VERGEEFSCHE VREDESONDERHANDELINGEN. 1574-1575.

Toen de angst en de zorg van Leiden waren opgeheven, vond de Prins

gelegenheid, de aandacht op een ander vraagstuk te vestigen, een

vraagstuk dat hem reeds lang had vermoeid en afgemat. Het succes in de

laatste maand was groot geweest en ieder in den lande moest erkennen,

dat de Prins de ziel der geheele beweging was; aan hem en aan zijn

ijver dankte men dien voorspoed.

Oppervlakkig zou men dus zeggen, dat er thans maar één stem moest

geweest zijn om hem in alles te steunen. En toch had Oranje in die

dagen met grooten tegenstand van de zijde der Staten te worstelen;

een tegenstand die zelfs zoo onverdragelijk voor hem werd, dat hij

slechts veertien dagen na het ontzet van Leiden tot een middel de

toevlucht nam, dat meermalen door groote staatslieden in gespannen

oogenblikken is aangewend: hij dreigde met zijn ontslag en stelde voor,

het land te verlaten.

Wat was er dan gebeurd, dat hem tot zulk een krassen maatregel deed

besluiten?

De oorzaak daarvan lag in de slecht omschreven en dikwijls weinig

geëerbiedigde macht van Oranje. Op de vergadering te Dordrecht in

Juli 1572 had hij al de macht van den landsheer gekregen. Hij was hun

stadhouder en luitenant-generaal maar als een autocraat het land te

besturen, dat lag geenszins in zijn karakter, terwijl het bovendien

in strijd zou geweest zijn met de uitdrukkelijke privilegiën der

gewesten, die hem als stadhouder erkend hadden. Van het begin af

aan raadpleegde hij met de Staten en hield met hunne meeningen

rekening. Inderdaad, dit was de eenig practische handelwijze, maar

het werd voor hem een bron van oneindige verlegenheid en moeite. Wel

kon zijn persoonlijke invloed veel uitwerken, maar de zware kosten

van den oorlog, de schadevergoeding aan de eigenaars en bebouwers

van het overstroomde land veroorzaakten, dat de Prins telkens hooge

geldelijke eischen stelde aan de Staten, die ze echter met groote

moeite inwilligden. Daarenboven maakten de Staten en vroedschappen,

het hof en de edelen, zich schuldig aan allerlei aanmatigingen; ze

maakten inbreuk op zaken die duidelijk tot het ambt van den Stadhouder

behoorden; zij handelden tegen oude privilegiën van het land, mengden

zich zelfs in de bijzonderheden van de militaire zaken omdat zij het

geld verschaften.

Daarbij kwam nog, dat de Staten zeer licht ontmoedigd waren en telkens

een voorwaartsche beweging belemmerden; ook waren er voortdurend

twisten tusschen de steden van Noord-Holland en den wreeden Sonoy. Het

is te begrijpen, hoe vooral in oorlogstijd dit alles belemmerend op

den goeden gang van zaken werkte, terwijl de Prins, die in den regel

als bemiddellaar optrad, telkens in moeilijkheden geraakte. Het werd

hem eindelijk duidelijk, dat hij met gebonden handen het schip van

Staat niet kon besturen.

Ontmoedigd door al de uitvluchten en de verwarring in regeeringszaken

en financiën, verscheen hij op den 20en October voor een vergadering

van de Staten van Holland en verklaarde plechtig, dat het beter

was, indien zij zelf de regeering in handen namen en hij het land

verliet. De Prins grondde die verklaring op den waan van het volk,

alsof het geld, dat werd opgebracht, ten dienste van hem was en niet

van het algemeen belang, op den onwil om de gelden op te brengen en

op het misbruik, dat er van die gelden door verkeerde administratie

werd gemaakt.

Dat middel hielp, doch niet zoo spoedig, als men wellicht zou

meenen. De Staten beraadslaagden over zijn voorstel en vroegen hem op

den 12en November niet alleen zijn ambten te behouden, maar zeiden,

dat het eenig middel tot verbetering was: centralisatie van het bestuur

in de handen van den Prins. Zonder een hoofd konden zij niets doen;

hij was de eenige leider, dien zij begeerden. Zij boden hem daarom aan:

"absolute macht, autoriteit en souverein bevel ten dienste van al de

gemeene landszaken, niet een uitgezonderd."

Dat was alles goed en wel, doch naar den zin van den Prins nog

niet beslissend genoeg, daar alles afhing van geregelde geldelijke

subsidiën. Hij bleef aandringen op f 45.000 per maand en toen er

weder een week verloopen was voor hier een beslist antwoord op kwam,

zond de Prins Paulus Buys naar de Staten om aan te dringen op geen

langer uitstel, daar het belang van het land dat niet kon lijden. Men

bood hem toen maandelijks f 30.000 aan, meenende, dat dit voldoende

was. Oranje weigerde en verklaarde ten tweede male, dat hij liever

het land verliet, dan het onmogelijke te beproeven. Dan konden zij

hun zaken zoo zuinig mogelijk behandelen als zij wenschten.

De Staten gaven toe, willigden f 45.000 in en daarmee was de positie

van den Prins voor goed gevestigd. Hij had nu een bepaald budget,

waarop hij kon rekenen en dictatoriaal gezag over al de belangen van

de gewesten.

Onder den titel van "gouverneur" voor den koning was hij thans

feitelijk de souvereine heer van Holland en Zeeland. "Niet het minst

in deze zaken," zegt Prof. Blok, "toonde hij zich een staatsman

van groote talenten en zulk een staatsman was bij de toenmalige

verhoudingen noodig."

Ondertusschen waren de onderhandelingen over den vrede nooit geheel

afgebroken. Requesens was door de muiterij der Spaansche soldaten

en zijn geldgebrek zeer in het nauw gebracht, zoodat zelfs tijdens

de insluiting van Leiden en na den slag bij Mook, toen alle kansen

gunstig schenen te staan voor de Spanjaarden, pogingen door hem

waren aangewend, om den Prins tot den vrede te overreden. Te Bommel,

waar Oranje zich toen ophield, verscheen de vorige pensionaris van

Middelburg, Hugo Bonte om den Prins over den vrede te polsen.

Aan Bonte gaf hij het antwoord, dat hij gewoon was te geven, namelijk,

dat hij de handhaving der privilegiën en de vrijheid van godsdienst

eischte voor 't land en tevens, dat hij zijne belangen niet wilde

scheiden van die van Holland en Zeeland. Van Spaansche zijde had men

dit laatste anders gedacht; men achtte den Prins wel vatbaar voor

overleggingen, die zijne bijzondere belangen betroffen.

Was men daarin geslaagd en had men alzoo den Prins van het land

gescheiden, dan zou dit gemakkelijk onder het Spaansche juk gebracht

kunnen worden.

De Prins stemde toe in een samenkomst van gedeputeerden der Staten

met enkele katholieke heeren, 't zij in de buurt van Woerden,

't zij bij Geertruidenberg. Hij deed Bonte echter gevoelen, dat

een sine qua non van elke overeenkomst zijn zou: de instandhouding

van het hervormd geloof. Toen Bonte twijfel daaraan opperde, zei de

Prins, dat zelfs de Paus verdraagzaam was tegenover de Joden. Ook

sprak Oranje nog bij die gelegenheid het merkwaardige woord, dat

er nog wel een andere sterke hand kon gevonden worden, om het land,

"een schoone dame met vele aanbidders," te beschermen.

Eenige dagen daarna kwamen er verschillende afgevaardigden bij den

Prins. Zijn antwoord was helder en eenvoudig. Ook hij verlangde hoe eer

hoe beter, het eind van de troebelen, wilde geheele verwoesting van

het land worden voorkomen. Op het punt van godsdienst moest het volk

worden tevreden gesteld; wat hem aanging, hij was bereid, als de koning

het wilde, het land te verlaten, zoodra de onlusten bedaard waren.

Een poging door Marnix gedaan, die daarvoor expres uit de gevangenis

te Utrecht naar Rotterdam mocht gaan om den Prins te bezoeken, had

geen verder succes; Oranje bleef bij zijne eischen en Marnix keerde

onverrichterzake naar de gevangenis terug.

De drang naar vrede was, in het bijzonder in de Zuidelijke Nederlanden,

zeer sterk en Requesens beijverde zich dan ook in die richting werkzaam

te zijn. Het gevolg hiervan was dat in het voorjaar van 1575 te Breda

werkelijk de vredesonderhandelingen werden geopend. Keizer Maximiliaan

werkte die zeer in de hand, al had hij sedert Filips' huwelijk met zijn

dochter, niet meer beslist partij gekozen voor de opgestane gewesten.

De voorwaarden welke door Requesens waren aangeboden hielden

o. a. in, dat de katholieke godsdienst uitsluitend zou worden

gehandhaafd. Natuurlijk was deze voorwaarde voor de Noord-Nederlanders

onaanneembaar, terwijl de koning niet wilde ingaan op het voorstel

van hen, n.l. aan de Staten Generaal, meer macht te geven in de

zaken van den godsdienst. Hoe ook geneigd tot den vrede en andere

tegemoetkomingen, binnen de landpalen van zijn gebied kon en mocht

alleen de oude godsdienst gehandhaafd worden.

Het bleek maar al te duidelijk: tusschen den Koning en den Prins was

geen vergelijk mogelijk.

Al was het eigenlijke doel niet bereikt, de onderhandelingen waren

niet geheel zonder resultaat, want vóór het opheffen der vergadering

kwam de kwestie van de Unie van Holland en Zeeland en de macht van

den Prins nog op het tapijt. Er was een band noodig tusschen de twee

gewesten, die naar hetzelfde doel streefden.

De Zeeuwen en de Noord-Hollanders toonden weinig neiging tot nadere

vereeniging; ze vreesden door een aansluiting aan Zuid-Holland hun

zelfstandigheid te verliezen. Het verbond kwam dus niet tot stand,

maar de geldmiddelen voor beide gewesten werden geregeld. Holland

wilde zich echter niet door de Zeeuwen laten ophouden om den Prins

het gouvernement aan te bieden. Het eenige verschilpunt tusschen

de Staten en hem was de regeling van den godsdienst, daar de Prins

bleef vasthouden aan het beginsel van algemeene verdraagzaamheid,

waartegen de Staten zich verzetten. Ze kozen ten slotte de zeer

dubbelzinnige uitdrukking, dat verboden werd "de exercitie van de

religie den Evangelie contrarieerende," waarmee Oranje genoegen nam,

zeker niet vermoedende, dat men na zijn dood, die uitdrukking ook op

den R. Katholieken godsdienst van toepassing zou maken.

Wat de souvereiniteit betreft, kan men zich moeilijk zonderlinger

verhouding voorstellen dan tusschen den Prins en de Staten. De steden,

die hen afvaardigden, zochten zich onophoudelijk een gezag aan te

matigen, dat hun volgens de oude rechten niet toekwam. De Staten,

zich wel bewust, dat alleen de leiding van den Prins vastheid aan de

regeering kon geven, wilden hem de dictatuur opdragen, maar zij wisten

ook dat de vroedschappen op het behoud hunner zelfstandigheid bedacht

waren. Aan de dictatuur konden zij zich door de vroedschappen niet

onderwerpen, maar toch boden zij haar den Prins aan. Deze wenschte

geen dictatorschap, maar het uitvoerend gezag, waarvan hij het hoofd

was, moest niet onophoudelijk de Staten en deze weer de vroedschappen

vragen.

Duidelijk staan we bij deze onderhandelingen voor dezelfde gebreken,

die in later eeuwen steeds de Republiek en hare inrichting

hebben aangekleefd. Die gebreken waren vooral drieledig: 1o. de

afhankelijkheid van de leden der Staten van hunne machtgevers,

de steden; 2o. de uitsluiting van het volk, aan wie de souvereine

regenten geen deelneming aan het staatsbestuur wilden toestaan;

3o. de oppermacht en onverdraagzaamheid van de Staatskerk.

Tot welk een oligarchie, [10] nepotisme [11] en onderdrukking dit heeft

geleid, is genoeg uit de geschiedenis bekend. Het is de kanker van al

haar rampen en van haar eindelijken ondergang. Wie bewondert dan niet

het scherpe oog van den wijzen staatsman, Willem van Oranje, die al die

fouten doorzag en zelf de middelen tot herstel aan de hand gaf. Hij

wenschte een souvereine vergadering en geen souvereine regenten van

steden; hij wenschte aandeel van de gemeente in het staatsbestuur

en vrijheid van godsdienst ook voor de Roomsch-Katholieken. Maar

noch het een, noch het ander vond goedkeuring bij de mannen van

zijn tijd. Daartoe waren ze te autocratisch, te aristocratisch,

te Calvinistisch. Eene definitieve regeling tusschen den Prins en

de Staten bleef dus achterwege en Oranje behandelde voorloopig met

eenige gedeputeerden de zaken. Dit kon alleen, omdat de Prins zulk

een waarlijk groot staatsman was, die met een vast en edel doel

voor den geest, de menschen, die met hem werkten, zoo volkomen wist

te beheerschen.

Daarbij ontbrak het hem niet aan personen als Marnix van St. Aldegonde,

Paulus Buys, van Dorp, Pauli, later ook Oldenbarnevelt, die één van

zin en hart waren, als het gold het belang van den opkomenden staat.

Na het afbreken der vredesonderhandelingen werd de oorlog spoedig

hervat. Reeds in het voorjaar van 1575 deed de koninklijke Stadhouder

van Utrecht en Gelderland, Hierges, een aanval op Noord-Holland,

waar juist toen in die dagen Sonoy, kwader gedachtenisse, zijn

afschuwelijke vervolging der katholieken was begonnen. Deze maakte zich

in West-Friesland aan schandelijke wreedheden schuldig. De vervolgden

deden wel een beroep op den Prins, maar Oranje was vooreerst niet

bij machte de gruwelen, die Sonoy bedreef, te keeren. Vandaar dat,

hoe onbillijk ook, de smet, die op Sonoy kleefde, den Prins zelf werd

en nog wordt aangewreven. Hierges belegerde daarop Oudewater, dat, hoe

dapper ook verdedigd, zich eindelijk moest overgeven en even gruwelijk

behandeld werd als Sonoy de roomsche boeren in het Noorden deed. Ook

Schoonhoven viel in zijne handen en het gevaar, dat de Spanjaard van

die zijde Zuid-Holland zou heroveren, bleef nog geruimen tijd dreigen.

Ook in Zeeland had er in 1575 een nieuwe vijandelijke aanval plaats,

die de verovering van Zierikzee in het jaar daarop tengevolge had en

die het leven kostte van de beide edele en dappere broeders Boisot,

eerst Charles en daarna Louis. Het is bekend, dat na de inneming van

Zierikzee door den opstand der Spaansche troepen zelf en de daarop

volgende Spaansche furie, de zaken voor Holland een beteren keer

namen. Doch daarop komen we nader terug, want ons rest nog van het

jaar 1575 een hoogst belangrijke andere gebeurtenis uit het leven

van den Prins te verhalen.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 43 / 80 题