Het jaar 1574 opende zich onder goede vooruitzichten voor het
land. Alva was vertrokken en opgevolgd door een man, die tot vrede
geneigd was. In Middelburg hielden de Geuzen den wakkeren Mondragon zóó
ingesloten, dat de kans op bewaring der stad zeer klein was. Geduldig
wachtte de Prins in Zierikzee op den afloop.
Elke regel, die hij gedurende dien winter schreef, spreekt van
verlatenheid, waaronder hij gebogen ging.
Zijn broeders schreven hem voortdurend, maar de communicatie tusschen
Dillenburg en Zeeland was zoo slecht, dat maar een klein gedeelte
van de hartelijke brieven hun bestemming bereikte.
Dit maakte Oranje onrustig en stemde hem somber; "Sedert den 6en
November heb ik geen woord van u vernomen," schrijft de Prins op den
6en Januari uit Vlissingen aan zijn broeders. Dringend vraagt hij om
bericht hoe de zaken staan en waarop hij mag rekenen, opdat de droevige
geschiedenis van Haarlem zich niet zal herhalen. "Waarom worden de
maatregelen, die gij genomen hebt, zoo lang uitgesteld?" gaat hij
verder, "nu zou daadwerkelijke hulp wat beteekenen, want de vijand
is ontmoedigd, verdeeld en naar alle kanten verspreid."
Nog voordat hij den brief had verstuurd kwam er tijding van Jan uit
Dillenburg, den 21en November verzonden, waarin deze vertelt over de
ontmoeting van Lodewijk met den koning van Polen. Oranje dankt hem ten
zeerste en bericht tevens, dat Middelburg tot zulk een uiterste is
gebracht, dat de stad eerstdaags wel in hun handen zal vallen. Vele
mannen, vrouwen en kinderen sterven dagelijks van honger en het zal
den vijand niet gelukken, de stad van proviand te voorzien.
Misschien had Mondragon het nog langer dan de Prins vermoedde in
Middelburg uitgehouden, wanneer niet in dezelfde maand Januari,
Oranjes admiraal Boisot, een glorierijke overwinning op een Spaansche
vloot had behaald.
Requesens wilde nl. een poging wagen om Middelburg te ontzetten;
daarom verzamelde hij een groot aantal schepen bij Bergen op Zoom,
die met een vloot van dertig schepen onder d'Avila van Antwerpen
uit naar Middelburg zouden stevenen. d'Avila kwam in het laatst
van Januari niet ver van Vlissingen aan, teneinde daar de komst van
de andere vloot onder Romero af te wachten en dan gezamenlijk het
uitgehongerde Middelburg hulp te verleenen.
Requesens begaf zich naar Bergen op Zoom om het vertrek van Romero's
schepen te bespoedigen, doch de Prins van Oranje zou niet gedoogen,
dat de stad langs dien weg gered werd.
De vloot van admiraal Boisot was reeds de Schelde opgevaren
en had tegenover Bergen op Zoom het anker laten vallen. Oranje
scheepte zich te Zierikzee in en bracht de geuzenvloot een bezoek;
de onderbevelhebbers werden bijeengeroepen en hij hield hun kort
en krachtig voor, van welk groot belang het was, dat Middelburg,
de sleutel van Zeeland, in hun handen zou vallen. Zijn bezoek miste
de uitwerking niet; men zwoer den Prins alles voor het vaderland en
de goede zaak, die zij dienden, over te hebben en alle krachten te
zullen inspannen den Spanjaarden te beletten in Middelburg te komen.
Den 29en Januari liep de vloot van Romero uit Bergen op Zoom, gesplitst
in drie smaldeelen elk van vijf en twintig vaartuigen. Tegenover
Roemerswaal wachtte Boisot, in slagorde geschaard, de Spanjaarden
op. Men had besloten de Spaansche schepen te enteren en al het volk
stond op het dek met handspaken en enterbijlen gereed.
Zoovelen van Romero's schepen als men op den nauwen waterplas enteren
kon, raakten ook aan den vijand vast. Een moorddadig gevecht van
man tegen man volgde, waarbij bijl, enterpiek, pistool en dolk de
wapenen waren.
Reeds spoedig bleek de minderheid der Spanjaarden en nadat zij tal
van schepen hadden verloren en eenige honderden Spanjaarden gesneuveld
waren, vertrok het overschot van 's vijands vloot naar Bergen op Zoom.
Hier stond de groot-kommandeur op een dijk het verloop van het
gevecht gade te slaan en was daardoor getuige van de volslagen
nederlaag. Romero, wiens schip in den grond was geboord, kwam zwemmende
aan wal, juist waar Requesens stond. "Ik heb Uwe Excellentie gezegd,"
zei Romero koeltjes, toen hij druipend nat op het strand klom, "dat ik
een landsoldaat en geen zeeman was. Indien gij mij bevel gaaft over een
honderdtal vloten, ik zou het er niet beter hebben afgebracht dan nu."
Het gevolg was, dat d'Avila ook verplicht was naar Antwerpen terug
te keeren en Mondragon in Middelburg aan zijn lot moest worden
overgelaten.
In het midden van Februari gaf de stad zich over; op den 18en dier
maand teekende de Prins vijf artikelen, waarbij aan den Spaanschen
bevelhebber eervolle uittocht werd verleend.
Deze gebeurtenis was in menig opzicht allerbelangrijkst. Volgens de
Spanjaarden was de Prins een rebel, de leider van een oproerigen
troep, met wien men niet, als met een oorlogvoerende mogendheid
kon onderhandelen. Toen Mondragon toestemde tot een mondelinge
onderhandeling, stond door dit feit de Prins aanstonds op een geheel
ander standpunt, waarvan hij niet meer afweek.
In de artikelen, die Oranje aan Mondragon ter teekening aanbood, werd
met opzet vermeld, dat Oranje de stadhouder van den koning was en dat
de burgers trouw aan hem moesten zweren en eene schatting van 300.000
florijnen zouden betalen. Ook beloofde Mondragon de loslating van
Aldegonde en vier andere gevangenen van hooger rang te bewerkstelligen
en, indien dit niet gelukte binnen twee maanden, dan zou hij zelf
terugkeeren en zich als krijgsgevangene aan den Prins overleveren.
Een paar dagen na het vertrek van Mondragon verscheen de Prins in de
stad en organiseerde er aanstonds het bestuur. Hierin kreeg Oranje veel
macht, daar de abt van Middelburg, een der drie leden van de Staten,
verviel en de adel alleen vertegenwoordigd werd door een zoogenaamden
Eersten Edele, welke waardigheid Oranje in 1562 voor zijn oudsten
zoon had verkregen. Door het verblijf van dien zoon in Spanje, was de
waardigheid op den Prins overgegaan, die als zijn vertegenwoordiger
Arend van Dorp, gouverneur van Zierikzee, aanstelde. Iets later
kocht Oranje het markiezaat van Veere en Vlissingen, waardoor zijn
macht nog aangroeide in Zeeland, daar deze steden met de andere in
de Staten optraden. Op dubbele wijze had de Prins dus in dit gewest
grooten invloed, waaruit dan ook te verklaren is, dat de macht van de
Prinsen van Oranje in het geheele verloop van de geschiedenis onzer
Republiek zeer groot is geweest.
Behalve dat het dagelijksch bestuur uit vertrouwde vrienden van den
Prins werd gevormd, nam men ook maatregelen om Zuid-Beveland en Tholen
eveneens van de Spanjaarden te bevrijden.
Ondertusschen bleef het er in Holland nog droevig uitzien. Terwijl
Amsterdam en Haarlem in handen der Spanjaarden waren, werd Leiden
langzamerhand door Valdez ingesloten. Van een eigenlijke belegering
van Leiden, in den ouden zin van het woord, was geen sprake. Het
platteland rondom de stad werd bezet met een aantal schansen, teneinde
de bewoners der stad door den honger tot overgave te dwingen.
Men was aan die bezetting steeds bezig, toen in Februari 1574 graaf
Lodewijk met zijn leger te velde kwam. Fransch geld en Duitsche troepen
hadden den vurigen man daartoe eindelijk in staat gesteld. Wat een
moeite had de ijverige Lodewijk zich daarvoor getroost! Niet alleen
hij, maar al de Nassau's hadden het hunne bijgebracht, om het nieuwe
plan te doen slagen. In Januari had de graaf reeds te Frankfort 3000
ruiters en 10.000 voetknechten bijeen. Hendrik, zijn broer, zou ook
deelnemen aan den tocht. Eerst was Lodewijks voornemen, een nieuwen
inval in Groningen te doen, maar daar hij zich in het zuiden met de
Fransche troepen zou vereenigen, koos hij een aanslag op Maastricht
en Luik. Het had hem de grootste moeite gekost de bisschoppen althans
onzijdig te houden. Waren enkelen alleen voor goeden buit vatbaar,
anderen werden door huwelijksplannen gunstig gestemd, zooals de
bisschop van Keulen, waardoor Lodewijk vergunning verkreeg deze
stad als zijn hoofdkwartier te gebruiken, hetgeen hem zeer te pas
kwam. Van de Duitsche zijde scheen daar alles tot het welslagen
van den tocht mede te werken. Jammer, dat het leger zelf zooveel
te wenschen overliet. Het was niet veel meer dan een samengeraapte
bende, slecht gewapend en ongeoefend. Zoo toog men naar Maastricht,
ook mede op raad van den Prins, die dat de voordeeligste weg vond en
die reeds in November 1573 had geschreven: "Mij dunkt wanneer gij de
onderneming op Friesland en Groningen tot Maart uitstelt, gij beter
doen zult, al uw krachten naar Maastricht te wenden en wel met de
meest mogelijke haast, voor ik geheel ben ingesloten".
Tegen het einde van Februari bereikte Lodewijk de Maas en legerde zich
bij Maastricht, aan den Duitschen kant van de rivier. Requesens had
echter ook Duitsche hulptroepen gelicht en uit zooveel steden als hij
durfde, de garnizoens genomen; zelfs had hij een deel der troepen,
die Leiden insloten, naar het zuiden gezonden. Mendoza, de Spaansche
generaal, was reeds voor Lodewijks aankomst in Maastricht en don
Sancho d'Avila kwam Mendoza kort daarop nog versterken. Van Lodewijks
leger waren reeds, voor dat het de grenzen was overgetrokken, 1000 man
gedeserteerd. Hij had gehoopt, aanstonds de Maas te kunnen oversteken,
maar het drijfijs verhinderde de booten. Daarom bleef hij nog aan de
andere zijde gelegerd, 4 mijlen boven Maastricht. Dat oponthoud was
de oorzaak van den noodlottigen afloop, want als hij onmiddellijk had
kunnen doorgaan, dan was d'Avila niet gereed geweest hem te volgen en
het leger van Lodewijk had den Bommelerwaard kunnen bereiken, waar
de Prins eenige troepen had verzameld, die zich dan met Lodewijks
leger hadden kunnen vereenigen.
Nu echter was hij gedwongen te wachten en werd hij nog bij Bemelen door
een nachtelijken aanval op zijn kamp zeer geschaad, zoodat hij 700 man
verloor en zelfs naar den kant van Valkenburg moest aftrekken. [9]
Het was eerst in het begin van April, dat hij zich noordwaarts naar
Roermond kon wenden. Op weg daarheen maakten zijn troepen zich aan
schandelijke wanordelijkheid schuldig. Ook Roermond kon hij evenmin
als Maastricht of Luik nemen, daar ook die stad door Spanjaarden bezet
was. Toen trok hij noordwaarts, van plan bij Nijmegen door de Betuwe
naar den Bommelerwaard te gaan.
Den 13en April kwam hij bij Mook aan, doch d'Avila was aan de andere
zijde van de Maas Lodewijks leger gevolgd en bracht zijn troepen bij
Grave op een haastig van booten gebouwde brug naar denzelfden kant der
rivier over. Lodewijk was dus binnen een betrekkelijk kleine ruimte
tusschen Maas en Waal ingesloten. Hij liet een gracht graven, waarvan
nog de overblijfselen bij het tegenwoordig klooster te vinden zijn,
doch dat was zijn eenig zwak verdedigingspunt. d'Avila's stelling
daarentegen was veel voordeeliger. Het steunpunt daarvan was de
Maas. Lodewijks kracht lag in zijn ruiterij, hij had toen 1800
ruiters, terwijl de Spaansche veldheer slechts eenige honderden
ruiters had; maar op de plaats, door d'Avila voor den slag gekozen,
kon Lodewijk van die ruiterij geen voordeel hebben. Had hij een
slag kunnen vermijden, dan had hij het zeker gedaan, maar dit
was onmogelijk. Bij het aanbreken van den dag, op den 14en April,
begonnen de Spanjaarden den aanval op de gracht en uren lang duurde
het gevecht. Tot driemalen toe werd die aanval herhaald en bleef
de uitslag onzeker. Toen scheen eerst door de attaque van Lodewijks
ruiterij, de overwinning aan zijn kant te zijn, zoodat de voorhoede der
Spaansche ruiters zelfs over de Maas gedreven werd. Doch daarop keerde
plotseling de kans. De enkele honderden ruiters der Spanjaarden waren
door een duizendtal, de voorhoede van het leger van Valdez, versterkt;
ze drongen op de Duitschers in en een algemeene vlucht van dezen in
de bosschen volgde. Nog hielden de hoofden stand, maar ze werden door
de overmacht verpletterd en Lodewijk van Nassau, zijn broeder Hendrik
en Christoffel van de Paltz kwamen jammerlijk om het leven.
Met Lodewijk bovenal ging een held te gronde, die zeldzame gaven
in zich vereenigde, wiens ridderlijk karakter niet alleen, maar ook
wiens adeldom van geest door allen, die hem gekend hebben, om strijd
is geroemd. Van zijn twintigste jaar af was hij steeds aan de zaak
van Oranje verbonden. In zijn 36e levensjaar vond hij den dood op
de Mookerheide en wanneer we terugzien op al wat hij gedurende die
15 jaar heeft verricht, dan lijkt ons die tijdruimte bijna te klein
voor al dien arbeid. Niet altijd was hij met Oranje geheel een van
zin geweest. Hij is overal, waar we hem ontmoeten, de vurige man,
die de voorzichtigheid van den staatsman wel eens uit het oog verloor,
maar die gedreven werd door een onstuimigen aandrang, om ten uitvoer
te brengen, wat hij goed en nuttig achtte. Van zijn deelneming aan
het verbond der Edelen af, eigenlijk tegen den zin zijns broeders, tot
zijn laatsten veldtocht toe, nergens verloochende hij die geestdriftige
natuur. "Lodewijk--zoo zegt prof. Blok--was een man van het oogenblik;
vurig en ridderlijk; onstuimig toesnellend op zijn doel; driftig
voorthollend op den weg van het avontuur; het gevaar uitdagend;
zijn woorden weinig wikkend, bewegelijk en hartstochtelijk; geboren
krijgsman, zoo al geen legerhoofd."
Meer dan een zijner impulsieve daden heeft het succes van belangrijke
maatregelen bedreigd; meer dan eens wilde de voorzichtige Prins al
de plannen van Lodewijk niet kennen. Ook in het godsdienstige kwam
datzelfde karakter uit. Hij had een innig godsdienstige overtuiging;
zijn doel was altijd de bevordering van de protestantsche zaak; hij
maakte die niet aan de politiek, maar wel deze aan het Protestantisme
dienstbaar. Van de hooge verdraagzaamheid van Oranje wilde Lodewijk
niet weten. Hij liet zich vaak tot heftigheid tegen het Pausdom
en de katholieke kerk verleiden. Doch ook die vurige ijver vloeide
voort uit zijn geestdriftige natuur, waarom hij in tallooze kringen
zoo bemind was. Bemind in Dillenburg, bemind aan het Fransche hof,
bemind bovenal door zijne moeder. Van liefde echter vinden we, na zijn
vergeefsch huwelijksaanzoek om de erfgename van Rijsberg, in zijn
leven geen spoor, of het moest zijn de hulp, die hij verleende aan
Charlotte van Bourbon bij haar vlucht uit het klooster in N.-Frankrijk,
waarover later. Hij bleef althans ongehuwd. Maar al werd hij door
geene droeve weduwe betreurd, zijn dood liet een leegte achter in
tallooze gemoederen. De Fransche Hugenoten betreurden hem als een
hunner meest geliefde leiders. De Hollanders wachtten thans vergeefs
op hun Engel Gabriël. De Duitschers zouden hun Bayard nimmer wederzien.
Bovenal Juliana van Stolberg, die Lodewijk buitengewoon liefhad en die
hem onlangs nog op zijn ziekbed met zooveel toewijding had verzorgd,
smolt weg in tranen. En de Prins? Bij den slag op de Mookerheide
ging er een licht voor hem uit, welks afwezigheid zijn geheele leven
door hem gevoeld werd. In zijn Apologie wijdde hij o.a. deze woorden
aan zijn nagedachtenis: "Zij, die omtrent mijn broeder Lodewijk
iets te zeggen hebben, deden beter zulk een goed ridder met rust te
laten. Met hem kunnen ze niet worden vergeleken en een veel beter
Christen was hij."
Hendrik, die ter zelfder tijd zijn leven verloor, was slechts 24
jaar. Van hem persoonlijk is weinig bekend; wel weten wij, dat
hij meermalen het voorwerp uitmaakte van de zorg en overleggingen
zijner moeder en broeders. Als Oranje daarin deelde, hebben wij niet
verzuimd het te melden. Behalve een stijf gestelden Latijnschen
brief van Hendrik uit zijn jongenstijd, is er niets meer van zijn
hand bewaard gebleven.
Er wordt wel beweerd, dat de Prins over het voornemen van graaf
Lodewijk, om bij Herwaarden tusschen Maas en Rijn de rivier
te passeeren, niet zeer tevreden was. Hij zou het groote gevaar
daarvan hebben ingezien en zich ook niet in staat geacht hebben, in
zulk een groote haast voldoend oorlogsgereedschap op die rivier te
zenden. Ook zou Oranje zelfs tot de intieme vrienden gezegd hebben,
dat, "hoe lief en aangenaam zijns broeders komst hem ook mocht wezen,
hij nogtans op dien tijd wel lijden mocht, dat hij met zijn leger 100
mijlen van daar was." Dat bericht, hoe geloofwaardig op zich zelf,
wordt niet bevestigd door een schrijven van den Prins uit Dordrecht
van den 13en April, waarin hij zijn broeders belooft, dat hij al
zijn best zal doen, om hen bij hun aankomst in de omstreken van Tiel
door een goed escorte te doen ontvangen. Het kan echter wel zijn,
dat Oranje in vertrouwelijke gesprekken zich niet zoo optimistisch
omtrent Lodewijks inval uitliet en toch hem zelf daarmede niet wilde
bezwaren. De geheele maand April verliep, zonder dat de Prins en zijn
geheele familie van het smartelijk ongeval kennis kreeg.
Uit brieven van den 15en en 17en April bleek, dat Oranje nog niets
bekend was omtrent het ongelukkig verloop van den veldtocht; hij was
integendeel vol goeden moed en de berichten uit Engeland waren ook
gunstig, daar de regeering meer geneigd scheen om met Duitschland
verbonden, den koning van Spanje openlijk den oorlog te verklaren.
Berichten ontving Oranje niet; geen enkel antwoord van zijn broeders
op de zeven brieven vanaf den 10en der maand aan hen geschreven.
Wel is hem bekend geworden, dat er een nederlaag is geleden, zooals
uit het schrijven van den Prins aan Jan van Nassau blijkt, maar
omtrent het lot van zijn broers en Christoffel van de Paltz weet hij
absoluut niets.
Eerst op den 7en Mei schijnt de Prins de volle waarheid te hebben
vermoed. Van dien dag dagteekent een brief, welke terecht beroemd is
geworden, aan zijn thans eenig overgebleven broeder Jan. Blijkens dat
schrijven vreest de Prins, dat men met voorbedachten rade den dood
zijner broeders voor hem en Jan van Nassau geheim houdt en hij doet
uitkomen hoe nadeelig die geheimhouding werkt. Van alle zijden wordt
hij zelf bestormd met vragen naar den afloop en nu hij daarop geen
beslist antwoord weet te geven, meent men, dat hij zelf de waarheid
verbergt en het gevolg hiervan is, dat men begint te wanhopen aan
den staat van zaken.
Daarop volgen dan die schoone, diepgewortelde en innig godsdienstige
woorden:
"Ik belijd U, dat ik nooit iets ondervonden heb, dat mij meer leed doet
en inniger spijt, doch we moeten ons onderwerpen aan den wil van God
en zulk een vertrouwen hebben op Zijne goddelijke voorzienigheid, dat
Hij, die het bloed van Zijn Eenigen Zoon niet heeft gespaard, om Zijn
kerk te bewaren, niets zal doen dan wat dienen kan tot uitbreiding van
Zijn roem en bewaring van Zijn kerk, al schijnt het ook in het oog der
wereld een onmogelijke zaak. En al zouden wij allen komen te sterven,
en al zou het geheele volk worden vermoord of verjaagd, deze zekerheid
moeten wij altijd hebben, dat God de Zijnen nooit zal verlaten, waarvan
wij heden ten dage zulk een merkwaardig voorbeeld in Frankrijk zien,
waar na den gruwelijken moord van zooveel edelen ieder meende, dat het
einde en de algeheele uitroeiing van den (herv.) godsdienst nabij was,
terwijl wij nu zien, dat zij bij vernieuwing meer dan ooit het hoofd
hebben opgeheven, terwijl de koning zich in meer moeite en ellende
bevindt, dan ooit te voren. Wij hopen, dat de Heer onze God, wiens
arm niet verkort wordt, van Zijne macht en Zijn mededoogen jegens
ons zal gebruik maken..."
Daarop geeft Oranje aan zijn broeder een beschrijving van de
verslagenheid van het volk te midden waarvan hij leeft. "Daar
is geen volk ter wereld, dat zich spoediger verheugt over eenig
goed bericht, maar er is ook geen tweede, dat zoo erg door eenig
droevig voorval is terneergeslagen." Indien zijn broeder daarbij in
aanmerking neemt, dat de nieuwe landvoogd een nieuw pardon heeft
afgekondigd, waarvan slechts 14 of 15 personen zijn uitgesloten,
dan kan hij daaruit berekenen, hoe groot de verleiding is, om zich
weer te onderwerpen. "Doch van mijn kant kunt gij verzekerd zijn,
dat ik mijn plicht zal doen, zooveel in mij is, want keert dit volk
onder het juk en de tirannie der Spanjaarden terug, dan zal spoedig
de godsdienst geheel zijn vernietigd, zonder een vonkje meer te doen
schijnen. En de Duitschers, die ons aan ons lot hebben overgelaten,
zullen evenals de Engelschen mettertijd zich wel bewust worden van
de groote schade, die ook zij daardoor zullen ondervinden."
Het is daarom, dat de Prins zijn broeder opwekt om nog eens met zijn
"volle vijf zinnen" te overleggen, welk geneesmiddel er te vinden zou
zijn. Want zonder buitenlandsche hulp tegen de macht van Spanje zal
Holland, dat het een tijdlang alleen heeft volgehouden, niet langer
bestand zijn.
Verder bespreekt Oranje in den langen brief de kwestie van het meest
geschikte legerhoofd, in het geval er van Duitsche en Fransche zijde
hulp komt opdagen, de huisvesting die het hulpleger zou kunnen gegeven
worden en de plaats, waar zij de Nederlanden het best zouden kunnen
binnenkomen.
Kortom uit den geheelen brief blijkt, dat de Prins nog den moed
niet heeft verloren, ook na den allernoodlottigsten afloop van
den tocht van zijn meest geliefden broeder Lodewijk. En die moed,
die hem blijft bezielen, steunde op degelijke gronden. Hij doet zijn
broeder beseffen, waarover hij nog kan beschikken. De Staten hebben hem
150.000 florijnen per maand toegestaan, zoolang het noodig zal zijn;
maar hulp is dringend noodzakelijk. Blijft die uit en "willen de arme
bewoners, van ieder verlaten, desniettemin volhouden.... dan zal het
den Spanjaarden nog half Spanje kosten in geld en in mannen, eer ze ons
geheel vernietigd hebben." Want .... nog had Oranje te bevelen over 71
compagnieën infanterie in Holland, 14 in Zeeland, 20 in Waterland,
in het geheel 15 à 16000 man, met meer dan 100 groote en kleine
oorlogsvaartuigen. Zoolang hij kon, zou hij met deze macht volhouden.
Rijst onze eerbied en bewondering voor den Zwijger niet door zulk een
moedige taal na zulke jammeren als op de Mookerheide? Het scheen wel,
alsof de Prins uit elke nieuwe smart nieuwe krachten putte. Hoe weinig
volkomen zekerheid er omtrent het lot zijner broeders in dien eersten
tijd bestond, blijkt o. a. ook uit den brief, dien de Prins van zijn
moeder Juliana van Stolberg nog in de maand Mei ontving.
"Ik weet wel"--zoo schrijft zij--"dat gij gelijk hebt; wij moeten
met geduld dragen, wat de Heer ons toezendt, maar menschen blijven
menschen en zij vermogen dat zonder Gods hulp niet. Moge God mij arme
beproefde vrouw, die mijn droefenis niet verzetten kan, mij genadig uit
dit jammerdal tot zich nemen of mij met zijn genade sterken en zijn
heiligen geest van berusting zenden. Herhaaldelijk is mij verzekerd,
dat mijne zonen nog in leven zouden zijn, zoodat ik nog altijd hoop
heb. Voor drie dagen werd mij nog verhaald, hoe een edelman kort
geleden nog zes dagen bij mijn lieven Lodewijk geweest is en hem
naar omstandigheden wel gevonden had. Zijn rechterarm was van boven
doorschoten maar hij kon dien nog bewegen. Aan zijn spraak had hij hem
herkend. En daardoor heb ik nu weder wat hoop, maar toch vrees ik, dat
men een ander voor hem heeft aangezien. Van hertog Christoffel en mijn
lieven Hendrik wist men mij niets te zeggen. Doch de zaken mogen gaan,
zooals God het beveelt; ik kan niet anders, dan Hem om geduld bidden
en dat gij en ik in eeuwigheid niet van Hem mogen gescheiden worden."
IJdele hoop van de zwaarbeproefde moeder! Want allerwaarschijnlijkst
zijn Lodewijk en Hendrik beiden omgekomen in een huis, waar ze
heengingen, om hun wonden te verbinden, doch dat boven hun hoofden in
brand geraakte en zijn ze zoo ellendig in rook en damp gestikt. Hunne
lijken echter, en dat bleef de oorzaak der onzekerheid, zijn nooit
teruggevonden.
Een der gronden, waarop Oranje zijn hoop bleef bouwen voor de toekomst
trots de jammerlijke nederlaag op de Mookerheide, was zonder twijfel
gelegen in zijn kennis van de Spaansche toestanden in het zuiden en
den strijd, waarin de nieuwe landvoogd ook zelfs met de Spaansche
soldaten gewikkeld was. Zou dat een paar jaar later bij de Spaansche
furie tot de geweldigste uitbarsting leiden, die ook het zuiden naar
de komst van Oranje in zijn midden zou doen verlangen, reeds voor
den slag van Mook hadden de oproerige Spaansche soldaten te Antwerpen
onder een Eletto (d. i. een door muitende soldaten gekozen hoofd) de
regeering genoodzaakt, aan hun geldelijke eischen toe te geven en op
den dag na den slag begon een nieuwe muiterij onder de overwinnende
troepen te heerschen.
"Zoodra zoo'n muiterij uitbrak," zoo verhaalt Motley, "begon men van de
naastbij gelegen stad bezit te nemen, waar de Eletto gewoonlijk in het
stadhuis zijn verblijf nam en het krijgsvolk bij de burgers ingelegerd
werd. Wat voeding en huisvesting betreft was voor deze rooversbenden
niets te goed. Mannen, die maanden lang van hun legerrantsoen geleefd
hadden--ruwe kinkels, die hun ploeg hadden gedreven, totdat men hen
gedwongen had om het musket te hanteeren--sliepen thans op keurig
beddegoed en vorderden van de sidderende burgers de lekkerste
spijzen. Zij aten het land kaal als een leger van sprinkhanen."
"Kuikens en patrijzen," schreef de zuinige Antwerpsche
kroniekschrijver, "kapoenen en faisanten, hazen en konijnen, tweeërlei
soort van wijn;--tot kruiding van het maal, olijven, citroenen en
oranjeappelen, specerijen en zoetigheden; tarwebrood voor hunne honden
en zelfs wijn om de pooten hunner paarden te wasschen."
Ziedaar het weelderig onthaal, door de muitende troepen
geëischt. Verdroot den burgers deze gedwongen gastvrijheid, dan
moesten zij een belasting opbrengen.
De muiterij, die na de nederlaag van graaf Lodewijk uitbrak was
bijzonder erg. Bij Alva's vertrek was er reeds 6 millioen achterstand
van soldij en Requesens was niet in staat, op geregelde betaling
eenige hoop te geven. Toch kwamen ze toen nog tot een overeenkomst,
daar het Requesens gelukte den grooten Raad van Antwerpen tot een
leening van 400.000 florijnen te bewegen. De muitende soldaten vierden
op de Place de Meir een groot feest bij gelegenheid van die gesloten
overeenkomst, toen plotseling de mare doordrong, dat admiraal Boisot de
Schelde was opgevaren. Voordat men gewapend was, had Boisot veertien
Spaansche schepen genomen en doen zinken en den Admiraal Haemstede
krijgsgevangen gemaakt. Dit was voor den Prins althans een lichtstraal
in den donkeren nacht; te meer omdat het feit der muiterij wees op
den hopeloozen geldelijken toestand van Spanje, die op den duur niet
anders dan een krachtige hulp voor zijn verzet kon wezen.
Voorloopig echter moesten alle krachten, die in Holland aanwezig
waren, worden ingespannen. Want binnen den kortst mogelijken tijd
was Valdez, die tijdelijk de omstreken van Leiden met zijn leger
had verlaten om Lodewijks inval te voorkomen, weer met zijn troepen
rondom de stad teruggekeerd en Leiden was op den 21en Mei weder
geheel ingesloten. Het beleg en het ontzet van die stad behoort tot
de belangrijkste gebeurtenissen der wereldgeschiedenis. Onze vrijheid
zou groot gevaar geloopen hebben, indien Leiden was gevallen. Haar
behoud heeft op het oogenblik Holland voor ons gered. Het kan ons
doel niet zijn, dat beleg en dat ontzet in zijn bijzonderheden te
beschrijven. Hoofdzaak is voor ons, het deel aan te wijzen dat de Prins
daaraan gehad heeft en aan te toonen, hoe hij voor den verderen loop
van den oorlog heeft gebruik gemaakt van den gelukkigen afloop van
dat beleg. Want er mag niet vergeten worden, dat ook het beleg en het
ontzet van Leiden eenvoudig een schakel in de groote keten der elkander
opvolgende gebeurtenissen is geweest, die tot de bevrijding van ons
land, tot de voltooiing van het werk van Oranje heeft geleid. Ook
dat de Prins tijdens dat beleg vredesonderhandelingen heeft gevoerd,
die na het ontzet van zijne zijde met veel meer krachtsbesef konden
worden voortgezet. Op die onderhandelingen komen we terug, als we
eerst den Prins in zijn arbeid voor Leiden gevolgd hebben.
Toen Oranje den laatsten brief aan zijn broeder Jan schreef, was hij
in Dordrecht, waar hij gedurende de maand Mei met de Staten van het
land in voortdurend overleg bleef. Daar kwam hem de tijding ter oore
van de nieuwe insluiting van Leiden; daar vernam hij, hoe de inwoners
dier stad geweigerd hadden garnizoen in te nemen, zelfs de Engelsche
vaandels niet toe wilden laten en zijn raad in den wind geslagen
hadden, om, terwijl Valdez zich met zijn troepen had verwijderd,
voor een nieuwen voorraad levensmiddelen te zorgen.
Hoe hem ook die verschillende berichten troffen en onaangenaam stemden,
ze verhoogden slechts zijn eigen krachtsinspanning, want al had Leiden
het misschien niet om zijn zorgeloosheid verdiend, het belang van het
geheele land was er mee gemoeid. De Staten werden dan ook onmiddellijk
door hem tegen den 1en Juni te Rotterdam beschreven, om een plan
vast te stellen voor de bevrijding der stad en de noodige gelden
voor die onderneming bijeen te krijgen. Bij den bekenden onderlingen
naijver der steden was dit geen lichte taak, doch den Prins gelukte
het, de zelfzuchtige bondgenooten te doen samenwerken. Fruin zegt
terecht van hem: "Om dat te bereiken, werd een leidsman gevorderd, zoo
onuitputtelijk geduldig, zoo hoog geacht en bemind, zoo zelfopofferend
voor de goede zaak, als de nooit volprezen Willem van Oranje."
Toen het geld gevonden was, werd bepaald, dat men Leiden zou te hulp
komen, door Zuid-Holland onder water te zetten. Er waren deskundigen,
die daartegen groote bezwaren hadden. Aan de eene zijde werd beweerd,
dat het hooger gelegen Rijnland nooit door het Maaswater zou kunnen
worden bereikt; alleen Delfland en Schieland zouden onder water komen;
aan den anderen kant had men groote bezwaren, dat op die wijze het
land niet licht weer zou kunnen worden drooggelegd. Toch werd er toe
besloten. "Het al om het al op het spel te zetten, was in dien tijd de
leus onzer kloekmoedige voorvaderen. Hun was de vrijheid van denken
en gelooven, het volksbestaan, de zelfregeering het hoogste, ja het
eenig goed, het al. Om dat te behouden, was geen prijs hun te hoog,
geen waagstuk te vermetel." Zij hebben alles gewaagd en alles gewonnen.
Dit besluit werd den 30en Juli genomen en onmiddellijk daarop ten
uitvoer gebracht. Bij de doorgraving te Capelle aan den IJsel was de
Prins persoonlijk tegenwoordig, o. a. in gezelschap van Paulus Buys,
die krachtig zijn hulp had verleend om de bestrijders van het plan te
overwinnen. Door zestien gapende dijkbreuken stroomde het IJselwater
op het land. Daarop werd de Maasdijk aan weerszijden van Rotterdam
doorgegraven en de sluizen van Schiedam werden opengezet. Dagen moesten
echter verloopen, eer het water zich over de oppervlakte van zooveel
honderden bunders verspreiden zou.
Ondertusschen ontbood Oranje uit Zeeland Louis de Boisot, die in
den jongsten tijd daar als admiraal groote bekwaamheid had bewezen,
zoowel in Januari bij den slag van Roemerswaal, waardoor Middelburg
in handen van Oranje viel, als door de overwinning op de Spaansche
vloot op de Schelde, waarvan wij gewag maakten. Niemand beter geschikt
dan Boisot om een werk te verrichten, waarbij zooveel zeemanschap
en krijgsbeleid geëischt werd. Gelukkig, dat men dien ervaren man op
dat oogenblik in Zeeland missen kon; een nieuwe Spaansche vloot die
men verwacht had en die in hem den besten overwinnaar zou gevonden
hebben, was door tegenspoed van allerlei aard niet naar de Nederlanden
vertrokken. Boisot zou het beste scheepsvolk en de meest vertrouwde
kapiteins in Zeeland gaan halen en dan de onderneming met tal van
vaartuigen en de noodige kanonnen aanvangen.
Allerlei teleurstellingen echter vertraagden de bevrijding der stad,
waar de jammer van dag tot dag in de maanden Augustus en September
vermeerderde. Haar lot te beschrijven, haar steeds toenemende ellende
te teekenen, ligt wel niet op onzen weg, maar van een harer bange
beproevingen kunnen we ook in ons verband niet zwijgen. Wij bedoelen
de aanwezigheid in de stad van een menigte royalistische inwoners,
die met hun geestverwanten in andere plaatsen het er op toelegden, de
stad aan den vijand over te geven. Dit waren de zoogenaamde glippers,
die alles aanwendden, om de inwoners in het denkbeeld te stijven,
dat ontzet der plaats onmogelijk was en wier woord, hoe hooger de
ellende klom, des te meer ingang vond bij de menigte.
Gelukkig, dat mannen als Bronkhorst, Jan van der Does, Jan van
Hout en Pieter Az. van der Werff, de burgerij en de vroedschap in
bedwang hielden en geen oogenblik verslapten in hun ijver voor de
algemeene zaak. Waren zij niet werkzaam gebleven, hadden zij niet
alle vertrouwen op den Prins behouden, dan zou zonder twijfel door
het katholiek gedeelte der bevolking met beide handen het pardon zijn
aangegrepen, dat Requesens had afgekondigd en dat door Valdez aan de
inwoners van Leiden werd aangeboden, op voorwaarde van overgave. Nu
echter werd die lokstem beantwoord met het Latijnsche woord van Cato:
"Fistula dulce canit, volucrem dun decipit auceps." (De fluit klinkt
liefelijk, terwijl de vogelaar den vogel verschalkt.)
Het ergste dat gedurende de maanden van het beleg van Leiden
geschiedde, was de wekenlange ziekte van den Prins. Die overviel hem
den 10en Augustus. Opgekropte smart en de last der beslommeringen,
misschien ook daarbij zwaar gevatte koude tengevolge van het staan
op de dijken in regen en wind, wierpen den man op het ziekbed, die
minder dan ooit op dat oogenblik gemist kon worden. Het eigenlijk
karakter der ongesteldheid konden de geneesheeren niet aanstonds
herkennen; men vreesde dat het een aanval van de pest was, die in
Holland in die dagen heerschte. Hij werd door onophoudelijke koortsen
gefolterd en zijn krachten namen zoo af, dat zijn geneesheeren voor
tering vreesden. Men had hem gaarne naar Delft, naar zijn eigen
woning vervoerd, doch die reis kon hij niet meer maken en daarom was
hij gebonden aan een ongezellig huis in Rotterdam. Er bestaat een
belangrijk verhaal van die ziekte van een geneesheer Foreest. Zijn
secretaris Brunynck en zijn hofmeester Nuyhem gaven voortdurend aan
zijn broeder Jan van Nassau berichten omtrent den loop der ziekte,
die in de maand Augustus sterk toenam en zelfs tot vier koortsaanvallen
op één dag steeg. Men dacht niet anders of de Prins ging sterven. Het
gerucht van zijn dood werd reeds door zijn vijanden verspreid.
Treffend is het verhaal, hoe hij, diep bekommerd over het lot der
zijnen, zich reeds tot sterven gereed maakte, toen daar Cornelis van
Mierop, later Ontvanger-Generaal van Holland, onaangediend bij hem
aan het bed kwam. Een paar boden uit Leiden wilden namelijk, voor ze
weer terugkeerden naar de belegerde stad, den Prins gezien hebben,
omdat het gerucht van zijn dood reeds verspreid werd.
Dat bezoek, dat dus de bedoeling had, om de Leidenaars te sterken,
werd ook voor den zieken Oranje een geneesmiddel. Want van ooggetuigen
hoorende, dat de stad het nog uithield, verheugde hij zich daarover met
zoo groote vreugde, dat hij van die ure begon te beteren. "Wie"--zoo
vraagt Fruin terecht--"wie herkent Vader Willem niet in dien zieke,
die zijn dienaars wegzendt uit vrees, dat ze door zijn ziekte besmet
zouden worden; die hoe ongesteld ook, geen gehoor weigert aan die
hem zoeken; die herleeft op de tijding, dat de goede zaak nog niet
is verloren, en die zich van het ziekbed opricht, om bij vernieuwing
te zorgen en te zwoegen voor "dat arme volk."
Gelukkig was de beterschap geen schijn. De koorts, die hem aan den
rand van het graf had gebracht, die hem ten doode toe had verzwakt,
keerde sedert den 28en Augustus niet terug; maar slechts langzaam
kwamen de krachten weder. Reeds op den 2en September kon Brunynck aan
Jan van Nassau schrijven, dat ze hoopten dat de Prins buiten gevaar
was. Op den 7en September was de zieke zelf reeds in staat, aan zijn
broeder te schrijven en we kunnen ons voorstellen, hoe gelukkig dit
handschrift van den geliefden Prins de zijnen maakte. Zijn volkomen
herstel wachtte Oranje niet af om zijn taak weer te aanvaarden. Wel
hadden de Staten niet veel verzuimd, maar toch waren de pogingen
om Leiden te hulp te komen, niet zoo krachtig voortgezet, als had
kunnen geschieden. "De Staten konden den Prins niet vervangen; zij
misten zijn gezag, zijn vasten, geëerbiedigden wil, die nooit buiten
noodzaak geweld gebruikte, maar niettemin wat noodig was met kracht
doorzette. Het bijzonder belang was niet overal voor het algemeen
landsbelang geweken." Kortom, het werk der bevrijding van Leiden had
verder kunnen zijn, dan het was. Aan de uitrusting van de schuiten,
die Boisot naar Leiden moesten voeren, was ijverig doorgewerkt in
de maand Augustus, doch van doortastende maatregelen was niet veel
gekomen. En toch waren die dringend noodig. Wel stond het Maaswater tot
Delft toe over alle landen, maar bij de grenzen van Rijnland stuitte
het. Om het ook daarin te doen vloeien, moesten nieuwe doorgravingen
plaats hebben, doch op punten, die zeker hardnekkig door de Spanjaarden
zouden worden verdedigd.
Een eerste aanval mislukte geheel; bij een tweeden was men gelukkiger,
omdat de vijand er niet op had gerekend. Op den 28en September
verlangde Boisot, dat de Prins met eigen oogen den staat van zaken
kwam opnemen. Hij was wel zoo goed als hersteld, doch nog steeds
zwak. Met ongunstig weer mocht hij zich niet vertoonen. Doch de 28e
September was een zonnige en fraaie dag; toen liet hij zich naar
de vloot roeien, waar hij alles in oogenschouw nam en door zijn
tegenwoordigheid den moed verlevendigde. Nog zou echter misschien
alles vergeefsch zijn geweest, indien niet een stormwind uit het
noordwesten, gepaard aan een springvloed, het water op de volgende
dagen met kracht had voortgedreven en als daarop door het keeren van
den wind van het noorden naar het zuiden de watermassa den kant van
Rijnland niet was opgestuwd.
Op den 1en October steeg het water, van 9 op 28 centimeter en
hoewel zich ook toen nog allerlei bezwaren voordeden, was toch
de stad gered. Want de vijand, bevreesd voor het opkomende water,
verliet de schansen en de forten en vluchtte naar den Haag. Valdez
besefte, dat de oogen van Europa op hem waren gevestigd. Hij liet
een Latijnschen afscheidsgroet te Leiderdorp achter, luidende: "Vale
civitas, valete castelli parvi, qui relicti estis propter aquam et non
per vim inimicorum." (Vaarwel, o stad, vaartwel kleine kasteelen, die
verlaten wordt niet door de kracht der vijanden, maar door het water).
De derde October, toen de stad ontzet werd en de bijna doodgehongerde
menigte aanviel op de spijzen, die Boisots vaartuigen medebrachten,
viel op een Zondag. De Prins bevond zich in de Waalsche kerk, toen hij
de blijde tijding ontving, terwijl zijn gedachten waarschijnlijk meer
bij Boisot en in Leiden waren dan bij de preek. Na afloop van deze
liet de Prins den predikant de heugelijke tijding aan de gemeente
voorlezen. Toen stroomde de geheele bevolking naar de kerken,
gelijk ook de Leidenaars op dien gedenkwaardigen dag deden, om God
te danken voor de verlossing der stad, de voorbode van de bevrijding
van het land.
Op den volgenden dag schreef Oranje een dankbaar briefje aan zijn
broeder Jan, om hem deelgenoot te maken van de gewichtige gebeurtenis
en toen ging hij, niettegenstaande de waarschuwingen, dat hij te zwak
was, om zich bloot te stellen aan de zoo zeer vergiftigde atmosfeer
te Leiden, naar de bevrijde stad, om haar in persoon te begroeten en
te danken voor haar volharding. Hij nam zijn intrek ten huize van Dirk
Jacobus van Montfoort, een aanzienlijk man, doch geen lid der regeering
en bleef er tien dagen vertoeven. Een zijner voornaamste werkzaamheden
gedurende dien tijd was de regeeringsverandering, waaraan dringend
behoefte bestond, want tijdens het beleg was het gebleken, dat er in
de vroedschap verscheidene mannen waren, die de burgerij zeer slecht
hadden vertegenwoordigd. Wel was die verandering in strijd met de
privilegiën der stad--want de vroedschap bestond uit 40 onafzetbare
mannen, die zelf burgemeesters en schepenen benoemden. Doch volgens
de getuigenis van de aanzienlijkste personen der stad, moest de Prins
met gezag doortasten en de slechte elementen verwijderen. Er waren
er zelfs, die beweerden, dat hij niet ver genoeg met de zuivering
was gegaan.
"Doch zoo was," zegt Fruin, "Prins Willem gewoon te handelen; hij
maakte zich het regeeren niet gemakkelijk, door elken tegenstand voor
goed te breken; hij behielp zich met hetgeen hij vond en veranderde
slechts als het onvermijdelijk was en dan nog niet meer dan het
dringend noodige. Van alle dwingelandij, met welk goed doel ook,
was hij afkeerig. Hij had behoefte aan medewerking, niet aan blinde
gehoorzaamheid."
Behalve persoonlijke geschenken aan de verdienstelijkste mannen,
die hadden meegewerkt aan het ontzet van Leiden, ontving de stad
zelf voor haar trouw en standvastigheid, twee giften van groote
waarde. Allereerst de vergunning om jaarlijks een tiendaagsche
jaarmarkt te houden, vrij van alle tollen en lasten. Nog veel grooter
gift was de stichting van de Universiteit--de eerste Protestantsche
hoogeschool op Nederlandschen grond. Reeds op 8 Febr. 1575 werden de
professoren van deze nieuwe instelling ingewijd met ceremoniën en
allegorische voorstellingen, waarop de Nederlanders steeds zóózeer
waren gesteld, dat geen ellende noch jammer hun lust tot zulk een
vertooning ooit kon uitdooven.
De nieuwe Universiteit werd begiftigd met inkomsten, voornamelijk
voortvloeiende uit de oude abdij van Egmond. Motley zegt terecht, dat
de acte van instelling een der meest ironische gedenkstukken is. De
fictie toch van 's konings souvereiniteit werd er in gehandhaafd
en de meest katholieke vorst der wereld werd daarin gezegd, deze
protestantsche academie te vestigen als een belooning aan Leiden
voor zijn opstand tegen hem. Ook ontbrak daarin niet de oude formule
"onze waarde neef" Willem, Prins van Oranje, met wien de koning wordt
voorgesteld als na rijp beraad tot de oprichting van die hoogeschool
besloten te hebben.
Inderdaad, al werd die plechtige vestiging in naam van den koning van
Spanje door den Prins van Oranje volstrekt niet ironisch bedoeld, al
meende de stichter dier Universiteit, door den naam Filips te noemen,
alleen de tol der hulde te betalen van den vasal aan den souverein,
wij, die de geschiedenis kennen, wij, die weten, hoe het ontzet van
Leiden de grondslag is geworden van de geheele bevrijding van ons
land; wij, die den loop dier glorievolle instelling kennen, die de
eeuwen door de bakermat is geweest van alle waarachtige vrijheid--wij
kunnen in die acte slechts de ironie der geschiedenis zien, de
goddelijke ironie, die zoo vaak in de wereldgeschiedenis terugkeert,
zoo dikwijls geheel tegen de bedoeling in van onverstand, domheid,
bijgeloof en onderdrukking, ja juist door het verzet van die vereende
booze krachten, de vrijheid van individuen en volken gaat bloeien.
Wij kunnen dan ook niet anders dan te dezer plaatse in de geschiedenis
van den Prins, hem, al is onze bedoeling niet, een lofrede op hem
te schrijven, de volle hulde brengen van ons volk, dat zijn groote
mannen niet wil vergeten.
Wij begrijpen ten volle, dat Oranje het mikpunt is geweest en tot
heden gebleven van den haat en den laster van de vijanden onzer
vrijheid, want zonder hem was zij niet veroverd. Doch wat men ook tot
eer van de tallooze vergeten weldoeners der menschheid moge zeggen,
hoe men de keten van oorzaak en gevolg ook verbreekt, als men aan
de groote mannen alleen den loop der wereldgeschiedenis toeschrijft;
welke verborgen krachten er toch misschien ook in het samenstel der
maatschappij mochten geweest zijn, die langs anderen weg tot hetzelfde
resultaat gevoerd zouden hebben, bij afwezigheid dier helden; wie zal
niet ten volle erkennen, dat nooit meer dan in de dagen van Leidens
beleg alle geestkracht van het volk belichaamd is geweest in den
grooten Zwijger? Wie zal dit ontkennen? Zij b.v. die de belangrijke
gebeurtenissen van 1574, die Leiden betroffen, samenvatten in een
halve bladzijde druks en niet eens den naam noemen van den Prins,
die van allen en alles de ziel was.
Men kan den grooten keer niet ontkennen, die door de mislukking van
Leidens beleg de gebeurtenissen ten bate van de opgestane gewesten
genomen heeft. "In drie maanden hadden de Spanjaarden te midden van de
Hollandsche moerassen bij de 700 stukken geschut gelaten. Ze hadden
bijna geene kanonnen meer.... Al wat den trots der overwinnaars op
de Mookerhei en der belegeraars voor den geest riep, verdween voor de
schansen van Leiden." Doch met geen enkel woord wordt de man herdacht
op die bladzijde, aan wien dat alles te danken of (volgens hun meening)
te wijten was. Waar het wapen van den laster niet kan gehanteerd,
daar moet de held dier tijden worden doodgezwegen. Alsof de steenen
van de ontzette stad niet spraken! Alsof de keten der gebeurtenissen
niet zou zijn verbroken, als de schakel van den persoon van Oranje
daaruit was weggenomen!
Hoe kort was het nog geleden, dat hij al zijn hoop op de komst van
Lodewijk had gevestigd. En toen het eindelijk zekerheid voor hem
was geworden, dat Lodewijk nimmer zou wederkeeren, toen raapte hij,
in plaats van land en volk nu over te geven aan den vijand, alle
geestkracht, die nog in hem was gebleven, te zamen en smeedde bij
vernieuwing daaruit een wapen, dat den Spanjaard te machtig was.
Al werd hij ook op het ziekbed geworpen ten gevolge van alle
teleurstelling en overspanning, een enkel bericht, dat de stad het nog
hield, was in staat hem weer nieuwe krachten te schenken. Opgestaan van
een ziekbed, dat bijna zijn sterfbed werd, en zelf slechts langzaam
in krachten toenemende, wist hij de flauwhartigen bij vernieuwing te
bezielen, de moedeloozen te steunen, de kleingeestigen te sterken. Uit
zwakheid putte hij kracht en hij ondervond de waarheid van het oude,
schoone woord omtrent de waarlijk godsdienstigen, dat zij telkens
hun kracht vernieuwen en opvaren met vleugelen, gelijk de arenden,
loopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden.