Toen de angst en de zorg van Leiden waren opgeheven, vond de Prins
gelegenheid, de aandacht op een ander vraagstuk te vestigen, een
vraagstuk dat hem reeds lang had vermoeid en afgemat. Het succes in de
laatste maand was groot geweest en ieder in den lande moest erkennen,
dat de Prins de ziel der geheele beweging was; aan hem en aan zijn
ijver dankte men dien voorspoed.
Oppervlakkig zou men dus zeggen, dat er thans maar één stem moest
geweest zijn om hem in alles te steunen. En toch had Oranje in die
dagen met grooten tegenstand van de zijde der Staten te worstelen;
een tegenstand die zelfs zoo onverdragelijk voor hem werd, dat hij
slechts veertien dagen na het ontzet van Leiden tot een middel de
toevlucht nam, dat meermalen door groote staatslieden in gespannen
oogenblikken is aangewend: hij dreigde met zijn ontslag en stelde voor,
het land te verlaten.
Wat was er dan gebeurd, dat hem tot zulk een krassen maatregel deed
besluiten?
De oorzaak daarvan lag in de slecht omschreven en dikwijls weinig
geëerbiedigde macht van Oranje. Op de vergadering te Dordrecht in
Juli 1572 had hij al de macht van den landsheer gekregen. Hij was hun
stadhouder en luitenant-generaal maar als een autocraat het land te
besturen, dat lag geenszins in zijn karakter, terwijl het bovendien
in strijd zou geweest zijn met de uitdrukkelijke privilegiën der
gewesten, die hem als stadhouder erkend hadden. Van het begin af
aan raadpleegde hij met de Staten en hield met hunne meeningen
rekening. Inderdaad, dit was de eenig practische handelwijze, maar
het werd voor hem een bron van oneindige verlegenheid en moeite. Wel
kon zijn persoonlijke invloed veel uitwerken, maar de zware kosten
van den oorlog, de schadevergoeding aan de eigenaars en bebouwers
van het overstroomde land veroorzaakten, dat de Prins telkens hooge
geldelijke eischen stelde aan de Staten, die ze echter met groote
moeite inwilligden. Daarenboven maakten de Staten en vroedschappen,
het hof en de edelen, zich schuldig aan allerlei aanmatigingen; ze
maakten inbreuk op zaken die duidelijk tot het ambt van den Stadhouder
behoorden; zij handelden tegen oude privilegiën van het land, mengden
zich zelfs in de bijzonderheden van de militaire zaken omdat zij het
geld verschaften.
Daarbij kwam nog, dat de Staten zeer licht ontmoedigd waren en telkens
een voorwaartsche beweging belemmerden; ook waren er voortdurend
twisten tusschen de steden van Noord-Holland en den wreeden Sonoy. Het
is te begrijpen, hoe vooral in oorlogstijd dit alles belemmerend op
den goeden gang van zaken werkte, terwijl de Prins, die in den regel
als bemiddellaar optrad, telkens in moeilijkheden geraakte. Het werd
hem eindelijk duidelijk, dat hij met gebonden handen het schip van
Staat niet kon besturen.
Ontmoedigd door al de uitvluchten en de verwarring in regeeringszaken
en financiën, verscheen hij op den 20en October voor een vergadering
van de Staten van Holland en verklaarde plechtig, dat het beter
was, indien zij zelf de regeering in handen namen en hij het land
verliet. De Prins grondde die verklaring op den waan van het volk,
alsof het geld, dat werd opgebracht, ten dienste van hem was en niet
van het algemeen belang, op den onwil om de gelden op te brengen en
op het misbruik, dat er van die gelden door verkeerde administratie
werd gemaakt.
Dat middel hielp, doch niet zoo spoedig, als men wellicht zou
meenen. De Staten beraadslaagden over zijn voorstel en vroegen hem op
den 12en November niet alleen zijn ambten te behouden, maar zeiden,
dat het eenig middel tot verbetering was: centralisatie van het bestuur
in de handen van den Prins. Zonder een hoofd konden zij niets doen;
hij was de eenige leider, dien zij begeerden. Zij boden hem daarom aan:
"absolute macht, autoriteit en souverein bevel ten dienste van al de
gemeene landszaken, niet een uitgezonderd."
Dat was alles goed en wel, doch naar den zin van den Prins nog
niet beslissend genoeg, daar alles afhing van geregelde geldelijke
subsidiën. Hij bleef aandringen op f 45.000 per maand en toen er
weder een week verloopen was voor hier een beslist antwoord op kwam,
zond de Prins Paulus Buys naar de Staten om aan te dringen op geen
langer uitstel, daar het belang van het land dat niet kon lijden. Men
bood hem toen maandelijks f 30.000 aan, meenende, dat dit voldoende
was. Oranje weigerde en verklaarde ten tweede male, dat hij liever
het land verliet, dan het onmogelijke te beproeven. Dan konden zij
hun zaken zoo zuinig mogelijk behandelen als zij wenschten.
De Staten gaven toe, willigden f 45.000 in en daarmee was de positie
van den Prins voor goed gevestigd. Hij had nu een bepaald budget,
waarop hij kon rekenen en dictatoriaal gezag over al de belangen van
de gewesten.
Onder den titel van "gouverneur" voor den koning was hij thans
feitelijk de souvereine heer van Holland en Zeeland. "Niet het minst
in deze zaken," zegt Prof. Blok, "toonde hij zich een staatsman
van groote talenten en zulk een staatsman was bij de toenmalige
verhoudingen noodig."
Ondertusschen waren de onderhandelingen over den vrede nooit geheel
afgebroken. Requesens was door de muiterij der Spaansche soldaten
en zijn geldgebrek zeer in het nauw gebracht, zoodat zelfs tijdens
de insluiting van Leiden en na den slag bij Mook, toen alle kansen
gunstig schenen te staan voor de Spanjaarden, pogingen door hem
waren aangewend, om den Prins tot den vrede te overreden. Te Bommel,
waar Oranje zich toen ophield, verscheen de vorige pensionaris van
Middelburg, Hugo Bonte om den Prins over den vrede te polsen.
Aan Bonte gaf hij het antwoord, dat hij gewoon was te geven, namelijk,
dat hij de handhaving der privilegiën en de vrijheid van godsdienst
eischte voor 't land en tevens, dat hij zijne belangen niet wilde
scheiden van die van Holland en Zeeland. Van Spaansche zijde had men
dit laatste anders gedacht; men achtte den Prins wel vatbaar voor
overleggingen, die zijne bijzondere belangen betroffen.
Was men daarin geslaagd en had men alzoo den Prins van het land
gescheiden, dan zou dit gemakkelijk onder het Spaansche juk gebracht
kunnen worden.
De Prins stemde toe in een samenkomst van gedeputeerden der Staten
met enkele katholieke heeren, 't zij in de buurt van Woerden,
't zij bij Geertruidenberg. Hij deed Bonte echter gevoelen, dat
een sine qua non van elke overeenkomst zijn zou: de instandhouding
van het hervormd geloof. Toen Bonte twijfel daaraan opperde, zei de
Prins, dat zelfs de Paus verdraagzaam was tegenover de Joden. Ook
sprak Oranje nog bij die gelegenheid het merkwaardige woord, dat
er nog wel een andere sterke hand kon gevonden worden, om het land,
"een schoone dame met vele aanbidders," te beschermen.
Eenige dagen daarna kwamen er verschillende afgevaardigden bij den
Prins. Zijn antwoord was helder en eenvoudig. Ook hij verlangde hoe eer
hoe beter, het eind van de troebelen, wilde geheele verwoesting van
het land worden voorkomen. Op het punt van godsdienst moest het volk
worden tevreden gesteld; wat hem aanging, hij was bereid, als de koning
het wilde, het land te verlaten, zoodra de onlusten bedaard waren.
Een poging door Marnix gedaan, die daarvoor expres uit de gevangenis
te Utrecht naar Rotterdam mocht gaan om den Prins te bezoeken, had
geen verder succes; Oranje bleef bij zijne eischen en Marnix keerde
onverrichterzake naar de gevangenis terug.
De drang naar vrede was, in het bijzonder in de Zuidelijke Nederlanden,
zeer sterk en Requesens beijverde zich dan ook in die richting werkzaam
te zijn. Het gevolg hiervan was dat in het voorjaar van 1575 te Breda
werkelijk de vredesonderhandelingen werden geopend. Keizer Maximiliaan
werkte die zeer in de hand, al had hij sedert Filips' huwelijk met zijn
dochter, niet meer beslist partij gekozen voor de opgestane gewesten.
De voorwaarden welke door Requesens waren aangeboden hielden
o. a. in, dat de katholieke godsdienst uitsluitend zou worden
gehandhaafd. Natuurlijk was deze voorwaarde voor de Noord-Nederlanders
onaanneembaar, terwijl de koning niet wilde ingaan op het voorstel
van hen, n.l. aan de Staten Generaal, meer macht te geven in de
zaken van den godsdienst. Hoe ook geneigd tot den vrede en andere
tegemoetkomingen, binnen de landpalen van zijn gebied kon en mocht
alleen de oude godsdienst gehandhaafd worden.
Het bleek maar al te duidelijk: tusschen den Koning en den Prins was
geen vergelijk mogelijk.
Al was het eigenlijke doel niet bereikt, de onderhandelingen waren
niet geheel zonder resultaat, want vóór het opheffen der vergadering
kwam de kwestie van de Unie van Holland en Zeeland en de macht van
den Prins nog op het tapijt. Er was een band noodig tusschen de twee
gewesten, die naar hetzelfde doel streefden.
De Zeeuwen en de Noord-Hollanders toonden weinig neiging tot nadere
vereeniging; ze vreesden door een aansluiting aan Zuid-Holland hun
zelfstandigheid te verliezen. Het verbond kwam dus niet tot stand,
maar de geldmiddelen voor beide gewesten werden geregeld. Holland
wilde zich echter niet door de Zeeuwen laten ophouden om den Prins
het gouvernement aan te bieden. Het eenige verschilpunt tusschen
de Staten en hem was de regeling van den godsdienst, daar de Prins
bleef vasthouden aan het beginsel van algemeene verdraagzaamheid,
waartegen de Staten zich verzetten. Ze kozen ten slotte de zeer
dubbelzinnige uitdrukking, dat verboden werd "de exercitie van de
religie den Evangelie contrarieerende," waarmee Oranje genoegen nam,
zeker niet vermoedende, dat men na zijn dood, die uitdrukking ook op
den R. Katholieken godsdienst van toepassing zou maken.
Wat de souvereiniteit betreft, kan men zich moeilijk zonderlinger
verhouding voorstellen dan tusschen den Prins en de Staten. De steden,
die hen afvaardigden, zochten zich onophoudelijk een gezag aan te
matigen, dat hun volgens de oude rechten niet toekwam. De Staten,
zich wel bewust, dat alleen de leiding van den Prins vastheid aan de
regeering kon geven, wilden hem de dictatuur opdragen, maar zij wisten
ook dat de vroedschappen op het behoud hunner zelfstandigheid bedacht
waren. Aan de dictatuur konden zij zich door de vroedschappen niet
onderwerpen, maar toch boden zij haar den Prins aan. Deze wenschte
geen dictatorschap, maar het uitvoerend gezag, waarvan hij het hoofd
was, moest niet onophoudelijk de Staten en deze weer de vroedschappen
vragen.
Duidelijk staan we bij deze onderhandelingen voor dezelfde gebreken,
die in later eeuwen steeds de Republiek en hare inrichting
hebben aangekleefd. Die gebreken waren vooral drieledig: 1o. de
afhankelijkheid van de leden der Staten van hunne machtgevers,
de steden; 2o. de uitsluiting van het volk, aan wie de souvereine
regenten geen deelneming aan het staatsbestuur wilden toestaan;
3o. de oppermacht en onverdraagzaamheid van de Staatskerk.
Tot welk een oligarchie, [10] nepotisme [11] en onderdrukking dit heeft
geleid, is genoeg uit de geschiedenis bekend. Het is de kanker van al
haar rampen en van haar eindelijken ondergang. Wie bewondert dan niet
het scherpe oog van den wijzen staatsman, Willem van Oranje, die al die
fouten doorzag en zelf de middelen tot herstel aan de hand gaf. Hij
wenschte een souvereine vergadering en geen souvereine regenten van
steden; hij wenschte aandeel van de gemeente in het staatsbestuur
en vrijheid van godsdienst ook voor de Roomsch-Katholieken. Maar
noch het een, noch het ander vond goedkeuring bij de mannen van
zijn tijd. Daartoe waren ze te autocratisch, te aristocratisch,
te Calvinistisch. Eene definitieve regeling tusschen den Prins en
de Staten bleef dus achterwege en Oranje behandelde voorloopig met
eenige gedeputeerden de zaken. Dit kon alleen, omdat de Prins zulk
een waarlijk groot staatsman was, die met een vast en edel doel
voor den geest, de menschen, die met hem werkten, zoo volkomen wist
te beheerschen.
Daarbij ontbrak het hem niet aan personen als Marnix van St. Aldegonde,
Paulus Buys, van Dorp, Pauli, later ook Oldenbarnevelt, die één van
zin en hart waren, als het gold het belang van den opkomenden staat.
Na het afbreken der vredesonderhandelingen werd de oorlog spoedig
hervat. Reeds in het voorjaar van 1575 deed de koninklijke Stadhouder
van Utrecht en Gelderland, Hierges, een aanval op Noord-Holland,
waar juist toen in die dagen Sonoy, kwader gedachtenisse, zijn
afschuwelijke vervolging der katholieken was begonnen. Deze maakte zich
in West-Friesland aan schandelijke wreedheden schuldig. De vervolgden
deden wel een beroep op den Prins, maar Oranje was vooreerst niet
bij machte de gruwelen, die Sonoy bedreef, te keeren. Vandaar dat,
hoe onbillijk ook, de smet, die op Sonoy kleefde, den Prins zelf werd
en nog wordt aangewreven. Hierges belegerde daarop Oudewater, dat, hoe
dapper ook verdedigd, zich eindelijk moest overgeven en even gruwelijk
behandeld werd als Sonoy de roomsche boeren in het Noorden deed. Ook
Schoonhoven viel in zijne handen en het gevaar, dat de Spanjaard van
die zijde Zuid-Holland zou heroveren, bleef nog geruimen tijd dreigen.
Ook in Zeeland had er in 1575 een nieuwe vijandelijke aanval plaats,
die de verovering van Zierikzee in het jaar daarop tengevolge had en
die het leven kostte van de beide edele en dappere broeders Boisot,
eerst Charles en daarna Louis. Het is bekend, dat na de inneming van
Zierikzee door den opstand der Spaansche troepen zelf en de daarop
volgende Spaansche furie, de zaken voor Holland een beteren keer
namen. Doch daarop komen we nader terug, want ons rest nog van het
jaar 1575 een hoogst belangrijke andere gebeurtenis uit het leven
van den Prins te verhalen.