DONKERE DAGEN. 1569-1571.

Onder hen, die den Prins op zijn tocht in het jaar 1568 vergezeld

hadden, behoorden vele zeer besliste Calvinisten. Katholieken waren

niet uitgesloten, zooals het voorbeeld van Hoogstraten bewijst, maar de

bondgenooten van den Prins waren vooral de vurige hervormers. Daar hij

den oorlog tegen Alva bovenal tot een heiligen krijg wilde verheffen,

waren vooral de hervormde predikers hem welkom; zijn veldprediker,

Adriaan Savary, schreef zijn "hartgrondige begeerte van den edelen,

lankmoedigen, hooggeboren Prins van Oranje," waarin de geloofsgenooten

tot een plechtige voorbede werden opgewekt om den wonderdadigen arm

Gods over den krijg in te roepen. Al was Oranje nog niet bepaald

overgegaan tot het Calvinisme, toch wenschte hij, dat men in hem

reeds den held van het hervormde geloof aanschouwde. Zijn voornaamste

volgelingen, als Culemborg, Leefdael, van der Noot en Sonoy hadden

reeds openlijk den ouden godsdienst vaarwel gezegd en blaakten van

ijver voor het nieuwe geloof.

Tot dezen behoorde in de eerste plaats Filips Marnix van St. Aldegonde,

de edele broeder van den te Austruweel gesneuvelden Toulouse. Reeds had

deze een eerste rol in het Verbond der Edelen vervuld en behoorde hij

in Antwerpen tot die Calvinisten, die van ter zijde uit geloofsijver

den beeldenstorm in de hand werkten. Daardoor stond hij zelfs in de

moeilijke dagen die Antwerpen in Maart 1567 doorleefde, niet aan de

zijde van den Prins, doch had zich onmiddellijk in 1568 onder zijne

vanen geschaard, toen hij met een leger voor gewetensvrijheid de

Nederlanden betrad. Als dichter en schrijver is hij bovenal bekend en

naar alle waarschijnlijkheid was het tijdens de donkere dagen, na den

treurigen afloop van den eersten bevrijdingstocht zijn dichttalent,

dat het aanzijn gaf aan ons "Wilhelmus van Nassouwe." Op de wijs van

een bekend Fransch lied geeft het uitnemend de stemming weer, waarin de

Prins en zijn vrienden toen verkeerden. Het luidt in zijn geheel aldus:

Wilhelmus van Nassouwe

Ben ik, van Duitschen bloed;

Den vaderland getrouwe

Blijf ik tot in den dood.

Een prince van Orangiën

Ben ik vrij onverveerd;

Den koning van Hispangiën

Heb ik altijd geëerd.

In Godes vrees te leven

Heb ik altijd betracht;

Daarom ben ik verdreven,

Om land, om luid' gebracht:

Maar God zal mij regeeren

Als een goed instrument,

Dat ik zal wederkeeren

In mijnen regiment.

Lijdt u mijn onderzaten,

Die oprecht zijt van aard:

God zal u niet verlaten,

Al zijt gij nu bezwaard;

Die vroom begeert te leven,

Bidt God nacht ende dag,

Dat Hij mij kracht wil geven,

Dat ik u helpen mag.

Lijf en goed al te zamen

Heb ik u niet verschoond;

Mijn broeders, hoog van namen,

Hebben 't u ook vertoond;

Graaf Adolf is gebleven

In Friesland in den slag:

Zijn ziel in 't eeuwig leven

Verwacht den jongsten dag.

Edel- en hooggeboren,

Van Keizerlijken stam,

Een Vorst des Rijks verkoren,

Als een vroom Christen-man

Voor Godes Woord geprezen

Heb ik vrij onversaagd,

Als een held zonder vreezen,

Mijn edel bloed gewaagd.

Mijn schild ende betrouwen

Zijt Gij, o God, mijn Heer!

Op U zoo wil ik bouwen.

Verlaat mij nimmermeer!

Dat ik toch vroom mag blijven,

Uw dienaar t' aller stond,

De tirannie verdrijven,

Die mij mijn hert doorwondt.

Van al, die mij bezwaren

En mijn vervolgers zijn,

Mijn God! wil toch bewaren

Den trouwen dienaar dijn;

Dat zij mij niet verrassen

In haren boozen moed,

Haar handen niet en wasschen

In mijn onschuldig bloed.

Als David moeste vluchten

Voor Saul den tiran,

Zoo heb ik moeten zuchten

Met menig edelman;

Maar God heeft hem verheven,

Verlost uit aller nood,

Een koninkrijk gegeven

In Israël, zeer groot.

Na 't zuur zal ik ontvangen

Van God, mijn Heer, dat zoet,

Daarnaar zoo doet verlangen

Mijn vorstelijk gemoed;

Dat is, dat ik mag sterven

Met eere in het veld,

Een eeuwig rijk verwerven,

Als een getrouwe held.

Niets doet mij meer erbarmen

In mijnen wederspoed,

Dan dat men ziet verarmen

Des konings Landen goed.

Dat u de Spanjaards krenken,

O edel Neerland zoet!

Als ik daaraan gedenke,

Mijn edel hert dat bloedt.

Als een prins, opgezeten

Met mijnes heires kracht,

Van den tiran vermeten

Heb ik den slag verwacht,

Die, bij Maastricht begraven,

Bevreesde mijn geweld.

Mijn ruiters zag men draven

Zeer moedig door het veld.

Soo het de wil des Heeren

Op dien tijd was geweest,

Had ik geern willen keeren

Van u dit zwaar tempeest;

Maar de Heer van hier boven,

Die alle ding regeert,

Die men altijd moet loven,

En heeft het niet begeerd.

Seer christelijk was gedreven.

Mijn prinselijk gemoed;

Standvastig is gebleven

Mijn hert in tegenspoed;

Den Heer heb ik gebeden

Van mijnes herten grond,

Dat Hij mijn zaak wil reden,

Mijn onschuld doen oorkond.

Oorlof! mijne arme schapen,

Die zijt in grooten nood;

Uw herder zal niet slapen,

Al zijt gij nu verstrooid.

Tot God wilt u begeven,

Zijn heilzaam woord neemt aan,

Als vrome Christen leven,

't Zal hier haast zijn gedaan.

Voor God wil ik belijden,

En Zijner grooter macht,

Dat ik tot geenen tijden

Den koning heb veracht,

Dan dat ik God den Heere,

Der hoogster Majesteit,

Heb moeten obediëeren

In der gerechtigheid.

Terecht is van dien zang gezegd, dat die uit de ziel des volks is

gegrepen en ook oogenblikkelijk daartoe weer zijn terugweg vond; dat

die "het Souterlied van Nederland, de nationale psalm der vaderen"

is geworden. Van 1568 ruischt en bruist het met vollen toongalm door

onze geheele geschiedenis, het is er als de muzikale adem van. In alle

wereldoorden, waar de Prinsevlag Neêrlands kleuren toont, klinkt ook

het Prinselied onder de meest wisselende toestanden.... Als elegie

[6] van het lijdend, als krijgszang van het strijdend, als dithyrambe

[7] van het triomfeerend Nederland is het "Wilhelmus van Nassouwe" een

historisch volkslied, zooals geen enkele andere natie er een bezit." Nu

het in onze dagen in de oude toonzetting wordt ten gehoore gebracht,

is het als het ware bij vernieuwing een stuk volksleven geworden.

Brengt men zich daarbij te binnen, hoe dat lied tallooze malen

neerslachtigheid heeft opgeheven tot vertrouwen, verslagenheid heeft

getroost en bemoedigd, hoe het heeft geprikkeld en aangevuurd tot

den felsten kamp; hoe het de machtige wapenkreet is geweest in de 16e

eeuw tegen Spanje, in de 17e tegen Lodewijk XIV, in den aanvang onzer

eeuw tegen Napoleons onderdrukking, dan kunnen we den dichter, uit

wiens aderen het vloeide en den held, wien het een eerzuil stichtte,

niet dankbaar genoeg herdenken.

Voor dien held en de zijnen werd het in de donkere dagen, die nog

volgden, voor het licht aan de kim verrees, een der krachtigste

prikkels om te volharden en trots allen tegenspoed, alle tegenkanting,

alle teleurstelling te vertrouwen op de toekomst, te vertrouwen op Hem,

die daarin wordt genoemd:

Mijn schild en mijn betrouwen,

Zijt gij, o God mijn Heer.

Met hoeveel opgewektheid en hoop was de tocht van 1568 door Oranje

aangevangen, al was hij aanstonds door de nederlaag van de Villers te

Daelhem, van de Hugenoten in het Zuiden, van Lodewijk bij Jemmingen,

in zijn schoon en veelomvattend plan gestuit.

De overwinning bij Heiligerlee, de betrekkelijke grootheid van zijn

eigen leger en de vaste hoop, dat de poorten der steden zich van zelf

voor hem zouden openen, hadden hem weder moed gegeven. En thans was

die veldtocht geheel vruchteloos gebleken en de geheele onderneming

van den Prins was mislukt. Wat bleef er over, dan te wanhopen aan

de toekomst en de Nederlanden slechts over te geven aan de willekeur

en tirannie van een Alva, die daarmede nu scheen te kunnen doen, wat

zijn hart begeerde? De ontbinding van zijn huurleger te Straatsburg

scheen het eind te zijn van Oranje's Nederlandsche roeping. Wat

kon hij thans beter doen dan onder den eeuwenouden lindeboom van

Dillenburgs kasteel, die nog steeds zijn kruin verheft, te gaan

droomen over het verloren verleden, te gaan peinzen over het "transeat

gloria mundi?" Zoo scheen het den oppervlakkigen tijdgenoot. Languet,

de beroemde diplomaat en publicist dier dagen, de groote vriend der

Hervorming, de redder van vele slachtoffers van den Bartholomeusnacht,

verkeerde zoo onder den indruk van 's Prinsen jammerlijken staat op

het eind van 1568, dat hij schreef: "De Prins is een dood man. Niet

alleen dat zijn soldaten deserteeren, maar ze bedreigen hem zelfs te

wurgen en Nassau te verwoesten." En Alva schreef hetzelfde aan Filips:

"De Prins kan beschouwd worden als een dood man. Hij is thans zonder

eenigen invloed of crediet."

Inderdaad laat het zich volmaakt begrijpen, hoe beide partijen dien

indruk van het oogenblik ontvingen. Reeds zijn terugtrekken over

de Fransche grenzen, m. a. w. zijn vlucht voor Alva, was een diepe

vernedering. Catharina de Medicis, waarschijnlijk onder den invloed

der gewone Fransche politiek dier dagen, die steeds wankelde in haar

houding tegenover het hervormd geloof en tegenover Spanje, ondersteunde

nog eenige weken met geheime hulp het leger van den Prins. Toen die

houding niet langer kon worden volgehouden en Alva verontwaardigd

daarover sprak, werd het feit met de gewone dubbelzinnigheid der

koningin eenvoudig geheel ontkend. Er ging zelfs een gerucht, dat

een Hugenoot, die Schomberg vergezelde, een gelegenheid vond, om in

het geheim tot den Prins te zeggen: "Luister niet naar Schomberg. De

koning is niet gereed om U te bestrijden. Gij kunt uw eigen voorwaarden

stellen."

Het schijnt dan ook, dat de Prins nog minder om dadelijk verzet

van de Fransche regeering, dan wel om den onwil zijner soldaten het

Fransche grondgebied verliet en te Straatsburg zijn leger ontbond. Was

het wonder, dat hij toen voor een dood man werd gehouden, dat men

meende, dat het voor goed gedaan was met al zijn plannen om Spanje

te bestrijden en de Nederlanden te bevrijden?

Er kwam nog meer bij, dat dien indruk versterkte. In het laatst van

het jaar 1568 scheen het werkelijk een poos, alsof keizer Maximiliaan

ten gunste van de Nederlanden zou tusschenbeide komen. De Duitsche

keurvorsten hadden namelijk 28 September van dat jaar den keizer een

memorie aangeboden, waarin zij Alva's wreedheden tegenover alle hoog-

en laaggeboren Nederlanders beschreven. De keurvorsten beweerden dat

de Nederlanden, als afzonderlijke kreits nog immer aan het Duitsche

Rijk verbonden, recht hadden op de voorrechten van den godsdienstvrede

van Augsburg. Maximiliaan werd daarom verzocht niet toe te staan,

dat de koning van Spanje langer door middel van de inquisitie en de

edicten van het concilie van Trente, die voorrechten der Nederlanders

gewelddadig schond. En inderdaad! die aandrang van de keurvorsten

hielp. Maximiliaan zond zijn eigen broeder, den aartshertog Karel,

naar Spanje, om aan Filips te zeggen, dat hij aan den aandrang der

publieke meening geen weerstand bieden mocht. Op den 21en October

reeds was de brief met instructiën van den aartshertog gereed en op

den 10en December kwam deze in Madrid aan.

Toen Filips de boodschap van den aartshertog ontving, drukte hij

de grootste bevreemding uit, dat iemand het durfde wagen, hem te

beoordeelen in zijn zachtmoedig bestuur van zijn eigen rijk. Natuurlijk

had hij in de zaak van den godsdienst alles gedaan, om het belang der

kerk te bevorderen, gelijk de plicht was van elken geloovigen zoon,

maar verandering in de regeering der gewesten had hij niet gemaakt,

enz.

Hij zond twee brieven aan zijn neef den keizer, een openbaren en een

bijzonderen brief, beide met de bedoeling hem te doen weten, dat de

koning met zijn eigen land kon doen, wat hem behaagde en dat zijn

neef het best zou doen, zich met zijn eigen zaken te bemoeien. Op

den 23en Januari, drie dagen na de ontvangst van die documenten,

beantwoordde de aartshertog den openbaren brief op een stoutmoedigen,

onafhankelijken toon, en verdedigde hij de zaak der Nederlanden en

van den Prins van Oranje, terwijl hij verklaarde, dat de keizer vrije

Vlaamsche en Hollandsche burgers niet kon noch wilde behandeld zien

als de inwoners van Sicilië en Spanje. Hij bedreigde zelfs den koning,

dat een groot aantal Duitsche vorsten en niet alleen Protestantsche,

den Prins zouden steunen. Inderdaad, dit klonk zeer goed in de

ooren van Europa; ongelukkig echter dat tegelijkertijd een andere

onderhandeling tusschen Spanje en Oostenrijk die hooge keizerlijke

gevoelens geheel in duigen wierp.

In de Spaansche koninklijke familie waren in het laatste jaar twee

sterfgevallen voorgekomen. De ongelukkige Don Carlos, de lichamelijk

en geestelijk zwakke eenige zoon van Filips II, overleed in Juli

1568. Zijn dood liet den koning zonder mannelijken erfgenaam. En korten

tijd daarna stierf ook Elisabeth van Valois en liet haar Spaanschen

gemaal voor den derden keer als weduwnaar achter, die daardoor vrij

werd, weder een andere vorstelijke dochter te huwen. Die dubbele dood

werd de oorzaak, dat Maximiliaan een zachter toon tegenover Filips

begon aan te slaan en in zijne aanvankelijk krachtige verdediging van

de Nederlanden niet volhardde. Want Maximiliaan had zes dochters en ook

Filips thans alleen vrouwelijke erfgenamen, zoodat de kans niet mocht

verloopen, dat òf een zijner zonen met een van Filips' dochters huwde,

die dan later den Spaanschen troon kon beklimmen, òf dat Filips zelf

vroeg om de hand van een van de dochters des keizers. Dit laatste had

werkelijk plaats. Filips deed het voorstel, de aartshertogin Anna te

huwen. Dit werd met beide handen aangenomen en de aartshertog Karel,

die begonnen was in Madrid zoo krachtig en stout voor de Nederlanden

in naam des keizers op te treden, verliet op den 4en Maart 1569 de

Spaansche hoofdstad met een geschenk van 100.000 kronen, terwijl alle

verdere onderhandelingen over de arme, slecht behandelde Christenen

in Filips' noordelijke gewesten werden gestaakt en de keizer zich

voortaan bepaalde tot enkele zwakke onbeteekenende vermaningen. Dus

ook de steun van den Duitschen keizer was voor den Prins verloren, op

het oogenblik dat zijn veldtocht geheel mislukt was en te Straatsburg

zijn leger werd ontbonden. Hadden Alva en Languet dan geen gelijk

met te zeggen: "De Prins is een dood man!"

Dood! dat zou Oranje, wiens gemoed steeds meer levend werd en wiens

vertrouwen op de toekomst verdubbelde, naarmate zijn ervaringen

somberder en zijn dagen donkerder werden, dat zou Oranje anders

leeren. Daartoe was echter op dat oogenblik voor alle dingen noodig,

dat hij zijn verloren krijgsroem herstelde; daarom besloot hij, zich

met 1200 ruiters, die hem getrouw bleven, bij het leger te voegen,

dat onder Wolfgang von Zweibrücken het leger der Hugenoten onder Condé

zou te hulp komen. Zijne broeders Lodewijk en Hendrik bleven bij hem

en verleenden, evenals Oranje, hunne persoonlijke diensten aan de

Fransche Protestanten. De hertog van Anjou werd met het opperbevel

over het leger van de regeering belast en won op den 10en Maart 1569

den bloedigen slag bij Jarnac, waar Condé den dood vond. Bij dien

slag was Oranje met zijn legerafdeeling niet tegenwoordig, daar hij

tevergeefs op de komst van Wolfgang gewacht had.

Eerst den 30en Maart kon de Prins zich met het leger van Wolfgang

vereenigen en trokken zij gezamenlijk door den Elzas naar de Fransche

grenzen in Lotharingen. Nu was het natuurlijk hun plan het leger der

Hugenoten, dat na den slag bij Jarnac, zich onder Coligny had hersteld

en dat zich aan de Loire bevond, te gemoet te trekken. Daartoe moest

het geheele vijandige land worden doorkruist. Die bange tocht werd

ondernomen, ook al werden ze onmiddellijk door het Fransche leger

gevolgd. De onderneming werd met de grootste stoutheid volvoerd; doch

al waren zij bij het stadje la Charité ook bij de Loire gekomen,

nog konden ze zich niet met Coligny vereenigen, daar nog steeds

de hertog van Anjou tusschen den admiraal en zijne bondgenooten

stond. Die vereeniging gelukte pas op den 10en Juni te Saint IJriex,

in de nabijheid van Limoges. Een paar dagen later had de slag bij

La Roche-Abeille plaats, waar Anjou werd verslagen en in welken slag

Lodewijk zoowel als Oranje grooten roem behaalden.

Gedurende den zomer bezocht Oranje in gezelschap van verschillende

Hugenootsche hoofden het kasteel van den beroemden Brantôme, den

schrijver van verscheidene belangrijke werken, die zijn loopbaan

als militair in den dienst der regeering, o.a. tegen de Hugenoten,

begonnen was. Deze Brantôme geeft in zijn Grands Capitaines étrangers

de volgende beschrijving van dat bezoek.

"Verscheidene Fransche bondgenooten van den hertog von Zweibrücken

zoowel als de Prins van Oranje, graaf Lodewijk en hun jongere broeder,

kwamen na den dood van dien hertog (deze was nog voor de vereeniging

der beide legers overleden) op het kasteel Brantôme, waar ik mij

teruggetrokken had wegens een ernstige vierdaagsche koorts, die mij zoo

kwaadaardig had vergiftigd, dat ik er in maanden niet van kon bevrijd

worden. Zoo zag ik al die edellieden, Franschen en vreemdelingen,

in mijn huis. Om strijd bewezen ze mij elke mogelijke eer, zonder

eenige schade aan mijn huis toe te brengen. Geen enkel beeldje werd er

vernield, geen enkele glasruit gebroken. Ik onthaalde hen uitstekend,

daar de koning van Navarre en de admiraal beiden zeer op mij gesteld

waren. Aan den laatstgenoemde was ik door zijn vrouw zelfs verwant. In

het kort, ik had reden, over hen allen zeer voldaan te zijn.

Daar zag ik de vreemde prinsen en had in een laan van mijn tuin lange

gesprekken met den Prins van Oranje. Ik vond hem een gedistingeerd

persoon, geheel naar mijn smaak. Uitstekend redeneerde hij over

de zaken. Hij vertelde mij, hoe krachteloos zijn leger was; hij

weet dit aan zijn armoede en aan de vreemden, die hem geen liefde

toedroegen. Maar hij was niet van plan, in het midden van den

weg te blijven staan en heel spoedig zou hij den verloren grond

terugwinnen. Hij had een zeer aangename manier van omgang en maakte

ook uitwendig een goed figuur. Graaf Lodewijk was kleiner. Den

Prins vond ik verdrietig gestemd; hij was terneergeslagen door zijn

rampspoed. Maar graaf Lodewijk was openhartiger in zijn houding en

scheen blijmoediger te zijn. Hij werd voor meer vermetel en meer

ondernemend dan de Prins gehouden, maar deze was wijzer, rijper en

voorzichtiger."

In den slag van La Roche-Abeille deelde de Prins het commando met graaf

de la Rochefoucauld. Toen volgde de belegering van Poitiers, dat dapper

verdedigd werd en ook niet werd ingenomen. Bij die belegering was de

Prins ook aanwezig; doch kort nadat het beleg door de Hugenoten was

opgegeven, verliet Oranje hen, om naar Duitschland terug te keeren.

Lodewijk en Hendrik bleven bij het leger der Hugenoten en namen

deel aan den ongelukkigen veldslag van Montoncour, waar Lodewijk,

trots den jammervollen uitslag, vele lauweren behaalde. Terwijl deze

Coligny op zijn verdere tochten vergezelde, in het Prinsdom Oranje de

orde herstelde en met den admiraal werkzaam was, toen de belangrijke

vrede van St. Germain werd gesloten, om daarna uit La Rochelle voor

de belangen van den Prins te werken en met hem nieuwe plannen tot

bevrijding der Nederlanden te maken, was de Prins zelf diep in het

geheim naar Duitschland teruggegaan. Dat vertrek had zelfs zoo in

stilte plaats gehad, dat het niet behoeft te bevreemden, dat er

allerlei geruchten, het een al dwazer dan het andere, aan werden

vastgeknoopt.

De Spaansche gezant te Parijs, Alava, schreef, dat het Hugenootsche

leger met verachting van den Prins sprak, toen het hoorde van

zijn plotseling vertrek en dat hij beschouwd werd als een man,

wiens reputatie verloren was. Ook werd deze vlucht, drie dagen

voor den slag van Montoncour, als een daad van gebrek aan moed

aangemerkt. Anderen dachten, dat Oranje in het geheim naar Engeland

ging om hulp van Elisabeth te vragen en zelfs om een huwelijk voor

te bereiden tusschen Hendrik van Navarre en Elisabeth. Nog anderen

meenden, dat het doel zijner geheimzinnige reis was, La Rochelle in

de handen der Engelschen te spelen, terwijl de koninklijke troepen

zich in het Oosten van Frankrijk ophielden.

Het meeste geloof echter verdient de meening, dat de Prins zich haastte

naar Duitschland te komen, omdat hij bij vernieuwing eenige kans zag,

de Nederlandsche vluchtelingen tot vereenigd handelen te brengen.

Zelfs wordt verteld, dat Oranje als boer verkleed met enkele

volgelingen het kamp in Frankrijk verliet en met groot gevaar voor zijn

leven den Rijn bereikte, ten einde in Duitschland nieuwe versterkingen

te gaan zoeken.

In November bereikte hij Dillenburg, maar hij scheen het onveilig

te vinden lang op ééne plaats te blijven en reisde daarom het land

op en neer. Omtrent Kerstmis bereikte hij Arnstadt, vanwaar hij aan

zijne broeder Jan te Dillenburg schreef. Uit dien brief blijkt, hoe

de Prins tot zijn droefheid, in Duitschland reizende, bij vernieuwing

van den haat der Lutheranen tegen de Calvinisten had gehoord. De

predikanten der eerstgenoemden ontzagen zich niet de Calvinisten in

Frankrijk en in de Nederlanden van den kansel voor muiters, rebellen,

heiligschenners en beeldstormers te schelden. En daaraan wijt hij

het ook, dat zijn arbeid in Duitschland zoo vruchteloos blijft en dat

zelfs een Alva nog door lichtingen uit Duitschland (Eric van Brunswijk)

wordt versterkt. Weemoedig roept hij uit:

"Terwijl onze tegenstanders werken en wij alles moesten doen, om hunne

ondernemingen te vernietigen, slapen wij.... De zaken zijn zoover

gekomen, dat, als God niet wonderlijk helpt, de godsdienst gevaar

loopt, voor langen tijd uitgeroeid te worden; want niemand zal dien

durven steunen, ziende de weekheid en het gebrek aan moed bij hen,

die zedelijk verplicht waren, dien te bevorderen en te onderhouden...."

Van welke zijde hulp te wachten zou zijn, was in dien tijd moeilijk

te ontdekken; toch ging Oranje voort en vond al zoekende, overal

met gevaar voor zijn eigen leven, hier en daar een weinig hulp. Hij

was gedwongen zich zoo geheim te houden, dat men meende, dat hij

dood was. Toen dit gerucht ter oore van Viglius kwam, zeide deze:

"Als het hoofd is weggenomen, dan hebben wij de rebellen niet meer

te vreezen." Wel scheen het op het einde van 1569 alsof de troebelen

geheel waren bedaard en Alva vrij naar zijn wil kon handelen maar

de Prins rustte niet, doch werkte dag en nacht om aan alle kanten

vrienden en te gelegener tijd volk te bekomen.

Behalve het geheim beroep, dat hij in persoon op talloozen deed,

zond hij een menigte adressen om hulp overal heen. Brief op brief

richtte hij tot de gevluchte edelen en tot de hervormde congregaties

in Engeland, in Kleef, Emden, Hamburg, Bremen en elders. Ook met

verscheiden invloedrijke personen in de Nederlanden onderhield Oranje

geheime briefwisseling, met Sonoy, van Swieten, van Calslagen, Cant

en Wesenbeke.

De toenmalige Leidsche pensionaris Mr. Paulus Buys, die in 1572

advocaat van den lande werd en later in menig opzicht de rechterhand

van den Prins was, wijdde zich reeds in 1569 met grooten ijver

aan de nationale zaak. Hij was het, die op het eind van dat jaar,

terugkeerende van de Algemeene Statenvergadering te Brussel, die over

den eisen van den 10en penning van Alva beraadslagen moest, diep in

het geheim een reis naar Dillenburg waagde en 24 uren vertoefde bij

den Prins, wien hij alle inlichtingen omtrent den toestand in de

Nederlanden geven kon.

Hoofddoel van de geheime correspondentie, welke van die reis van

Buys het gevolg was, werd een opwekking van de Nederlanders, toch

te bedenken, dat de welvaart van het vaderland van hen eischte als

eerste plicht, gelden bijeen te zamelen. Eene proclamatie van den

Prins van 22 April 1570 bevatte o. a. het volgende:

"Wij twijfelen niet, of gijlieden en elk van U gedenkt

wel den eed en de verbintenis, die gij schuldig zijt uwen

lieven vaderlande en tot onderhouding der rechten, vrijheden,

voordeelen en voorspoed van hetzelve, waardoor we ons verzekerd

houden, dat gijlieden als vrome, verstandige lieden, wel

ter harte neemt 't gemeen welvaren van het vaderland in

't algemeen als van elk van U in 't bijzonder....

"Wij overdenken de verdrukking, de tirannie en de

gewelddadigheden, die men tegen eed, geloof en recht en

zonder eenige reden of misdaad nu zoolang U heeft aangedaan

en aandoende is en met meerdere verdrukking U dagelijks

bedreigt. Wij hebben niet kunnen laten ons dikwijls te

verwonderen, hoe het mogelijk is, dat gijlieden zoo lang

daartoe hebt kunnen stilzwijgen en daartegen U niet hebt

getoond....

"In hoop en goed vertrouwen dat gij niet zult

verzuimen.... hebben wij u willen aanzeggen, dat wij gewillig

zijn en niet zullen ontzien goed en bloed op te zetten voor

de welvaart van het land en voor de vrijheid" enz.

In dien toon waren de brieven en de proclamaties van den Prins

gesteld. Er werd zelfs een geheel stelsel van geheime correspondentie

uitgedacht, om door verdichte namen de regeering op een dwaalspoor

te brengen, als de brieven soms werden opgevangen. De steden, die men

wilde verrassen, werden met godennamen uit de Romeinsche en Grieksche

mythologie aangeduid; de personen met voorletters of pseudoniemen,

enz. Om de verzameling van gelden was het allereerst te doen en dan

verder om de verrassing van steden.

Hoe konden echter Oranje en de zijnen gegronde hoop koesteren, na de

mislukking van den aanval van 1568, op een réveil van het volk? Was

toen niet de poging afgestuit op den onwil van de Nederlandsche

burgers om zijn poorten voor den Prins te openen? Zagen we niet,

dat Alva in het eind van dat jaar als de geduchte overwinnaar werd

gevreesd, dat alles voor hem had gebukt?

Het was natuurlijk reactie, die hier de zaak van den Prins heeft

geholpen. Alva's overwinningen hadden hem overmoediger dan ooit

gemaakt; hij dacht thans met het Nederlandsche volk te kunnen doen,

wat ook zijn hart begeerde. De oprichting van het standbeeld, dat hem

als overwinnaar voorstelde, met den voet op den nek van een tweehoofdig

monster, adel en volk, was de sprekende profetie, wat men thans van

hem had te wachten. Zijne plannen waren zoo veelomvattend, dat niet

alleen de Bourgondische Nederlanden, maar ook de aangrenzende gewesten

in het Duitsche Rijk onder Spaanschen invloed moesten komen. Al

de maatregelen, die dienen moesten om dit groote doel te bereiken,

waren van dien aard, dat ze van zelf het in slaap gezonken volk tot

nieuw verzet prikkelden.

Alsof er al niet genoeg ellende over het land was gebracht! Het

schrikbewind van Alva had haar uitwerking niet gemist en de Raad van

Beroerten hield niet op over schuldigen en onschuldigen een vonnis

uit te spreken.

Al is het te sterk gekleurd toch wordt die toestand van ons land,

reeds eenige maanden na Alva's komst, treffend weergegeven door de

beschrijving van Motley: "Het gansche land werd een knekelhuis; de

doodsklok luidde ieder uur in alle dorpen; aan geen enkele familie

werd de rouw gespaard over haar dierbaarste betrekkingen, terwijl

de overlevenden onverschillig rondzwierven, de schimmen van wat zij

vroeger waren, tusschen de puinhoopen van wat eens hun woning was. De

energie van het volk scheen binnen weinige maanden na de komst van

Alva hopeloos gebroken. Het bloed van de besten en dappersten onder

hen had reeds het schavot bevlekt; de mannen, tot wie zij gewoon waren

geweest uit te zien om leiding en bescherming, waren dood, gevangen

of in ballingschap. Onderwerping had geen nut meer, ontvluchting was

onmogelijk en wraakzucht woedde aan elken haard. Dagelijks liepen

rouwdragenden langs de straten, want er was bijna geen huis, waar

de dood niet gewoed had. De schavotten, de galgen, de brandstapels,

in gewone tijden voldoende, leverden nu een volkomen ontoereikend

materiaal voor de steeds elkaar opvolgende terechtstellingen. Palen,

stokken in iedere straat, deurposten van particuliere huizen,

schuttingen op het veld torschten geraamten van menschen, die geworgd,

verbrand of onthoofd waren. De boomgaarden op het land droegen aan

menigen tak, afzichtelijke vrucht, lichamen van menschen. Zoo werden de

Nederlanden vernietigd en ware het niet dat de scherpe dwingelandij nu

hare poorten gesloten had, ze zouden ontvolkt zijn geworden. Het gras

begon te groeien in de straten van die steden, die nog kort geleden

zoo vele werklieden gevoed hadden. In al die groote nijverheids- en

handelsplaatsen, waar de polsslag van het leven zoo sterk geklopt had,

heerschte nu stilte en middernachtelijke duisternis."

Onder die nieuwe maatregelen nu, welke Alva nam, was een der

voornaamste, de invoering van vaste rechtstreeksche belastingen,

een stelsel, dat in Spanje reeds langen tijd bestond onder den naam

van alcabala. Van Spaansch standpunt uit was het streven naar zulk

een vaste regeling zeer begrijpelijk. Maar de Staten vonden tot heden

hunne eenige kracht in de contrôle, die ze om een zeker aantal jaren

door de goedkeuring der beden op de regeering konden uitoefenen. De

Staten hadden feitelijk de koorden van de beurs in handen. Een vaste

regeling zou, bij gemis van elke andere contrôle, totale slavernij

van het volk ten gevolge gehad hebben.

Bovendien waren de voorgestelde belastingen zeer drukkend, want

bij verkoop van roerende goederen zou 10 % (tiende penning), van

onroerend goed 5 % (twintigste penning) betaald worden, terwijl dan

nog 1 % (honderdste penning) zou geheven worden van de waarde van

alle goederen, zoowel roerende als onroerende. Dat de kooplieden in

hun handel ten zeerste bedreigd werden door deze voorstellen laat

zich begrijpen.

Geen wonder daarom, dat dit plan een storm in het land verwekte, veel

grooter dan al de godsdienstige vervolgingen en onrechtvaardige daden

gedurende de laatste twee jaren. En die storm was zoo geweldig, dat

zelfs een Alva daarvoor bukken moest. Na eindelooze nieuwe voorstellen

van den kant des landvoogds en nieuwe uitvluchten en bezwaren van

de vergaderingen der Staten, werd Alva's voorstel, om in plaats van

den tienden en den twintigsten penning een heffing van 2 millioen 's

jaars te doen voor twee jaar, aangenomen, doch de Landvoogd was vast

besloten, zoodra mogelijk, op de zaak terug te komen en de financiën

behoorlijker te regelen.

Deze en andere maatregelen, die alleen dienen moesten, om

alle privileges der bevolking te ontrooven, deden echter de

ontevredenheid van dag tot dag toenemen. Daarbij begon de indruk

van de strafoefeningen en de krijgstochten van 1568 allengs te

verminderen en het natuurlijk gevolg daarvan was, dat de geheime

invloed van Oranje door middel zijner agenten in Holland hoe langer

hoe meer van beteekenis werd en dat men reeds weder kon beginnen te

denken aan overmeestering of verrassing van steden.

Een zware last bleef echter hevig op den Prins drukken, die hem

zeer in zijn plannen belemmerde. Dat waren de schulden, die hij had

aangegaan bij de expeditie van 1568. De Nassau's hadden bijna elke

bezitting, alles wat van eenige waarde was, verpand, om de eischen

der huursoldaten te bevredigen. Uit de brieven van Oranje aan zijn

broeder Jan blijkt duidelijk, in welk een verlegenheid hij zich vaak

bevond en tot welk een bezuiniging hij de toevlucht nam. Hij had,

gelijk we vroeger zagen, aan de huurtroepen beloofd, dat als hij

binnen een bepaalden tijd niet kon betalen, hij zich dan zelf als

gijzelaar in hun handen zou stellen.

Op 1 Januari 1570 schrijft hij nu aan zijn broeder Jan en verzoekt

hem een zekeren Tieman van Hort naar een vergadering van de onbetaalde

troepen te zenden, om dezen aan het verstand te brengen, hoe onzinnig

het zou zijn, als hij die belofte vervulde. Indien hij onder den

rijksban kwam, of in handen van den keizer, dan was alle hoop verloren,

dat hij ooit het verschuldigde kon betalen. Bleef hij vrij, dan bestond

altijd de kans, dat de zaken een voordeeligen keer namen. Ook draagt

hij zijn broeder in den brief op, een kleinen beker ter waarde van

100 florijnen aan Hartman Wolf, een kapitein van een zijner troepen,

die in het huwelijk was getreden, te zenden. Wat de 10.000 florijnen

van den hertog van Saksen betrof, de Prins had gedaan wat hij kon,

maar had niets gekregen. Dit schreef hij uit Sondershausen en op den

17en Januari richtte hij weder tot denzelfden broeder uit Arnstadt

een brief, die ons nog meer in bijzonderheden teekent, in welk

een benauwden toestand Oranje was gekomen. Na zijn vruchtelooze

onderhandelingen te hebben vermeld, zegt hij:

"Ik ben bevreesd, dat mijne brieven soms door den vijand zullen gelezen

worden, want zij zouden er uit kunnen zien, hoe weinig vooruitzicht

er voor mij op hulp van de vorsten bestaat. Terzelfdertijd durf ik

niet nalaten om Coligny en anderen omtrent den toestand inlichting te

geven.... Schwarzburg is teruggekeerd, maar heeft niets bereikt. Hij en

George von Holl rieden mij aan, naar U te gaan, maar om verschillende

redenen acht ik dit ongeschikt. Ik zou niet geheim genoeg kunnen

reizen, om ontdekking te ontgaan en ik heb te weinig paarden, om

openlijk te komen.... Alle vrienden van de partij van den koning zijn

op middelen bedacht om mij te verschalken en mijne soldaten zouden

mij ter zake van het geld, dat ik hun nog schuldig ben, wel kwade

parten kunnen spelen. Daarbij is Dillenburg een versterkte plaats

en daarom kan men licht denken, dat, als ik daar heen ging, er dan

ook van alle kanten vreemdelingen zouden heenvluchten en dan kon de

hertog gemakkelijk iemand zenden, om de plaats te bespieden, of zelfs

om mij te vergiftigen. En behalve dat, zouden uwe uitgaven zoozeer

door die vreemdelingen vermeerderd worden en als er krijgsvolk in de

buurt was, dan konden ze licht een aanval op de plaats doen.... De

Landgraaf is het hiermede eens.... Graaf Gunther, Hans Gunther en

graaf Albert verzoeken mij bij hen te blijven en bewijzen mij tal

van beleefdheden, die ik ten hoogste waardeer...."

De Prins eindigt dien brief met de mededeeling aan zijn broeder,

dat hij den raad, om nog eenigen tijd te blijven waar hij was, zou

opvolgen, tenzij zijn vrouw in Dillenburg kwam, in welk geval hij

zoo geheim mogelijk een reis daarheen wilde doen, om dan met zijn

broeder Jan en zijn moeder een besluit te nemen, wat er verder moest

gedaan worden.

Op den 20en Januari schreef de Prins weder aan Jan, om hem te danken

voor zijn mededeeling, maar vooral om hem in te prenten, te Dillenburg

op zijn hoede te zijn. Hij gaf hem allerlei raadgevingen ten opzichte

van de versterking der plaats. O. a. schreef hij:

"Het komt mij voor, dat uwe buren u moesten helpen, want ook in hun

belang is het, dat Dillenburg goed versterkt is. Zou het niet zeer van

pas zijn, dat gij aan de landgraven Lodewijk en Willem en aan andere

graven in de buurt schreef, om ten minste zeker te zijn, hoeveel

gewapende mannen zij u in geval van nood zouden kunnen leveren. Ook

was het te wenschen, dat gij uw geschut terug hadt, dat thans hertog

Casimir van u heeft en dat het weer in Dillenburg werd geplaatst. Ook

moeten er menschen aan het werk gesteld worden om salpeter te zoeken;

ik twijfel niet, of er is in uw gronden een voldoende hoeveelheid te

vinden om uw huis van kruit te voorzien...."

De rest van dezen brief is gewijd aan kleine bijzonderheden, die

bewijzen, hoe de Prins zich genoodzaakt zag, zich met de minste zaken

(b.v. zijn kousen) te bemoeien. Ook vermeldt hij nog aan zijn broeder,

dat Gunther naar Dresden is vertrokken, om den keurvorst te zien

voor zijn reis naar den keizer. "Ik droeg hem op, bij den keizer

van de zaak der arme Christenen nog eens gewag te maken, maar vrees,

dat het vergeefsche moeite zijn zal."

Niettegenstaande al de bezwaren tegen het vertoeven van den Prins te

Dillenburg, vinden we hem toch op den 15en Maart op het kasteel terug

en wel in briefwisseling met zijn broeder Jan, die zich toen eenigen

tijd in Frankfort ophield. Van daar begon hij toen die belangrijke

briefwisseling met Wesenbeke; van daar gaf hij zijne proclamaties en

commissiebrieven in het belang der Nederlanden. Tot de laatste behoorde

ook de opdracht, die door Oranje aan de Watergeuzen gegeven werd.

Reeds in September 1569 had de beruchte Zuid-Nederlandsche edelman

Adriaan de Bergues, heer van Dolhain, zulk een commissie van den

Prins ontvangen. Hij deed dat krachtens zijn recht als onafhankelijk

souverein van het vorstendom Oranje. De Watergeuzen waren niets anders

dan piraten, maar het waren voor het grootste deel martelaren van

het Spaansche schrikbewind. Dat was dan ook zeker de eerste reden,

waarom de Prins zich met hen in betrekking stelde--een tweede, niet

minder van belang was, dat Oranje hoopte door een deel van hun buit in

zijn geldnood te kunnen voorzien. Door zijne onbetwistbare verhouding

tot hen heeft de Prins van de zijde zijner vijanden, van zijne dagen

af tot heden, den grootsten smaad ondervonden.

Omdat de Watergeuzen eene van hem afkomstige aanstelling bij

zich droegen en de Prins den band vormde, die eenheid gaf aan hun

vrijbuiten, is hij aansprakelijk gesteld voor al de bandeloosheden

en gruwelen door dien wilden hoop bedreven. Toch is dit hoogst

onbillijk. De Prins liet niet na, in zijn commissiebrieven de

hoofdleiders en de matrozen aan te sporen tot het inachtnemen

van orde en goede manieren. "Ils ayent surtout à user de toute la

discrétion et pourvoyance que leur sera possible." Was de Prins er dan

verantwoordelijk voor, dat dergelijke raadgevingen niet hielpen? Hij

kon niet anders doen dan hij deed. De mannen, die het vertrouwen

onwaardig bleken, afzetten en nieuwe commissiebrieven aan anderen

geven. Aldus handelde hij ook.

De beruchte Dolhain, die het talent geheel miste, zich te doen

eerbiedigen door zijn roofzieke schepelingen en die, in Dillenburg ter

verantwoording geroepen, den Prins niets ter hand stelde dan alleen

een onbetaalde rekening, werd vervangen door den Heer de Lumbres,

ook een Zuid-Nederlandsch edelman, een man van meer geestkracht. En

toch gelukte het ook dezen niet, met zijn onderbevelhebbers Lancelot

van Brederode en Guillaume de Lumey, uit het huis van La Marck,

orde en tucht te handhaven onder de verwilderde zeeroovers.

In 's Prinsen kas vloeide na de benoeming van Lumbres wel iets meer,

maar toch nog zeer weinig. De afzetting van Dolhain en de aanstelling

van zijn opvolger was mede het gevolg van eene briefwisseling van den

Prins met den Kardinaal de Châtillon, broeder van Coligny, die hem den

raad gaf, zijn commissiebrieven terug te nemen, daar de handelingen

der Watergeuzen zijn zaak in discrediet brachten.

Van toen af werd bepaald, dat op elk schip een evangelie-dienaar

aanwezig zou zijn, geen vreemdeling mocht scheepscommandant worden;

misdadigers moesten niet meer op de rol worden gezet, terwijl alle

muiterij en wangedrag streng zou worden gestraft.

Deze verscherpte orders waren ook meestal een doode letter en de

Watergeuzen bleven als vroeger de schrik van de kust.

Het bleven dus in 1570 donkere dagen voor het land en voor den man,

die in Dillenburg onophoudelijk bezig was, om op maatregelen tot

redding bedacht te zijn. Ook van Spanje's zijde werd de toestand

voor de Nederlanden niet gunstiger. Wel hoopte men in dat jaar,

dat een nieuwe opstand van de Mooren eenige afleiding zou geven en

misschien de oorzaak zou worden, dat de Spaansche troepen het land

zouden verlaten. Maar de jongere broeder van Filips, Don Juan, toonde

zich krachtig genoeg, met de Spaansche macht alleen den opstand te

bedwingen. Alva werd niet op het tooneel geroepen; zijn soldaten

bleven in de Nederlanden, die buitendien geld naar Spanje moesten

zenden. Ook aan een andere hoop, waarmee men zich in 1570 korten tijd

vleide, werd de bodem ingeslagen.

Op den 16en Juli kondigde Alva een pardon af, dat naar hij hoopte,

het volk zou bevredigen. Filips had hem er drie gezonden, om naar

omstandigheden van een daarvan gebruik te maken. Alva koos de

mildste en op genoemden datum werd dat pardon op de groote Plaats

te Brussel aan de verzamelde menigte voorgelezen en ook naar andere

steden gezonden. De toehoorders echter waren even wijs bij het slot

als bij het begin. Wel werden er publieke vermakelijkheden, door

Alva bevolen, gevierd, die de uiting der blijdschap over dat pardon

moesten zijn, maar de Nederlanders ontwaakten ras tot het besef,

dat dit pardon gelijk aan al de andere was, die Filips reeds vroeger

had uitgevaardigd, daar aan niemand iets werd gegeven, behalve aan

hen, die niet tegen de kerk en tegen den koning hadden gezondigd. En

alsof al die teleurstellingen niet wreed genoeg waren, op den eersten

November van dat jaar werd Nederland door een vreeselijken watervloed

geteisterd, die in alle zeegewesten de grootste verwoestingen

aanrichtte, doch vooral in Friesland en Groningen onbeschrijfelijke

ellende na zich sleepte. Duizenden verloren het leven en duizenden

werden tot den bedelstaf gebracht.

Een groote aanwinst voor den Prins was, dat in den winter van 1570 op

1571 Filips Marnix van St. Aldegonde voor goed in zijn dienst kwam

en sedert Oranje's getrouwe dienaar en medestander is gebleven. Dit

feit is daarom te merkwaardiger, omdat die vriendschap den nauwen

band heeft gevormd tusschen hem en de Nederlandsche Calvinisten. We

herinneren ons, hoe weinig de Calvinisten hem eigenlijk genegen waren,

hoe hij zelfs in Antwerpen in 1567 met de Lutherschen en de Katholieken

tegenover hen stond. Nog steeds bleef men in Nederland den Prins

verdenken van de poging, om de Augsburgsche Confessie aan Nederland op

te dringen. Die vrees werd door de thans voor goed gesloten vriendschap

met Marnix geheel beschaamd, doch deze had nu ook weder dit nadeelige

gevolg, dat de Luthersche vorsten nog minder tot hulp geneigd waren,

afkeerig als ze waren van alle Calvinisten. Van alle plannen, die met

Wesenbeke en anderen waren besproken of beschreven, kwam in het jaar

1570 niets dan de verrassing van Loevestein door Herman de Ruyter,

die door het ontbreken van andere pogingen en door den dood van den

aanvoerder op enkel teleurstelling uitliep.

Hoe ook het een en ander den Prins zelf ontmoedigde, den moed

verliezen deed Oranje niet. Mochten al de Duitsche vorsten hem

hunne hulp weigeren, mochten de beurzen der Nederlanders te veel

gesloten blijven, mochten de Watergeuzen door hun gedrag zijn zaak

in discrediet brengen, mochten Alva's geheime zendelingen in Nassau

zelf hem met den dood bedreigen, Oranje's hoop en moed werden daardoor

niet uitgebluscht. De man, die eertijds gestaan had in het midden van

diplomatieke onderhandelingen, die reeds toen had leeren begrijpen,

van welk hoog gewicht voor het nationale leven van één volk de

inwerking was van de volken in den omtrek; de man, die reeds in 1559

doorzien had, hoe de draden van het diplomatiek beleid van Engeland,

Frankrijk en Spanje door elkander liepen, en die daarbij later door

zijn verhouding tot de Hugenoten en tot Coligny geheel op de hoogte

was gekomen van de inwendige Fransche politiek; die man begreep, dat de

verlossing der Nederlanden ten deele ook van diplomatieke combinatiën

afhing. En nu wilde het geluk, dat het hem niet moeilijk kon vallen,

op dat oogenblik den draad daarvan, al was hij persoonlijk ver van

het tooneel verwijderd, in handen te krijgen.

Zijn broeder Lodewijk was toch in Frankrijk achtergebleven,

toen de Prins zelf op het eind van 1569 naar Duitschland was

teruggekeerd. Hij was daar na den slag van Moncontour de rechterhand

van Coligny gebleven. Al waren in dien slag de Hugenoten verslagen,

de Katholieken hoopten tevergeefs, dat de tegenstand hunner vijanden nu

voor goed was gebroken. Coligny herstelde zich en stond in Juni 1570,

met een klein, maar goed georganiseerd leger in Bourgogne. Karel IX

verlangende naar den vrede, sloot op den 8en Augustus van dat jaar

den vrede van St. Germain, waarbij vier steden den Hugenoten werden

ingeruimd en de Prins zijn vorstendom Oranje terugkreeg.

Ook daarna bleef Lodewijk in Frankrijk, zoowel om als regent van het

Prinsdom Oranje daar alles te regelen, maar ook om de diplomatieke

taak te vervullen, die de Prins voor de verlossing der Nederlanden

op het oog had. Daartoe stelde zich Lodewijk met den Engelschen

gezant Walsingham in betrekking en wist dezen te winnen voor het

groote plan, om Karel IX over te halen tot een openlijken oorlog

met Spanje. De Nederlanden zouden allereerst worden aangevallen en

behalve op Engelands hulp zou men dan op de vrienden van den Prins

in de Nederlanden kunnen rekenen, om de Spaansche heerschappij aldaar

omver te werpen. "Van den zomer van 1570 dagteekent dan ook de later

te midden van alle bezwaren en gevaren vastgehouden politiek van den

Prins, om Frankrijks koningen--zoo mogelijk met Engeland verbonden--met

Spanje in oorlog te brengen, ten einde dan in den strijd tusschen de

mogendheden, de Nederlanden te bevrijden." Wel was Lodewijk de man,

die op dit oogenblik in Frankrijk die politiek uitvoerde, maar de

Prins was de eigenlijke drijfveer van al zijne bewegingen.

Het gevolg hiervan was, dat in 1571 de plannen tot den

gemeenschappelijken aanval op Spanje en de Nederlanden werden

uitgewerkt en dat de samenwerking van de Hugenoten en het Fransche

koningshuis zou bezegeld worden door een huwelijk tusschen Hendrik

van Navarre en Margareta van Valois. Zooals we later zullen zien liep

dit uit op een jammerlijke mislukking.

Hier moet nog een woord in het midden gebracht worden over een zaak,

die den Prins persoonlijk betrof namelijk over zijn goederen en

bezittingen in de Nederlanden. Het was Alva niet onbekend gebleven,

dat de Prins, in plaats van dood te zijn, naar alle zijden zijn

werkzaamheden uitbreidde, om de bevrijding van het land voor te

bereiden. Van dat nieuwe leven opgeschrikt, wilde hij een poging

te meer aanwenden, om zijn naam in vergetelheid te brengen. Daartoe

trachtte hij den koning van Spanje te bewegen, al de bezittingen van de

Nassau's in de Nederlanden te verkoopen en voor den graaf van Buren,

den naar Spanje opgelichten zoon van den Prins, aequivalente goederen

in Spanje aan te koopen.

In die dagen stelde Alva ook aan Filips voor, den Prins in den vorm

van een stroopop te doen executeeren, zijn wapenschild aan de staart

van een paard door het vuilnis te sleepen en dan in stukken te breken,

zijn kinderen te ontadelen en ze onbekwaam te verklaren, goederen in

des konings rijken te bezitten.

Mogelijk hing het eerste voorstel van Alva wel samen met den hoogen

prijs dien de Prins op die goederen en bezittingen zelf toonde te

stellen. Was het wonder dat hij zulks deed? Was het wonder, dat er in

diezelfde dagen onderhandelingen door den Prins en door Lodewijk met

Spanje zijn gevoerd over de teruggave dier bezittingen? Zeer onbillijke

verwijten zijn daaromtrent den Prins gedaan. Doch allereerst moet

gezegd worden, dat het volkomen ontbreekt aan uitvoerige berichten

omtrent die onderhandelingen; hoever de Prins zich geneigd toonde,

zich buiten de Nederlanden te houden, indien hij zijn goederen

terug ontving, is onbekend. Doch aangenomen, dat er dienaangaande

onderhandelingen gevoerd zijn, moeten we dan niet toegeven, dat het

toch recht natuurlijk was, dat Oranje ook zich zelf niet vergat?

Waarlijk, wat hij tot op dat oogenblik van den goeden wil der

Nederlanders had ondervonden, was tamelijk ontmoedigend. Zou het

dan zoo vreemd zijn geweest, dat hij, zoo de Nederlanders niet zich

zelf wilden helpen, toch op zijn eigen belangen bedacht was? Was het

niet onnatuurlijk, indien hij zich daaromtrent onverschillig betoond

had? Doch wij herhalen, al wat hem dienaangaande wordt ten laste

gelegd, grondt zich op enkele aanduidingen, op geen bewezen feiten en

vloeit daarbij voort uit den haat tegen den zoogenaamden geloofsheld,

dien men daardoor in de schatting der menigte wil doen dalen. In

elk geval voerden de onderhandelingen tot geen resultaat en bleef

de Prins zijn eigen belangen aan die van de Nederlanden paren, bleef

hij in de donkere dagen, die hij doorleefde, werkzaam voor de toekomst.

Over die donkere dagen viel nog een andere sluier, dien wij genoodzaakt

zijn, hoe droevig ook, in een volgend hoofdstuk op te lichten.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 30 / 80 题