DE UITGEWEKEN PRINS. 1567.

Het was juist bijtijds, dat de Prins uit het land was verdwenen,

want nauwelijks in Duitschland gekomen, deelde de geheimschrijver van

Filips II, die tevens Oranje's spion was, hem mede, dat hij een brief

van den koning aan Alva gezien had, waarin de hertog het bevel ontving,

den Prins aanstonds gevangen te nemen en zijn rechterlijk verhoor niet

langer dan 24 uur te doen duren! Gelukkig dan ook, dat de Oranjevorst

op geen eiland verzeild was, toen hij in Dillenburg aankwam. Met de

grootste welwillendheid en gastvrijheid werd hij aanstonds opgenomen.

Jan van Nassau, die in leeftijd op hem volgde, was het hoofd der

familie geworden; hij was gehuwd met Elisabeth, landgravin van

Lautenberg en had een aantal kinderen. Wettig had Oranje geenerlei

aanspraak meer op eenige inkomsten van het graafschap, want toen hij

erfgenaam werd van Réné, had de Prins van zijn rechten afstand gedaan,

zoodat hij alleen een zeker pandrecht op het oude kasteel van Nassau

en mogelijk ook op Dillenburg had behouden, ter wille van de titels

en waardigheden.

Het was echter een aartsvaderlijke huishouding, die onder het dak van

het kasteel te Dillenburg bijeen was. Behalve Jan van Nassau, die er

het hoofd was, zooals we zeiden, bevond de weduwe van Willem den Oude,

Juliana van Stolberg, zich er ook met haar ongehuwde dochters. Ook

Lodewijk, Adolf en Hendrik hadden allen, behalve hun wettig aandeel

in het huis, volkomen vrijheid en beweging daarin. De gehuwde zusters

met hunne echtgenooten Schwarzberg en Nieuwenaar en de anderen, werden

in hunne aanspraken als bloedverwanten door hen ten volle erkend.

Bij dezen uitgebreiden familiekring kwam nu de Prins van Oranje met

ongeveer een 150 van zijn partij; ook zijn echtgenoote Anna, die

geen gemakkelijk lid van een huishouden was, zelfs niet als hoofd en

eerste persoon en die zeker geen aangename bezoekster was onder de

tegenwoordige lastige omstandigheden.

Tijdens haar verblijf in de Nederlanden had zij zonder omwegen

alle menschen en dingen smadelijk bejegend. Met verachting sprak

zij van den Prins, "die maar altijd andere menschen liet voorgaan

en nooit zijn eigen rechten deed gelden." Toen het plan doorging,

het gehate land te verlaten, kreeg de zaak in haar oogen een geheel

andere gedaante en Anna verzette er zich heftig tegen. Zij weigerde

niet haar echtgenoot te volgen; misschien was er wel een bijzondere

oorzaak, die haar bevreesd maakte, toen zij op 22 April Breda

verliet. Nauwelijks was ze echter in Dillenburg gekomen, of haar

nieuwe omgeving was minder overeenkomstig met haar wenschen dan haar

oude. Het huis was overvol. Jans echtgenoote behandelde haar niet met

eerbied en ze begon verlangend naar Nederlandsche zeden en gewoonten

terug te zien. Daarenboven waren niet alleen al de eigendommen van

Oranje-Nassau in de Nederlanden achtergelaten, maar ook haar eigene

en ze hield niet op, haar echtgenoot te plagen met vergunning te

vragen om voor hare bezittingen te zorgen, voordat ze werden verbeurd

verklaard. Ook werd zij, op Duitschen grond teruggekeerd, weder het

verschil indachtig, dat er tusschen haar rang en dien der Nassau's

bestond en zij maakte zich boos over de benarde omstandigheden,

waartoe zij, de dochter van den grooten keurvorst, was teruggebracht.

Op den 11en Mei schreef Oranje aan Willem van Hessen, sedert den dood

van den ouden landgraaf ([+] 31 Maart 1567) het hoofd van zijn huis,

om hem zijn komst in Duitschland te melden. Op den 21en Mei zond de

Prins aan den keurvorst van Saksen een uitvoerig schrijven, waarin

hij hem de beweegredenen uiteenzette, die hem naar Duitschland hadden

doen komen, en waarin Oranje tegelijkertijd om raad vroeg.

Het kan moeilijk op aandrang van den Prins geweest zijn, dat de

Duitsche vorsten een deputatie naar Margareta zonden. Hij moet zich

bewust zijn geweest van de volstrekte onbeduidendheid van eenige

verdere onderhandeling; hij moet alleen in het plan berust hebben, al

kon hij het ook niet goedkeuren. Toch deden de vorsten het onder den

indruk van de gebeurtenissen in de Nederlanden en van de aanstaande

komst van Alva, die den vrede van Europa bedreigde. De vorsten, van

wie dit petitionnement aan Margareta uitging, waren de keurvorsten

van Saksen en Brandenburg, de markgraaf van Baden, de hertog van

Wurtemberg en de landgraaf van Hessen. Het doel van hun vertoog was

alleen tusschen beiden te treden ten gunste van de Lutheranen; vandaar

dat een Calvinist als de keurvorst van de Paltz er geen deel aan nam.

De petitionarissen vonden Margareta echter in geen enkel opzicht

geneigd, iets toe te geven. De ketters, die het meeste vat op zich

gaven, waren lang niet meer zoo te vreezen, als in den aanvang van

het jaar; Oranje was genoodzaakt geweest, het land te verlaten;

Egmond was een onderworpene, trouwe vazal geworden, die zijn best

deed te gelooven in de goede trouw des konings. Valenciennes was ten

onder gebracht en er bestond geen enkele reden, om tegenover iemand

bijzondere gunst te toonen.

Het gezantschap van de Duitsche vorsten werd vrijwel afgescheept;

Filips zou wel rechtvaardig handelen enz. en het ging dan ook naar

Duitschland terug, even wijs als het was gekomen. Van die slotsom

gaf Willem van Hessen aan Oranje bericht en op den 13en Juni dankte

deze den landgraaf voor zijn rapport, daarbij voegende, dat ze op

God en op den tijd moesten vertrouwen, om geholpen te worden. De

vorsten schijnen er toen nog over gedacht te hebben een deputatie te

zenden naar Catharina de Medicis, die goede Christin(!) om te zien,

wat er van haar zijde voor de onderdrukte zaak van den godsdienst in

de Nederlanden te wachten zou zijn; zelfs maakten ze reeds instructies

gereed, maar de zaak schijnt in de wieg gesmoord te zijn.

Van denzelfden 13en Juni dagteekent een andere brief van den Prins

aan Willem van Hessen, die vooral daarom belangrijk is, omdat

hij ons inlichting geeft omtrent het standpunt van godsdienstige

ontwikkeling, waartoe Oranje destijds was gekomen. Die brief is van

den volgenden inhoud: "Wij zouden van ganscher harte begeeren tot

sterking en bevestiging van ons gemoed en geweten, den tijd, dien

wij hier buiten onze Nederlandsche graafschappen en heerlijkheden

doorbrengen, te besteden met het lezen en hooren uitleggen der heilige

goddelijke schrift. Want zonder er op te roemen, wij gevoelen een

bijzondere affectie voor Christelijken ijver, maar hebben daartoe

een eerbiedwaardigen, geleerden, zachtmoedigen en wereldkundigen man

noodig, dien wij gaarne in onze nabijheid hadden en nu vernemen we

na veelzijdig onderzoek en navraag, dat er in Tresza in Hessen een

zekere Nicolaas Zell woont, die enz."

Wij herhalen: die brief is merkwaardig voor den godsdienstigen

ontwikkelingsgang van den Prins. Tot nu toe zagen we niet veel van

het eigenlijk godsdienstig leven bij hem. Was dit een tijdlang geheel

in slaap gebleven, reeds vroeger zagen we, dat het toch niet geheel

in hem was gestorven. Van groote belangstelling in het godsdienstig

leven vinden we geen spoor, aan algemeen religieus gevoel ontbrak het

hem niet. Maar noch zijn aanleg, noch de omstandigheden waren van

dien aard, dat hij zich veel moeite had getroost, zich rekenschap

te vragen van de eigenlijke beteekenis der geloofsverschillen. Het

meest had hij nog naar het Lutheranisme overgeheld, doch niet veel

meer dan politiek was die neiging geweest. De Duitsche hulp, die hij

verwachtte was alleen mogelijk, indien hij althans het Lutheranisme

niet veroordeelde. Van werkelijke belangstelling daarin was geen

sprake. Hier echter in Dillenburg begon in de eenzaamheid die

belangstelling te ontwaken. Hij wilde voorgelicht worden door een

bekwaam, rechtschapen man, die zijne godsdienstige begrippen kon

verhelderen.

Willem van Hessen antwoordde, dat de verlangde predikant Zell een

zeer geacht man was, dat daarom de gemeente, die hij diende, hem

zeer ongaarne miste, maar dat de Prins hem gedurende een half jaar

tot voorlichter zijner godsdienstige denkbeelden kon krijgen. Vijf

dagen later zond de Landgraaf een werk van Melanchthon getiteld

Loci theologici, een zuiver theologisch handboek, naar Dillenburg;

de afzender hoopte, dat het den Prins geheel zou overtuigen van de

waarheid der Luthersche dogmata.

Uit een en ander blijkt, dat de Prins met open armen in Duitschland

werd ontvangen, dat zijn verwanten en vrienden hem tegemoet kwamen met

groote liefde en innige belangstelling. Dat hij ook buiten Duitschland

groote vrienden had, die oprecht deelden in zijn lot, bewijst wel

de uitnoodiging van den koning van Denemarken, Frederik II, tot hem

gericht, om in zijn staten een toevluchtsoord te zoeken. De brief,

die uitnoodiging behelzende, was op den 9en Juli 1567 geschreven

en werd op den 22en van dezelfde maand door den Prins beantwoord. De

alleronderdanigste toon van den Prins in zijn antwoord aan dien koning,

toen hij hem de reden van zijn verblijf in Duitschland meldde en hem

voorloopig dankte voor die uitnoodiging, die toon tegenover een vorst,

die slechts een tweeden of derden rang innam onder de vorsten in

Europa, bewijst wel, hoe Oranje op dat oogenblik nog geheel vervuld

was van de rechten der monarchie en verklaart dus ook van ter zijde

zijn nog jarenlang volgehouden eerbiediging van den wettigen koning

van Spanje.

De vlucht van den Prins uit de Nederlanden was niets te vroeg

geweest. Binnen een maand, nadat hij Breda had verlaten, scheepte

Alva zich met een uitgelezen leger te Carthagena in, met de opdracht

van Filips om alle onbeschaamde eischen van "dat beest, dat men het

volk noemt" eens voor al te weerstaan.

Al de geruchten van het voorgaand jaar omtrent Filips' duistere plannen

werden meer dan bewaarheid. De koning had zelfs zijn gehoorzame

Nederlandsche regentes niet in zijn vertrouwen genomen en haar in

den waan gelaten, alsof hij voornemens was zelf te komen. Vandaar

dat Margareta in Zeeland voorbereidende maatregelen nam voor

Filips' ontvangst. Hoe weinig had zij kunnen denken, dat ze zou

worden ontslagen, juist toen ze, geholpen door haar stadhouders,

de oproerige bewegingen in verschillende deelen van het land had

gedempt en persoonlijk zegevierend den Roomschen eeredienst in het

ontheiligde Antwerpen had hersteld.

Toen Alva's komst haar was aangekondigd, was Margareta nog in onkunde

gelaten omtrent het meedoogenloos karakter van zijn instructies;

maar het naakte feit van de nadering van een leger vervulde haar met

ontzetting. Den geest der Vlamingen kennende, vreesde ze de aankomst

van vreemde troepen zeer en zond koeriers naar Alva in Savoye, met

het verzoek, alleen de Nederlanden binnen te komen en zijn leger op

nadere orders te laten wachten.

Natuurlijk oefende deze raad geen invloed uit op den bevelhebber, die

niet aan zijn bekwaamheid twijfelde, om het volk tot gehoorzaamheid

aan Filips terug te brengen. "Ik heb wel een volk van ijzer getemd,

zou ik dan nu geen volk van boter kunnen temmen?" zoo sprak hij op

verachtelijken toon en hij antwoordde de regentes, dat hij niets te

doen had, dan de bevelen van den koning op te volgen. Daarom alleen en

volstrekt geen acht gevende op wenschen van anderen, schreed de hertog

van Alva voort op zijn bepaalden weg. Wel duurde het eenige maanden,

voordat hij de Nederlanden bereikte met zijn leger van 12000 man,

in drie afdeelingen verdeeld.

Op zijn weg uit Italië had de hertog ook Genève, het broeinest van

het Calvinisme, in het voorbijgaan willen verwoesten, doch door

de diplomatieke zorgen van Condé en Coligny had dit wreede plan

niet kunnen vervuld worden. In Augustus kwam hij in Luxemburg aan,

waar hij begroet werd door Barlaimont en Noircarmes, die hem in

naam der regentes welkom heetten. Graaf Egmond reed hem zelfs tot

Tirlemont tegemoet en bood hem als welkomstgeschenk eenige schoone

paarden aan. De ontvangst echter was, trots dat geschenk, niet zeer

hartelijk. Alva had Egmond nooit de overwinningen bij St. Quentin

en Grevelingen vergeven. Toen hij den "Prins van Gavere" [4] zag,

zeide hij zoo luid, dat Egmond het kon verstaan: "Ziedaar de groote

ketter!" Dit voorspelde den graaf weinig goeds, die alles van zijn

loyauteit verwachtte. Een oogenblik later veranderde de hertog van

toon en deed hij, alsof hij dat woord in scherts had gesproken. Hij

werd plotseling hartelijker, sloeg den arm om zijn hals--den hals,

dien hij reeds den beul had gewijd!

Op den weg naar Brussel, trok de aanstaande nieuwe Landvoogd door

Leuven, waar Filips Willem, Graaf van Buren, de oudste zoon van

Oranje, zijne studiën voortzette. Henry de Wiltberg, voogd van den

jongen graaf, schreef aan den Prins, dat zijn zoon den hertog in een

huis bij zijn woning, het College van Savoye, zag voorbijgaan en dat

hij naar buiten ging, om zijn hand te kussen en dat ze hem toen zagen

met Barlaimont en Aremberg.

De graaf van Buren werd goed ontvangen en door den hertog met

liefkoozingen overladen. De jongen werd geheel en al door den ouden

krijgsheld betooverd; hij toonde hem groote hartelijkheid en noodigde

hem tot een nadere samenkomst op den volgenden dag. Toen de jonge

graaf afscheid van hem nam, omhelsde de hertog hem en overlaadde

hem met vriendelijkheid. Wiltberg voegt er bij, dat hij had gehoord,

dat de groot-prior van St. Jan, een bastaardzoon van Alva, een paard

noodig had en hij stelt aan den Prins voor, om door middel van Filips

Willem aan dien prior een paard ten geschenke te doen geven.

Verschillende gewaarwordingen maakten zich van de Landvoogdes meester,

daar ze niet wist, hoe ze den man zou ontmoeten, door wiens komst zij

zich in het diepst harer ziel beleedigd achtte. Drie dagen na zijn

aankomst stond ze hem toe, haar zijn hulde te komen aanbieden. Ze

ontving hem in haar slaapkamer, waar ze hem staande, in gezelschap

van Barlaimont, Aerschot en Egmond ontving. Niemand van hen deed een

stap voorwaarts, om den hertog te gemoet te treden. De samenkomst

duurde een uur, maar het geheele gezelschap bleef trotsch en stijf

tegenover elkander staan. De hertog schreef aan Filips, dat hij de

hertogin als een koningin behandeld had, maar waarschijnlijk lag

er achter zijn bestudeerde Castiliaansche beleefdheid een kwalijk

verborgene onbeschaamdheid, die Margareta moeilijk kon breken.

Na de aankomst van den hertog van Alva in Brabant, werd de Prinses

van Oranje steeds meer verlangend naar Breda terug te gaan om voor

haar bezittingen te zorgen, die ze meende, dat door de Spanjaarden

zouden genomen worden. Na tevergeefs haar echtgenoot daarom verzocht

te hebben, schreef ze aan haar oom, den Keurvorst van Saksen, dat het

te Dillenburg niet om uit te houden was en dat ze van de plaats weg

moest. Ze drong daarop zoo sterk aan, dat Oranje, twijfelende aan

zijn eigen argumenten, een bijzonder gezant, een zekeren Volbrecht

Riedsel naar Dresden zond, om met Augustus te raadplegen, wat men

het best zou doen.

De instructies van dien gezant zijn in het Dresdensch archief bewaard

en waren de volgende: Anna had voortdurend gevraagd, dat het haar zou

worden toegestaan uit de Nederlanden van daan te gaan "omdat zij niet

langer haar verblijf kon houden bij zulk een goddeloos en trouweloos

volk." Nu wenschte ze juist met aandrang naar de Nederlanden terug,

alhoewel ze daarmede niet alleen zich zelf maar ook het leven van haar

nog ongeboren kind in de waagschaal stellen zou. Hij verbood haar

terugkeer om haar aanstaande bevalling, teneinde het vermoeden te

voorkomen, alsof hij of zijn broeder haar slecht behandelden en ook

ter wille van den godsdienst, daar zij òf op de haastige reis haar

eigen geloof moest belijden òf gevaar zou loopen, bevreesd te worden

gemaakt, met het gevolg dat zij zich een aanhangster verklaarde van

het Roomsche geloof.

"Inderdaad hebben we voor eenigen tijd bij uw nicht, niet zonder diepen

angst, een onzekerheid in godsdienstige zaken opgemerkt; ja zij geeft

weinig acht op godsdienstig leven en onderwijs. Zelfs praat zij nu en

dan op schandelijke manier over Gods woord. Ook moet ik in aanmerking

nemen, dat uw pupil van de ware kennis van Christus zou kunnen worden

afgetrokken tot paapsche gruwelen of andere dwalingen, die pijnlijk

voor u en van dien aard zouden zijn, dat ze mijn leven zeer ellendig

zouden maken en een slecht voorbeeld voor velen zouden wezen."

Behalve de genoemde redenen, voegde de Prins er bij, dat hij geen twee

huishoudens kon bekostigen. In antwoord op dien brief, verzekerde

Augustus aan den Prins, dat hij het volkomen met hem eens was en

raadde zijn nicht aan, geduld te oefenen.

Op den 14en September werd Maurits geboren; de doop van dat kind had

volgens Luthersche gebruiken plaats. Deze Maurits was dus de eerste

van Oranje's kinderen, die met de Protestantsche zaak van huis

uit een was. Hoe dit ook op zich zelf voor de Nassausche familie

een stof van vreugde was, wat de Prins zelf van de moeder van dat

kind in de volgende jaren te lijden gehad heeft, is met geen pen te

beschrijven. Wij komen daarop nader in bijzonderheden terug, doch

vestigen allereerst, om de tegenstelling des te dieper te beseffen,

op Oranje zelf het oog, gelijk hij uit Dillenburg den strijd ging

aanvaarden voor de wet, het volk en den koning.

In Augustus 1567 werd de Prins door zijn vriend, den burgemeester

van Antwerpen, van Straalen, die zijn rechterhand was geweest in de

onrustige dagen, welke de Scheldestad had beleefd, omtrent Alva's

komst in het land ingelicht. Oranje, wiens eerste zorg reeds in 1559

was geweest, vreemd krijgsvolk te weren, zal wel niet door die tijding

verrast zijn, maar toch moet ze hem diep hebben getroffen.

Dit was echter maar een voorbode van vreeselijker tijdingen. Weinig

dagen na de verraderlijke gevangenneming van Egmond en Hoorne, gevolgd

door die van den daareven vermelden Antonie van Straalen, werd ook de

tijding daarvan in Duitschland verspreid en bracht geheel Europa in

rep en roer. Het bracht grooten angst in de gemoederen. De Duitsche

echtgenoote van Egmond, Sabina van Beieren, bewoog in haar vaderland

hemel en aarde, om op de vrijspraak van haar man aan te dringen en ook

de Prins zelf dacht niet alleen aan zijn eigen veiligheid, maar was

ook in Duitschland in het belang zijner oude vrienden werkzaam. Hij

beval zelfs den hertog van Brunswijk, die met Alva in briefwisseling

was en van wien wij vroeger zagen, dat hij de Spaansche zaak was

toegedaan, levendig de belangen der beide graven aan. Zoo verliep

het najaar in angstige spanning en uit den langen brief, dien de

Prins in December als antwoord op een schrijven van den keurvorst

van Saksen uit Dillenburg verzond, blijkt, hoe allengs bij Oranje

het zekere bewustzijn ontwaakte, dat geweld met geweld moest worden

beantwoord. De keurvorst had hem, in een omslachtigen brief, nog den

raad gegeven, een algeheele breuk met Filips te vermijden. Maar de

Prins was overtuigd van het tegendeel. De koning van Spanje was zoover

gegaan, dat gewapende tegenstand niet alleen te rechtvaardigen, maar

noodzakelijk was en dat niet slechts in het belang der Nederlanden,

maar evenzeer in het belang van Duitschland. Hij vroeg hem dus om hulp.

De Prins had dan ook in diezelfde maand December een aangrijpend

schrijven ontvangen van C. V. Coornhert die, evenals zijn broeders

Dirk en Frans, een ijverig aanhanger was van de zaak der Nederlandsche

vrijheid en der hervorming. Deze Coornhert behoorde tot de tallooze

vluchtelingen, die naar Emden ontkomen waren. Omtrent den toestand

van den handel der Nederlanden gaf hij den Prins een diep mistroostige

beschrijving; hij zou zelfs wenschen, dat de handel van de Nederlanden

naar Emden verplaatst werd.

"Ick en weete Uwer Excell. verders niet nieus te scriven, dan dat

alhier groote benautheijt is onder de Coopluyden en allen gevluchten;

konne wel peysen, dat het op andere plaetsen daer gevluchten zijn,

van gelijcken is, zonderling den Coopman die bekants geheel disperaet

is en dagelix onder den anderen raetslaegen hoe zij 't aenstellen

zullen en waer zij met den anderen trecken en woonen willen, daer

zij haeren conscientie en handel vrij zullen moogen leven" enz. Die

beschrijving was niet overdreven. "Zoodra de vreemde roofvogels,

die Alva's bloedraad uitmaakten, of de hebzuchtige trawanten der

landvoogdes, met vervolging en verbeurdverklaring dreigden, konden

de arme kooplieden hunne prijsgemaakte schepen, hun geplunderde have

in den vreemde, te Emden, te Wezel of elders, betreuren."

Deze en soortgelijke hartverscheurende berichten over de bron der

Nederlandsche welvaart, over den jammerlijken toestand, waartoe de

koopmansstand was gedaald, hebben zeker den Prins zeer getroffen. Hij

wist beter dan iemand anders, hoeveel die kooplieden vooral in de

laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden hadden gedaan, om

door hun verbond en hun geldelijken steun uitkomst te erlangen; toch

was hij zelf niet in staat geweest, de vrijwillig opgebrachte sommen

tot het doel te gebruiken, waartoe ze waren gegeven. In den vreemde

levende heeft de Prins zich eerst met hart en ziel aangesloten aan de

Nederlandsche burgerij, gelijk zijn latere briefwisseling o. a. met

Jacob van Wezenbeke bewijst.

In het eind van 1567 en '68 werd een drukke correspondentie gewisseld

tusschen verschillende Duitsche vorsten over de belangen van Oranje. En

de eerste maand van het laatst genoemde jaar zou niet voorbijgaan,

zonder dat de vijand zelf door een openbare handeling den Prins

noodzaakte, als publiek persoon uit zijn schuilhoek te voorschijn te

komen. Op 28 Januari 1568 namelijk verscheen er op het plein voor het

paleis in Brussel, een soldaat, door zes trompetters geëscorteerd,

die den Prins opriep voor den Raad van Beroerten binnen den tijd van 3

maal 14 dagen, van den datum der proclamatie af, te verschijnen. De

Prins werd daarin genoemd de voornaamste bewerker, beschermer

en begunstiger van de rebellen, terwijl zijn broeder en vrienden,

Lodewijk, Hoogstraten en de anderen werden opgeroepen om te verschijnen

als samenzweerders, bevorderaars van opstand en verwoesters van den

publieken vrede. Indien ze deze beleefde uitnoodiging weigerden aan te

nemen dan zouden ze veroordeeld worden tot voortdurende verbanning en

verbeurdverklaring van al hunne bezittingen. Oranje werd beschuldigd,

de oorzaak te zijn van elke beweging der verbondenen; toen hij naar

Antwerpen was gegaan, blijkbaar om den opstand te dempen had hij

eenvoudig ketterij en verdeeldheid aangemoedigd en den dissenters

veroorloofd, hun eigen wettelooze begeerten te volgen.

Hoe deze tijding op het kasteel te Dillenburg ontvangen werd, blijkt

niet uit eenig bijzonder document. Doch het spreekt vanzelf, dat de

bedoelde gedagvaarde edellieden niet aanstonds hun paarden lieten

zadelen om naar Brabant terug te rijden. In plaats daarvan maakte

Oranje een document, tot antwoord aan de oproeping van Alva. Lang

echter voordat dit gereed was, werd er een andere aanval op hem gedaan.

Op den 13en Februari zond Alva den Heer de Chassy, vergezeld van

vier officieren en twaalf boogschutters naar Leuven. Deze reikte,

den jongen graaf van Buren in tegenwoordigheid van zijn voogd, een

brief over, die hem in naam van zijn koninklijken pleegvader Filips,

naar Spanje noodigde. De Chassy verzekerde den knaap, dat het zijn

plicht was hem te escorteeren, niet hem te arresteeren en dat de

koning wenschte hem tot zijn dienst op te voeden. Hij kon door twee

bedienden, twee pages, een kok en een boekhouder vergezeld worden.

De jonge Filips Willem liep gemakkelijk in den valstrik, nam elk aanbod

met genoegen aan, ging zonder aarzelen met zijn roovers mede naar

Antwerpen, bracht zijn verlof aldaar met graaf Lodron vroolijk door,

nam deel aan alle feesten te zijner eer gegeven, en scheepte zich te

Vlissingen in naar het land, waar hij bestemd was bijna dertig jaar

te blijven. De Universiteit van Leuven protesteerde wel tegen deze

verkrachting harer privileges, maar dat vertoog werd door Vargas,

het bekende Spaansche lid van den Bloedraad, met dezelfde formule

beantwoord, waarmee hij alle klachten van gemeenten en gewesten,

die zich op hun privileges beriepen, beantwoordde, met deze formule

namelijk: "Non curamos vestros privilegios". ("Wij bekommeren ons

niet om Uw privileges.") En alzoo werd Oranje's hoop, zijn goederen

te behouden door een vertegenwoordiger in de Nederlanden te laten, in

duigen geworpen. Het was zonder twijfel een onbezonnen daad van den

gewoonlijk zoo voorzichtigen Prins, zijn oudsten zoon aldaar binnen

het bereik van Alva te laten en dat nog wel na de openbaarmaking

van zijn dagvaarding voor een hof, welker vonnissen allen denzelfden

geest verrieden.

De Duitsche Keizer, de Keurvorst van Saksen en de Landgraaf van

Hessen gaven allen Oranje den raad, een antwoord openbaar te maken

op de beschuldigingen van zijn vijand, die zoo duidelijk waren

uitgesproken. Dienovereenkomstig verscheen er op den 6en April eene

"Justificatie," die in 't Duitsch, Latijn, Nederlandsch, Engelsch,

Spaansch en Fransch vertaald, over geheel Europa verspreid werd.

Daarin wordt een eerbiedige toon tegenover Filips aangeslagen; de

geheele blaam voor de troebelen wordt op zijne dienaars geworpen,

die handelden zonder Filips' kennis of goedkeuring. Hij werpt de

beschuldiging van eerzucht verre van zich en legt er den nadruk op,

dat hij voor Filips' vertrek eerst geweigerd had, lid van den Raad van

State te worden, doch alleen die post had aangenomen, omdat de koning

er op aandrong. Gelegenheden te over hadden zich voor een eerzuchtig

man voorgedaan, om zich zelf te bevoordeelen, maar hij had er nooit

gebruik van gemaakt. Zeker, Granvelle's invloed had hij bestreden,

omdat hij overtuigd was, dat die ten nadeele werkte van Filips' gezag.

Margareta had inderdaad erkend, dat zij in drie maanden tijds na het

vertrek van den kardinaal meer van de publieke zaken begrepen had, dan

zij gedurende al de vroegere jaren van haar bestuur had gedaan. Later,

toen zij Brussel wilde verlaten en naar Mons gaan, was het alleen op

aandringen der edelen geweest, dat zij er in toestemde te blijven,

om aldus het gezag van haar broeder te redden. In die crisis had de

Prins, indien hij gewild had, zonder eenige moeite de teugels van

het bewind kunnen gegrepen hebben. De strengheid van de inquisitie

en de plakkaten had hij ten eenenmale afgekeurd, omdat hij ze voor

door en door onstaatkundig hield en ook meende, dat ze er alleen

toe dienden, om de hervormers tot grooter vasthoudendheid aan hun

meeningen te brengen, daar dit overal en altijd de uitwerking van

godsdienstvervolging was geweest.

Tot de verbonden edelen had hij nooit behoord, hij had de

buitensporigheden der Geuzen ten strengste afgekeurd, al was

hij het ook met hunne petities eens geweest. Steeds had hij de

vergadering der Staten-Generaal gewenscht, een maatregel, die de

overleden keizer dikwijls als hoogst nuttig beschouwd had. In al

zijn pogingen, om de troebelen in zijn gouvernementen te bedaren,

had hij Margareta's aanwijzingen gevolgd en de enkele punten, waarin

hij van haar verschilde, had hij steeds met argumenten gesteund,

die hem onwederlegbaar toeschenen.

Brederode was volgens alle privileges der heerlijkheden volkomen in

zijn recht, om zijn stad te versterken en Oranje was vrij, hem zonder

iemands toestemming daarbij te helpen. In geen enkel opzicht had hij

de onderneming op Zeeland gesteund. Zijn maatregelen in Antwerpen

waren alle genomen met het oog op de doelmatigheid, daar hij de kracht

van de sekten kende. Hij had 55.000 gulden geweigerd aan te nemen,

hem door Holland aangeboden.

De slotsom, waarmede hij zijn rechtvaardiging besloot, luidde aldus:

"Terwijl men alzoo al mijn diensten, voor mijn eigen rekening

gedaan en ook de diensten van mijn voorgangers, zelfs van hen,

die aan den voet des keizers zijn gestorven vergeet, ben ik op

grond van goddelooze en valsche beschuldigingen en om redenen,

in strijd met alle wet, alle rechten en gebruiken, niet alleen

beroofd van mijn eigendom, maar mijn eer is beleedigd en van

mijn kind ben ik beroofd, twee zaken, die me dierbaarder zijn

dan mijn leven.

Al hetwelk niet alleen tot mijn nadeel is, maar ook tot

dat van Z. Majesteit daar al zijn beloften, verplichtingen,

contracten en eeden geringschat zijn en er zulke buitengewone,

buitensporige en hatelijke dingen gedaan zijn, dat het

onmogelijk is, dat niet te eeniger tijd, de resultaten

daarvan zullen gevoeld worden. Wij bidden God, Z. Majesteit

met goddelijk licht te verlichten en doen hem naar behooren

de daden van zijn goede en loyale dienaars en onderdanen,

die nu belasterd, vervolgd en gekrenkt zijn, kennen. Opdat de

wereld eindelijk wete, dat al wat gebeurd is, niet voortkomt

uit Z. Majesteit zelf, maar uit de onteerende en lasterlijke

rapporten van hen, die tot nu toe de waarheid voor hem hebben

verborgen gehouden."

Dit document bevat verscheidene opmerkenswaardige dingen. Letterkundig

is het niet fraai geschreven, ook zeker niet bijzonder welsprekend,

maar het geeft punt voor punt een overzicht van hetgeen de Prins in

zijn brieven van de beide laatste jaren had gezegd. Hij scheidt Filips

zoover mogelijk van de daden af, die in zijn naam zijn bedreven en toch

zijn er weinig van die overvloedige betuigingen van getrouwheid aan

den persoon des konings, die in al zijn vroegere brieven voorkomen,

in te vinden. Hij werpt nog niet de trouwheid aan zijn souverein

weg. De koninklijke dienaren blameert hij en het gemakkelijk en goed

vertrouwen, dat Filips gesteld heeft in verkeerde voorstellingen van

mannen, die hij reden had te wantrouwen.

Ook wordt er voor den eersten keer geen gewag gemaakt, hoe dan ook, van

"onze ware en oude godsdienst." Ook die uitdrukking kwam in vroegere

geschriften van den Prins telkens en telkens weder.

Dat hij nu schrijvende aan een katholiek vorst als Filips, dit

nalaat, is ongetwijfeld zeer opmerkenswaard. We moeten dan ook

zeker in de jaren zijner ballingschap in Dillenburg de eerste

sporen zoeken van zijn omkeer op godsdienstig gebied. Alles werkte

daartoe mede. Vooreerst zijn persoonlijke levenservaringen, die

tot de smartelijkste behoorden, welke een mensch kan ondervinden;

en dan de invloed zijner moeder, de betrekkelijke rust op het oude

kasteel, de lezing van het boek van Melanchthon, hem door Willem

van Hessen gezonden, de arbeid van den bekwamen prediker hem door

den landgraaf afgestaan; het een en het ander samen veroorzaakte,

dat hij de Roomsch-Katholieke vormen vaarwel zeide, die hij van zijn

elfde jaar af in acht genomen had. Nog was in die dagen de godsdienst

geen zaak, waarom hij zich veel bekommerde; eerst langzamerhand kon

hij persoonlijk gaan belangstellen in een zielsverschijnsel, dat

hem vroeger tamelijk onverschillig liet. Maar zijn gansche omgeving

in Dillenburg, zijn familie, de Duitsche vorsten hechtten er groot

gewicht aan. Hoe zou hij dan geheel buiten den invloed daarvan kunnen

gebleven zijn, te meer omdat van diezelfde Duitsche vorsten toch de

hulp voor de Nederlanden moest komen.

Spoedig werden er openlijk door geheel Duitschland troepen geworven,

wier bestemming voor de Nederlanden algemeen bekend was en uit

verschillende bronnen kwamen de fondsen voort, om de uitgaven voor

die troepen te bestrijden. De Prins benoemde zelfs commissies voor die

wervingen en maakte daarbij gebruik van zijn recht als Prins van Oranje

en dus als onafhankelijk souverein van het rijk. Al was dat vorstendom

ook zeer klein, het gaf hem titels, die zijn andere goederen hem niet

gaven. Hij liet de commissies op dezen vreemden grondslag werven,

dat zij hulp vroegen voor Filips tegen zijn onwaardige dienaars.

De formule luidde: "Om Zijne Majesteit zijne heerschappij te verzekeren

en voor elk burger (hetzij Protestant of Roomsch-Katholiek) zijn

gewetensvrijheid te handhaven." Oranje verkocht zelfs zijn juweelen,

zijn zilver en tapijten, om troepen te kunnen lichten. Het bedrag

van zijn persoonlijke contributie bereikte de som van 50.000 florijnen.

Zijn broeders deden zooveel ze konden; Jan gaf een belangrijke som

door middel van een hypotheek op zijn goederen. Lodewijk droeg

10.000 fl. bij. De voornaamste Nederlandsche steden, Antwerpen,

Vlissingen, Amsterdam en andere, door de Nederlandsche kooplieden,

die naar Engeland gevlucht waren, geholpen, brachten de som van 100.000

kronen op, juist de helft die Oranje noodig achtte, om hem in staat te

stellen zijn leger in het veld te brengen. Den 17en April schreef de

Prins vertrouwelijk aan den Landgraaf van Hessen, dat hij op reis ging

naar Keulen om daar of in de nabijheid af te wachten, "wat wij zullen

moeten doen." Het gerucht van de lichtingen was te veel verbreid. Ook

deelt hij den landgraaf mede, dat hij gehoord heeft, dat Alva naar

het klooster St. Bernard, vijf mijlen van Brussel, gegaan is, om zijn

Paschen te vieren. Dit was hem niet aangenaam. De Prins had gehoopt,

dat hij een ander klooster zou gekozen hebben, waarschijnlijk omdat

er in die dagen plan heeft bestaan onder de vrienden van Oranje om

den hertog op te lichten. Eindelijk zendt hij aan Willem van Hessen

zijn Justificatie met verzoek die door te lezen en zijn bedenkingen

tegen den vorm aan den brenger, Dr. Joh. Meixnern, mee te deelen. De

Prins voelde zelf vooral bezwaren tegen het woordje "krijgstoerusting."

"Is dat ook te hard of te scherp. Zou dit soms zoo kunnen worden

opgevat, alsof wij uit een bijzonder genoegen den oorlog begonnen,

in plaats van uit zuiver noodweer en zelfverdediging?" zoo vroeg hij.

Is het niet merkwaardig, dat we aan den vooravond van den 80-jarigen

oorlog--want de proclamatie was het signaal van dien oorlog--in een

vertrouwelijk schrijven van den Prins zulk een uiting van nauwgezetheid

vinden? Men weet, hoe de laatste woorden door vorsten of diplomaten

gesproken of geschreven voor de uitbarsting van een geweldigen oorlog,

gewoonlijk later worden gebruikt om de een of andere partij of persoon

de zedelijke schuld en verantwoording van het bloedbad op den hals te

laden. Het pleit dus voor den Prins, dat het hem bij het opstellen

zijner justificatie niet ontbroken heeft aan teederheid en fijnheid

van geweten, want Oranje kon alleen een oorlog, uit zelfverdediging

aanvaard, voor God en de toekomst goedkeuren.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 26 / 80 题