EERSTE VOORDEELEN 1572.

Zooals wij vroeger zagen, was in 1569 Alva's voorstel aangenomen,

om voor den tijd van twee jaren in plaats van den tienden penning

een heffing van twee millioen te doen. Die termijn zou in Augustus

1571 verstrijken, zoodat reeds in het voorjaar beraadslagingen werden

gehouden over de invoering van de nieuwe belasting, welke den koning,

volgens Alva millioenen zou opbrengen. Dat dit niet zoo gemakkelijk

zou gaan, bleek reeds uit het verzet, waarmede Alva te kampen had,

toen hij de financieële voorstellen in den Raad van State bracht. Zelfs

de president Viglius, lang een buigzaam werktuig van den landvoogd,

kwam met groote kracht tegen Alva's plannen op en beweerde, dat

de belasting het volk beleedigde. Alva stoorde zich echter weinig

aan het gevoelen van Viglius en zijn ambtgenooten en bij plakkaat

van 31 Juli kondigde de landvoogd aan, dat thans onverbiddelijk de

tiende penning zou worden geheven. Alva schatte, dat deze belasting

jaarlijks een 50 millioen zou opbrengen.

Een nieuwe storm stak tegen die poging op onder de burgers van het

handeldrijvend volk, die niet weinig vermeerderde, toen het bericht

uit Spanje kwam, dat thans de heffing moest plaats hebben. Onder

alle klassen en standen van de bevolking ontstond zulk een beweging

tegen dien maatregel, dat al het verzet van vroeger dagen, daarbij

vergeleken, bijna kinderspel was.

De Staten der provinciën, de vroedschappen der steden, de gilden,

ja de adel en de geestelijkheid, allen zonden protesten in. Drie

bisschoppen zelfs van Vlaanderen vereenigden zich met de wenschen van

het volk en drongen evenzeer op de intrekking van de nieuwe belasting

aan, omdat ze vooral de lagere klassen zou drukken en den handel

zou vernietigen. Als protest schorsten de kooplieden alle zaken,

de winkeliers sloten hun winkels. Zoo voelden zij zich in hun nering

bedreigd, dat zij liever niet meer wilden verkoopen, ten einde niet

gedwongen te zijn, het leeuwendeel hunner winst aan de regeering te

geven. Het volk liep te hoop en verklaarde de onwettige en drukkende

belasting niet te zullen gedoogen.

De z.g. "zevenstuiverslieden," spionnen der regeering, die zich voor

die karige belooning lieten gebruiken om overal af te luisteren,

wat naar verraad zweemde, waren thans niet meer in staat al de

verwenschingen aan te brengen, die zij over den landvoogd te hooren

kregen.

"Hadden we slechts gereed geld," schreef Oranje in het begin van 1572,

"dan zouden we met Gods hulp wel wat goeds kunnen uitrichten, want

na de tijding, die we van alle oorden bekomen, zou het nu tijd zijn

en zou men thans met geringe sommen meer kunnen doen, dan op andere

tijden met groote."

Gewoon als de Prins was, de publieke meening te polsen en van zijn

veilig standpunt uit de wacht te houden, met tallooze oogen tot zijn

dienst, doorzag Oranje dat die tot wet verheven aanval op de beurzen

van een handeldrijvend volk een geest van verzet zou wakker roepen,

zooals geen enkel ander onrecht zou hebben kunnen doen.

Alva zelf toonde zich tot matiging bereid; ook hij wilde eenige

verlichting van den tienden penning aan handel en zeevaart toestaan,

de stedelijke belastingen op eet- en drinkwaren tot verlichting der

armen verminderen enz. Doch met dat al bleef die belasting uiterst

drukkend voor den kleinhandel en de lagere klassen. De verbittering

nam van dag tot dag toe, toen plotseling de gebeurtenissen een wending

namen, noch door Alva, noch door den Prins verwacht.

Gedurende den winter van 1571 hadden 24 kleine schepen onder het bevel

van Lumey, graaf van der Marck, bij de Engelsche kust gekruist. Het

had niet ontbroken aan pogingen om de Watergeuzen te overmeesteren,

doch de ervaren zeelieden hadden steeds weten te ontkomen en vonden

daarbij vooral steun in twee plaatsen n.l. Dover en Emden.

In Maart echter werd hun door den invloed van Alva door Elisabeth

het verblijf in Engeland verboden en moesten zij een goed heenkomen

zoeken. Tengevolge van het verbod de Geuzen van vleesch, brood of bier

te voorzien, verlangden zij natuurlijk levensmiddelen op te doen en

besloten ze daarom een inval te wagen op de kust van Noord-Holland.

Ze zetten koers, waarschijnlijk van uit Dover, naar de monden van de

Schelde en wilden in de richting van het Vlie, maar door den wind

werden ze genoodzaakt voor den breeden Maasmond het anker te laten

vallen. Tusschen den Briel op den zuidelijken uithoek van die monding

en Maaslandsluis aan de overzijde, kwam de vloot, tot groote verbazing

van de bewoners, opdagen.

De inwoners van den Briel, geheel van alle garnizoen ontbloot, zonden

in hun schrik over de verschijning van die vloot voor hunne stad een

veerman, Pieter Koppelstok genaamd, op hen af, ten einde te weten te

komen, wat zij in hun schild voerden.

Het eerste vaartuig, dat Koppelstok ontmoette, stond onder bevel

van Willem van Bloys van Treslong. Deze edelman, wiens broeder door

den hertog van Alva in 1568 ter dood was gebracht, behoorde tot een

der weinige overgeblevenen uit den slag bij Jemmingen. Zijn vader

was baljuw op Voorne geweest, zoodat hij met de gansche streek

goed vertrouwd was. Nadat de veerman aan boord van den admiraal

was gebracht, werd met goedkeuring van Lumey, Koppelstok naar

den Briel teruggezonden met den formeelen eisch, de stad aan de

Geuzen over te geven. Die boodschap behaagde den veerman, die met de

rebellen sympathiseerde; hij keerde naar het stadhuis terug, waar de

overheidspersonen bijeen waren om op zijn terugkomst te wachten. Hij

deelde hun mede, dat de admiraal en Treslong wenschten, dat er twee

van hen zouden worden afgevaardigd naar de patriotten en hun doel

was, den tienden penning af te schaffen en het land te bevrijden

van Alva's bestuur. De overheidspersonen vroegen, over welke macht

Lumey beschikte en Koppelstok antwoordde daarop: "Ongeveer 5000 man,"

terwijl hun werkelijk aantal slechts een goede 400 bedroeg.

Die mededeeling deed de magistraat zoo ontstellen, dat zij aanstonds

een samenkomst goedkeurde, doch zelf onmiddellijk lafhartig uit de

stad vluchtte, gevolgd door de meest aanzienlijke burgers.

De geuzenmacht werd in tweeën gesplitst en terwijl de eene helft

onder Treslong de Zuiderpoort aantastte, rukte de andere onder den

admiraal op de Noorderpoort aan. Het gelukte Treslong binnen te

komen; van der Marck legde bij de Noorderpoort een vuur aan, waarna

de half verbrande deur met een ouden mast opengeloopen werd. Tegen

zonsondergang waren de Geuzen ten getale van ongeveer 200 man binnen

de stad. Verzet vonden ze niet, menschenlevens werden dan ook gespaard,

maar een plundering volgde.

Lumey was van plan zich doodeenvoudig met den buit tevreden te stellen,

maar gelukkig werd de raad van Treslong gevolgd. Op zijn aandrang nam

de admiraal bezit van de bemachtigde plaats, in naam van den Prins van

Oranje als zijn lastgever en als de wettige stadhouder. Kort daarop

keerden de gevluchte burgers in den Briel terug, die door een eed

van trouw aan den Prins van Oranje, zich met de Watergeuzen verbonden.

De tijding van het gewichtig feit van de inneming van den Briel

verspreidde zich met groote snelheid. Alva begreep niet aanstonds

den vollen omvang van deze gebeurtenis, zoodat de caricatuur ten

volle verdiend was, die hem voorstelde op het oogenblik dat Lumey hem

den bril van den neus trok en uit zijn mond de woorden voortkwamen:

"no es nada," "het is niets," zijn gewone opmerking bij het ontvangen

van nieuwstijdingen.

Spotvogels van Brussel zorgden wel deze gunstige gelegenheid

niet te laten ontsnappen, want de naam der stad gaf aanleiding

tot een woordspeling en de gebeurtenis had plaats gegrepen op

Allernarrendag. Het rijmpje:

"Den eersten dag van April

Verloor Duc d'Alva zijn bril"

werd een volksdeun en deze toespeling leeft thans nog in de herinnering

voort.

Wel zond Alva troepen naar Vlissingen om Walcheren te beschermen en gaf

hij Bossu, den koninklijken stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht

bevel, om den Briel te hernemen, maar het een, noch het ander gelukte.

Vlissingen weigerde Alva's troepen te herbergen, maar opende zijn

poorten voor de Geuzen, wier aantal spoedig vermeerderd werd door

terugkeerende ballingen uit Engeland met Tseraerts aan het hoofd en tal

van Engelsche edellieden, die een groot deel van Walcheren bezetten.

Bossu stak van Maaslandsluis naar het eiland Voorne over en deed den

Briel opeischen. Door het kranig optreden van Rochus Meeuwisz., die

naar de Nieuwlandsche sluis zwom en deze openhakte, werd het den vijand

onmogelijk gemaakt, van de Noordzijde te naderen. Daarop trok Bossu

met zijn troepen naar de Zuiderpoort, maar hier werd hij zoo krachtig

met grof geschut begroet, dat hij moest terugtrekken. Uit vrees voor

het steeds wassende water werd Bossu genoodzaakt naar Rotterdam de

wijk te nemen; deze stad verklaarde zich wel voor Oranje, maar zij

werd door gemis aan verdediging door Bossu veroverd en geplunderd.

Het voorbeeld echter van den Briel werkte op menige stad

aanstekelijk. Enkhuizen, Leiden, Haarlem en tal van andere plaatsen

vereenigden zich om den standaard van den Prins van Oranje, die de

belichaming werd van den weerstand tegen den tienden penning en tegen

alle tirannie.

Welken indruk maakten deze belangrijke gebeurtenissen op den Prins?

Niet minder dan Alva werd Oranje door den stouten greep der Watergeuzen

verrast. Hij was er niet in het minst op voorbereid, dat van dien

kant de verlossing der Nederlanden beginnen zou, verdiept als hij

was in de plannen om met Lodewijk onder bescherming van Frankrijk,

den strijd bij vernieuwing in het Zuiden aan te vangen. Toen Lodewijk

de inneming van den Briel hoorde, riep hij uit: "Ah, les sots! ils se

sont trop hâtés et ne m'ont pas voulu croire." Hij had den Watergeuzen

n.l. Fransche hulp voor hun onderneming beloofd.

De Prins liet zich niet in zulk een afkeurenden zin uit. Hij schreef

op den 25en April uit Dillenburg een opgewekten brief aan Wesenbeke,

waarin hij, hoorende dat de beweging in Holland en Zeeland, die

hij blijkbaar eerst niet had vertrouwd, aanhield, God dankte voor

de genade, aan de inwoners bewezen. Hij vond het heerlijk, dat zij

eindelijk hadden bemerkt, waartoe al de praktijken van hun vijanden

strekten.

"Ik bid God," zoo gaat hij daarin voort, "dat, nu het ijs eenmaal

gebroken is, zij met standvastigheid zullen voortgaan, om zich

geheel te ontlasten van de onrechtvaardige onderdrukking, tirannie en

onverdragelijke slavernij, waarin men ze hield. En wat mij aangaat,

zij kunnen zich verzekerd houden, dat ik niet zal te kort schieten,

met denzelfden ijver en affectie die ik altijd heb gehad, die in niets

is verminderd en nooit in mij verminderen zal, hen te secundeeren,

te helpen en bij te staan in al wat mij mogelijk zijn zal.... Wel

zou ik gewenscht hebben, dat gezegde Lumey niet buiten mijn weten en

zonder eenige opdracht van mijnentwege, de zaak had ondernomen of ten

minste mij daarvan eerst had verwittigd; dan zouden we in onderlinge

verstandhouding des te beter de zaak hebben kunnen leiden."

Doch die opmerking omtrent het eigenmachtig optreden van Lumey had in

het minst niet zijn sympathie met de zaak verminderd. Het verheugde den

Prins namelijk zeer, dat Lumey van Wesenbeke en anderen ondersteuning

ontving; ja, hij wekte hen op, allen mogelijken bijstand te verleenen.

Uit deze en andere particuliere brieven van den Prins zoowel als uit

de openbare brieven aan de burgemeesters, schepenen en inwoners van

Gouda, Middelburg, Enkhuizen, Harderwijk en Vlissingen blijkt, met

welken ijver de Prins ook de zaken voor Holland behartigde. Toch gaf

hij, zeer begrijpelijk zijn lang beraamd plan met Lodewijk gevormd

niet op, een tweeden inval in het Zuiden te doen.

Eerst de herhaling van de teleurstelling van het jaar 1568 zou hem,

gelijk wij zien zullen, persoonlijk naar Holland doen komen.

In den winter van 1571-1572 waren langzamerhand de plannen tot

vastheid gekomen, waarover we vroeger spraken en die niets meer

of minder bedoelden dan een gezamenlijken aanval van Frankrijk en

Engeland op Spanje, d.w.z. op de Zuidelijke Nederlanden. De Prins

van Oranje zou deze onderneming steunen.

Na lange aarzeling werd vooral door toedoen van Lodewijk van Nassau

op den 29en April 1572 een verbond tusschen Engeland en Frankrijk

gesloten, dat als hoeksteen gold van het gebouw voor de bevrijding

der Nederlanden van het Spaansche juk. Op 15 Mei verliet Lodewijk

Parijs teneinde Bergen te overmeesteren, terwijl Coligny met 25.000

man koninklijke troepen zou volgen en de Prins met de door hem aan

den Rijn en in Zwitserland verzamelde regimenten in de Zuidelijke

Nederlanden zou verschijnen. Hoogst gedenkwaardig is en blijft de

verrassing en de inneming van Bergen.

Zekere Antoine Olivier, een schilder, tevens een handig teekenaar van

kaarten, uit Bergen afkomstig, had het vertrouwen van Alva weten te

verwerven. Daar Olivier een reis naar Frankrijk te doen had, droeg

Alva hem op de handelingen van Lodewijk van Nassau na te sporen en

hem verslag te zenden van den voortgang der geheime onderhandelingen

tusschen den graaf en het Fransche hof. De schilder was evenwel slechts

een spion in schijn, want hij was de zaak der vrijheid toegedaan en

stond met Oranje en zijn broers in briefwisseling. Zijn omgang met

graaf Lodewijk te Parijs had dan ook een geheel ander gevolg, dan Alva

verwacht had. Met verschillende aanvoerders der Hugenoten werd een plan

beraamd, dat met behulp van Olivier zou ten uitvoer gebracht worden.

In den avond van den 27en Mei 1572 kwamen er eenige als kooplieden

verkleede mannen in Bergen, die de wegbereiders voor Lodewijk en zijn

leger waren. Vroeg in den morgen van den volgenden dag wist Olivier

den portier over te halen, zijn wagens (die zoogenaamd met wijnvaten,

maar eigenlijk met wapens gevuld waren) door de poort te brengen. De

portier liet haar open en ging weer te bed, weinig vermoedende,

wat er gebeuren zou. Kort daarop stormde Lodewijk van Nassau met

60 voetknechten en 80 ruiters de stad binnen onder de kreten:

"Frankrijk! Vrijheid! De stad is ons! De Prins komt! Weg met den

tienden penning! Weg met den bloeddorstigen Alva!" De kleine bende

maakte zooveel lawaai en hun optreden was zoo stoutmoedig, dat de nog

in slaap gezonken bewoners meenden, dat er wel 1000 man in de stad

gekomen waren. Haar met zoo'n kleine bende binnen te komen was nog niet

zoo moeilijk, doch zich er staande te houden was veel bezwaarlijker,

vooral daar de magistraat Lodewijk niet wilde ontvangen en ook het

volk verdeeld was. De graaf werd ongeduldig, ging met de zijnen de

stad weder uit, om echter spoedig met 2000 man daarin terug te keeren.

Terstond werd de burgerij door klokgelui op de markt

bijeengeroepen, waar de geestelijkheid, de overheid en de Raad

zich vervoegden. Lodewijk hield een toespraak tot de aanwezigen en

verklaarde geen strijd te voeren tegen den koning, doch tegen Alva

en zijn wreedheden. De overheid gaf wel niet dadelijk toe, maar het

meerendeel der burgers was op de hand van Lodewijk en hiermede was ook

Bergen aan de zijde van den Prins. Wel werden de kerkelijke eigendommen

verbeurd verklaard, maar de katholieken werd geen overlast aangedaan.

Alva wilde aanvankelijk geen geloof slaan aan het bericht omtrent

de verrassing van Bergen te meer, omdat hij Lodewijk nog altijd in

Parijs waande, maar het duurde niet lang of hij moest de waarheid

van het onwelkome nieuws erkennen.

Reeds woedend op het hooren van de tijding uit het Noorden, zond Alva

zoo spoedig mogelijk zijn zoon Don Frederik naar het Zuiden en deze

sloeg den 3en Juni reeds met 20.000 man het beleg voor Bergen.

Alva's ster was echter in die dagen reeds belangrijk aan het dalen. In

Spanje bestond namelijk ontevredenheid over zijn bestuur in de

Nederlanden. Vooral de machtige Gomez en zijn partij lieten niet na,

den koning tegen den Nederlandschen landvoogd op te zetten.

Dit viel bovendien samen met klachten van den landvoogd zelven, die

o. a. aan Filips schreef: "De haat, dien het volk mij toedraagt,

om de tuchtiging, die ik het, hoewel met de grootste gematigdheid

der wereld heb moeten doen ondergaan, verijdelt al mijn pogingen;

mijn opvolger zal meer meegaandheid vinden en meer nut doen." Hij

verzocht om ontslag en Filips zond als zijn opvolger den hertog van

Medina-Coeli naar de Nederlanden.

Reeds den 11en Juni was deze te Sluis aangekomen, begeleid door veertig

schepen en twee duizend Spanjaarden onder Juliaan Romero. Deze had

echter niet gerekend op verzet, maar de Watergeuzen deden op de Schelde

zulke heftige aanvallen op het eskader, dat Medina zelf met moeite

kon ontsnappen en in de hoofdstad, in plaats van een statige intree

te doen, slechts door enkelen begeleid, binnenkwam. Nog slechter

kwam er een rijke koopvaardijvloot af, die onder zijn bescherming

was meegevaren. De Watergeuzen maakten zich van alle schepen meester

en van zooveel geld, juweelen en koopwaren, dat ze alleen daarvan

verscheidene maanden den oorlog en hun crediet konden gaande houden. Op

den aangewezen opvolger van Alva, den zachtmoedigen Medina, van wien

een verzoenende politiek verwacht werd, maakten die gebeurtenissen

zulk een diepen indruk, dat hij zelf weinig genegen was den post te

aanvaarden en inzag, dat Alva eerst met zoo sterk mogelijke hand den

opstand moest bedwingen. Hij heeft zich dan ook later teruggetrokken.

Al deze onheilen van de Spaansche regeering verlevendigden den moed van

den Prins, dien hij dubbel noodig had, om zijn in Bergen opgesloten

broeder te hulp te komen. Al zijn uiterste krachten spande hij in,

om een leger te verzamelen; geldelijke hulp ontving hij thans van

vele kanten, van Engeland, Frankrijk en uit andere bronnen en toch

werd zijn wachten nog steeds door geldgebrek veroorzaakt. Nog altijd

gedrukt door zijn vroegere schulden, zag hij zich vaak in groote

geldverlegenheid. Uit Frankfort, waar hij 24 Juni was heengegaan

om geld te verkrijgen, schreef hij o. a. onder het aangenomen

pseudoniem George Certain, aan zijn broeder Lodewijk over zijn nijpend

geldgebrek. De Duitsche vorsten hadden eerst wel neiging getoond hem

te helpen, maar zich teruggetrokken, toen Maximiliaan, nu Filips'

schoonvader, een proclamatie had uitgevaardigd, die verbood Oranje

te steunen. Ook schreef de Prins in den voorzomer van 1572 menigen

brief aan de Hollandsche steden. In een dezer komt o. a. de volgende

opwekking voor:

"Hecht U toch niet zoo aan een somme gelds, dat gij haar zoudt stellen

boven uw eigen leven, boven dat van uwe vrouwen, uwe kinderen en uw

nakomelingschap.... op het oogenblik, dat wij met een genegenheid,

die uit het hart voortkomt, ons inspannen, U te helpen en te

bevrijden. Denkt aan Gods toorn en aan de minachting der vreemde

volkeren en vorsten, die gij op U laadt, denkt aan het wreede juk,

dat gij zoudt laten drukken op U en uwe kinderen, als gij het geld

weigert, dat wij noodig hebben, om met ons leger bij U te komen."

Ook liet de Prins weder proclamatiën en vlugschriften drukken,

die het volk tot opstand tegen de onderdrukkers zijner vrijheden

aanzetten. Alva gold daarin als de belichaming der meest satanische

tirannie en als een weergalm op die in tallooze exemplaren verspreide

opwekkingen, klonken ras op pleinen en straten van de Hollandsche

steden de geweldigste geuzenliederen."

Een zeer belangrijke gebeurtenis, welke den Prins betrof,

had tegelijkertijd in Holland plaats. De overgang van steden en

gewesten ging met zulk een spoed voorwaarts, dat reeds in de maand

Juli die hoogst merkwaardige vergadering kon worden gehouden, waar

de grondslagen van de toekomstige staatsinrichting gelegd zijn. De

mannen, door wier invloed die vergadering belegd werd, begrepen, dat de

"ordeloosheid die zich dreigend in de geuzerij" verhief, moest worden

bezworen en dat men naar rechtsvormen moest omzien, ten einde aan den

volksgeest vastheid te geven. Die vergadering werd bijeengeroepen te

Dordrecht en bijgewoond door gedeputeerden van verreweg de meeste

Hollandsche steden. Alleen Amsterdam, Rotterdam, Schiedam, Delft,

Woerden en Schoonhoven, die nog in Spaansche handen waren, ontbraken.

Oranje zelf werd er vertegenwoordigd door Filips Marnix van

St. Aldegonde, die in een welsprekende rede aandrong op de inwilliging

van de noodzakelijke gelden (100.000 kronen voor de eerste maand)

tot onderhoud van zijn leger. In dien zelfden tijd had Bossu, de

wettige stadhouder, in den Haag een vergadering belegd, doch deze

liep op niets uit. De afgevaardigden in Dordrecht namen krachtdadige

besluiten tot hulp van den Prins, tot erkenning van hem als generalen

gouverneur, luitenant des konings over Holland, Zeeland, West-Friesland

en Utrecht. De gelden zouden gevonden worden uit de belastingen en

loopende beden, uit een gedwongen leening bij de rijke burgers en uit

den verkoop van kerkelijk goud en zilver, daar dit meer tot sieraad

diende, dan dat het noodzakelijk was. Gilden en fraterniteiten

kwamen edelmoedig met voorschotten, op welker terugbetaling niet

veel te rekenen viel en ook vele burgers voegden hun zilver bij

het kerkzilver, om versmolten te worden. Bij monde van Marnix deed

de Prins verklaren, dat hij geen enkele gewichtige daad zou doen,

zonder de Staten te raadplegen en tevens werd ook zijn beginsel

van volkomen verdraagzaamheid tegenover alle belijdenissen door de

vergadering aangenomen.

Over het min of meer revolutionair karakter dezer vergadering te

redetwisten, valt buiten het bestek van ons plan. Zonder twijfel waren

noch de samenkomst noch hare besluiten wettig. Maar binnen de wettige

bepalingen was niets dan ellende te wachten. In het leven van een volk

breken er oogenblikken aan, dat het vrij over zich zelf beschikken

kan en moet. Holland vond in Oranje den man, die stadhouder geweest

zijnde, alleen door nood gedrongen, dat ambt had opgegeven. Wie zou,

nu de gebeurtenissen voor de zaak der vrijheid zulk een gunstigen

loop genomen hadden, wie zou dan in naam eener wet zijn eigenmachtig

optreden kunnen veroordeelen? Na vier jaren geduldig wachten en

strijden hadden de gebeurtenissen een nog sneller loop genomen,

dan iemand kon hebben gedroomd.

In dezelfde maand, dat deze belangrijke gebeurtenis in de afwezigheid

van den Prins had plaats gehad, schreef Oranje een brief aan Lodewijk,

waarin de Prins hem waarschuwt vooral op zijn hoede te zijn tegen eene

verrassing of overvalling van den vijand, want Oranje had gehoord,

dat Alva hem dood of levend in handen wilde hebben. Ook meldt de

Prins, dat zijn volk in het land van Meurs ligt en de meest geschikte

plaats wordt gezocht om over den Rijn te trekken. Verder houdt de

brief de hoopvolle tijding in omtrent het overgaan van Dordrecht,

Tergou, Gorcum en andere plaatsen, terwijl hij tevens de inname van

Loevestein aan zijn broeder bericht. Aan het slot vraagt Oranje tal

van inlichtingen omtrent de legersterkte van Lodewijk, de hulp die

hij verwacht en al hetgeen er van den vijand bekend is, opdat de

Prins zich daarnaar zal kunnen gedragen.

Nog dienzelfden dag, den 8en Juli 1572 trok de Prins met 24.000

man over den Rijn. Vier jaar te voren had hij ook zijn aangenomen

vaderland met een leger bereikt, maar nauwelijks had er één stem

weerklonken om hem te verwelkomen en geen stad opende voor hem hare

poorten. Ontmoedigd had hij zich teruggetrokken, maar niet hopeloos. In

zijn afzondering had hij het web gesponnen, dat het heuvelkasteel van

Dillenburg met de Hollandsche steden verbond. Nu keerde hij terug,

weliswaar nog niet als overwinnaar, maar toch ondersteund en erkend.

Ondertusschen bleef Lodewijk in Bergen opgesloten, belegerd door

Don Frederik, die niet van die plaats zou wijken, voor hij de stad

had genomen. Niettegenstaande zijne insluiting had de graaf toch den

Franschen edelman Genlis naar Frankrijk kunnen zenden, om hulptroepen

van daar mede te brengen, die hem in vereeniging met het leger van

den Prins, waarop hij ook zeker rekende, zou kunnen verlossen. Nog

steeds stond Coligny toch in hooge gunst bij den koning en Karel IX

had zelfs een brief aan Lodewijk geschreven, om hem van zijn sympathie

te verzekeren. En inderdaad, spoedig verscheen er een klein leger

Hugenoten in Henegouwen, dat echter door de troepen van Don Frederik

geheel werd verslagen. Genlis zelf werd gevangen genomen en ter dood

veroordeeld. Voordat het vonnis werd uitgevoerd, vernam men, evenals

eertijds van de Villers in 1568, uit zijne papieren en bekentenissen

de plannen der Hugenoten en die van den Prins. Dit had op den 19en

Juli plaats. Vier dagen later maakte de Prins zich van Roermond

meester en den 25en Juli schreef Oranje aan zijn broeder Jan over die

inneming. Niettegenstaande zijn gedurige waarschuwingen tegen alle

woestheid en plundering, niettegenstaande hij, waar hij slechts kon,

de instructie herhaalde: "Doe alles om de harten zoowel van Katholieken

als van Hervormden te winnen; bescherm beide godsdiensten," toch had

de verovering van Roermond met moord en plundering plaats. Priesters

en monniken, kerken en kloosters werden daar helaas niet gespaard.

Dit feit, dat zich telkens herhaalde kan niet worden aangemerkt als een

bewijs van 's Prinsen onverdraagzaamheid, waarvan het tegendeel door

al zijn uitlatingen wordt bewezen. Wel is het een bewijs van gemis

aan krijgstucht in zijn leger en tevens van den woesten volksgeest

dier tijden, bij katholieken en hervormden, die door de hoogste en

beste uitingen van Oranje toch niet kon worden bedwongen. Hij drukt

zijn innigen spijt uit over de plunderingen, waaraan zijn soldaten

zich tegen zijn wil hadden schuldig gemaakt.

Uit brieven van den Prins bleek, dat hij nog altijd geldgebrek had;

hij wachtte nog steeds afgevaardigden van de Staten te Dordrecht, die

de middelen nog niet bezaten, hem van gereed geld te voorzien. Ook had

hij gehoord van de nederlaag van Genlis en toen de bevestiging daarvan

kwam, werd zijn teleurstelling daarover verminderd door de hoop op

spoedige aankomst van verdere hulp uit Frankrijk. Dat er troepen op

weg waren uit dit land om Alva te helpen, kon Oranje niet gelooven,

vooral niet, omdat de verstandhouding tusschen Karel IX en Lodewijk

te goed was en de kapiteins bovendien meest allen Hugenoten waren.

Langer dan een maand bleef Oranje in het kamp van Hellenrade bij

Roermond, in afwachting van tijding van Coligny, die beloofd had met

een groot leger in het Zuiden de Nederlanden binnen te dringen en

die had aangeraden te wachten, tot hij zou zijn aangekomen, om met

vereende krachten den vijand aan te vallen.

Natuurlijk was de vertraging van den Prins, ook nog veroorzaakt door

geldgebrek, voor Lodewijk een groote teleurstelling, want deze had

in Bergen een zwaren post. Dat dit oponthoud zijn oorzaak vond in

de jaloezie van Oranje op Lodewijk wordt volkomen weerlegd door

de natuurlijke redenen, welke de Prins ervoor opgaf. Toch vonden

enkelen dat praatje geloofwaardig en gaf het aanleiding om den Prins

te belasteren. Eerst in het laatst van Augustus gaven de Staten van

Holland hem een waarborg voor drie maanden betaling van zijn leger

en toen trok hij over de Maas.

Weer had Oranje gerekend, gelijk in 1568 op de hulp der steden

van Brabant en Vlaanderen en op de opening der poorten voor zijn

leger. Onder den indruk van den gehaten tienden penning had hij daarop

vertrouwd, maar hoe bitter werd hij teleurgesteld! Thienen en Diest

ontvingen hem, maar grooter plaatsen als Leuven en Brussel openden

de poorten niet voor hem. Vrees voor Alva, maar ook vrees voor het

plunderzieke leger van den Prins zelf, hield de harten der bewoners

gesloten. Verscheidene plaatsen kochten zijn binnenkomst met groote

sommen af en Mechelen, waar hij werd ontvangen, moest later vreeselijk

daarvoor bloeden.

Oranje was evenwel niet terneergeslagen, integendeel hoopvol gestemd,

zooals uit zijn brief van den 11en Augustus aan zijn broer Jan

blijkt. De steden zonden hem geld en niettegenstaande de nederlaag van

Genlis, was het vooruitzicht schitterend, want Coligny had 12000 man

voetvolk en 3000 ruiters verzameld en hoopte spoedig zelf te komen. Die

hoop werd helaas kort daarop geheel in duigen geworpen, want de dagen

van den admiraal waren geteld. Terwijl Lodewijk in pijnlijke afwachting

van de versterking der Hugenoten verkeerde, terwijl Oranje langzaam

tot hem naderde, werd de vreeselijkste tragedie der gansche eeuw in

Parijs voorbereid en afgespeeld.

Hendrik van Navarre zou in het huwelijk treden met Margareta van

Valois en met deze echtverbintenis waren de Hugenoten zeer ingenomen,

daar die hun den toegang tot het hof scheen te openen.

Op den 24en Augustus was de bruiloft gevierd en in den volgenden nacht

werden alle Hugenoten in Parijs meedoogenloos in bed of op straat

vermoord. Het schijnt werkelijk ongelooflijk, dat eenig menschelijk

wezen met zulk een dubbelhartigheid zou hebben kunnen handelen,

indien het waar is, dat Karel IX maandenlang zoo vertrouwelijk

met Coligny en Lodewijk van Nassau heeft omgegaan, terwijl hij

tegelijkertijd een algemeenen moordaanslag op de Fransche Protestanten

beraamde. Waarschijnlijker is, dat Karel op het laatste oogenblik door

zijn moeder op het denkbeeld gebracht is, dat er een samenzwering

tegen hem bestond en dat zijn eenige veiligheid gelegen was in het

met wortel en tak uitroeien van het hervormd geloof.

Volgens de meest gematigde berekening bedroeg het aantal slachtoffers

alleen in Parijs meer dan tienduizend.

Geheel het protestantsch Europa was ontsteld over dit afgrijselijk

voorval. De koningin van Engeland trok rouwgewaad aan en weigerde

met verachting gehoor aan wat de Fransche gezant tot verdediging

aanvoerde. Hoe Lodewijk het hoorde verhaalt zijn secretaris Michel de

la Huguerye: "Juist begonnen wij het ongeval van Genlis te vergeten,

toen we op zekeren nacht, het was de 28e Augustus, een hevige kanonade

hoorden, die ons deed vermoeden, dat er een nieuwe aanval op de stad

begon. Anderen meenden, dat die kanonade plaats had ter eere van Alva

persoonlijk, die op den 27en in het kamp der belegeraars was gekomen.

"Den volgenden ochtend vonden we eenige arme vluchtelingen van het

leger van Genlis, die ons de tijding brachten van den dood van den

admiraal, die vijf dagen te voren, in den Bartholomeusnacht vermoord

was. Ook vertelden die mannen, dat er een groot getal arme Christenen

was omgebracht, zoodat we niet langer hulp konden verwachten, maar

beter deden te capituleeren."

Men weigerde eerst geloof te slaan aan dat ontzettend bericht,

maar helaas! twee hervormde predikanten, d'Amours en de la Porte,

kwamen een paar dagen later aan en vertelden de geheele historie van

de vreeselijke tragedie. De arme Lodewijk trok zich den moord zijner

vrienden zoo aan, dat hij door een zenuwziekte werd aangetast, die

drie maanden duurde. Gedurende het laatste jaar was hij zoolang in

Frankrijk geweest en had hij in zulk een intieme verstandhouding niet

alleen met Coligny en zijn Protestantsche vrienden gestaan, maar ook

met den koning en de katholieke edelen, dat het hem meer dan pijnlijk

aandeed, nu ze zoo wreed en verraderlijk waren geweest. Voor het

warm, sympathiek gemoed van Lodewijk was het inderdaad een bittere

ontgoocheling te ontdekken, dat zijn vertrouwen zoo misplaatst

was. Toch schreef hij aan den Prins, dat hij Bergen tot het uiterste

zou blijven verdedigen en gaf hij hem den raad, thans bij de Engelsche

koningin hulp te zoeken. Hij meende, dat verontwaardiging over den

gruwel van den Bartholomeusnacht als de hefboom moest gebruikt worden,

om de Protestanten van alle zijden op te wekken en dat Elisabeth nu

wel aanstonds gereed zou zijn, als kampioen voor hun zaak in 't veld

te treden.

Volgens la Huguerye toonde Alva grooten afschuw van den moord te Parijs

en zeide hij, liever zijn rechterhand af te snijden dan medeplichtig te

zijn aan zulk een slag. Hij bood zelfs onder dien indruk aan Lodewijk

billijke voorwaarden van overgave aan. Doch de graaf was daartoe nog

niet bereid. Nog steeds hopende op de komst van Oranje, haalde hij zijn

troepen, die dreigden hem te ontvallen, door zijn welsprekendheid over,

ten minste te blijven, totdat de Prins van Oranje zou gekomen zijn.

Nog drie weken hield Lodewijk het vol en op den zevenden September

verscheen werkelijk Oranje in de nabijheid van Bergen. Zijn

gedeeltelijk succes in Mechelen, Dendermonde en Oudenaarde, die hun

poorten voor hem hadden geopend, had hem nieuwen moed gegeven. Waar

hij was, toen de tijding van den Bartholomeusnacht hem bereikte, is

onbekend. Later schreef hij aan Jan, dat niet alleen hij, maar iedereen

in Europa geheel onvoorbereid was op zulk een gebeurtenis. "Het was

een donderslag bij klaren hemel. Niet alleen is het nu uit met alle

hoop op hulp van Frankrijk, maar zelfs Karel moet Alva met geld

ondersteunen. Alle vertrouwen op menschen is daardoor vernietigd."

Vroeg in September kwam alzoo Oranje in de buurt van Bergen en sloeg

hij zijn kamp op te Hermigny, een halve mijl van de stad, terwijl Don

Frederik met zijn leger bij het dorp St. Florian lag. In den nacht van

11 September, ging Juliaan Romero met 600 man naar Hermigny. De nacht

was donker en de soldaten hadden hunne hemden over hun wapenrusting

getrokken, om elkander in de duisternis goed te herkennen. Het

gelukte hun, de schildwachten te verrassen en nadat ze deze hadden

neergesabeld, baanden ze zich een weg naar het in slaap gezonken

kamp. Oranje hoorde geen rumoer, maar sliep rustig door, totdat

hij door zijn hondje, dat aan zijn voeten sliep, werd gewekt. Niet

tevreden met blaffen, likte het beestje zijn meesters gelaat. De Prins

sprong uit zijn bed, nam een paard, dat gezadeld stond en reed in de

duisternis weg. Zijn mannen waren minder gelukkig. Zeshonderd kwamen

er om, gedeeltelijk door het zwaard, gedeeltelijk verdronken ze in

een nabijzijnden stroom. Het verlies der Spanjaarden was gering,

het werd op 60 geschat.

Volgens la Huguerye wist Aldegonde in Bergen te komen, om aan Lodewijk

te vertellen, hoe de Prins was verdreven en hoe hij besloten had, naar

Mechelen terug te gaan, om zijn krijgsvolk bijeen te houden. Lodewijk

zag toen weinig hoop meer op verlossing en stemde eindelijk toe in

een onderhandeling met Don Frederik. Hij zond La Noue met drie andere

Fransche edellieden naar het vijandelijk kamp, waar Noircarmes, een

der onderhandelaars van Spaansche zijde was. Op den 19en September

werd de capitulatie van Bergen op de volgende voorwaarden geteekend:

Lodewijk zou met zijn troepen de stad verlaten met behoud hunner

wapenen. Hij zou met zijn volgers, door vier compagnieën begeleid,

naar Roermond gebracht worden, om van daar naar Duitschland terug

te gaan. Zijne Fransche troepen zouden òf hem kunnen volgen òf naar

Frankrijk worden geleid tot aan de grens bij Avesnes. Die laatste

bepaling was niet naar den zin van Karel IX, die begeerd had, dat Alva

alle manschappen, als zijnde Hugenoten, had laten ombrengen. Doch Alva

wilde met een politieke bedoeling den koning niet van alle vrees voor

de Hugenoten bevrijden.

Lodewijks ziekte werd de laatste dagen, die hij in Bergen doorbracht,

steeds ernstiger; hij was genoodzaakt een aderlating te ondergaan. Toch

gaf hij onmiddellijk order, alles in gereedheid te brengen voor zijn

vertrek. Inzonderheid was hij angstig over het lot zijner Fransche

soldaten, voor wie hij niet veel goeds verwachtte, als ze over de

grenzen van hun vaderland waren gekomen. Hij deed dus nog alle moeite,

hen bij zich te houden. De meesten echter weigerden dit en namen

het aanbod aan, om tot de grens te worden geëscorteerd. Het was een

slechte keus. Want nauwelijks waren ze over de grenzen gekomen, of ze

werden door de soldaten van Karel IX gruwelijk vermoord. Slechts een

deel kon zich nog redden, geholpen door den hertog van Longueville,

gouverneur van Picardië.

De graaf kon niet te paard zitten; hij moest in een wagen Bergen

verlaten. Even daarbuiten werd hij door een officier in naam van Alva

begroet. Zes mijlen buiten Bergen, in een dorp waar men halt hield,

viel Lodewijk, bij het uitstijgen uit den wagen in zwijm en moest,

te bed liggende, worden bijgebracht. Daarop trok men onder begeleiding

van het Spaansche escorte voort en kwam men te Roermond aan, waar een

ontmoeting tusschen de beide broeders plaats had. Zij overlegden, wat

hun thans te doen stond. Vier dagen bleven ze samen en het resultaat

van hun besprekingen was, dat Lodewijk tot herstel zijner gezondheid

naar Duitschland zou teruggaan, terwijl de Prins zijn leger ontbinden

en naar Holland gaan zou. Van de volvoering van dat plan zullen we

in een volgend hoofdstuk getuige zijn.

Lodewijk kon, ziek naar lichaam en ziel, zijn reis naar Dillenburg

slechts uiterst langzaam voortzetten. In het begin van October was hij

pas in Meurs. Van daar reisde hij naar Keulen, waar de magistraat

uit vrees hem niet eens toestond het Nassau-huis te betrekken

en waar hij toen verplicht was in Deutz, in het Joden-kwartier,

tijdelijk zijn intrek te nemen. Eerst tegen het eind der maand

kwam hij op het voorvaderlijk kasteel, waar zijn moeder Juliana,

die hem zoo teeder liefhad, de grootste zorg aan hem wijdde. Hij was

toch zoo ziek, dat men algemeen dacht, dat hij zonder Gods hulp niet

langer leven zou. Gelukkig echter werd de uitnemende zorg der moeder

beloond. Langzaam herstelde Lodewijk en kon hij zich weer met de goede

zaak der Nederlanders bezig houden. Als wij hem weder terugvinden,

zullen we hem met nieuwe kracht zien aangegord, om mede te werken

tot bevrijding van ons vaderland.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 34 / 80 题