GEWAPEND VERZET. 1568.

Hoe werkzaam en ijverig de winter van 1567 op 1568 door den

Prins in Dillenburg moet zijn doorgebracht, kan ook bij gemis van

aaneengeschakelde berichten daaromtrent, uit het vervolg worden

opgemaakt. Om toch het plan te verwezenlijken, dat in het voorjaar

werd uitgevoerd, was inspanning van alle krachten noodig. Niet alleen

moest Oranje door middel van dagelijksche briefwisseling de Duitsche

vorsten tot hulp en steun opwekken, niet alleen met de hoofden der

Hugenoten in Frankrijk en met de Nederlanders, die naar Engeland

een goed heenkomen gezocht hadden, zich in verbinding stellen,

maar bovenal moesten zijn agenten geheel Nederland doorreizen, om

geldelijke hulp voor de aan te werven troepen te verkrijgen. En het

plan was meesterlijk ontworpen; het bedoelde van verschillende kanten

te gelijk een inval in de Nederlanden te doen.

Terwijl een afdeeling van Hugenoten onder de Coqueville een aanval

op Artois zou wagen en er van den zeekant hulp verwacht werd van

de uitgewekenen naar Engeland, zou Lodewijk van Nassau Groningen

binnendringen, terwijl Hoogstraten in Gelre zou vallen en Roermond

trachten meester te worden om den weg te banen voor den Prins, die

met het grooter leger zou volgen.

Ongelukkig waren reeds voor het eind van April twee van die

voorgestelde expedities geheel mislukt. De 800 man, die de Coqueville

had geworven, werden door den maarschalk de Cossé in St. Valéry

gedreven en overwonnen, terwijl de aanvoerder zijn onoverlegde

onderneming met het leven boette.

De legerafdeeling, die onder Hoogstraten in Gelre zou vallen, doch die

wegens ziekte van dien graaf, door den heer de Villers was aangevoerd,

werd bij de poging om Roermond te nemen, door d'Avila bij Daelhem

verslagen en geheel vernietigd. De gevangen genomen de Villers werd

door zijn mededeelingen aan den vijand ook mede de aanleiding dat

's Prinsen eigen tocht later zoo jammerlijk mislukte. Want Oranje's

zeer geheim gehouden plannen werden toen aan Alva bekend.

De derde inval in het Noorden, onder Lodewijk van Nassau, had wel

in den aanvang meer succes, maar eindigde toch ook met den totalen

ondergang van zijn leger. Daar die tocht met de volgende gebeurtenissen

het naast in verband staat, mogen de bijzonderheden daarvan ook in

de levensbeschrijving van den Prins niet ontbreken.

Op den 6en April had de Prins de commissiebrieven geteekend, waarbij

aan Lodewijk vergunning werd gegeven, om op 's Prinsen naam troepen te

verzamelen. Hij koos het slecht verdedigd Noorden, op het oogenblik

dat de stadhouder van Groningen, Aremberg, afwezig was, als het

meest geschikte punt van den aanval. Met 4000 man, die zich in korten

tijd vol geestdrift onder zijn aanvoering stelden, met het devies:

"Nunc aut nunquam, recuperare aut mori," [5] trok de dappere veldheer

op den 24en April de grenzen bij Wedde over en verraste Arembergs

kasteel aldaar. Vandaar trok hij naar Appingedam, waar hij zich met

zijn jongeren broeder Adolf vereenigde, die een kleine ruiterij bij

zich had. Te Wedde, Appingedam en Slochteren richtte Lodewijk zijn

standaards op en tallooze zwervers en avonturiers voegden zich daarbij.

Allereerst had men het op Groningen gemunt. Zijn bedoeling was,

die stad in zijn macht te krijgen, dan Friesland in opschudding te

brengen en vandaar over zee naar Holland te trekken. Doch niets van

dat alles gelukte. Hij eischte van Groningen, zich te scharen onder

de vaan van de zaak der vrijheid. Geen ijdel avontuur jaagde hij na,

maar de begeerte, om de arme Christenen van het land te redden, had

hem daarheen gebracht. Indien de overheid hem niet hielp, dan moest

hij ze beschouwen als vijanden van het land en van den koning. Want

ook hier maakte hij gebruik van de fictie, dat hij vocht ten behoeve

van Filips tegen de tirannie van Alva en de zijnen. De Groningers

echter weigerden en ze zonden hem alleen een som gelds, niet zoozeer

uit sympathie voor zijn zaak, als wel om een mogelijken aanval op de

stad af te koopen.

Aremberg, die in het Zuiden was, werd toen het gerucht van Lodewijks

inval in Groningen Alva ter oore kwam, met ongeveer 4000 man, waarvan

2500 Spanjaarden, onmiddellijk Lodewijk te gemoet gezonden, terwijl

de graaf van Meghen met 1500 volgde. Zeer gering scheen dus de hoop

op succes voor de ongeoefende, saamgeraapte troepen van den dapperen

aanvoerder, die bovendien zelf geheel ongeoefend was in den krijg.

Op den 20en Mei kampeerden de Spanjaarden bij een klooster op 2

mijlen afstand van Appingedam. Meghen nam zijn stelling bij Wedde

met 8 compagnieën voetvolk en 400 paarden, hopende aldus van twee

zijden Lodewijks leger te kunnen aanvallen. Toen deze dit gehoord

had, besloot hij aanstonds den vijand te voorkomen. Doch zijn troepen

sloegen aan het muiten; ze werden slecht betaald en wilden hem eerst

niet helpen. Toch slaagde Lodewijk door smeeken en bidden er in,

hen over te halen hem nog eenige dagen te helpen.

Op den 23en Mei nam hij toen zijn stelling in den omtrek van het

klooster van Heiligerlee. Op deze plek was de grond hoog, maar omringd

door uitgestrekte moerassen. Voor hen, die onbekend waren met het land,

was dit bijzonder gevaarlijk, want op de plaats, waar de turf uit

het veen was gesneden, dreef een dik bruin schuim aan de oppervlakte,

dat er als aarde uitzag en dus zeer geschikt was, om hen, die daarop

niet bedacht waren, te verrassen.

Terwijl Lodewijk met zijn broeder Adolf in het klooster aan den

maaltijd zat, werd hij door een boer gewaarschuwd, dat Aremberg op den

nauwen straatweg, die Heiligerlee alleen met den vasten grond verbond,

naderde. Hoewel Aremberg zelf eerst begreep, dat hij daar geen slag

kon leveren, werd hij echter, naar men zegt, door zijn soldaten,

die den ordeloozen troep van Lodewijk minachtten, daartoe genoodzaakt.

Vol moed vloog zijn voorhoede, de Spaansche afdeeling, op de

beide carrés van den vijand in en Lodewijks voorposten weken

terug. Doch dat terugwijken was een krijgslist; de Spanjaarden, die

hen vervolgden, zaten in een oogenblik in het moeras en werden toen

zoo van alle kanten bestookt, dat slechts een klein gedeelte den dood

ontkwam. Tegelijkertijd werd de achterhoede van Arembergs leger, uit

Duitschers samengesteld, plotseling in den rug door het eene carré

van Lodewijk, dat achter den heuvel was omgetrokken, aangegrepen en

uiteengedreven. Nog trachtte Aremberg de kans te doen keeren. Met zijn

kleine ruiterbende en 400 man viel hij aan op de nog nietiger ruiterij

van Lodewijk. Op haar beurt werd deze uiteengejaagd, terwijl hun

aanvoerder, Adolf van Nassau door Aremberg zelf met een pistoolschot

en sabelhouw op het hoofd werd gedood. De overwinning was dus wel

groot geweest, maar het geslacht Nassau had zijn eerste menschenoffer

aan het Spaansche monster gebracht. Ook Aremberg sneuvelde.

Omtrent den dood der beide mannen schrijft Prof. Fruin: "Terwijl

het voetvolk op den veengrond handgemeen raakte, begonnen op den

weg de ruiters van weerszijden te schermutselen. Adolf van Nassau

bereed dien dag een vurig, jong paard, dat zeker nog niet aan het

slaggewoel gewend, door het knallen van het geschut en geschal der

trompetten verschrikt, niet te regeeren was, en, toen de schermutseling

begon, met zijn berijder doorging en hem midden onder den vijand

voerde. Tevergeefs zocht Adolf het paard met zweep en sporen te

bedwingen om naar de zijnen terug te rijden; het bleef steigeren en

voorwaarts dringen. Al dichter werd hij door de vijandelijke ruiters

omringd en moedig strijdende viel hij weldra onder hun slagen eer

de zijnen hem konden ontzetten. Dat hij niet weerloos was afgemaakt,

toonden na den slag de vele lijken van vijanden die om hem lagen. Hij

was de eerste Nassau, die strijdende voor de vrijheid van Nederland

het leven liet, een jong man van groote verwachting, maar te jong

gestorven om te toonen wie hij was. Zijn dood wierp over de vreugde

van de overwinning, althans voor den veldheer, een somber floers.

Aan den anderen kant was vooral het lot van Aremberg te betreuren. Van

de geestdrift en blijde hoop, waarmee hij den slag had aangevangen, was

hij in niet veel meer dan een uur tot de diepste wanhoop vervallen. Het

leger, dat hem was toevertrouwd, had hij voor zijn oogen, onder zijn

bevel, door verachte rebellen zien slaan en vernielen. Terwijl alles

rechts en links wegvluchtte, bleef hij nog altijd op het slagveld

omdwalen. Eindelijk bezon hij zich en ging de vluchtenden volgen,

maar te laat, de onzen waren hem reeds op de hielen. In zijn volle

harnas, op zijn afgemat strijdros gezeten, kon hij zoo hard niet

voort. Bij het overspringen van een hek miste zijn paard en stortte

neer; eer hij het had opgeholpen, had hem reeds een der vervolgers,

een balling uit Amsterdam, een kogel tusschen het harnas en het

helmet in den nek geschoten. Aan ontkomen viel niet meer te denken,

zijn vervolgers omringden hem reeds.

"Ik ben de graaf van Aremberg, neem mij gevangen," riep hij hun

toe. Maar zijn naam en rang konden hem niet beveiligen. "Dan zijt gij

de man, dien ik zoek," was het antwoord van den wraakzuchtigen Geus

en met het roer, dat hij in de hand hield, bracht hij den weerlooze

een slag toe, die hem den helm deed afvallen. In een oogenblik was

het dus ontwapende hoofd onder tal van slagen verbrijzeld.

In de verwachting op een ruime belooning voor hun heldendaad, brachten

de moordenaars de blijde tijding en het paard van den verslagene ten

bewijze, aan Lodewijk van Nassau. Maar zij werden teleurgesteld. "Hadt

mij den man levend gebracht!" kregen zij ten antwoord, "nu het gebeurd

is, kan ik u echter voor uw daad niet straffen." Aan het lijk bewees

de overwinnaar de eer, waarop de doode recht had; hij liet het in de

gewijde aarde van Heiligerlee begraven. Zoo eindigde de graaf van

Aremberg, die eens met Oranje en Egmond en zoo veel anderen tegen

Granvelle had saamgespannen, maar, later van partij veranderd, de

regeering vervolgens trouw had bijgestaan. Hij was de eerste der

Nederlandsche grooten, die aan de zijde der Spanjaarden tegen de

bevrijders van zijn vaderland sneuvelde."

De overwinning was schitterend, maar de machtigste bondgenoot van

Lodewijk tegen de Spaansche veteranen was de bedriegelijke grond

geweest en daarbij waren hare resultaten zeer teleurstellend. Want

al had hij ook honderden Spanjaarden gedood, al was dit op zich zelf

een groote gebeurtenis--inderdaad had hij geen enkele stad genomen en

niet zooveel buit veroverd, om zijn huurlingen tevreden te stellen,

terwijl daarbij zijn jongere broeder voor altijd was heengegaan.

"Wat moest Lodewijk nu doen? De Prins raadde hem, zich òf in Delfzijl,

of in Appingedam te werpen en daar den uitslag van zijn eigen

bewegingen in het Zuiden af te wachten, òf zich dwars door Friesland

naar Enkhuizen te begeven en dan Holland in opstand te brengen."

Had Lodewijk dien raad gevolgd, waarschijnlijk zouden de gebeurtenissen

een geheel anderen loop hebben genomen; maar hij sloeg dien raad in

den wind--legerde zich den 10en Juni voor Groningen, een onbezonnen

werk bij de zwakheid van zijn leger en den muitzieken geest zijner

soldaten. Een memorandum van hem aan den Prins bevat een tamelijk

optimistische beschrijving van den toestand in zijn leger. Een groote

maand lang bleef Lodewijk in de nabijheid van Groningen gelegerd en

brandschatte den omtrek om zijn huurlingen bevriend te houden. Ook

trachtte hij de Friezen te overreden, zich onder zijne vanen te

rangschikken, maar deze, bevreesd voor de naderende komst van Alva

in het Noorden, waren daartoe niet te bewegen.

Toen de tijding van de nederlaag der Spaansche troepen bij Heiligerlee

in Brussel kwam, was Alva woedend, dat zijn beproefde veteranen door

ongeoefende mannen, onder leiding van een aankomeling, zonder eenige

ervaring, verslagen waren. Hij vervloekte den ongelukkigen Aremberg,

die zijn nederlaag met zijn leven had geboet en onmiddellijk nam

hij maatregelen.

Hij besloot verder geen ondergeschikten te vertrouwen, maar in

persoon te velde te trekken en de onbeschaamde rebellen geheel en

al te vernietigen. Maar de zaken moesten in Brussel veilig zijn

en er moest geen kans bestaan, dat gevangenen van belang in zijn

afwezigheid werden bevrijd. Eerst uitte hij zijn toorn in een

wilde proclamatie gedagteekend 28 Mei, waarbij Oranje, Lodewijk,

Hoogstraten en anderen op straffe des doods uit het land gebannen

werden. Daarop verwoestte hij het paleis van Culemborg in Brussel, waar

het merkwaardig feest was gevierd en er werd op die plaats een zuil

opgericht, als een herinnering aan de verschrikkelijke samenzwering,

die binnen zijn hallen was tot stand gekomen. Hoogstraten zond aan

den Prins berichten omtrent een en ander, die een koerier uit Brussel

hem zelf had overgebracht.

Tallooze executies hadden er in de eerste dagen van Juni plaats; den

1en werden achttien aanzienlijke gevangenen op de markt te Brussel

ter dood gebracht en op den 2en Juni viel het hoofd van graaf de

Villers, die na zijn nederlaag bij Daelhem, zelfs niet door zijn

bekentenissen en mededeelingen omtrent Oranje's plannen, zijn leven

had kunnen redden.

Nu werd ook het lot van Egmond en Hoorne beslist. Zooals wij zagen

waren ze reeds spoedig na de komst van Alva gevangen genomen. Dit

was op zeer listige wijze geschied. "Op den 9en September (1567),"

zoo verhaalt Motley, "gaf de groot-prior Don Ferdinand een prachtig

gastmaal, waarop Egmond en Hoorne benevens Noircarmes, de burggraaf

van Gent en vele andere edelen, genoodigd waren. Het feest werd

verlevendigd door de muziek van Alva's eigen garde, die hij gezonden

had om het gezelschap te vermaken. Om drie uur liet hij de heeren

verzoeken na afloop van het maal hem aan zijn woning (het huis van

Jauche) met hun gezelschap te vereeren, daar hij hen wenschte te

raadplegen over het plan der citadel, die hij voornemens was te

Antwerpen te stichten.

Op dit oogenblik fluisterde de groot-prior, naast Egmond gezeten,

hem in: "verlaat oogenblikkelijk deze plaats, heer graaf; neem het

snelste paard uit uw stal en ga op de vlucht, zonder een oogenblik

te verzuimen."

Uiterst ontsteld en zich de menigvuldige voorspellingen en

waarschuwingen herinnerende, die hij in den wind geslagen had, stond

Egmond van tafel op en begaf zich naar het aangrenzend vertrek. Hij

werd door Noircarmes en twee andere heeren gevolgd, aan wie zijn

ontroering niet ontglipt was en die nieuwsgierig waren, er de oorzaak

van te vernemen.

De graaf deelde hun de geheimzinnige woorden, die de groot-prior hem

zooeven toegefluisterd had mede en voegde er bij, dat hij besloten was,

dien raad zonder tijdverlies op te volgen.

"Ha! graaf!" riep Noircarmes uit, "stel toch niet zoo losweg zulk

een blind vertrouwen in dien vreemdeling, die u ten kwade raadt. Wat

zal de hertog van Alva, wat zullen de Spanjaards zeggen van zulk een

overhaaste vlucht? Zullen zij niet meenen dat uwe Excellentie als

een schuldige gevlucht is? Zal men die vlucht niet houden voor eene

bekentenis van hoogverraad?"

Indien deze woorden werkelijk door Noircarmes gesproken zijn (en dat

zij het werden, daarvoor hebben wij het getuigenis van een Waalsch

edelman, die met Egmonds vrienden en met de geheele katholieke partij

voortdurend gemeenschap hield), leveren zij een nieuw bewijs van het

boosaardig en wreed karakter van den man. Zijne vermaning besliste

het lot van den wankelmoedigen Egmond. Van tafel opgestaan met het

voornemen om den raad van een edelmoedigen Spanjaard te volgen, die

zijn leven op het spel had gezet om zijn vriend te redden, keerde

hij nu terug, gehoorzaam den trouweloozen raad opvolgend van een

Vlaamsch edelman en de welgemeende waarschuwing van een vreemdeling

met onverschilligheid bejegenend, om weder te gaan aanzitten aan het

laatste gastmaal, dat hij bijwonen zou.

Toen tegen vier uur het middagmaal afgeloopen was, begaven zich

Hoorne en Egmond, vergezeld van de andere heeren naar het huis van

Jauche, door Alva bewoond, om deel te nemen aan de voorgestelde

beraadslagingen. Zij werden door den hertog met groote beleefdheid

ontvangen. Een ingenieur Pietro Urbino spreidde over de tafel een

perkamenten rol uit, waarop het plan van de te bouwen citadel was

aangegeven. Weldra ontspon zich hierover een warme woordenwisseling,

waaraan Egmond, Hoorne, Noircarmes, met de ingenieurs Urbino en Pacheco

deelnamen. Na een poos verliet de hertog van Alva het vertrek, onder

voorgeven van een plotselinge ongesteldheid, het gezelschap verdiept

in het onderwerp achterlatend.

Toen men omstreeks zeven uur 's avonds uit elkander ging, verzocht

Don Sancho d'Avila, hopman van 's hertogs lijfwacht, aan Egmond om

een oogenblik te blijven, daar hij hem iets had mede te deelen. Na

een paar onbeduidende opmerkingen, vroeg de Spaansche hopman, zoo

ras als hij met Egmond alleen was, hem zijn degen af. Ontroerd en,

niettegenstaande al wat er voorafgegaan was, toch nog verbaasd,

wist de graaf nauwelijks wat te antwoorden. Don Sancho verklaarde

andermaal, dat hij last gekregen had om den graaf in hechtenis te

nemen en eischte opnieuw zijn degen. Tegelijk werden de deuren van

het aangrenzend vertrek geopend en zag Egmond zich omringd door een

vendel Spaansche musketiers en hellebaardiers. Zoo in den val geraakt,

gaf hij zijn degen over, met een bitter verwijt dat die den koning ten

minste eenige diensten bewezen had in thans verleden en vergeten dagen.

Hij werd nu naar eene kamer op de bovenverdieping van het huis

gebracht, voorloopig tot gevangenis voor hem ingericht. De vensters

waren versperd, het daglicht buitengesloten, het gansche vertrek

met zwart behangen. Hier bleef hij veertien dagen, van den 9en

tot den 23en September, zonder dat het hem vergund werd, met zijn

vrienden eenige gemeenschap te houden. Dag en nacht was zijn kamer met

kaarsen verlicht; hij werd onder het diepste zwijgen door Spaansche

knechten bediend en door Spaansche soldaten bewaakt; de hopman der

wacht trok telkens te middernacht het bedgordijn open en wekte hem

uit den slaap, opdat de officier, die hem kwam aflossen, zich van

's graven tegenwoordigheid overtuigen zou.

Graaf Hoorne werd bij dezelfde gelegenheid, toen hij het binnenplein

overging, door hopman Salinas in hechtenis genomen. In een andere

kamer van het huis opgesloten, onderging hij dezelfde behandeling

als Egmond. Op den 23en September zouden beide edelen onder sterke

bedekking naar de citadel van Gent vervoerd worden.

Hier bleven Egmond en Hoorne maanden in gevangenschap, toen de

gebeurtenissen in het Noorden ook het einde dezer droevige tragedie

kwamen verhaasten.

Den 3en Juni werden de graven van Egmond en Hoorne in een wagen

van Gent naar Brussel gevoerd, onder bedekking van tien vendels

voetvolk en een kornet ruiterij en op het Broodhuis, recht tegenover

het stadhuis op de groote markt van Brussel, gevangen gezet. Den 4en

Juni verklaarde Alva plechtig, dat hij alle stukken en documenten in

zake Egmond en Hoorne had onderzocht en sprak hij het doodvonnis uit

over de gevangenen als medeplichtigen van Oranje, als beschermers

der verbonden edelen en als afvalligen van den waren godsdienst.

Alva zond de stukken, van handteekening en zegel voorzien, aan den

Raad van Beroerten, die het vonnis, reeds voor Alva's vertrek uit

Spanje door Filips geteekend, moest bekrachtigen. Dat de bloedraad

het vonnis goedkeurde is te begrijpen, te meer daar het geheele

rechtsgeding aan twee der meest beruchte leden Vargas en del Rio was

opgedragen geweest. Of er geen behoorlijk gerechtelijk verhoor had

plaats gehad en de rechtbank onbevoegd was, het deed er niet toe,

evenmin dat de gevangenen geen verdedigers hadden gehad en zij zich

al beriepen als Ridders van het Gulden Vlies op het privilege van

die orde om volgens hare statuten verhoord te worden, het deed alles

niets ter zake; het vonnis was reeds in Madrid gewezen, vóór nog de

aangeklaagden te Brussel in hechtenis genomen werden.

Toen het bevel tot onmiddellijke terechtstelling van Egmond aan

zijn vrouw bekend werd, snelde deze naar den man, die het lot van

haar gemaal in handen had en smeekte hem ootmoedig om genade. Naar

het verhaal luidt, zou Alva met ongelooflijk kalmen spot de gravin

gerust gesteld hebben met de verzekering, dat haar echtgenoot den

volgenden dag zeker zou uitgaan! 't Is wel terecht, dat men om de

eer der menschheid dit verhaal gaarne voor verdicht zou houden.

Den 5en Juni werd het doodvonnis aan de beide graven

voltrokken. "Gedurende den nacht," zoo verhaalt Motley, "had men op

de groote markt te Brussel alles voor het treurspel van den volgenden

ochtend in gereedheid gebracht. Het was het doel der regeering om

het volk schrik aan te jagen door een indrukwekkend en ontzettend

schouwspel: de onbeperkte en van alle verantwoording ontheven macht,

die over het land heerschte, zou zich openbaren in het dooden dier

beide mannen, zoo verheven in rang, zoo aanzienlijk vermaagschapt en

die zulke uitstekende diensten hadden bewezen.

De indruk zou nog verhoogd worden door het eigenaardige van de plek,

waar dit treurspel plaats had. Treffend was en is nog altijd de groote

markt van Brussel. De bouworde der huizen, die haar insluiten, heeft

de bewonderende blikken, van vele geslachten tot zich getrokken. Het

prachtig stadhuis met zijn trotschen toren en rijk versierden gevel,

bekleedt een der zijden van het plein en recht daar tegenover verrees

grillig van stijl, maar toch bevallig, het Broodhuis, de laatste

verblijfplaats op aarde van de twee aanzienlijke slachtoffers, terwijl

tusschen deze hoofdgebouwen de fantastische gildehuizen prijkten der

boogschutters, schippers en anderen met hunne gebeeldhouwde muren en

trapgevels, zinnebeelden en versierselen. Het plein was het tooneel van

menige bloedige terechtstelling geweest. Wakkere ridders hadden hier

gekampt, aangevuurd door schoone oogen, die van die schilderachtige

balkons en uit die sierlijke vensters op hen neerzagen. Martelaars

voor godsdienstige en staatkundige vrijheid hadden op diezelfde plaats

folteringen verduurd, die zelfs de steenen, waarmee zij geplaveid was,

tot opstand hadden moeten aanzetten of tot deernis bewegen. Hier

had Egmond zelf in gelukkiger dagen den prijs van behendigheid en

stoutheid weggedragen en aller oogen tot zich getrokken en hier zou

zijn door schitterende daden opgeluisterd leven nog in den bloeitijd

afgesneden worden door de hand der dwingelandij.

In den morgen van den 5en Juni schaarden zich drie duizend Spaansche

krijgslieden rondom het schavot, dat te midden van het plein was

opgericht. Op dat schavot, met zwart laken bekleed, werden twee

fluweelen kussens, twee ijzeren spietsen en een tafeltje met een

zilveren kruisbeeld geplaatst. De provoost-maarschalk Spelle aan

den voet van 't schavot te paard, met de roode roede in de hand,

droomde weinig dat hem een nog vreeselijker lot wachtte, dan hetgeen

hij thans hielp volvoeren. De scherprechter was achter de bekleeding

van het schavot verborgen.

Om elf uur kwamen Juliaan Romero en kapitein Salinas met een compagnie

Spaansche krijgsknechten in Egmonds kamer. De graaf stond gereed. Men

wilde hem de handen binden, maar hij kwam driftig tegen dien smaad

op, sloeg zijn tabbaard open en toonde hun, hoe hij zelf de kragen

van zijn kleederen afgesneden en alles voor zijn dood gereed gemaakt

had. Nu ging Egmond door den bisschop vergezeld, met vasten stap

den korten weg naar de gerechtsplaats over. Juliaan Romero volgde

met de wacht. Onderweg las hij overluid den een-en-zestigsten psalm:

"O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed!"

Hij scheen dit gedeelte uitgekozen te hebben als om te bewijzen hoe,

in weerwil van de lagen zijner vijanden en den wreeden dood waartoe

zij hem gebracht hadden, de trouw aan zijn vorst bij hem even diep

ingeworteld en even heilig was, als de eerbied voor God. "Gij zult

dagen tot des Konings dagen toedoen; zijne jaren zullen zijn als van

geslacht tot geslacht; hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten;

bereid goedertierenheid en waarheid, dat ze hem behoeden." Ziedaar

het opmerkelijk gebed van den man, als een verrader veroordeeld,

op zijn weg naar het blok.

Toen hij het schavot beklommen had, stapte hij het twee of driemalen in

de rondte. Hij droeg een tabbaard van rood damast, waarover een zwart

met goud bestikt manteltje hing. Hij had een zwartzijden hoed met

zwarte en witte pluimen op en hield een zakdoek in de hand. Terwijl

hij zoo op en neerliep, betuigde hij, hoe bitter het hem speet, dat

hem niet vergund was, met den degen in de hand, in den strijd voor

land en koning te sterven. Hoopvol tot het laatst toe, vroeg hij

driftig aan Romero, of het vonnis inderdaad onherroepelijk was en

of er niet nog kwijtschelding kon verleend worden. Juliaan haalde

de schouders op en mompelde een ontkennend antwoord: Toorniger

dan wanhopend knarste Egmond op de tanden; maar hij herstelde zich

spoedig, wierp zijn tabbaard en mantel af en nam de orden van het

Gulden Vlies van den hals. Toen knielde hij op een der kussens neder,

zeide luid het Onze Vader op en verzocht den bisschop die naast hem

nederknielde, dit driewerf te herhalen. Nu gaf de kerkvoogd hem

het zilveren kruisbeeld te kussen en sprak daarop den zegen over

hem uit. De graaf stond weder op, legde zijn hoed en zakdoek weg,

knielde andermaal op het kussen, trok een kapje over zijne oogen,

vouwde de handen en riep met luider stem: "Heer, in uwe handen beveel

ik mijnen geest." Toen trad plotseling de scherprechter te voorschijn

en hieuw het hoofd met een enkelen slag af.

Op den slag volgde een oogenblik van huiveringwekkende stilte: de

gansche menigte scheen dien in het hart gevoeld te hebben. Tranen

vloeiden uit de oogen, zelfs van de Spaansche soldaten, want zij

kenden en achtten Egmond als een dapper veldheer. De Fransche gezant

Mondoucet, die het schriktooneel uit een verborgen plaats gadesloeg,

fluisterde, dat hij nu het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk

tweemaal gesidderd had. Men zag zelfs tranen op de ijzeren wang van

Alva, terwijl hij uit een venster van een huis, recht tegenover het

schavot gelegen het moordtooneel aanzag.

Ras wierp men een zwart laken over het lichaam en het bloed, en

na weinige oogenblikken zag men den admiraal naderen. Zijn kale

schedel was ongedekt. Zijne handen waren los. Hij groette bedaard

de kennissen, die hij onderweg opmerkte. Onder een zwarten mantel,

dien hij afwierp zoodra hij het schavot beklommen had, droeg hij een

eenvoudig zwart wambuis, maar niet, zooals Egmond, de orde van het

Gulden Vlies. Met een blik op het lijk onder het zwarte laken vroeg

hij, of dat het lichaam van Egmond was. Toen dit bevestigend beantwoord

werd, mompelde hij eenige woorden in het Spaansch. Daarop zag hij zijn

eigen omgekeerd wapenschild en hij drukte zijne verontwaardiging uit

over deze verguizing van zijn wapen, met de betuiging, dat hij dien

hoon niet verdiend had. Toen sprak hij eenige woorden tot de menigte,

wenschte ieder heil toe en verzocht voor zijn ziel te bidden. Hij kuste

het kruisbeeld niet, maar knielde op het schavot neder om zijn gebed

te doen en werd daarin door den bisschop van Yperen bijgestaan. Daarna

stond hij weder op, trok een milaneesche kap geheel over het gelaat,

uitte in het Latijn dezelfde aanroeping als Egmond en legde den hals

op het blok."

Het vonnis was voltrokken.

Gansch Europa voelde den schok door die misdaad aan het publiek geweten

berokkend. Al had Filips II geen enkele andere onrechtvaardigheid

bedreven, die beide doodvonnissen waren voldoende, hem als een wreed

tiran te brandmerken.

Omtrent vele historische gebeurtenissen is de opinie in den loop der

19e eeuw gewijzigd, maar nooit is er eenige verandering gekomen in

de algemeene veroordeeling van de gruwelijke gerechtelijke moorden

van den 5en Juni 1568.

Kort daarop vertrok Alva zelf naar het Noorden, om den dood van

Aremberg op de geuzen te wreken en het leger van Lodewijk van Nassau

met zijn veteranen te vernietigen. Deze had met al zijn geestdrift

en energie niets kunnen uitwerken gedurende de weken die op zijn

overwinning volgden. De buit te Heiligerlee veroverd, had voor een

korte wijle zijn soldaten bevredigd, maar toen die was uitgeput,

bestonden de eenige inkomsten van zijn leger in hetgeen nolens-volens

van de arme bewoners van het land kon worden opgeëischt.

Zoo jammerlijk was de toestand, dat de ridderlijke Lodewijk zelf

op den 5en Juni eene proclamatie uitvaardigde, waarbij allen, die

weigerden hulp te verleenen, bedreigd werden met het verbranden

hunner huizen. Door middel van zulke bedreigingen kreeg hij af en

toe kleine sommen gelds, zoodat hij eindelijk een 10.000 fl. had

verzameld. Het arme volk was er wel ongelukkig aan toe. Alva had

reeds te veel bewijzen van zijn krijgsmanskunst gegeven, dan dat men

eenige hoop kon voeden, dat Lodewijk zelfs met hun hulp, hem 't hoofd

zou kunnen bieden. Ze wisten dat Alva kwam, om Aremberg te wreken en

dat ze van hem geenerlei genade te wachten hadden en hun vrees werd

spoedig verdubbeld door de proclamaties, die Alva aan de kerkdeuren

liet slaan, waarin hij verbood eenigen onderstand aan de rebellen te

geven, onder bedreiging van tweemaal zooveel aan de Spanjaarden te

zullen moeten afstaan.

Wel zag het er dus slecht met den toestand van Lodewijks leger uit,

toen Alva reeds naderde. Dat leger was buitendien zeer moeilijk in

bedwang te houden. Alleen door voortdurende persoonlijke opwekkingen

van den aanvoerder kon de jonge leider zijn troepen bijeenhouden

en tegen muiterij bewaren. De strijdmacht was kort te voren door

800 Walen, 600 ruiters en groote benden uitgewekenen, die de Eems

overkwamen versterkt; zoo bedroeg het leger omstreeks 12000 man. Deze

legermacht vereenigde hij in zijn kamp voor Groningen, toen de nadering

van den Hertog zeker was. Op den 14en Juli bereikte Alva met 17000

man de stad en deed onmiddellijk een aanval op Lodewijks leger. De

Duitsche huurlingen hielden slechts een oogenblik stand en togen op

de vlucht; ze werden nagejaagd door een gedeelte van Alva's troepen

en 300 man sneuvelden of kwamen in de grachten om.

Alva meende, dat reeds het geheele leger was verslagen en schreef

dien nacht aan den Raad van State dat hij twijfelde, of hij nog een

soldaat zou vinden, als hij hen den volgenden dag verder achterna

ging jagen. Den 20en Juli bevond Alva zich aan de Eems, waar hij

bij Jemmingen Lodewijk in een zeer ongunstige stelling aantrof. Deze

bevond zich namelijk met zijn leger op een schiereiland, door de Eems

en de Dollart gevormd; op die ongelukkige plaats begonnen daarbij zijn

huurlingen hun loon te eischen. In welsprekende bewoordingen deed

Lodewijk hun gevoelen, dat overwinnen hun eenige kans was. Omringd

door de Eems, de zee, de Dollart en de Spanjaarden, was het ontkomen

aan dien vierdubbelen vijand onmogelijk. Het krijgsvolk liet zich door

die onweersprekelijke feiten tot gehoorzaamheid bewegen, maar er was

door den woordentwist te veel tijd verloren gegaan. Als de dijken

bijtijds waren doorstoken, dan ware redding mogelijk geweest. Nu

nam te elfder ure Lodewijk zelf de spade ter hand, om zijn soldaten

door zijn voorbeeld te bezielen. Doch het was te laat. De Spaansche

voorhoede, 1500 man sterk, te 10 uur op het terrein verschijnende,

maakte zich van de dijken meester en het leger van Lodewijk trok in

wanorde terug, achtervolgd door de voorhoede des vijands.

Nog eenmaal vatten de benden van den graaf moed. Doch plotseling kwam

Alva zelf met de hoofdmacht opzetten en al deed Lodewijk persoonlijk

wonderen van dapperheid, er volgde een ijzingwekkende slachting. De

aanvoerder kon slechts zijn leven redden, door naakt over de Eems te

zwemmen. Meer dan de helft van zijn leger was gedood, slechts enkele

honderden volgden Lodewijk naar Duitschland, waar hij nog den zomer in

het Noorden bleef, om met hulp eener half toegezegde Engelsche vloot,

den vijand uit Emden nadeel te kunnen toebrengen.

Men kan zich den schrik voorstellen, die de Dillenburgsche familie

verpletterde op het hooren van die tijding. Oranje, die toen een leger

van 20.000 man bij elkander had, was op dit oogenblik in Straatsburg,

gereed om in het Zuiden een inval te doen, terwijl Alva in het Noorden

werd bezig gehouden. Doch er was gebeurd, wat Oranje had voorzien.

Hij had zijn broeder gewaarschuwd, niet voor Groningen te blijven,

maar zijn raad was door den jongen, onbedachtzamen man in den wind

geslagen, die met meer geestdrift dan oordeel had gehandeld. Stap

voor stap was Lodewijk, zonder de kosten te berekenen, voorwaarts

gegaan en bij zijn jammerlijke nederlaag toonde de oudere broeder

een geduld en een zelfbeheersching, die den moed en de drijfkracht

van den jongeren evenaarde.

Nauwelijks had Lodewijk zich het water van de onvriendelijke Eems van

de blonde haren geschud, of hij schreef aan Taffin, een predikant der

Hervormde Kerk, die toen juist bezig was, gelden in Engeland voor de

bevrijding der Nederlanden te verzamelen. Deze moest vooral hulp vragen

aan de Nederlandsche vluchtelingen in Londen, Norwich en Colchester;

in de laatste plaats waren ongeveer 2500 gevluchte geloofsgenooten en

hij werd verzocht, alles in het werk te stellen, opdat de Engelsche

schepen toch spoedig te hulp zouden komen. De volgende brief van

Oranje aan Lodewijk geeft een getrouwe schets van den toestand en

vergunt ons een blik te werpen in het karakter van den Zwijger.

31 Juli

Mijn Broeder,

Ik heb heden uw brief door Godfried ontvangen en buitendien

in bijzonderheden gehoord, wat gij hem hadt opgedragen mij te

zeggen. Wat het eerste punt aangaat, gij kunt wel verzekerd

zijn, dat ik nooit meer getroffen ben dan door de tijding van

het jammerlijk ongeval, u op den 21en dezer maand overkomen, om

verschillende redenen, die gij licht zelf kunt begrijpen. Die

nederlaag van U is een groot beletsel voor de lichting, waarmee

wij ons bezig hielden en heeft de harten van velen, die anders

zeer bereid waren te helpen, verkoeld. Desniettegenstaande,

daar het alzoo aan God behaagd heeft, moeten we geduld

hebben, den moed niet verliezen en overeenkomstig Gods wil

ons gedragen, gelijk ik van mijn kant besloten heb te doen,

bij alles wat er moge gebeuren. Daarom ben ik besloten met Gods

hulp verder te gaan en hoop op den 8en der maand Augustus op de

plaats der wapenschouwing te zijn, d. i. op dezelfde plaats,

die ik u door den heer St. Aldegonde heb doen weten. Met dit

doel heb ik aan den graaf Joost von Schauenburg geschreven,

of hij ook met de 1000 paarden, waarvoor hij zou zorgen,

op dezelfde plaats wilde zijn; doch ik weet niet, waar hij

tegenwoordig is en ik vrees, dat hij door hetgeen is gebeurd,

zich daar niet zoo vroeg zal kunnen bevinden. In geval hij

dus bij u is, of indien gij weet, waar hij zich bevindt,

waarschuw hem dan bijtijds, opdat hij, als het mogelijk is,

met ons denzelfden weg ga, want alle uitstel is schadelijk.

Daar het gerucht gaat, dat de hertog van Alva die

wapenschouwing wil beletten, verzoek ik U te zorgen, dat ik

verwittigd kan worden, of hij nog in Friesland is, of dat

hij van daar is vertrokken en over welke krachten hij nog

kan beschikken. En in geval gij hoort, dat hij van plan is,

naar die genoemde plaats te gaan, wil daarvan onmiddellijk

bericht doen aan Balthazar van Wollfven, die niet ver van de

Lippe woont en ook aan Otto von Maulsburch. Waarschuw hen

het eerst, want als gij mij er van bericht zondt vóór hen,

dan kon de verwittiging wel eens te laat komen.

Wat uw onderneming aangaat, waarin gij om mijn raad vraagt,

zou ik niet goed weten, wat daarvan te zeggen, aangezien ik

niet weet, over welke middelen en krachten gij kunt beschikken

en ook niet welke macht de vijand ter zee kan ontwikkelen. Ook

weet ik niet, of gij van geld voorzien zijt, om een dergelijke

onderneming uit te voeren; want van onzen kant--wij kunnen niet

te veel verwachten, als God geen andere middelen geeft. Daarom

kan ik u niets anders zeggen, dan dit, dat indien er eenige

redelijke schijn is, dat gij iets goeds zult kunnen uitwerken,

gij dit dan doet in naam van God. U echter te raden tot die

onderneming, kan ik niet ter wille van uw persoon, want u

met onbekende mannen te wagen, zelfs ter zee, acht ik niet

aan te raden. Daarom verzoek ik u, mij alles meer in het

bijzonder te melden. Houd steeds uwe briefwisseling met mij

open, gelijk ik zal doen van mijn kant. Voor alles wensch ik

u toe, dat de goede God u in zijn bescherming moge nemen.

Van Dillenburg den laatsten Juli 1568.

Uw zeer liefhebbende broeder

steeds tot Uw dienst bereid,

WILLEM VAN NASSAU.

Het postscriptum luidt:

Mijn broeder. Ik schreef u boven, acht te geven op den hertog

van Alva, of hij ook van plan is, onze wapenschouwing te

beletten. Gij zult ook goed doen mede acht te slaan op hertog

Eric van Brunswijk en op hetgeen in zijn land voorvalt. Ingeval

gij u op de genoemde monsteringplaats zult kunnen bevinden,

zal mij dat een groot genoegen zijn om alle zaken samen te

overleggen. Kunt gij niet komen, dan zou ik wenschen, van

dag tot dag tijding van U te ontvangen en dat ge in gestadige

briefwisseling blijft met den graaf van Emden, om te weten,

wat daar plaats heeft.

Stelt deze brief ons geheel op de hoogte van den toenmaligen toestand,

hij doet ons niet minder een blik werpen in het innerlijke leven

van den Prins van Oranje in het jaar 1568. En dan weten we niet,

wat meer te bewonderen, zijn ongebroken moed, zijn bedachtzaamheid

of zijn uitnemende zachtmoedigheid tegenover Lodewijk. Geen woord van

verwijt komt er uit zijn pen tegenover zijn broeder, die ongetwijfeld

zeer dapper in het noorden was geweest, maar geheel in strijd met

's Prinsen raad had gehandeld. In plaats daarvan niets dan krachtige

opwekking tot vernieuwde handeling, verlangen naar zijn broederlijke

tegenwoordigheid en herhaalde aanmaning tot voorzichtigheid tegenover

den vijand.

Die stemming is het geweest, waaruit zooveel goeds voor ons land is

geboren; een stemming, die daarbij uit innig vertrouwen en geloof

ontwaakte, dat hooger macht hem aangordde. Zijn kalme berusting in

den wil dier macht, ook al scheen die nog zoo donker en raadselachtig,

was niet minder dan zijn vast vertrouwen, voortgekomen uit het geloof,

dat als zijn persoonlijk eigendom in hem begon te ontwaken. Welk een

kracht lag er besloten in dit korte en fiere zeggen: "Ik ben besloten

met Gods hulp voort te gaan."

De beide nederlagen van Daelhem en Jemmingen hadden ten gevolge, dat

de lichtingen van den Prins van Oranje in Duitschland niet meer dat

succes hadden als in de eerste dagen, toen hij in Dillenburg kwam. De

keurvorst van de Paltz toonde nog wel eenige ondersteuning door aan

de Nederlandsche ballingen toe te staan, eenige oude kloosters in

zijn land te bezetten, doch andere Duitsche vrienden begonnen zich

ernstig te verzetten tegen zijn verdere plannen.

Augustus van Saksen beval in naam van den keizer den Prins aan,

geen verdere vijandige maatregelen tegen den koning te nemen. De

keizer zelf, die Oranje's militaire preperatieven afkeurde en die

waarschijnlijk door invloed van Filips was bewerkt, beproefde zelfs

formeel de lichtingen van Oranje te verhinderen. Hij schreef op

den 12en Mei aan den Keurvorst van Saksen, hem te verzoeken de

voorbereidende oorlogsmaatregelen van zijn aangehuwden neef te

beletten. Hij kon binnen zijn jurisdictie geene vijandige pogingen

tegen den koning openlijk toestaan. Zelfs gebood de keizer Oranje in

diezelfde maand uitdrukkelijk, op te houden met zijn lichtingen, uit

vrees dat de gevoelens van zijn Spaanschen neef zouden worden gekrenkt.

Oranje antwoordde daarop in een langen brief en herhaalde de argumenten

zijner justificatie, terwijl hij verklaarde wel degelijk in zijn recht

te zijn. Ook andere, mindere vorsten van het rijk trachtten den Prins

te bewegen, van zijn plannen af te zien. Willem van Hessen schreef

riemen papier vol, om Oranje te overtuigen van zijn dwazen strijd

en ging eindelijk zoover, dat hij elke hulp weigerde en zelfs geen

enkel zijner officieren toestond, den Prins te vergezellen, den Prins,

die "machteloos was tegenover zulk een machtig potentaat als Filips,

dien we steeds een goeden en milden vorst (!) hebben hooren noemen."

Hoe gelukkig, dat Oranje bij zooveel flauwhartigheid en tegenwerking in

zijn eerste vaderland, ergens anders niet tevergeefs naar ondersteuning

uitzag. Zijn onderhandelingen met de Fransche protestanten leidden

tot een verbond met een hunner erkende leiders, n.l. Coligny.

De Fransche burgeroorlogen van die jaren verdienen om een

dubbele reden onze volle belangstelling. Ten eerste streden de

Hugenoten voor dezelfde zaak als hier te lande de Geuzen. Ook

zij wilden godsdienstvrijheid verwerven. En ten andere hebben die

godsdienstoorlogen in Frankrijk sedert het begin van onzen opstand een

grooten invloed op de toestanden in de Nederlanden uitgeoefend. Dit

zagen we reeds vroeger, zelfs tijdens het voorspel van den 80-jarigen

oorlog, toen de strijd tegen Granvelle gelijk stond met den strijd

der Hugenoten tegen den kardinaal van Lotharingen.

Wij zullen van nu af in het leven van den Prins van Oranje steeds

weder ontdekken hoe groot de wisselwerking was. Nog altijd streden de

Hugenoten in 1568 en 1569 om het verkrijgen van die godsdienstvrijheid,

die hun in 1570 werd toegestaan, toen hun als waarborg daarvoor vier

veiligheidsplaatsen werden ingeruimd. Onder de dappere leiding

van Condé en den admiraal Coligny werd die bange strijd daar

gestreden. Welnu, Oranje had daarvoor een wijd geopend oog en zijn

onderhandelingen hadden een verbond ten gevolge.

In naam van Louis de Bourbon, Prins van Condé, Gaspar de Coligny,

admiraal van Frankrijk en Willem van Nassau, Prins van Oranje,

verscheen er in Augustus 1568 een proclamatie waarin zij verklaarden,

"dat ze hunne krachten zouden vereenigen, om de onbillijke inbreuk,

die gemaakt werd op de vrijheid van geweten in de Nederlanden en in

Frankrijk, te weerstaan." Het bleef van beide zijden een strijd in

naam en ten bate van de vorsten, tegen hunne slechte raadgevers en

leiders. "Afin que rien ne se fasse au dommage de nos princes." De

onderlinge hulp, die werd toegezegd, strekte zich zoover uit, dat

wanneer het God behaagde, de eene partij niet zou ophouden hulp te

geven aan de andere (ne laisseront de secourir l'autre partie, comme

si ils étaient en la même peine).

Niettegenstaande het verzet tegen den Prins van vriend en vijand,

voelde hij zich door dat verbond sterk en we kunnen ons begrijpen,

met hoeveel blijden moed hij den 31en Augustus 1568 zijn manschappen,

thans ten getale van ongeveer 13 à 14000 monsterde. Hij had de

stemming in Brabant door tal van welsprekende vlugschriften laten

bewerken. "De scherpe verklaringe ende uutschrift" tegen Alva; de

"waarschouwingen des Princen van Orangien en zijn getrouwe vermaninge"

vlogen in tallooze exemplaren, in het fransch en in de volkstaal

door het land. Zijn manifesten "à tous capitains, hommes d'armes et

autres bons et vaillants soldats" en zijn "fidelle exhortation aux

inhabitans des Pais-Bas" vonden vele lezers. Half September rukte

hij op van den Rijn naar de Maas. Op zijn vanen stond geschreven:

Pro lege, rege, grege d. i.: Voor de wet, den koning en het volk.

Ook voor den koning. Op den dag der wapenschouwing, 31 Augustus,

vaardigde hij eene formeele proclamatie, als hoofd van het leger

ten behoeve van den koning, uit. Daarin komen o. a. de volgende

woorden voor:

"Wij roepen alle loyale onderdanen van de Nederlanden op, om tot ons te

komen en te helpen. Laat ze de onbehoorlijke strengheid der wetten en

het gevaar van zich te onderwerpen aan een schandelijke slavernij en

van den ondergang van den Evangelischen godsdienst goed ter harte

nemen. Alleen dan, wanneer Alva in zijn loop zal zijn gestuit,

kunnen de gewesten hopen, het vrije bestuursrecht en den voorspoed

te zullen genieten."

De opwekking tot alle inwoners der Nederlanden bevatte tot motto de

woorden uit het boek der Spreuken, hoofdstuk 10 vers 28-30: "De hoop

des rechtvaardigen is blijdschap, maar de verwachting der goddeloozen

zal vergaan. De weg des Heeren is voor den oprechte sterkte, maar voor

de werkers der ongerechtigheid verstoring. De rechtvaardige zal in

eeuwigheid niet bewogen worden, maar de goddeloozen zullen de aarde

niet bewonen."

Aan vertrouwen op de rechtvaardigheid der zaak, die de Prins voorstond,

ontbrak het dus niet. Had hij een daaraan geëvenaard vertrouwen op

de duurzaamheid van stoffelijke hulp kunnen koesteren, dit ware nog

beter geweest. Maar helaas! gering waren de inkomsten, die den Prins

ten deel vielen. Beloften waren gemakkelijker te geven dan baar geld,

maar zelfs die beloften waren niet warm. Enkele der armste hervormde

gemeenten gaven van hunne geringe middelen nog het meest.

In September was het geheele leger in de provincie Trier bij het

klooster Romersdorf gekampeerd. Ook daar voegden zich nog steeds nieuwe

officieren bij hem. De keus dier officieren was niet altijd gemakkelijk

in zulk een staat van zaken als waarin de Prins verkeerde. Op zulk

een oogenblik moeten de leiders vaak nemen, wat ze krijgen kunnen

en krijgen ze niet wat ze noodig hebben. Naar 's Prinsen smaak waren

lang niet alle officieren, die hun diensten kwamen aanbieden, evenmin

als Washington in den onafhankelijkheidsoorlog van Amerika tevreden

was met al zijn kapiteins, die hij toch noodig had. Onder deze minder

aangename bondgenooten behoorde zeker ook Lumey, graaf van der Marck,

met een bende onafhankelijke troepen. Een zijner voorouders droeg

den bijnaam van het wilde zwijn der Ardennen en hij was een dito

exemplaar. Hij had gezworen, zich nimmer te laten scheren noch het

haar te laten snijden, voor Egmonds dood was gewroken.

Met dit leger, uit zoo verscheiden bestanddeelen saamgesteld en van

welks welslagen de geheele zaak scheen af te hangen, trok de Prins

eerst naar de buurt van Keulen, met het voornemen Luik voor zich te

winnen; maar daar was men te bevreesd voor Alva's troepen en had men

te weinig vertrouwen in 's Prinsen legermacht; hij gaf dat plan dus

op en was spoedig daarop in den omtrek van Maastricht.

Het is niet te verwonderen, dat er allerlei verhalen bestaan omtrent

dezen tocht van den Prins. Behalve de gewone brieven schreef Alva's

officieele secretaris o. a. een Rélation de l'expédition du Prince

d'Orange dans les Pays-Bas.

De overtocht bij Stockhem over de Maas is vooral een hoogst

merkwaardige gebeurtenis uit dien tocht geweest. Deze had op den 7en

October plaats; ze wekte de verbazing van Alva op, die aan de overzijde

van de Maas gelegerd was. Hij sprak de merkwaardige woorden: "Is dan

het leger van den Prins een vlucht wilde ganzen?" Volgens sommigen

had de Prins dien wonderlijken overtocht over de Maas daardoor kunnen

volbrengen, dat hij een zware massa ruiterij als een dam in de rivier

plaatste, waardoor de stroom eenigszins werd gebroken en het voetvolk

gelegenheid werd geboden, door de rivier te trekken. Anderen spreken

van een brug, waarover de artillerie ging, nadat de ruiterij en

voetvolk door de rivier waren getrokken. Doch hoe dan ook volbracht,

Oranje trok thans Brabant in tot bij Tongeren en hij hoopte òf Alva

tot een slag te bewegen òf in de Brabantsche steden achter zijn rug

oproer te kunnen verwekken. Maar in die plannen werd hij door de

houding van den Hertog geheel teleurgesteld.

Alva's talent als krijgsaanvoerder lag vooral in zijn bekwaamheid,

een gelegenheid, hoe die ook was, aan te grijpen. Door zoogenaamde

militaire regels werd hij nooit in de war gebracht. Hij was een

aanhanger van de militaire politiek van Fabius Cunctator, den

geweldigen bestrijder van Hannibal. In Juli was een slag een besliste

noodzakelijkheid geweest. De Geuzen hadden een overwinning behaald,

die een grooten indruk op het volk maakte. Zoo die beweging niet met

krachtige hand werd gestuit, zou het volk niet meer in toom zijn te

houden. Thans was echter de toestand geheel anders. In Alva's handen

was de overwinning. Het was October en de vraag naar winterkwartieren

voor een leger, dat tot geen bepaald grondgebied behoorde en dat niet

door de schatkist werd ondersteund, werd van ernstig gewicht. Kon de

Hertog zijn vijanden slechts ophouden, totdat het weer hen noodzaakte,

een schuilplaats te zoeken dan zouden ze gedwongen worden zich te

verstrooien en ook de Prins zou dan weer alleen zijn.

Aan den anderen kant was een veldslag voor de patriotten van groote

beteekenis. Eene overwinning zou de schande van Jemmingen uitwisschen

en den zuinigen Nederlandschen kooplieden den moed geven om hun guldens

aan de kans van een laatste succes te wagen. Daarom trachtte de Prins

den Hertog tot een slag te dwingen. Doch tevergeefs! Een geheele maand

hield de Hertog de verbitterde rebellen op de pijnbank. De Prins was

verplicht in dien tijd 20 maal van kamp te veranderen en elken keer

verscheen de Hertog weer aan zijn zijde, zoodat ze dikwijls binnen

elkanders schot waren.

Alva zorgde, dat overal de zeilen en de steenen der molens werden

weggenomen en er dus geen middel bestond om het koren te malen. Hij

verbood niet alleen den boeren eenig proviand in de kampen der

rebellen te brengen, maar verwoestte zelfs alle huizen en dorpen, die

mogelijkerwijze den patriotten tot schuilplaats konden verstrekken. De

soldaten werden ten uiterste verbitterd en ontevreden. Het voetvolk

miste schoenen; allen leden honger en kou. Geen lichtstraal

van hoop aanschouwden ze; was het wonder, dat zij tot muiterij

oversloegen? Eens, terwijl Oranje bezig was een oproer te dempen,

werd zijn zwaard van zijn zijde weggeschoten. Zijn drie broeders,

Lodewijk, Jan en Hendrik, allen stonden hem van harte ter zijde en

waren aan hetzelfde gevaar van vriend en vijand blootgesteld.

Ondertusschen was Alva als een dwaallicht van Tongeren naar St. Truyen

en van daar naar Jokoigne gegaan. Gaarne had hij den vijand door

een moerasstreek geleid en hem alzoo een valstrik gespannen, maar

het terrein was goed en Oranje kende het door en door; steeds verder

drong hij Alva's jurisdictie binnen.

De Hugenoten waren in dien tijd onder Genlis de Maas bij Charlemont

overgetrokken. Op den 21en of 22en October vereenigde deze Fransche

edelman aan het hoofd van 4 à 5000 voetknechten zich met de troepen

van den Prins. Bij het riviertje de Geete had Alva den laatsten op

20 October den overtocht betwist. Hoogstraten, die met 3000 man de

achterhoede vormde, werd jammerlijk geslagen en ontving zelf eene

wonde, waaraan hij kort daarop overleed. Ook De Hames en andere edelen

vonden daar hun graf.

Twee dagen daarna vereenigden zich de Hugenoten met den Prins, doch

niets was daardoor gewonnen, want ook dit was een bandelooze troep,

een woeste bende, die de heilige kerksieraden op hun weg geroofd,

ten spot op de hoeden droeg. Hun aankomst berokkende meer schade dan

voordeel. De Franschen brachten niets dan nieuwe behoeften mede. "Waar

er vroeger één van honger en gebrek omkwam, daar stierven er thans

twee."

Slechts op een paar mijlen afstands was Oranje van Brussel, maar geen

enkele plaats opende voor hem hare poorten. Zijn leger was geheel en

al uitgeput en een week lang dwaalde het rond over het veld, binnen de

kleine uitgestrektheid, die de vijand hun openliet. De Prins zag geen

ander redmiddel dan in een terugtocht. Bij den reeds naderenden winter

verlangden zijn Duitsche benden naar huis. Terug over de Maas bij Luik

scheen de eenige overgebleven weg. Doch evenmin als de prins-bisschop

van Luik in October, trots alle pogingen van 's Prinsen vrienden,

Oranje had gesteund, wilde hij hem thans helpen. De toegang tot de

stad werd hem geweigerd.

De poging om Luik in te nemen geschiedde eigenlijk met het doel,

dáár de winterkwartieren op te slaan en tegen de vervolging van Alva

verschanst te zijn. Oranje's belofte aan de muitende ruiters, dat

zij zich, zoodra hij in de stad was met plundering van kerken en van

't paleis konden schadeloos stellen, wordt terecht veroordeeld en

"zijn brieven aan den bisschop en het kapittel geschreven, waren

rauwe weerklanken van de ontstemdheid zijner ziel."

Van een ernstig beleg van Luik kon met het achtervolgend leger van

Alva geen sprake zijn. Oranje wist zeer goed, dat zulk een stad

als zij haar verdediging voortzette, niet dan door een langdurig en

moeitevol beleg kon worden gedwongen. Na drie dagen vechten trokken

de troepen van den Prins af. Het eenige dat thans noodzakelijk

scheen, was: zooveel mogelijk manschappen bijeen te houden als een

kern voor de krijgsverrichtingen der aanstaande lente. Hij besloot

zich op Fransch grondgebied terug te trekken en de Hugenoten daar

hulp te verschaffen. De Duitschers wilden echter niet de Fransche

grenzen over. Met een deel van zijn leger nam Oranje toen zijn weg

door Namen en Henegouwen; aan kerkroof, plundering en brandstichting

bezondigden zich ook op dezen tocht weer de woeste Hugenoten. Doch

met snelle marschen ging het voort--want Alva's troepen volgden het

leger van den Prins op de hielen. Op den 12en November had er tusschen

de voorhoede van Alva en de achterhoede van den Prins een bloedige

schermutseling plaats te Quesnoy, waarbij vooral Alva's troepen groot

verlies leden. "Het was de schitterendste daad van den veldtocht

en bij het verlaten van het land een vermaning, wat deze dapperen

zouden vermogen als zij te eeniger tijd onder gelukkiger gesternte,

terugkeerden." Volgens Alva werd die overwinning bloedig bij Kamerijk

gewroken, kort voor den dag, 17 November, dat het leger van den Prins

de Fransche grenzen overtrok.

En toen was hij op bekenden grond. Daar had hij tien jaar geleden

de Fransche grens ten behoeve van zijn ouden en nieuwen meester

geruimen tijd bewaakt. En thans bevond hij zich in diezelfde streken in

gewapenden, maar hopeloozen toestand tegen dien vorst, wiens regeering

zoo uitstekend was begonnen en die onlangs den dappersten aanvoerder

van dien krijg, wien hij zijn schitterendste overwinning te danken had,

met den dood eens misdadigers had betaald.

Treurig, diep treurig zag het er met zijn leger uit. Een brief van Jan

van Nassau, die steeds de krijgsmacht zijns broeders had vergezeld en

er mede in Frankrijk kwam, is een sprekend getuige van de innerlijke

ellende, waaraan het leger ten prooi was. Oranje voerde het leger

naar Picardië, ten einde het te vereenigen met de benden, die Condé

tegen den koning te velde had gebracht.

De koninklijke Fransche troepen onder maarschalk de Cossé hielden het

oog op 's Prinsen leger en volgden dezelfde tactiek daartegenover

als Alva gedaan had. De Cossé echter was te zwak om veel nadeel te

berokkenen. Hij stelde zich tevreden met formeel tegen de gewapende

verschijning van den Prins op Fransch grondgebied te protesteeren. Nog

bleef de Prins moed houden bij het denkbeeld, dat hij zich met Condé

kon vereenigen; te meer omdat deze aan Oranje's ruiters dubbele

betaling beloofde. Er heerschte echter weerzin tegen de voortzetting

van den krijg. De Prins trachtte nog door een pakkende rede den

Duitschers den gezamenlijke dienst met de Hugenoten aan te prijzen,

maar de meesten, den krijg moede, verlangden naar huis. Driftig

antwoordde daarop Oranje, dat ze hem dan den weg naar Duitschland

maar moesten wijzen, hij wist er geen.

Die weg werd hun echter door de Fransche regeering gebaand. Want in

naam van Karel IX gaf maarschalk Gaspar de Schomberg te kennen, dat zij

vrijen doortocht door Frankrijk konden verkrijgen, maar dat de koning

het zeer vreemd vond, dat de Prins met zulk een groot en machtig

leger op zijn grondgebied was gekomen. Oranje antwoordde daarop,

dat hij geen kwade bedoelingen had, maar alleen aan Z. Majesteit een

goeden dienst wilde bewijzen. Die dienst bestond daarin, dat hij zijn

koninklijke onderdanen wilde helpen tegen pauselijke onderdrukking.

Die brief is ook daarom merkwaardig, omdat niet alleen het laatste

spoor van gehechtheid aan "notre vraie et ancienne religion" er

uit is verwijderd, maar ook omdat de Prins daarin van volledige

tolerantie tegenover alle Christenen getuigt. Eerlijke overtuigingen

moesten zich overal vrij kunnen uiten en daarom meende hij Karel

een goeden dienst te bewijzen, door zijn onderdanen te helpen tegen

geestelijke onderdrukking. Doch het hooge standpunt, waarop de Prins

zich daarin plaatste, baatte hem niet veel. Hij had gehoopt, zich

bij Condé en de zijnen aan te sluiten en het gevolg van de komst van

den maarschalk van Schomberg was, dat velen zijner ruiters de zijde

der Geuzen verlieten, dat anderen zich lieten overhalen, om in het

leger des konings over te gaan, terwijl nog anderen te hardnekkiger

op hun betaling aandrongen. Er schoot den Prins niets anders over dan

den uitweg door Frankrijk, hem aangeboden, aan te nemen; hij voerde

zijn leger door Champagne en Lotharingen naar Straatsburg, waar hij

het ontbond. Dit zelfs kon hij niet bereiken, zonder zijne muitende

soldaten gedeeltelijk met het geld, van zijn tafelzilver gemaakt,

te voldoen, gedeeltelijk zich persoonlijk te hunner beschikking

te stellen, als hij zonder voldoende sommen van zijn veldtocht in

Frankrijk terugkeerde. Die veldtocht werd in het voorjaar van 1569

ondernomen en herstelde zijn goeden naam als krijgsoverste.

Door den bevrijdingstocht van 1568 had hij dien naam niet omhoog

gehouden. "De tocht over de Maas was wel een der eerste, maar geenszins

een der luisterrijkste pogingen ter herwinning der verloren rechten

en zij levert een duistere bladzijde in onze geschiedenis. De kansen

schenen gekeerd, de rollen gewisseld: de beradenheid en gematigdheid

bleven aan de zijde van Alva; de misrekening en radeloosheid aan

die van den Prins; dapperheid en tucht zegevierden ditmaal met de

Spanjaarden over de teugelloosheid en den moedwil der bevrijders. Hoe

aanzienlijk ook de macht was, door den Prins te velde gebracht; hoe

ze ook de geringschatting zijner vijanden beschaamde.... toch was

het later zichtbaar, dat de toegevloeide hulpmiddelen, nauwelijks

genoeg een krijg te beginnen, te kort schoten om dien voort te

zetten. Hieruit bleek dat Oranje's macht verre beneden de maat zijner

groote ontwerpen was."

Het was inderdaad een bedroevende tocht geweest. Mocht, kon hij rekenen

op het openen van de poorten der Brabantsche steden? Hij heeft het

gedaan en was zeer terneergeslagen over die teleurstelling. Maar

ook die tegenslag had een schakel moeten zijn van de keten zijner

overleggingen. Hij had de krijgskunst van Alva moeten kennen, die hij

thans bij ervaring leerde en die, wel verre van zich met hem te willen

meten in het open veld, hem met het oog op den aanstaanden winter

en het aanstaand gebrek, niets deed dan afmatten. De vreeselijkste

maatregelen nam hij tevens tegen allen onderstand van burgers en

boeren, waarop de Prins had gerekend.

De tocht van 1568 was mislukt, maar met instemming herhalen wij, wat

Bakhuizen van den Brink aan het slot van zijn studie over dit tijdstip

schrijft: "Voor de glorie van Alva week de zaak der vrijheid in een

duistere schaduw terug. Die schaduw breidde zich over haar hoofd,

over Willem van Oranje uit. Wij stelden hem voor, zooals wij hem

vonden: door misrekening bedrogen, door het ongeluk vervolgd, door

zijn noodlot medegesleept, ongeduldig, neerslachtig, wrevelig. En

toch is op het jaar 1568 het jaar 1572 gevolgd. Wat verbond beide

tijdpunten? Het genie van den man zijner eeuw; het genie, dat geen

nevel van ongeluk of zwakheid zóó kon omhullen, of het koesterde nog

den goeden moed in het hart zijner aanhangers."

Donkere dagen zouden nog volgen, maar het licht in Oranje's gemoed

nooit gebluscht, zou het licht ook weder ontsteken in ons arm

vaderland.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 28 / 80 题