft kon stellen. Hij leed dan ook in Augustus

bij Rijmenam een nederlaag en sloeg daarna een kamp bij Namen op,

waar hij zelf, door eindelooze inspanning afgemat, op den 1en October

al zijn eerzucht met het verlies van zijn jonge leven moest boeten.

Door den dood van Don Juan kwam een ander op het krijgs- en

staatstooneel, n. l. Prins Alexander van Parma, in wien Oranje een

waardigen tegenstander zou vinden.

Parma, in 1546 geboren en dus ongeveer van denzelfden leeftijd als

zijn oom en voorganger Don Juan, bezat veel meer karakter, verstand en

bekwaamheid als legerhoofd dan een van Filips' vorige landvoogden. Op

twintigjarigen leeftijd was hij gehuwd met Donna Maria van Portugal en

de bruiloft had in 1566 in Brussel plaats gehad op het oogenblik, dat

de ontevredenheid tegen de Spaansche maatregelen begon. Oorlogvoeren

was zijn kracht, gelijk hij reeds in zijn jeugd afkeer van de studie

had en alleen veel hield van jagen, paardrijden en het hanteeren

van wapens.

Aan alle Europeesche vorsten gaf Parma bericht van zijn aanvaarden

der landvoogdij en hij riep hen op, hem te helpen in het eindelijk

bedwingen van den opstand, die in de koninklijke domeinen van zijn

oom zulke verhoudingen had aangenomen.

Tot deze domeinen behoorden volgens hem ook de noordelijke gewesten,

waar Oranje reeds geruimen tijd de eigenlijke souvereiniteit bezat. Met

dezen zullen we Parma dan ook van nu af den strijd verder zien voeren.

Een zeer moeilijke rol had de Prins in 1578 te vervullen in Gent, waar

zooals we zagen, de democratie had getriomfeerd en de gevangenschap

van de metgezellen van Aerschot had voortgeduurd, toen Oranje zijn

intrede als stadhouder van Vlaanderen doen zou.

Het volk aldaar verkeerde in hoogst opgewonden stemming; geleid door

mannen als Rijhove en Hembyze en aangezet door heftige predikers,

als Modet en Dathenus, verdacht de Vlaamsche bevolking, vooral na

den nederlaag van Gembloux, de katholieken van verraad.

Op Pinksteren van dat jaar kwam het in Gent tot eene uitbarsting,

die aan de dagen van de beeldstormerij herinnerde. Kerken en kloosters

werden geplunderd, geestelijken mishandeld en de van beelden gezuiverde

kerken voor Calvinistische prediking gereed gemaakt. De Prins stond

tegenover een macht, wier beteekenis hij niet genoeg kende, de vrucht

van de godsdienstige dweepzucht, van het fanatisme. De Pacificatie

van Gent had alleen aan Holland en Zeeland het Calvinisme vergund,

maar den bestaanden toestand omtrent den godsdienst in andere

gewesten gehandhaafd. Vrijheid, openbaarheid van prediking was in

Vlaanderen niet geoorloofd en de Prins liet niet na, den Gentenaars

het ongeoorloofde van hun gedrag onder het oog te brengen. Of Oranje

hen wees op het gevaarlijke van die openbare prediking, waardoor hij

zelf en het vaderland in de grootste moeilijkheden zouden gewikkeld

worden, het hielp niets. De predikanten waren blind voor de gevaren,

stoorden zich aan geen staatkundige overwegingen en hielden zich niet

gebonden aan de bepalingen der Pacificatie.

Daar door dit alles het misnoegen der Katholieken met den dag toenam

en hetzelfde verschijnsel zich ook in Amsterdam en Haarlem voordeed,

kwam Oranje met een voorstel in den Raad van State, daar hij noch

door zachtheid, noch door geweld den toestand kon veranderen.

De Prins kwam n.l. den 9en Juni 1578 met het voorstel van den

godsdienstvrede voor den dag, waarbij het in elke gemeente, waar

honderd gezinnen een der beide godsdiensten verlangden, geoorloofd

zou zijn, dien openbaar uit te oefenen.

Zeker, ook dit was in strijd met de Pacificatie en ondervond in de

Staten-Generaal vooral van katholieke zijde groot verzet, maar de

Prins beriep zich in zijn antwoord op dat verzet op de veranderde

tijdsomstandigheden. Het wantrouwen en de onrust--zoo beweerde

hij--waren bij zijne geloofsgenooten zeer groot geworden. De

Katholieken hadden als stelregel aangenomen, de uitspraak van het

Concilie van Constanz, dat men aan den ketter zijn woord niet behoefde

te houden. Zoo had de koning van Frankrijk de hervormden bedrogen en

vermoord. Na uitdrijving der Spanjaarden voorzag de Prins burgeroorlog,

indien men niet als enkele andere landen tot een godsdienstvrede

besloot, die zoowel den Calvinisten als den Katholieken kon ten

goede komen.

Hij achtte voor alles noodig, maatregelen te nemen, die zouden

voorkomen, dat er op de Unie inbreuk werd gemaakt en nu, wat hij,

noch iemand anders kon voorzien hebben, de Calvinisten zoo het hoofd

opstaken, moest er een schikking worden gemaakt.

De Staten-Generaal waren echter niet te bewegen het voorstel

voorloopig aan te nemen; ze besloten den 12en Juli het ontwerp van

den godsdienstvrede naar de gewesten te zenden, opdat die zelve daarin

zouden beslissen.

Welke moeite Oranje zich ook gaf dit ontwerp, dat ook herstel van

grieven op staatkundig gebied beoogde, te doen aannemen, het stuitte

af op den onwil der gewesten, zoodat feitelijk alleen te Antwerpen

de religievrede werd afgekondigd. Het geneesmiddel bleek erger dan

de kwaal; de scherpe tegenstelling der partijen kwam er nog helderder

door aan den dag.

Wel mag 1578 het bangste en moeilijkste jaar in 's Prinsen loopbaan

genoemd worden, want behalve dien vergeefschen arbeid om door een

godsdienstvrede de eendracht der gewesten te herstellen, was er nog

zooveel meer, dat hem groote onrust bracht. Don Juan en Parma bleven

ook na de nederlaag bij Rijmenam een dreigend gevaar voor de gewesten

vormen; Casimirs woeste onbetaalde troepen hielden op ergerlijke

wijze huis in de landen, waar ze verschenen, terwijl ook Anjou en

zijn agenten doorgingen in troebel water te visschen.

Te midden van al die bezwaren het schip van den Staat der 17 provincies

in een veilige haven te sturen, was een werk boven menschelijke kracht

verheven. Ook voor een man, die zoo hoog als Oranje stond, werd het

moeilijk den weg te vinden te midden der tegenstrijdige wenschen en

belangen van de bondgenootschappelijk vereenigde gewesten.

Toch was Oranje's gezag tot in het najaar nog steeds stijgende. Hij

was trouwens de eenige, die het nog eenigermate kon handhaven. Daar

hij zich zelf terecht beschouwde als de krachtigste belichaming van

de idee der generaliteit, verzuimde hij ook de gelegenheden niet,

die de Staten en de personen aan hem konden binden, ten einde des te

meer aanhangers voor de zaak der Generale Unie te winnen.

Op het einde van den zomer van 1578 werd de derde dochter van Charlotte

van Bourbon geboren. Het kind kreeg den naam van Catharina Belgica en

tegelijk met Catharina van Schwarzburg zou het doorluchtige lichaam

der Staten-Generaal als doopgetuige van de jonge spruit optreden. Bij

deze gelegenheid verzocht de Prins aan de Staten-Generaal het kind

volgens protestantsch gebruik te doen doopen en deelde hij tevens mede,

dat hij besloten had, nu er in Antwerpen vrijheid van godsdienst was,

daarvan voor zichzelf gebruik te maken. Wel waren er enkele Staten

tegen dat voorstel van den doop, maar officieele gedeputeerden werden

er toch benoemd om bij de doopplechtigheid tegenwoordig te zijn,

terwijl aan Oranje het grondgebied van Lingen, ter eere van deze

gelegenheid, werd aangeboden.

De pasgeboren dochter deed alzoo bij haar intrede in het leven haar

vader een grooten dienst, in zoover er publieke eerbewijzen te haren

behoeve aan hem werden betoond. Van deze goede gezindheid jegens

hem maakte Oranje gebruik, vergunning te vragen, in de buurt van

zijne woning een gebouw te stichten voor protestantschen eeredienst,

hetgeen hem ten volle werd toegestaan.

Ook graaf Jan was overtuigd, dat de ster van zijn broeder nog steeds

stijgende was, zooals uit een brief van hem aan Willem van Hessen

blijkt. Broer Jan was echter door zijn benoeming tot stadhouder van

Gelderland slechts kort getuige geweest van het optreden van Oranje

in het zuiden en ging in zijn optimistische berichten meer op losse

geruchten en op den schijn der dingen af. Want zelfs Oranje's gezag zou

ten slotte niet in staat blijken de geesten te bedwingen, den toestand

te beheerschen en eenheid en orde te scheppen in den chaos der dingen.

We zagen vroeger, dat het met Pinksteren te Gent tot een uitbarsting

was gekomen en de Calvinistische democratie overwonnen had. De

poging van Oranje door een godsdienstvrede de gemoederen in

het Zuiden te bedaren, was mislukt. Ook in Artois, dat evenals

Henegouwen aan Vlaanderen grensde, had de Calvinistische democratie

aanvankelijk overwonnen, maar door den heer van Montigny, broeder van

den Henegouwschen stadhouder Lalaing, was de katholieke reactie in

Artois spoedig de tegenpartij meester en Montigny met zijn troepen

bedreigde zelfs het Zuiden van Vlaanderen. Des te fanatieker

werd toen de Calvinistische partij in Gent, die in Augustus het

aantal gevangenen nog met Champagny had vermeerderd, daar deze,

uit afgunst op Oranje, ook van Brussel uit een katholieke reactie

had op touw gezet. In October ging men in Gent nog verder door twee

der gevangenen, o.a. den beruchten Hessels, op gruwelijke wijze om

het leven te brengen. Van geldelijke bijdragen van de stad om in den

algemeenen geldnood te voorzien, kwam niets en het gemeen bleef zich

in Gent en andere plaatsen aan beeldstormerij, plundering van kerken

en kloosters schuldig maken.

Het ontbrak niet aan pogingen van de zijde der Staten-Generaal,

om den vrede te herstellen. Vooral Oranje maakte zich daarbij zeer

verdienstelijk. In brieven verweet hij hen telkens den twist en de

tweedracht, die ze zaaiden, het gemis van hun plichtsbesef, om mede

tot instandhouding van het geheel hun belastingen op te brengen,

hun schandelijk geweld tegen geestelijken en edelen, tegen kerken en

kloosters, hun onchristelijke daden en den grooten ondienst, dien ze

hem met zulke handelwijzen deden, daar men Oranje in Brussel verweet,

dat de Gentsche bedrijven met zijne goedkeuring plaats hadden.

Geen harder en onbillijker aantijging is zeker den Prins ooit

gedaan. Het was hem juist alleen te doen om vrede en eendracht onder

de gewesten te verkrijgen, en hij had den religievrede voorgesteld,

ten einde elken aanstoot van weerszijden te vermijden, alsof hij

eenstemmig was met de Gentsche drijvers, die den katholieken een

onuitdoofbaren haat toedroegen! Alsof het democratisch Calvinisme,

dat alle burgerdeugden opofferde aan geloofsijver en geloofshaat, ooit

de sympathie kon hebben van dezen verdraagzame bij uitnemendheid! En

toch aan de andere zijde was het niet te verwonderen, dat men hem

daarvan verdacht. Hij was toch zelf Calvinist, althans in naam; hij

stond de vrijheid van godsdienst voor en ingeroepen door de burgerij,

had hij haar democratisch streven, ook mede om zijn billijkheid, niet

bestreden. Hoe konden bijgeloovige, bekrompen katholieken hem dan

van iets anders dan van sympathie met die Calvinisten verdenken? De

Prins stond daarvoor echter veel te hoog. En zijn verdere houding

tegenover Gent was het duidelijk bewijs, hoe hij van dien geest van

fanatisme een diepen afkeer had.

Brieven en zendingen baatten Oranje echter niets. Trots zijn beste

raadgevingen, ging men in Gent voort met geweld te plegen tegen de

Roomsche geestelijkheid.

De toestand werd nog erger toen Johan Casimir in Gent kwam en zich

aan het hoofd der Calvinistische ijveraars stelde, want uit wraak,

dat hij van de Staten zoo weinig steun ontving, verzette Casimir zich

tegen alle pogingen, die Oranje in het werk stelde om Gent tot andere

gedachten te brengen. Inmiddels hadden de Waalsche troepen onder

Montigny Meenen bezet en deze stonden nu tegenover die van Casimir

en Gent. Een burgeroorlog scheen onvermijdelijk. Vlaanderen aan de

eene zijde, Henegouwen en Artois aan den anderen kant, begonnen zich

feitelijk van de Staten-Generaal af te scheiden. De toestand was

werkelijk wanhopig.

Wat zou de regeering zonder voldoend gezag en machteloos door

geldgebrek kunnen uitvoeren in den verbitterden strijd, die was

uitgebroken tusschen de Calvinistische democratie in Gent, gesteund

door Casimirs troepen en het andere deel der staatsche krijgsmacht,

de Waalsche soldaten, die bovendien nog aan het muiten sloegen wegens

wanbetaling?

Inderdaad, waar geen redding mogelijk scheen, zou de Prins die althans

ten deele aanbrengen. Hij wist door zijn beleid en persoonlijk

optreden in Gent, de zaken zóó te besturen, dat in Vlaanderen aan

den strijd een einde scheen te zullen komen. De Walen echter waren

reeds te ver gegaan in hun reactie en veroorzaakten, dat de Unie der

17 gewesten uiteensprong.

Den 17en November was trots het verzet van Hembyze en anderen het

besluit genomen, den Prins het gouvernement Vlaanderen aan te bieden

en hem te verzoeken, persoonlijk naar Gent te komen, ten einde de

twisten bij te leggen.

Oranje talmde niet van uit Antwerpen den weg naar Gent in te

slaan, doch hij bleef voorloopig te Dendermonde. Hembyze en de

zijnen vertrouwde hij zoo weinig, dat hij eerst alle maatregelen

voor zijne veiligheid liet nemen, en de Gentenaars liet beloven,

dat ze voor zijn leven zouden instaan, voor en aleer hij naar de

stad trok. Ondertusschen kwamen Casimir, Rijhove e. a. hem reeds te

Dendermonde bezoeken. Zonder voorbehoud liet hij zich tegen Hembyze

en zijn aanhang uit, die dus wisten, wat hun te wachten stond, als

hij in Gent aankwam. Die heethoofd stelde daarom alles in het werk,

om Oranje's komst nog te beletten. Hij meende terecht, dat het dan met

zijn rijk en macht gedaan zou zijn. Ter elfder ure stelde hij nog voor,

Casimir volmacht te geven, om met Oranje een accoord te Dendermonde

te sluiten. Maar op het bericht, dat de Prins eerstdaags komen zou,

zoo men hem zijn veiligheid waarborgde, werd over dit voorstel niet

eens meer gesproken.

Den 2en December hield de Prins een plechtigen intocht in Gent,

begeleid door wel duizend menschen, uit zijn lijfwacht en eerewacht

bestaande. Gentsche ruiters, met Johan Casimir aan het hoofd, kwamen

hem te gemoet. Ook Hembyze nam den schijn aan, van mede den Prins die

hulde te bewijzen. Doch Oranje doorzag dien man geheel en was niet

voornemens hem te sparen. Hij wist, dat Hembyze, dien hij eertijds

zoo hoog geroemd had, een fanatiek drijver, een tyran voor het volk

was geworden.

Wilde er dus iets van Gent terecht komen, dan moest allereerst die

leider vernederd en beschaamd worden. Dat oogenblik liet niet lang

op zich wachten. Want nauwelijks had de magistraat den Prins in het

verblijf van Casimir verwelkomd en was de afspraak gemaakt, dat men

den volgenden ochtend de beraadslaging zou aanvangen, of Oranje vroeg,

wie hunner hem rekenschap kon geven van de vele troepen, die op weg

naar Gent waren. Het schijnt dat Hembyze die troepen had ontboden, om

zich en de zijnen te doen beschermen. Die troepen moesten aanstonds

terug en toen Hembyze zich niet wist te verantwoorden, zei de Prins

hem duchtig de waarheid en de Gentsche volksmenner stond geheel

bedremmeld en wist niet hoe zich te redden.

Het is bekend, hoe die Calvinistische drijvers, met Hembyze en Dathenus

aan het hoofd, zich niet hadden ontzien, om den Prins openlijk een

godloochenaar te schelden. Omdat hij elken vorm van godsdienstig leven

kon waardeeren en van elken vorm de religie van het hart onafhankelijk

maakte, daarom kon de Prins vrijheid van godsdienst voor beide gelooven

eischen en daarom kon hij zelf, uit louter inschikkelijkheid, zich een

jaar of langer van allen eeredienst onthouden, om allen te sparen. Doch

die breede opvatting kon geen der partijen dulden.

Hoevele eeuwen zouden nog moeten voorbijgaan, eer de Nathan der Weise,

eer de fabel der 3 ringen werd verstaan en toegepast! Hoe weinig worden

die nog begrepen in onze dagen, nu hoe langer hoe meer licht over het

eigenlijk wezen van den godsdienst is opgegaan! Hoe machtig zijn nog

de terughoudende krachten van vooroordeel, verblinding en huichelarij!

Maar dan kan het ons niet bevreemden, dat de Prins in zijn godsdienst

door zijne tijdgenooten niet verstaan werd, dat Oranje's verheven zijn

boven alle vormen door hen als verregaande onverschilligheid, ja zelfs

als goddeloosheid werd aangemerkt. De Prins wilde echter dat merkteeken

niet dragen, hij eischte in het recht gesteld te worden tegen hen,

die hem voor atheïst hadden uitgekreten. Harde woorden vielen er

uit zijn mond over Hembyze en zijn aanhangers en al gaven deze niet

aanstonds hun verzet tegen Oranje op, de zedelijke nederlagen, die

ze telkens in de eerste dagen leden, maakten het waarschijnlijk,

dat de Prins er in slagen zou, de gewenschte orde te herstellen.

De Prins had reeds vroeger een acte van aanneming opgesteld, waarin

aan de geestelijken hun eigendom werd verzekerd, de R. Katholieke

godsdienst vrij mocht worden uitgeoefend en de eisch werd gesteld,

dat de gevangenen zouden worden losgelaten. Behalve deze bepalingen,

die als grondslag moesten dienen om de onderhandelingen te beginnen,

stelde hij nu in een vergadering van de magistraat nog andere

bepalingen voor, die behalve een algemeene amnestie en een betere

regeling der geldmiddelen, ook inhielden: Behandeling der stadszaken

volgens de oude privileges.

Wie zich herinnert, hoe Gent op die oude privileges stond, kan

niet anders dan de hooge wijsheid van Oranje roemen, om daardoor

de Gentenaars te winnen. Dat hunne stedelijke zaken naar hun oude

voorrechten zouden behandeld worden, was voor de inwoners, die 40

jaar geleden al die voorrechten onder de straffende hand van Karel

V hadden verloren, een groote vreugde. Dat vooruitzicht gaf aan de

betere stemming, waarin de stad door Oranje's komst gekomen was,

nog verhoogden klank. Wel trachtte Hembyze nog een spaak in het

wiel te steken, maar zijn poging mislukte en zoo was er grond voor de

verwachting, dat niet alleen Gent weer voor de goede zaak der eendracht

zou worden gewonnen, maar ook, dat er een schikking zou gevonden

worden tusschen Gent en de Malcontenten uit Artois en Henegouwen.

Op den 5en December begonnen de beraadslagingen over de voorstellen

van den Prins, eerst met eene daartoe benoemde commissie, daarna met

de drie leden van de Poorterij, de Weverij en de Neringen. De dekens

der laatstgenoemde, onder wie Hembyze vele aanhangers telde, waren nog

niet zoo gemakkelijk te overreden, doch eindelijk gaven ook zij toe.

De R. Katholieke geestelijken ontvingen niet alleen hun eigendommen

terug, maar ze behielden ook volle vrijheid van godsdienst, zoowel

in Gent als in geheel Vlaanderen. Gent beloofde trouw aan de Unie,

terwijl de Staten-Generaal zouden zorgen, dat de Walen uit Vlaanderen

vertrokken enz.

Door het groot beleid van den Prins was het gelukt, Gent tot rede te

brengen en had de stad al de eischen toegestaan, die de Staten-Generaal

haar deden. Oranje kondigde buitendien een algemeene amnestie af

en gaf zelf het meest krasse bewijs zijner verdraagzaamheid en

vergevensgezindheid, toen hij alle pogingen bestreed om Hembyze uit

de magistraat te verwijderen en toen hij zelfs aannam, nog de gast

van Hembyze te willen zijn.

In de woning van zijn grootsten tegenstander in Gent bracht hij toen

met Casimir eenige dagen door.

Wel duurde het nog tot den 27en, eer de Gentsche godsdienstvrede

was afgekondigd, maar reeds op den 11en December was de stad tot

rust gekomen.

Buitengewoon veel menschen- en wereldkennis was er noodig geweest dat

resultaat te bereiken. Nog altijd was Gent de moeilijkste plaats om te

besturen; ook nu had men wederom ervaren, dat het volk nog dezelfde

hartstochtelijke karaktertrekken bezat als in de Middeleeuwen, toen

de wijze Jacob van Artevelde als het slachtoffer van den haat en den

hartstocht, door zijn stadgenooten zoo gruwelijk was vermoord.

Dat Oranje's optreden zulk een uitwerking op die bevolking veroorzaakt

had, is een nieuw bewijs van zijn zedelijke grootheid en van zijn

staatkundig genie. Door de grootste gestrengheid aan de eene zijde,

maar ook door de uiterste lankmoedigheid aan den anderen kant, is

hem het bedwingen van Gent gelukt.

Des te bedroevender was het, dat, waar die zware taak gelukkig

was vervuld, de vruchten toch niet konden geplukt worden. Door

het bedwingen van Gent was er groote kans op een schikking ook met

de andere ontevredenen, maar de Waalsche gewesten waren, terwijl

Oranje's aandacht geheel aan Gent was gewijd, in een andere richting

gedreven, die voor de instandhouding van de Generale Unie niet minder

gevaarlijk was.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 57 / 80 题