DE PRINS IN HOLLAND. BELEGERDE STEDEN. 1572-1573

De schaduw van succes, door het volk dat zijn gezag trotseerde behaald,

verbitterde Alva buitengewoon. Ook andere gebeurtenissen hadden zijn

toorn niet bedaard, misschien werkte zelfs de komst van Medina-Coeli,

die bestemd was zijn plaats in te nemen, ook mede tot zijn besluit,

om thans met krachtige hand op te treden.

Nu Bergen heroverd was, had hij de handen vrij, om de afvallige

steden en gewesten in het Noorden voor hun ongehoorzaamheid te doen

boeten. Aan Don Frederik gaf hij het opperbevel over het leger van

15.000 man, dat de strafoefening in het Noorden zou voltrekken.

De tocht ging van Bergen over Mechelen, dat voor de opening van de

poorten voor den Prins vreeselijk moest boeten. Drie dagen lang duurde

daar een plundering en verwoesting, welke zelfs op koningsgezinden

een allerdroevigsten indruk maakte. "Het was, alsof de kerkelijke

hoofdstad der Nederlanden een Turksche stad was geworden," terwijl

een Spanjaard uit Brussel schreef: "Nauwelijks had men een spijker

in de muren overgelaten."

Van Mechelen ging de tocht van het Spaansche leger noordwaarts;

eerst de Maas over bij Maastricht en daarna bij Lobith den Rijn

weder over, ten einde de IJselsteden te herwinnen. In die streek

had de Graaf van den Bergh, de zwager van den Prins, met Duitsche

troepen Zutfen en andere plaatsen bezet. Ook de Prins kwam daar in het

midden van October op zijn doorreis naar Holland nog aan en meende,

dat de plaats in veiligheid was. Spoedig zou Zutfen de wraak van

Alva ondervinden. Hij had bevel gegeven, geen enkel man in de stad

te sparen en al de huizen tot den grond toe te verbranden. Het bevel

werd bijna letterlijk opgevolgd. Don Frederik rukte Zutfen binnen en

deed onmiddellijk de geheele bezetting over de kling jagen; maar niet

alleen de bezetting, ook de weerlooze burgers moesten het ontgelden,

en de stad, die zoo smadelijk bij de nadering van den vijand door

van den Bergh in den steek was gelaten, werd zoo goed als uitgemoord.

Na Zutfen kwam Naarden aan de beurt. Don Frederik kreeg n.l. bevel

naar Amsterdam op te rukken om van daar de verovering van Holland

te beproeven. Op zijn weg daarheen kwam hij langs Naarden, dat

genomen werd en waarop een slachting plaats had zoo gruwelijk, dat

men zich afvroeg of het wel menschen waren, die daar aan het werk

waren geweest. Alva schreef met eenig welbehagen aan den koning, dat

"zij burgers en soldaten afgemaakt en geen menschenkind in het leven

gespaard hadden."

Don Frederik rukte van Naarden naar Amsterdam, waar Alva destijds

verblijf hield, die vol vreugde was over al het goede, dat zijn zoon

reeds verricht had. Behalve de vaderlijke goedkeuring ontving hij

ook die van zijn koning, die vond dat Don Frederik zich een zoon had

betoond zulk een vader volkomen waardig!

Een maand te voren echter was de Prins reeds in Holland. Van Zutfen

over Zwolle en Kampen en verder over de Zuiderzee, had hij met een

zestigtal volgelingen de reis gedaan. Op den 18en October had hij uit

Zwolle aan zijn broeder Jan een brief geschreven. Deze brief, onder

den indruk van de macht der Spaansche wapenen, de overgave van Bergen,

de verwoesting van Mechelen en den schrik der bevolking geschreven,

gunt ons weder een blik in het gemoed van den schrijver. "Ik vrees,"

zoo zegt hij, "dat ik mij waarlijk geheel en al van alle kanten

verlaten zal vinden, als God niet wonderdadig er in voorziet."

Hij betreurt ten zeerste de lafhartige vlucht van de benden van zijn

zwager. "Zelf ben ik besloten naar Holland en Zeeland te gaan, om zoo

mogelijk daar den toestand te behouden en daar mijn graf te vinden."

Twee dagen na het schrijven van dien brief, was de Prins te Kampen

en vandaar vertrok hij met de zijnen op enkele galeien, die hem

te gemoet waren gezonden naar Enkhuizen, waar hij zonder eenigen

tegenspoed aankwam en met groote vreugde werd ontvangen. Zijn aankomst

in Holland was dringend noodig, om de inwoners, die den moed hadden

verloren, met nieuwen moed te bezielen; zelfs de ijverigsten waren

op het punt den ongelijken strijd op te geven of het land voor

altijd te verlaten. Zijn tegenwoordigheid was niet minder noodig,

om de wettelooze plundering van zijn eigen zeelieden tegen te gaan;

voor vriend en vijand waren de Watergeuzen een schrik.

Na te Enkhuizen geland te zijn, deed de Prins een reis door Holland

en kwam in den loop van November in Dordrecht aan. Op die reis

bezocht hij ook Haarlem, dat na Naarden aan de beurt lag, om door

Don Frederiks leger belegerd en gestraft te worden. Daar Oranje zich

in Zuid-Holland gevestigd had en zijn stadhouder Sonoy zich in het

Noorderkwartier bevond, was Haarlem voor Alva van groot belang. De

stad lag n.l. op een landstrook daartusschen en bij verovering zou

Holland in twee stukken zijn verdeeld, waardoor de strijdkrachten der

opstandelingen in tweeën gesplitst konden worden, tengevolge waarvan

verdere wederstand onmogelijk zou zijn; althans zoo dacht men in

het Spaansche hoofdkwartier. Gedurende den herfst had die stad reeds

alle voorbereidselen genomen om een beleg, dat onvermijdelijk scheen,

te kunnen volhouden.

Het bezoek van den Prins was een bemoediging en waarschuwing

voor de burgers. Van daar schreef hij op den 1en November aan

den burgemeester en de burgers van Amsterdam, de eenige van al de

noordelijke steden, die zich niet voor hem verklaard had. Hij vroeg

hun, zijn pogingen om Alva te bestrijden, te ondersteunen en gaf te

kennen, dat hij bereid was, tot hen te komen, indien ze dat wenschten,

maar zijn brief werd door geen antwoord gevolgd. Met het oog op de

vreeselijke gebeurtenissen in Zutfen en Naarden was de aarzeling wel

begrijpelijk. Ook in Haarlem bestond bij de magistraat diezelfde

kleinmoedigheid; deze zond zelfs een drietal hunner naar Alva,

om in geheime onderhandelingen met hem te treden, doch die plannen

werden door Ripperda, den heldhaftigen commandant van het garnizoen,

verijdeld. Twee overheidspersonen, de pensionaris Assendelft en de

schepen Schagen werden onthoofd, nadat ze nog voor den schijn te recht

hadden gestaan en onder het bestuur van den Prins benoemde Aldegonde

een geheel nieuwe corporatie.

Een gelukkige gebeurtenis scheen voor den naderenden strijd om

Haarlem een goed voorteeken. Een kleine vloot, aan Holland behoorende,

was in de nabijheid van Amsterdam ingevroren geraakt. Don Frederik

zond een afdeeling over het ijs om die vloot te bemachtigen, maar

het scheepsvolk had een breede bijt rondom de schepen opengehakt,

zoodat de vloot in een groot vastgevroren en drijvend kasteel was

herschapen. Een sterke bende goed geoefende musketiers ging op de

schaats de aanvallers tegemoet. Een kortstondige en glibberige

schermutseling volgde, waarin de Hollanders, op het ijs door en

door thuis, gemakkelijk de overwinning behaalden en den vijand met

achterlating van eenige honderden dooden verjoegen.

"Het was iets tot dusver ongehoords" schreef Alva, "een troep

haakschutters zoo te zien schermutselen op de bevroren zee." Gelukkig

kwam de vloed en de sterk ingevallen dooi de schepen verlossen, die

allen naar Enkhuizen ontkwamen, terwijl de vorst, welke onmiddellijk

daarop weder inviel, de vervolging onmogelijk maakte.

Spoedig daarna begon het merkwaardige beleg van Haarlem, dat zoo

meesterlijk door den geschiedschrijver Motley is meegedeeld en dat

we daarom, tevens als voorbeeld van een beleg, hier in haar geheel

laten volgen:

"De stad Haarlem, over wier puin de Spaansche dwingelandij Holland

wilde binnendringen, lag in het smalst gedeelte van de landstrook,

die de Noordzee van de Zuiderzee scheidt. De afstand van de eene

zee tot de andere is nauwelijks anderhalf uur gaans. Ten westen

van de stad vond men een gewezen moeras, destijds vruchtbaar

weiland door onvermoeide zorg uit een stormachtige zee boven water

gehouden. Tusschen de Noordzee en den uitersten zoom van dat weiland

verrezen die wilde, zonderling gevormde duinen, door wind en golven

opgehoopt, die nog door het tengerste van alle rietsoorten versterkt,

de golven onder de heerschappij van den mensch stellen zouden. Aan

de tegenovergestelde of oostelijke zijde had Haarlem het uitzicht op

Amsterdam, welke toen reeds bloeiende stad slechts drie uren vandaar

verwijderd was. De twee steden, door een binnenwater gescheiden,

stonden slechts door een smallen dijk met elkander in gemeenschap. Het

Haarlemmermeer, nog geen eeuw vroeger door het samenvloeien van vier

kleinere meren ontstaan bij een storm, die het gansche schiereiland

gedreigd had te verzwelgen, strekte zich ten zuiden en oosten uit,

een waterkom vormende van betrekkelijk geringe afmetingen, daar de

diepte maar vijftien voet, de oppervlakte niet meer dan zeventig

vierkante mijlen bedroeg; maar, blootgesteld aan alle winden, werd

het water bij stormweer soms even gevaarlijk als de golven van den

oceaan. Aan de overzijde van het meer, ten noorden, stroomde het IJ

bijkans over het schiereiland heen. Deze inham der Zuiderzee was van

het Haarlemmermeer slechts door een smalle landstrook gescheiden en

over die engte liep de dijk, die de twee steden, thans zoo jammerlijk

tegen elkander in 't harnas, verbond.

Halverwege was de dijk afgebroken en van sluizen voorzien, waardoor

men het meer in het IJ kon laten loopen en zoodoende het omliggende

land onder water zetten.

Haarlem was een der grootste en schoonste steden in de Nederlanden,

doch tevens een der zwakste. De muren waren oud, met torens voorzien,

doch niet sterk en de uitgestrektheid der verdedigingswerken maakte

eene aanzienlijke bezetting noodig; toch was de bezetting nog zwakker

dan de vest. Steun vond de stad alleen in de kloekmoedigheid der

bewoners. De straten waren, voor dien tijd, breed en regelmatig;

de grachten met lindeboomen en populieren beplant. De oude kerk van

St. Bavo, een groot indrukwekkend steenen gebouw, verrees bijna in

het midden der stad; mijlen ver was zij zichtbaar zoowel van uit zee,

als van de landzijde, terwijl het rustige stadje onder hare heilige

en beschermende vleugels scheen te schuilen. Haar rijzige torenspits

droeg van boven een reusachtige kroon, die men voor een zinnebeeld

zou kunnen houden van de glorierijke martelaarskroon der stad, voor

haren heldenmoed en bangen strijd toegereikt.

Het water tusschen Haarlem en Amsterdam zou het voornaamste tooneel

der aanstaande krijgsverrichtingen moeten opleveren. Spoedig werd met

het beleg een aanvang gemaakt; de uit de stad geweken burgemeester

Dirk de Vries had de onbeschaamdheid, met goedvinden van Alva,

den burgers een brief te doen toekomen, waarin hij hen vermaande,

zich onvoorwaardelijk over te geven. De bode werd opgehangen--een

wreed, maar krachtig antwoord, dat aan alle verdere verraderlijke

gemeenschap met den vijand een einde maakte. Dit geschiedde in de

eerste week van December; den 10en zond Don Frederik een aanzienlijke

afdeeling om zich van de schans en het dorp Spaarndam meester te maken,

als voorbereiding tot het beleg. Een boer wees Zapata, den aanvoerder

van de bende, een verborgen pad dwars door de overstroomde en bevroren

weilanden en de Spanjaards dreven de bezetting op de vlucht, deden er

driehonderd man van sneuvelen en namen de schans en het dorp in bezit.

Den volgenden dag verscheen Don Frederik voor Haarlems wallen en

begon hij de plaats geregeld in te sluiten. Door het mistige weer

hierin begunstigd, versterkte hij intusschen zijn leger, tot er

minstens dertigduizend man, waaronder vijftienhonderd ruiters, rondom

de stad vereenigd waren. De Duitschers onder graaf Overstein hadden

hun kwartier in een fraai en uitgestrekt bosch van linden en beuken,

dat tusschen de zuidelijke wallen en de oevers van het Haarlemmermeer

verrees; Don Frederik zelf nam met zijne Spanjaards eene stelling

in aan de overzijde, bij het zoogenaamde Huis te Kleef, waarvan

nog de bouwvallen over zijn. De Walen en andere regimenten waren op

verschillende plaatsen zoo verdeeld, dat de stad volkomen ingesloten

was. Aan den hoek van het meer had de Prins een ring van schansen

laten opwerpen, waardoor Haarlem vooreerst van de bevroren wateren

meester bleef, maar gedurende den loop van het beleg werden er door Don

Frederik andere sterkten opgericht, waardoor de toestand veranderde.

Tegenover de ontzaglijke vijandelijke macht, in getal bijkans met

de geheele bevolking der stad gelijk, telde de bezetting binnen

de wallen nooit meer dan vierduizend man. Eerst was zij zelfs nog

minder talrijk. Dezelfde omstandigheid evenwel, die de eerste

krijgsverrichtingen van Don Frederik begunstigde, kwam ook den

Haarlemmers te stade. Een dichte ijsnevel hing voortdurend over het

meer; door dat gordijn gedekt, werden er dagelijks gewapende mannen,

levensmiddelen en krijgsbehoeften binnen de stad gebracht, in spijt

van alle pogingen der belegeraars om het te beletten.

Mannen, vrouwen, zelfs kinderen, die zich op hunne schaatsen en met

hunne ijssleden zoo snel als de wind repten, kwamen in de donkere

korte dagen en lange nachten van December in Haarlem aan. Men telde

minstens duizend schansdelvers, drieduizend strijdbare mannen en

omtrent driehonderd strijdbare vrouwen. De laatsten, die goede diensten

deden, met zwaard, musket en dolk gewapend, stonden onder Kenau

Hasselaar, een weduwe van aanzienlijke afkomst en onbevlekten naam,

omtrent zevenenveertig jaren oud, die aan het hoofd harer amazonen,

aan vele der hevigste gevechten, zoowel buiten als binnen de veste deel

nam. Waar zelfs vrouwen met zulk een kloeken geest bezield waren, liet

zich verwachten, dat de mannen de stad niet licht zouden overgeven.

De Prins had te Leiden een drie- of vierduizend man bijeenverzameld,

die hij nog vóór het midden van December onder bevel van den graaf

van der Marck naar de stad zond, maar deze troepen werden onderweg

door een sterke afdeeling onder Bossu, Noircarmes en Romero aangetast

en na een scherp gevecht onder eene hevige sneeuwjacht verslagen. Een

duizendtal sneuvelde, anderen werden gevangen genomen en naar de galgen

gesleept, die reeds in de Spaansche legerplaats zoo opgericht waren,

dat zij van verre in het oog vielen en die gedurende het geheele

beleg nooit leeg stonden.

Onder de krijgsgevangenen was een wakker bevelhebber, Baptist van

Trier, voor wien van der Marck vruchteloos tweeduizend kronen en

negentien Spaansche gevangenen aanbood: het voorstel werd minachtend

van de hand gewezen, en van Trier bij het ééne been aan de galg

gehangen totdat de dood volgde. Uit weerwraak liet van der Marck de

negentien Spanjaards onmiddellijk ophangen. Met deze wisseling van

wreedheden was het beleg voor goed begonnen.

Don Frederik had een stelling ingenomen tegenover de Kruispoort, die

niet zeer sterk was, maar door een bolwerk gedekt werd. Van zins om

het beleg zoo kort mogelijk te doen duren, liet hij onmiddellijk zijne

batterijen oprichten en den 18en, 19en en 20en December de Kruispoort,

de St. Janspoort en het gordijn tusschen die beide poorten, hevig

beschieten. Zes honderd en tachtig schoten werden op den eersten

dag en ongeveer evenveel op elk der beide volgende dagen gelost. De

wallen werden zeer beschadigd, maar mannen, vrouwen en kinderen

arbeidden dag en nacht om de bressen even spoedig te herstellen als

zij gemaakt waren: zij brachten zakken met zand, stapels steenen,

wagens vol aarde van alle kanten aan en beroofden de kerken van hare

beelden om daarmede de breuken te stoppen. Dit wekte afgrijzen onder

de belegeraars: zij, die dagelijks menschen slachtten en gevangenen

in koelen bloede ophingen, huiverden onder dien gruwelijken hoon,

gesneden beelden aangedaan.

Na drie dagen de stad beschoten te hebben, gaf Don Frederik bevel

tot den storm, om zoo door een verhaast bloedbad de kroon op zijne

heldenfeiten van Zutfen en Naarden te zetten. De vest zou, naar zijn

meening binnen eene week bezwijken en na nog eene tweede week aan

plundering en moord gewijd te hebben, wilde hij naar nieuwe steden

trekken, totdat Holland geheel onder den voet zou zijn gebracht.

Romero rukte op de bres aan, door een aantal bestormers gevolgd,

maar ontmoette een tegenstand, die de Spanjaards verbaasd deed

staan. Alom riep het klokgebom de burgerij te wapen, de gansche

bevolking stroomde naar de wallen en de belegeraars werden begroet,

niet slechts met zwaard en musket, maar met elk voorwerp, dat den

burgers voor de hand kwam. Het regende zware steenen, kokende olie,

gloeiende kolen op de hoofden der Spanjaards; brandende pekkransen

werden hen behendig om den hals geslingerd. Zelfs Spaansche moed en

Spaansche woestheid moesten deinzen voor de vastberadenheid eener

burgerij, door één zelfden geest bezield. Romero verloor een oog in

het gevecht, vele bevelhebbers werden gedood en gekwetst en drie of

vierhonderd soldaten lieten in de bres het leven, terwijl slechts

drie of vier van de stedelingen sneuvelden.

Met weerzin werd het teeken tot den aftocht gegeven en de Spanjaards

zagen van den storm af. Don Frederik besefte thans, dat Haarlem hem

niet bij het eerste trompetgeschal te voet zou vallen; klaarblijkelijk

moest een beleg het bloedbad vooraf gaan, en hij gaf dus bevel om

het ravelijn te ondermijnen, niet twijfelende, of na weinige dagen

zou de stad toch in zijne handen vallen.

Intusschen stelde de Prins van Oranje, uit zijn hoofdkwartier te

Sassenheim, aan de zuidelijke grens van het meer gelegen, eene nieuwe

poging in het werk om onderstand in de stad te brengen. Twee duizend

man met zeven veldstukken en vele wagens vol krijgsbehoeften werden

door hem onder Batenburg afgezonden. Deze bevelhebber was in de plaats

getreden van den graaf van der Marck, dien de Prins eindelijk van

zijn post had ontzet. De vermetele en gewetenlooze vrijbuiter mocht

niet langer eene zaak dienen, die door zijne wreedheid meer bezoedeld

werd dan zijne wanhopige dapperheid haar bevorderen kon.

Batenburgs onderneming viel echter niet voorspoediger uit, dan die van

zijn voorganger: reeds in de nabijheid der stad gekomen, geraakten de

troepen door den dikken mist, die bijna voortdurend het oorlogstooneel

omhulde, den weg bijster. Vruchteloos poogde men hen door kanonschoten,

klokkengelui en seinvuren van de wallen terecht te helpen; de kans

was verloren. De Spanjaards vielen hen aan, vóór zij den weg naar de

stad konden vinden; velen werden overhoop gestoken, anderen namen

de vlucht in verschillende richtingen, zeer weinigen gelukte het,

binnen de stad te geraken. Batenburg bracht een gering overschot van

zijne troepen behouden terug, maar al de zoo hoogst noodige voorraad

was verloren gegaan en de kleine macht geheel verstrooid.

De Koning, die onder Batenburg het bevel had gevoerd, was onder de

gevangenen: de Spanjaards hieuwen hem het hoofd af en wierpen het

over de wallen in de stad, met het opschrift: "dit is het hoofd van

kapitein Filips de Koning, die met versterking op weg is voor de goede

stad Haarlem." De burgers beantwoordden dit met nog gruwzamer spot:

zij deden elf gevangenen ter dood brengen en sloten de hoofden in

eene ton, die zij in het Spaansche leger wierpen, met dit briefje er

aan bevestigd: "Breng deze hoofden aan den hertog van Alva voor den

tienden penning: het elfde hoofd zenden wij hem voor intrest toe,

opdat hij zich niet over de trage betaling beklage."

Door zulke afgrijselijke scherts wisselden belegerden en belegeraars

de eentonigheid van het winterbeleg af. Daar er dagelijks uitvallen

en schermutselingen voorvielen, had men ook aanhoudend gevangenen

en konden beide partijen hunne afschuwelijke geestigheden volhouden,

terwijl de galgen in legerplaats of stad voortdurend dienst deden.

Sedert den storm van den 21en December was Don Frederik met den

onderaardschen aanval begonnen door regelmatige loopgraven te

openen. Even snel als de Spanjaarden, groeven de burgers er loopgraven

tegen in. Dagelijks stootten zij op elkander en kampten zij onder den

grond. Wanhopig waren die gevechten, in gangen, zóó nauw, dat men zich

slechts van dolken bedienen kon, zóó duister, dat de flauwe lantarens

ternauwernood bij de doodelijke slagen licht gaven; het scheen een

worstelstrijd niet van menschen, maar van booze geesten en met die

gevechten, man tegen man, was het niet gedaan: hoofden, armen, beenen,

rompen, de deerlijk verminkte overschotten van honderden menschelijke

wezens, spoten dikwijls uit de aarde op, als uit een onzichtbaren

vulkaan. Toch zwoegden de Spanjaards voort met onverminderden ijver;

toch ondergroeven de belegerden zonder zich te laten ontmoedigen,

de vijandelijke werken en beletten den voortgang met zwaard en speer

en met vreeselijke mijnontploffingen.

De Prins van Oranje prikkelde middelerwijl de burgers tot volharding

door menigvuldige beloften van hulp. Zijne brieven op zeer kleine

reepjes papier geschreven, werden door postduiven in de stad

gebracht. Den 28en Januari zond hij een aanzienlijken voorraad van

twee dringende benoodigdheden, buskruit en brood op honderdzeventig

sleden over het Haarlemmermeer, begeleid door vierhonderd oudgediende

krijgers. De burgers hielden den strijd vol in de loopgraven, tegen

het bolwerk van de Kruispoort gericht, doch het lag voor de hand,

dat zij dit niet lang meer konden doen: zij hadden dan ook in de lange

winternachten aan de binnenzijde van dat bolwerk een halve maan stevig

opgemetseld. Burgemeesters, bevelhebbers, burgers, soldaten, vrouwen,

kinderen, oud en jong, rijk en arm, allen hadden meegeholpen aan dat

werk, waardoor men de stad nog hoopte te behouden, als het bolwerk

gevallen was.

Op den 31en Januari gaf Don Frederik na de Kruispoort, de St. Janspoort

en de daar tusschen liggende gordijnen twee of drie dagen achtereen

te hebben doen beschieten, last tot eene nachtelijke bestorming. De

wallen waren zeer beschadigd; een gedeelte der St. Janspoort lag in

puin; de Spanjaarden beklommen de bres; de stad werd bijna overrompeld

en de opperbevelhebber, reeds zeker van de overwinning, deed zijne

gansche macht onder de wapenen komen om de bevolking, die door

plotselingen schrik verbijsterd, de stad zou uitstroomen, den pas af

te snijden. Intusschen hadden de veertig of vijftig schildwachten op

de wallen toch aan den onverhoedschen aanval weerstand geboden terwijl

zij te wapen riepen. De stormklok luidde de verschrikte burgers uit

den slaap, en weldra waren de wallen bemand.

De dag brak aan, terwijl de strijd op het hevigst was. De belegerden

verdedigden zich met musket en rapier, met gesmolten pek, brandende

pekkransen, knodsen en steenen. Na de vroegmis werd in het Spaansche

kamp de trompet gestoken tot een algemeenen aanval, en het bolwerk

bij de Kruispoort eindelijk bemachtigd. De Spanjaards stormden

voort om terstond de stad te vuur en te zwaard te verwoesten maar

bij het beklimmen van den wal bespeurden zij het nieuwe en nog

sterkere bolwerk, dat men van binnen had aangelegd. Duidelijk was

het thans, waarom men het bolwerk prijsgegeven had; de halve maan,

wier aanwezigheid de Spanjaards niet vermoed hadden, verhief zich,

met geschut beplant, voor hen en een hevig vuur werd er uit geopend,

terwijl in hetzelfde oogenblik het bolwerk, door de burgers ondermijnd,

met een donderend geweld in de lucht sprong en de zoo even zegevierende

bestormers vermorzeld werden. Dit was het keerpunt: de aftocht werd

geblazen en de Spanjaards keerden haastig naar hun legerkamp, terwijl

zij minstens driehonderd dooden onder de wallen achterlieten. Zoo was

deze tweede storm, door een geweldige overmacht onder aanvoering der

meest ervaren Spaansche krijgsbevelhebbers beproefd, roemrijk door

de burgers van Haarlem afgeslagen.

Er werd nu besloten om de stad, die noch door het openen van

loopgraven, noch door plotselingen aanval te nemen was, door

hongersnood tot de overgave te dwingen. Toch had bij het voortgaan van

den winter het machtig leger buiten de wallen evenzeer door gebrek

te lijden, als de bevolking daarbinnen. De soldaten bezweken aan de

ziekten, door de strenge koude en het ontoereikend voedsel ontstaan,

en zooals gewoonlijk, overtrof het aantal van hen, op die wijze

omgekomen, verreweg dat dergenen, die tegenover den vijand sneuvelden.

Het lijden binnen de stad nam, gelijk te verwachten was, toe, daar

de gansche bevolking op beperkt rantsoen was gesteld; dagelijks

verminderde de voorraad en met de nadering der lente en het invallen

van den dooi liepen zij gevaar van allen toevoer afgesneden te

worden. Als de vijand meester werd op het water, moesten zij zich

overgeven of verhongeren en zij betwijfelden het, of de prins wel in

staat zou zijn een vloot uit te rusten. Het dreigende spook van den

hongersnood rees voor hen op en voorspelde hun den ondergang. In

hun ellende haakten zij naar de bestormingen der Spanjaards; dan

althans hadden ze een minder geduchten vijand onder de oogen te

zien. Dagelijks trokken zij met slaande trom en vliegende vaandels

de wallen rond om de belegeraars tot hernieuwde aanvallen te tarten,

en om den godsdiensthaat hunner tegenstanders te doen ontvlammen,

dosten zij zich uit in de schitterende, met goud bestikte kleederen

der priesters, die zij uit de kerk genomen hadden, en bootsten een

plechtigen omgang na, waarbij zij opgetooide beelden, reliquiën en

andere gewijde voorwerpen omhoog hielden om ze dan verachtelijk van

de wallen te slingeren of met luide spotkreten stuk te breken.

Op datzelfde tijdstip echter dacht de vijand er ernstig over, of hij

het beleg niet zou opbreken. Don Frederik meende, dat men thans voor

de eer der Spaansche wapenen genoeg had gedaan; het verdroot hem,

zijn krijgsvolk hulpeloos te zien omkomen en hij achtte den prijs te

onbeduidend in vergelijking met de offers, dien hij kosten zou. Zijn

vader dacht er anders over; misschien kwam de hertog het beleg van

Metz voor den geest en den raad, toen door hem aan keizer Karel

gegeven en dien de vorst, naar hij geloofde, hem nooit vergeven had.

Hoe dit zij, Alva zond Bernardino de Mendoza, door Don Frederik naar

Nijmegen afgevaardigd, om zijn vader verlof te vragen tot het opbreken

van het beleg, met dit antwoord terug: "zeg aan Don Frederik, dat,

zoo hij niet besloten is het beleg voort te zetten tot de stad is

genomen, ik hem niet langer voor mijn zoon erkennen wil, hoe ik ook

vroeger over hem gedacht heb. Valt hij in het beleg, dan zal ik het

zelf voortzetten, en mochten wij beiden vallen, dan zal de hertogin

er uit Spanje voor overkomen."

Die taal was niet dubbelzinnig en de vijandelijkheden werden met

levendigheid hervat. De belegerden waren erover verheugd en deden

dagelijks uitvallen. In een daarvan stormden Haarlemmers onder

begunstiging van een dikken mist op de vijandelijke hoofdbatterij

los en poogden de stukken te vernagelen. Allen werden zij bij den

mond van het geschut gedood, en daar lagen zij in de batterij nog met

hamers en spijkers in de verstijfde vuist geklemd. Elke dag werd door

dezelfde koelbloedigheid opgeluisterd. In het voorjaar ging het vee

dagelijks de poorten uit naar de weide, ondanks het gewoel, dat in den

omtrek heerschte, en het was den Spanjaards niet mogelijk één enkel

stuk rund te bemachtigen, zonder dat het hun minstens een twaalftal

soldaten kostte. "Deze burgers," schreef Don Frederik, "doen al wat

menschelijkerwijze de beste soldaten in de wereld zouden kunnen doen."

Tegen het einde van Februari hield de vorst op. Den graaf van Bossu,

die te Amsterdam een vloot van kleine vaartuigen had laten bouwen,

gelukte het kort daarop met eenige van geschut voorziene schepen op

het Haarlemmermeer te komen door eene opening, die hij had doen maken

in den Overtoom, op omtrent een halve mijl afstand van Amsterdam. De

vaart op het meer was dus ook niet veilig meer, maar ook de Prins

had niet stil gezeten, ook hij was gereed een kleine vloot op het

meer te zenden.

Intusschen verkeerde het Spaanschgezinde Amsterdam in bijna even

hachelijken toestand als het prinsgezinde Haarlem. Gelijk de eene

stad over het meer, zoo kreeg de andere toevoer over den dijk:

kon men dien grooten, kunstig aangelegden weg, die naar Muiden en

Utrecht voerde, doorsteken, dan ware Amsterdam even zeker als Haarlem

uitgehongerd. "Sedert ik ter wereld kwam," schreef Alva, "heb ik nooit

in grooter bezorgdheid verkeerd. Indien het hun gelukt de gemeenschap

langs den dijk af te snijden, dan zou ons niets anders overschieten,

dan het beleg van Haarlem op te breken en ons met gevouwen handen

over te geven, of van honger om te komen."

Oranje besefte volkomen den toestand van beide steden, doch hij had als

gewoonlijk, gebrek aan volk en middelen. Hij schreef smeekbrieven aan

zijn vrienden in Engeland, in Frankrijk, in Duitschland en hij verzocht

zijn broeder Lodewijk ten dringendste, om zoo het menschelijkerwijs

mogelijk was, met eenige soldaten op te dagen. "Het gansche land ziet

zoo verlangend naar u uit," schreef hij aan Lodewijk, "alsof gij de

aartsengel Gabriël waart."

En terwijl hij zoo dringend om versche troepen uit Duitschland of

Frankrijk bad, deed hij met de vrijwilligers die hij verzamelen

kon, al wat in zijn macht was. Hij hield nog steeds zijn verblijf in

Sassenheim, ten Zuiden van Haarlem, terwijl Sonoy met zijn onbeduidende

macht ten Noorden van die stad gelegerd was. Thans zond hij dien

krijgsoverste met een bende, zoo aanzienlijk als hij kon bijeenbrengen,

tot een aanval op den Diemerdijk af. Het volk verschanste zich zoo

goed mogelijk tusschen het Diemermeer en het IJ, terwijl tegelijk de

sluizen opengezet en de dijk doorgestoken werd. Terwijl hun aanvoerder

uit Edam versterking was gaan halen, werden zij door een aanzienlijke

macht uit Amsterdam aangetast: een hevige strijd volgde te land en

te water, deels in booten, deels op den glibberigen dijk, deels in

het water, een strijd, waarschijnlijk niet ongelijk aan de gevechten

tusschen de oude Batavieren en Romeinen ten tijde van Claudius Civilis.

De Hollanders moesten ten laatste voor de overmacht onderdoen. Sonoy,

op weg om hen te hulp te komen, werd in zijn plan teleurgesteld door

de onverwachte flauwhartigheid der vrijwilligers, die hij in Edam

bijeen had gebracht. Duizend gevaren trotseerende zette hij, bijkans

geheel alleen gelaten, met zijn broer den tocht voort, maar hij

kon slechts met eigen oogen de nederlaag en verstrooiing der zijnen

zien. Het was te laat om de wijkende troepen te hereenigen. Wakker

hadden zij gestreden, doch voor de overmacht moesten zij zwichten,

nadat één hunner wonderen van dapperheid had verricht.

Jan Haring uit Hoorn had geheel alleen post gevat op den dijk, die

tusschen het IJ en het Diemermeer lag en zoo smal was, dat nauwelijks

twee mannen naast elkander konden staan. Daar had hij met zwaard

en schild aan een duizendtal vijanden weerstand geboden en hun den

weg versperd, lang genoeg om zijn kameraden in staat te stellen,

zich weder te verzamelen en den aanval af te slaan. Het was te laat,

maar toch handhaafde de wakkere krijgsman zich op zijn post, totdat

zijn krijgsmakkers, die nog in de verschansingen waren, veilig hadden

kunnen aftrekken: toen sprong hij in het water en ontkwam ongedeerd.

Ware hij een Griek of Romein geweest, Horatius of Chabrias, zijn naam

zou in de geschiedenis vermaard, zijn standbeeld op het marktplein

opgericht zijn, want de koene Hollander had op zijn dijk evenveel

dapperheid in een even heilige zaak aan den dag gelegd, als de

uitstekendste helden der oudheid.

Deze mislukte poging om de gemeenschap tusschen Amsterdam en het

land af te snijden, versterkte Alva's vertrouwen. Eenige honderden

Nederlanders waren gedood of gevangen genomen, en onder de gesneuvelden

bevond zich de schilder Antonie Olivier, door wiens toedoen Lodewijk

van Nassau Bergen overrompeld had; zijn hoofd werd afgehouwen door twee

vaandrigs, die er den gestelden prijs, tweeduizend Carolusguldens,

voor ontvingen. Nu bevestigde men er een stuk papier aan, waarop de

naam van den terdoodgebrachte geschreven stond en wierp het hoofd zoo

in de stad Haarlem. Tevens werd in de Spaansche legerplaats vóór de

stad, op eene in het oog vallende plek eene nieuwe galg gezet, waaraan

men al de gevangenen, eenigen bij den nek, anderen bij de hielen,

in het gezicht der hunnen ophing. Zooals gewoonlijk, prikkelde deze

wreedheid de burgers tot weerwraak.

Twee van de afgezette overheden, die de Spaansche zijde gekozen hadden,

zaten nog in Haarlem gevangen, evenals nog zeven andere personen,

waaronder een priester en een twaalfjarige knaap. Zij werden nu tot

de galg veroordeeld. De vrouw van een der afgezette burgemeesters

en zijne dochter, een bagijn, vergezelden hem naar de plaats der

terechtstelling met vrome vermaningen om de uitjouwingen van het

gepeupel en zijn smadelijk vonnis moedig te dragen. Het grauw, door

die koenheid verbitterd, joeg vrouw en dochter in het water, waar zij

beiden omkwamen. Het is billijk, deze voorbeelden van wreedheid door

de Nederlanders begaan, te vermelden, maar die wreedheid was het bijna

onvermijdelijk gevolg der gruwzaamheid van den uitheemschen vijand.

Het was een oorlog van wolven; om Mendoza's woorden te gebruiken:

"allen, zoowel binnen als buiten Haarlem, schenen door een geest van

persoonlijke wraakzucht gedreven." Het onschuldig bloed, in Mechelen,

Zutfen, Naarden en op duizend schavotten vergoten, had te lang reeds

tot God om wraak geschreeuwd; de Hollanders moesten meer of minder dan

menschen geweest zijn om zich soms niet te laten verleiden tot daden,

die de rechtvaardigheid en de rede moeten afkeuren.

De zonderlinge gril van een manhaftig bevelhebber der bezetting,

hopman Curey, stelt duidelijk het afgrijzen in het licht, waarmede

de edeldenkenden zulke bloedtooneelen beschouwden. Uit den aard

zachtmoedig, maar door het zien der Spaansche wreedheid ontvlamd,

had hij de wapenen, die hem vroeger tegenstonden, opgevat; dapper

tot vermetel toe, voerde hij de zijnen, bij elken uitval, bij elk

gevaarvol nachtelijk waagstuk, aan. Slechts met zijn rapier gewapend,

ongeharnast, kon men hem steeds zien, waar de strijd het hevigst woedde

en talrijk waren de slachtoffers, door zijn staal geveld. Teruggekeerd

van zulke tochten, sloot hij zich in zijn huis op en bleef dagen lang

te bed liggen, door wroeging gepijnigd, terwijl hij zich bitter al

dat bloedvergieten verweet, waarin hij gedeeld had en dat door eene

wreede lotsbeschikking noodig scheen. Als die vlaag van verteedering

bedaard was, kwam zijn strijdlust gewoonlijk terug en ijlde hij wederom

naar het slagveld om nieuwe slachtoffers voor zijn woede te vinden.

Bijna dagelijks hadden er gevechten voor de wallen plaats. Op den

25en Maart deden duizend man een schitterenden uitval, verdreven

al de vijandelijke buitenposten, staken driehonderd tenten in

brand en bemachtigden zeven stukken geschut, negen standaards en

vele wagens vol mond- en krijgsbehoeften en dat alles brachten zij

veilig in de stad. Na aldus buit behaald te hebben, op eene wijs,

niet dikwijls te werk gesteld door de burgers eener belegerde stad,

in het aangezicht van dertigduizend oudgediende krijgers--na van

den vijand, wiens gansche macht bijna aan den strijd deelnam,

achthonderd man gedood te hebben, terwijl zij zelven slechts vier

van de hunnen verloren,--richtten de Haarlemmers een ontzettend maar

verheven zegeteeken op. Een zodenheuvel werd, in het gezicht van

het vijandelijke leger, in den vorm van een reusachtig graf, op de

wallen aangelegd en daarop de zoo heldhaftig veroverde kanonnen en

standaards geplant, terwijl midden op den heuvel een banier golfde

met het uittartend opschrift: "Haarlem is het kerkhof der Spanjaarden."

Ziedaar de bijzonderheden, waardoor dit vermaard beleg zich gedurende

den winter en de vroege lente kenmerkte. Wel mocht Alva aan zijn vorst

schrijven, dat "het een beleg was, welks gelijke men tot dusver in

geen ander land ooit gezien of gehoord had." Toch had de hertog bijna

zestig jaren van onafgebroken oorlog gekend. Hij meldde aan Filips,

dat "geen vest ooit met zooveel beleid en dapperheid verdedigd was

als Haarlem," hetzij door opstandelingen, hetzij door mannen die voor

hun wettigen vorst streden."

Zeker had zijn zoon ingezien hoezeer hij zich vergist had, toen hij

beweerde, dat de stad zich binnen een week zou overgeven; terwijl

de vader na eene ondervinding van zes jaar dit "volk van boter"

minder smijdig begon te vinden, dan zelfs die "ijzeren volken,"

die hij zich beroemde getemd te hebben. Het was gebleken, dat noch

een Grieksche of Italiaansche hemel, noch het verheven Zwitsersche

alpenland vereischten waren, om een geest van kloekmoedigen weerstand

tegen uitheemsche onderdrukking te doen ontvlammen, een geest, die

zich even krachtig gelden liet onder de winternevelen en op de lage

weiden van Holland, als hij het ooit onder zonniger luchtstreken en

in bekoorlijker oorden gedaan had.

Mendoza had zijne zending naar Spanje volbracht en was binnen zes weken

met geld teruggekeerd. Op zijne voorstellen en Alva's herhaald verzoek,

had Filips daarenboven aan Requesens, stadhouder van Milaan, last

gegeven, drie oude Spaansche regimenten naar de Nederlanden te zenden,

die thans voor Haarlem meer noodig waren, dan in Italië. Terwijl de

landmacht dus versterkt werd, was de vloot op het Haarlemmermeer ook

aanzienlijk vergroot.

Van zijn kant had de Prins van Oranje meer dan honderd vaartuigen

van verschillende soort verzameld, zoodat de waterplas van schepen

wemelde. Bijna dagelijks vielen er thans ter zee gevechten en

schermutselingen voor, het bleek duidelijk dat de kamp op leven en dood

thans op het water zou gestreden worden. Zoo lang de Hollanders zich

daar konden handhaven, was het nog mogelijk aan Haarlem onderstand te

doen toekomen, maar zoo de Spanjaarden de prinselijke vloot overwonnen,

moest de stad onvermijdelijk verhongeren.

Eindelijk had er op den 28en Mei een beslissend gevecht tusschen

de beide vloten plaats. Van weerszijden werd er geënterd en lang en

hevig man tegen man gevochten. Bossu had honderd schepen onder zijn

bevel; Maarten Brand, de Hollandsche admiraal, kommandeerde er omtrent

honderdvijftig, maar kleinere. Batenburg stond aan het hoofd van het

krijgsvolk op de Hollandsche schepen. Na een hardnekkigen strijd,

waarin eenige duizenden omkwamen, werd de overwinning ten gunste

der Spanjaarden beslist. Na tweeëntwintig van 's prinsen schepen

bemachtigd en de overigen geheel verslagen te hebben, voer Bossu in

zegepraal over het meer.

De schansen der Geuzen werden onmiddellijk ingenomen en den Haarlemmers

de gemeenschap met hunne vrienden voor goed afgesneden.

Dit was het begin van het einde: de wanhoop maakte zich meester van

de stad. De bevolking was lang met één pond brood per man en een

half pond voor iedere vrouw toegekomen; maar thans was het brood

op en na de afsluiting van het meer stond de hongersnood voor de

deur. De Haarlemmers deden den Prins dringend verzoeken, nog iets

voor hunne redding te beproeven; drie weken bepaalden zij als het

uiterste tijdstip, tot wanneer zij het nog konden harden.

Oranje liet hun door postduiven weten, dat zij het nog wat moesten

volhouden, daar hij een krijgsmacht verzamelde en hoopte hun onderstand

te bezorgen.

Intusschen nam in den loop van Juni de nood der inwoners van uur

tot uur toe; van gewoon voedsel was reeds sedert lang geen sprake;

men leefde van lijn- en hennepzaad; toen ook de voorraad daarvan

was uitgeput, at men katten, honden, ratten en muizen; waren ook

die dieren verbruikt, dan kookte men paarden- en ossenhuiden en

schoenleder, men plukte distelen, het gras van de kerkhoven en het

onkruid dat tusschen de straatsteenen groeide, om het leven maar te

rekken, totdat de beloofde hulp komen zou. Mannen, vrouwen en kinderen

vielen van honger dood op de straat, terwijl zij, die hen overleefden,

nauwelijks het hart of de kracht hadden om ze van de straat op te

nemen en te begraven. De nog levenden schenen als schimmen rond te

waren en benijdden hen, aan wier lijden de dood een einde had gemaakt.

Zoo verstreek de maand Juni; op den 1en Juli besloten de burgers in

onderhandeling te treden. Zij zonden gemachtigden aan de belegeraars,

maar de onderhandelingen werden kortweg afgebroken, daar Don Frederik

van geen voorwaarden of vergelijk wilde hooren. Op den 3en werd

er weder een stevig vuur tegen de stad geopend: duizend en acht

kanonkogels werden er verschoten, meer dan op eenig anderen dag

sinds den aanvang van het beleg. De wallen werden zeer beschadigd,

maar geen storm geloopen, want de belegeraars waren er zeker van,

dat de inwoners het onmogelijk langer konden uithouden.

Een laatste brief, met bloed geschreven, ging uit Haarlem naar den

prins van Oranje, om hem den wanhopigen toestand te kennen te geven;

tegelijk wierp men met den spot der wanhoop de weinige brooden, die er

nog binnen de vest over waren, in de vijandelijke legerplaats. Een paar

dagen later werd er een tweede vergeefsche poging tot onderhandelen

gedaan; toen stak men een zwarte vlag uit, ten teeken, dat men aan

vriend en vijand wanhoopte; maar kort daarop vloog er eene duif de

stad in met een brief van den prins, waarin hij verzocht, het nog

twee dagen uit te houden, daar de hulp ophanden was.

De Prins had inderdaad alles gedaan wat mogelijk was: hij had burgers

van Delft op het marktplein doen vergaderen en hun zijn voornemen

aangekondigd om in persoon Haarlem te hulp te komen, indien men slechts

wat krijgsvolk bijeenbrengen kon. Soldaten waren er niet, maar de

Hollandsche steden Delft, Rotterdam en Gouda voelden de innigste

deernis met Haarlems lot en vele deftige burgers, zelfs personen

van aanzien, boden zich als vrijwilligers aan, om tot ontzet op te

rukken. De Prins was niet ingenomen met dat gemengde leger, waarvan

hij niet met zekerheid voorspellen kon, dat het in het vuur stand

houden zou, en als krijgsman wist hij, dat bij zulk eene onderneming

geestdrift geenszins het gebrek aan ondervinding vergoeden kon. Daar

echter de drang van het oogenblik geen uitstel duldde, stelde hij

een volmacht op, waarin hij Paulus Buys benoemde tot gouverneur bij

zijne afwezigheid en tot waarnemend stadhouder, zoo hij bij den tocht

kwam te sneuvelen. Vierduizend gewapende vrijwilligers met zeshonderd

ruiters onder van der Noot van Carlo waren bijeen en de Prins zelf

stelde zich aan hun hoofd. Een kreet ging op; overheden en burgers,

de troepen zelf wilden niet gedoogen, dat een zoo kostbaar leven,

zoo onmisbaar voor Hollands bestaan, in gevaar zou worden gesteld. Van

belang was het zeker, Haarlem onderstand te zenden, maar de Prins woog

tegen vele steden op. Met weerzin stemde hij er eindelijk in toe, het

beleid van den tocht op te dragen aan den baron van Batenburg, des te

schoorvoetender omdat hij de troepen niet genoeg vertrouwde. Op den

8en Juli bij het vallen van den avond, brak het leger van Sassenheim

op: het bedroeg omstreeks vijfduizend man, die vierhonderd wagens met

leeftocht en zeven veldstukken bij zich hadden. Onder de vrijwilligers

zag men den later zoo beroemd geworden Oldenbarneveld met het musket

op den schouder; het was één voorbeeld voor den geest, die de gansche

bevolking bezielde.

Batenburg hield halt in het Noordwijkerbosch, aan de zuidzijde

van Haarlem en bleef er tot middernacht. Alles scheen stil in 's

vijands leger; nadat er een gebed gedaan was, gaf de Hollandsche

bevelhebber last om voort te rukken, in de hoop terwijl het leger

sliep, tusschen de schansen door te kunnen sluipen. Hij zou zich

bitter teleurgesteld zien: de Spanjaarden waren nauwkeurig bekend

met zijne plannen en de sterkte zijner macht, daar twee duiven met

brieven, al de bijzonderheden van den voorgenomen tocht behelzende,

geschoten en aan Don Frederik gebracht waren. De burgers rukten naar

het schijnt, de vest aan den kant van waar men Batenburg verwachtte,

uit, om zich met hem te kunnen vereenigen. Men had afgesproken

door seinvuren den belegerden kennis te geven van de nadering der

hulptroepen; de Spaansche opperbevelhebber liet nu echter een hoop

groene takken, pik en stroo in brand steken tegenover de bres in

de stadswallen en er vijfduizend uitgelezen mannen bij post vatten;

vijfduizend anderen, met een ruiterbende aan de duinzijde geplaatst,

moesten de Nederlandsche troepen in de linkerflank aantasten; zes

regimenten onder Romero moesten oostwaarts oprukken en den vijand

in de rechterflank vallen. De dikke rookwolken verborgen de door

Batenburg ontstoken seinvuren voor de burgerij, en de vijfduizend

Spanjaards voor de aanrukkende Hollanders; zoodra Batenburg uit het

bosch opdaagde, werd hij door een overmacht aangevallen en weinige

minuten later van alle kanten omsingeld. Het geheele Spaansche

leger was onder de wapenen en had den vijand reeds twee dagen lang

verbeid. De Haarlemmers alleen waren onkundig van zijne nadering;

het rumoer van het gevecht hielden zij voor een valsch alarm der

Spanjaards om hen in het vijandelijke leger te lokken.

Batenburg sneuvelde en zijne troepen werden geslagen; het aantal

gevallenen werd verschillend opgegeven, van zeshonderd tot twee-

en zelfs drieduizend toe. In elk geval werd de gansche macht

vernietigd of verstrooid en was de poging om de stad te hulp te

komen, mislukt. Batenburgs dood werd te minder betreurd, omdat

men hem, waarschijnlijk ten onrechte, beschuldigde van tijdens het

gevecht beschonken geweest te zijn, en bijgevolg onbekwaam om de hem

toevertrouwde onderneming te leiden.

De Spanjaards sneden nu een gevangene neus en ooren af en zonden hem in

de stad om er de tijding van de nederlaag te brengen, terwijl men ter

bevestiging van het bericht, eenige hoofden over de wallen wierp. Toen

de rampspoedige afloop te Delft bekend werd, zou er een uitbarsting

van verontwaardiging tegen Oranje zelf plaats hebben gehad; volgens

een bericht van Alva, dat echter niet geheel kan worden vertrouwd,

wilden enkelen uit het grauw het verblijf van den Prins plunderen en

deden zij hem persoonlijke beleedigingen aan.

Indien er eene opschudding plaats vond, dan was de gramschap van

het volk wel zeker ongegrond; doch het verhaal berust op een vage

verzekering van den hertog en is in strijd met andere berichten. Het

was thans evenwel noodzakelijk geworden, de heldhaftige, maar

beklagenswaardige stad aan haar lot over te laten; onmogelijk kon

iets meer te haren behoeve gedaan worden.

Het Haarlemmermeer met de daaraan liggende schansen was in 's vijands

macht; de troepen, die men had kunnen bijeenbrengen om de belegeraars

aan te tasten, waren verslagen en met een bezwaard gemoed liet de

Prins den burgers thans aanzeggen, dat zij op de best mogelijke

voorwaarden met den vijand een verdrag moesten zien aan te gaan.

Eene vreeselijke verlegenheid ontstond in de uitgehongerde stad: er

was geen heil te vinden in onderwerping, noch in tegenstand; er bleef

niets anders over dan vermoord te worden of te verhongeren. Doch zoo

er binnen de vest niets meer te hopen viel, daarbuiten wachtte nog

een krijgsmansdood: de bezetting besloot met de weerbare burgers in

dichtgesloten gelederen de poorten uit te rukken en zich door het

vijandelijke leger een weg te banen of te sneuvelen. De hulpeloozen

en zieken, die men in de stad achterliet, zouden mogelijk wel door

den vijand met verschooning behandeld worden, als de weerbare mannen

allen gevallen waren, en dezen konden met in de stad te blijven

hen toch niet beschermen. Zoodra echter dit besluit ruchtbaar werd,

hieven vrouwen en kinderen zulk een deerlijk gekrijt en gejammer aan,

dat het den krijgslieden en burgers door het hart sneed en het eerste

plan opgegeven werd. Nu zou men de vrouwen en kinderen, de zieken en

ouden in het midden nemen, zoo uittrekken en zich met de wapenen een

doortocht banen, door de kracht der wanhoop overwinnen, of althans

allen te zamen omkomen.

Deze wanhopige ontwerpen werden spoedig in het Spaansche leger bekend,

en Don Frederik was na hetgeen hij in de laatste zeven maanden gezien

had, overtuigd, dat er niets was, wat de Haarlemmers niet zouden

durven bestaan. Hij vreesde, dat zij de stad in brand zouden steken

en met hunne huizen, vrouwen en kinderen omkomen, en hij wilde zich

de vrucht der zoo duur gekochte overwinning niet ontrukt zien, nu hij

tot plukken gereed stond. Op zijn last werd er, uit naam van graaf

Overstein, die over de Duitsche troepen in het Spaansche kamp het

bevel voerde, een brief gezonden aan de overheid en de aanzienlijkste

burgers, om hen uit te noodigen zich onvoorwaardelijk over te geven,

doch onder de plechtige verzekering, dat niemand gestraft zou worden,

uitgezonderd zij, die dit naar het oordeel der burgers verdiend

hadden en met belofte van rijkelijke vergiffenis, indien de stad zich

onverwijld overgaf.

Op het oogenblik, dat Don Frederik dezen brief afvaardigde, had hij

gestrenge bevelen van zijn vader ontvangen om geen man van de bezetting

in het leven te sparen, uitgenomen de Duitschers, en bovendien een

aanzienlijk getal burgers ter dood te doen brengen: deze bevelen dorst

hij niet ongehoorzaam zijn, zelfs al had hij daartoe eenige geneigdheid

gevoeld. Intusschen gaf de stad zich, tengevolge van Oversteins half

officieelen brief op 12 Juli aan de genade des overwinnaars over.

De groote klok werd geluid en er werd bevolen, dat al de wapens, die

de bezetting of de burgerij bezat, op het stadhuis zouden uitgeleverd

worden; vervolgens werd last gegeven, dat de mannen zich in het

klooster te Zijl, de vrouwen in de Groote Kerk, de krijgsknechten in

de Bakenesser Kerk zouden verzamelen.

Don Frederik, begeleid door den graaf van Bossu en een talrijken staf,

reed de stad in; het schouwspel, dat zich aan zijn blik vertoonde,

had een hart van steen tot deernis kunnen bewegen. Overal zag men de

sporen van ellende, zoo heldhaftig verduwd in het zevenmaandsch beleg;

de rookende puinhoopen der huizen, door de gloeiende kogels in brand

geraakt, de vergruizelde bolwerken, de gevelde boomstammen, opgebroken

straatsteenen, verbrijzelde beelden en andere voorwerpen, die hadden

moeten dienen om de bressen te stoppen. Verder de afgeknaagde beenderen

van het ongedierte, waarmee men zich had gevoed; de onbegraven lijken

van mannen en vrouwen, die op straat gestorven waren--bovenal de

spookachtige, uitgemergelde gestalten der nog levenden, die slechts

de schaduw van zich zelven geleken: dit alles was wel geschikt om

ten minste te doen twijfelen, of het doorgestane lijden niet reeds

eene toereikende straf was, zelfs voor zulke zware vergrijpen als

ketterij en afval.

Don Frederik dacht er evenwel anders over; hij meende in de holle

oogen, die hem bij het binnenrukken der stad aanstaarden, zoowel

uittartenden moed als wanhoop te lezen en hij bekreunde zich niet

om de belofte, die hij wel niet uitdrukkelijk, maar toch niet minder

heilig gegeven had.

Al de bevelhebbers der bezetting werden in hechtenis genomen. Eenigen

hunner hadden hun vonnis door een vrijwilligen dood voorkomen. Kapitein

Bordet, een Fransch edelman, dwong gelijk Brutus, zijn dienaar hem den

degen voor te houden, waarin hij zich stortte, liever dan zich levend

aan de wraak der Spanjaards over te geven. Het ontbrak ook niet aan

trekken van edelmoedigheid: in plaats van Pieter Hasselaar, een jongen

vaandrig, die zich in het beleg door dapperheid had onderscheiden,

namen de Spanjaards bij vergissing zijn broeder Nicolaas gevangen. Deze

liet zich zonder tegenkanting wegvoeren, toen Pieter opsprong, op de

wacht toesnelde en uitriep: "Zoo gij den vaandrig Hasselaar zoekt, die

ben ik. Laat dezen onschuldige los!" Het mocht nog een buitengewoon

geluk heeten, dat hem slechts een harde gevangenschap ten deel viel;

al de gevangen genomen bevelhebbers toch werden naar het Huis te Kleef

vervoerd en daar onmiddellijk ter dood gebracht. Hopman Ripperda, die

zich zoo heldhaftig tegen den kruipenden zin der overheid had verzet,

die door zijn kloeke taal de bezetting en burgerij tot tegenstand

ontvlamd en door zijn beleid en moed het beleg zoo lang gerekt had,

was een der eersten, aan wien het doodvonnis voltrokken werd. Een

natuurlijke zoon van den kardinaal Granvelle, die gemakkelijk zijn

leven had kunnen redden door zich op eene afkomst te beroepen, die

hij vloekte, en jonker Lancelot van Brederode, een bastaardspruit

van dat aanzienlijke Huis, bevonden zich mede onder de slachtoffers.

Den dag daarop kwam Alva in het leger; hij reed om de stad heen, en

bekeek de bolwerken van den buitenkant, doch keerde naar Amsterdam

terug, zonder de stad zelve betreden te hebben. Den volgenden morgen

begon het bloedbad.

De plundering was voor tweehonderd en veertigduizend gulden afgekocht,

welke som de burgers zich verbonden hadden in vier termijnen te

betalen; doch de moord, die bij de Spanjaarden een onmisbare toegift

tot de overwinning was, kon niet worden afgekocht. Bovendien had Alva

tot een algemeen bloedbad besloten.

De bezetting was in den loop van het beleg van vierduizend tot op

achttienhonderd ingekrompen; op Alva's last werden de zes honderd

Duitschers op vrije voeten gesteld, mits zij zich verbonden niet

meer tegen den koning te dienen, en al de overigen met minstens

evenveel burgers, onmiddellijk ter dood gebracht. Dagelijks werd

er met trommelslag afgekondigd, dat al wie personen herbergde,

die vroeger voortvluchtig waren geweest, hen moest uitleveren, op

straffe van anders zelf oogenblikkelijk voor de deur opgeknoopt te

worden. Het was vooral aan die vluchtelingen en aan het krijgsvolk, dat

zich de moordlust des overwinnaars koelde; hoewel men van dag tot dag

aanhoudend redenen wist te vinden om iedereen ter dood te brengen, die

zich eenigermate door verdiensten, rang, vermogen of vrijheidsliefde

onderscheidde, de slachting toch kon niet op eens volbracht worden;

ondanks allen ijver kostte het verscheidene dagen. Vijf scherprechters

met hun knechts hadden handen vol werk en toen zij eindelijk van

vermoeienis uitgeput, of misschien niet langer tot hun afgrijselijk

werk in staat waren, werden driehonderd rampzaligen paarsgewijze rug

aan rug gebonden en in het Haarlemmermeer verdronken.

Eindelijk, na het in koelen bloede vermoorden van drie-en-twintig

honderd menschen in een stad, waar vroeger reeds zoovele duizenden

door een gewelddadigen of pijnlijk gerekten dood omkwamen, werd er

zoogenaamd vergiffenis verleend. Zevenenvijftig der meest bekende

burgers werden evenwel van deze amnestie uitgesloten en in verzekerde

bewaring genomen, als borgen voor het toekomstig goed gedrag hunner

medeburgers. Sommigen dezer gijzelaars werden spoedig ter dood

gebracht, anderen stierven in de gevangenis, en allen zouden ten

laatste van kant geholpen zijn, indien niet de kort daarop gevolgde

nederlaag van den graaf van Bossu op de Zuiderzee, den Prins van

Oranje in staat had gesteld, de nog overige gevangenen uitgewisseld

te krijgen.

Tienduizend tweehonderd zes en vijftig schoten waren er gedurende het

beleg op de wallen gericht; twaalfduizend der belegeraars waren aan

wonden of ziekten gestorven, gedurende de zeven maanden en twee dagen,

die er tusschen de eerste insluiting en de overgave verliepen. In de

eerste helft van Augustus, nadat het moorden opgehouden had, deed Don

Frederik zijne zegevierende intrede in de stad, met wier val Hollands

overweldiging thans was aangevangen. Het gedenkwaardige beleg van

Haarlem doet ons evenzeer verbaasd staan over de toegebrachte als

over de doorgestane ellende.

De Spanjaarden vierden feest door in Utrecht 's Prinsen beeltenis

eerst plechtig ten toon te dragen, vervolgens op het rad te leggen

en te verbranden. Intusschen was Haarlems verovering een van die

zegepralen, die voor de overwinnaars bijna gelijk staan met een

nederlaag en zeker was de Spaansche heerschappij niet sterk genoeg om

tegen nog vele dergelijke overwinningen bestand te zijn. Indien er

dertigduizend uitgelezen manschappen, waaronder drie keurbenden van

Alva "de onoverwinnelijken," "de onsterfelijken" en "de weergaloozen"

gedoopt, noodig waren geweest in zeven maanden en met verlies van

twaalfduizend man om de zwakste stad van Holland te veroveren,

hoeveel soldaten, hoeveel tijd en hoeveel menschenlevens zouden

er dan niet worden vereischt, om deze kleine provincie geheel tot

onderwerping te brengen? Want, gelijk de plundering en moord van

Naarden het tegenovergestelde hadden uitgewerkt van hetgeen er mee

beoogd was en het Hollandsch gemoed er eer door tot kloeken wederstand

geprikkeld, dan in verslagenheid gedompeld werd, zoo had ook Haarlems

standvastige en roemrijke verdediging, ondanks den treurigen afloop

slechts gediend om den haat tegen de vreemde onderdrukkers en de

vaderlandsche geestdrift van de andere Hollandsche steden ten top

te voeren.

Zelfs de schatten der nieuwe wereld zouden ontoereikend zijn om de

kosten der verovering van die kleine strook land goed te maken. In

vijf jaren tijds had men uit Spanje vijfentwintig millioen gulden naar

de Nederlanden gezonden, ter bestrijding van de oorlogskosten en toch

bleek dit bedrag, ofschoon nog vermeerderd met de aanzienlijke sommen,

jaarlijks uit verbeurdverklaringen getrokken, met de vijf millioen,

waarop de honderste penning geschat werd en met de twee millioen

's jaars waarvoor de tiende en twintigste penning afgekocht was,

ontoereikend om het krijgsvolk behoorlijk betaald te houden.

Desniettemin was de blijdschap voor het oogenblik uitbundig. Filips lag

gevaarlijk ziek bij Segovia, toen het heuglijk nieuws van Haarlems

verovering en het daarmede gepaard gaande bloedbad aankwam. Het

verhaal van al dien jammer hem door Alva uitvoerig medegedeeld, werkte

op hem als een toovermiddel. Het bloed van drie-en-twintig honderd

zijner natuurgenooten, in koelen bloede, op zijn last, in één enkele

stad vermoord, bleek voor den bloeddorstigen Monarch een heulsap:

hij dronk en voelde zich verkwikt. "Het voornaamste geneesmiddel,

dat Zijne Majesteit geholpen heeft," meldde de geheimschrijver Çayas

uit Madrid aan Alva, "is de vreugde, die hem de door u medegedeelde

blijde tijding van Haarlems overgaaf heeft verschaft."

In de uitgelatenheid zijner blijdschap vergat de koning hoe misnoegd

hij nog onlangs over den gang van zaken in de Nederlanden geweest was,

hoeveel schatten er jaarlijks zonder bevredigende uitkomsten verspild

waren. "Bewust, in welk een nood gij u bevindt," vervolgde Çayas,

"heeft Zijne Majesteit op staanden voet doctor Velasco bij zich laten

komen en hem last gegeven u geld te verschaffen, al moest hij het

hart der aarde opdelven."

Was de blijdschap der Spanjaards zoo groot, de Prins van Oranje verloor

toch de hoop en den moed niet: hij sloeg den blik naar boven en stelde

zijn vertrouwen op een hoogere macht dan die van menschen. "Ik had

gehoopt, u betere tijding te zenden," schreef hij aan graaf Lodewijk;

"met dat al, daar het den Goeden God anders behaagd heeft, behooren

wij in Zijn goddelijken wil te berusten. Ik neem denzelfden God tot

getuige, dat ik naar mijne middelen alles gedaan heb wat mogelijk was,

om de stad te ontzetten."

Eenige dagen later schreef hij in denzelfden geest, terwijl hij zijn

broeder meldde, dat het den Zeeuwen gelukt was, het kasteel Rammekens

op het eiland Walcheren te veroveren. "Ik hoop," zeide hij, "dat dit

den trots onzer vijanden zal fnuiken, die na Haarlems overgaaf ons

levend dachten te verslinden. Ik ben echter verzekerd, dat zij meer

werk zullen vinden, dan zij verwachten."

Tot zoover Motley's beschrijving van dit merkwaardig beleg en den

indruk, dien de overgave maakte.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 36 / 80 题