Een lange rusttijd werd den Prins niet toegestaan om zijn verlies
te boven te komen en na zijn eigen ongesteldheid zijn krachten te
herwinnen. Op den 7en Mei ontbood Filips hem op zeer beslisten toon
naar Antwerpen om toezicht te houden op de hernieuwing van de wet
aldaar en in Juni beval de hertog van Savoye hem, zich zoo spoedig
mogelijk te haasten om met zijn bande d'ordonnance, Thionville,
een sterke stad aan de Moezel, te bevrijden.
De geestdrift van Filips voor militairen roem was spoedig uitgebluscht;
veel heftiger verlangde hij naar een verbond dan naar voortzetting van
den strijd met Frankrijk. In het vroege voorjaar hadden de bisschop
van Atrecht en de kardinaal van Lotharingen een samenkomst te Péronne,
waarbij zij tot het besluit kwamen, dat het wezenlijk belang van
Frankrijk en Spanje niet was, grondgebied van elkander te winnen,
maar den verborgen vijand, de ketterij, die zich in beide rijken
verspreid had, te bedwingen. Daar de onderhandelingen dier prelaten
echter geheim bleven, werden de vijandelijkheden tusschen beide
koninkrijken vroeg in den zomer heropend.
In plaats van den Connétable, die zooals we zagen zich in gevangenschap
bevond, was de hertog de Guise uit Italië gekomen, waar zijn roem er
nu niet bepaald op vooruit was gegaan, en die dus hoopte in de meer
noordelijke landen beter figuur te maken. Op Nieuwjaarsdag van 1558
verscheen hij voor Calais, waarvan de Guise door spionnenberichten
reeds wist, dat de bezetting zwak was. Na een hevig geschutvuur werd
de stad stormenderhand genomen. Meer dan twee eeuwen was zij in handen
der Engelschen geweest, die het hadden veroverd na een beleg, dat
twaalf maanden duurde; thans keerde het aan Frankrijk terug na een
belegering van zeven dagen. Nog zeven dagen later viel ook Guines,
waardoor Engelands koningen voor altijd het recht verloren om den
titel en de leliën van Frankrijk te voeren.
De Guise trok naar Luxemburg en veroverde Thionville, zoodat Oranje,
die volgens de orders van den hertog van Savoye daarheen moest
trekken, te laat kwam om nog hulp te bieden. De Franschen hadden dus
in den beginne wel succes, maar 't was niet van langen duur. Het plan
bestond bij de Franschen om de vereeniging te bewerken van de Guise
en de Thermes, die in Calais als bevelhebber was achtergebleven en
reeds met zijn nieuw verzameld leger de omstreken had geplunderd en
ook Duinkerken had genomen. De vereeniging van de beide Fransche
bevelhebbers te voorkomen en als het kon de Thermes van Calais af
te sluiten, was het doel van de tegenpartij. Reeds was de Fransche
bevelhebber van Duinkerken vertrokken, toen hij op zijn weg de held
van St. Quentin ontmoette, die zich met zijn troepen te Grevelingen
had opgesteld, een kleine stad aan het strand der zee, ongeveer
halfweg Calais en Duinkerken.
Daar noodzaakte Egmond zijn tegenstander slag te leveren, daar rende
hij aan het hoofd zijner escadrons op de Franschen in onder het:
"De vijand is ons, wie zijn vaderland lief heeft volge mij." Van
beide kanten werd met groote hardnekkigheid gestreden, doch de zege
was aan Egmond en op dezen 12en van Julimaand werd de uitgelezen
Fransche strijdmacht onder maarschalk de Thermes volkomen vernietigd
en vielen met hem vele andere officieren van adellijken bloede in
handen van Egmonds troepen.
De ongeloofelijke moed door den overwinnaar bij die gelegenheid
betoond, stal het hart van het volk en alleen de zure Alva, die Egmond
benijdde, deelde niet in de algemeene vreugde, daar hij zelf gehoopt
had het getij ten voordeele van zijn meester te doen keeren.
Thans was Egmond de held van St. Quentin en
Grevelingen. Niettegenstaande aan beide zijden de strijdkrachten
nog volkomen in orde en zeer machtig waren, was toch deze slag het
laatste tooneel van den zevenjarigen oorlog tusschen Frankrijk en
Spanje. Filips was bijzonder tevreden op de lauweren te kunnen rusten,
door zijn veldheer behaald; Hendrik was niet verlangend verdere
waagstukken te ondernemen en het volk aan beide kanten begeerde vurig
den vrede.
Algemeen was dus het verlangen, dat er geen verder uitstel met
de vredesonderhandelingen zou gemaakt worden, maar het was wat
gewaagd met de besprekingen te beginnen, terwijl de twee gewapende
legermachten nog in elkaars gezicht lagen. Daarom was de eerste
maatregel, de vreemde huurtroepen te ontbinden en de eigen troepen op
een veiligen afstand in te kwartieren. De preliminaire voorbereidselen
voor de vredesonderhandelingen werden te Rijssel geregeld onder den
Prins van Oranje, Ruy Gomez en den bisschop van Atrecht aan de eene
zijde, Montmorency en maarschalk St. André aan den anderen kant. Op
den 15en October werden de formeele onderhandelingen geopend in de
abdij van Cercamp, op het onzijdig grondgebied van Kamerijk. Daar
vereenigden zich de hertog van Alva, de president Viglius, de
kardinaal van Lotharingen, de bisschop van Artemis en Claude
l'Aubespine met hen, die te Rijssel waren geweest. Ook Maria van
Engeland zond afgevaardigden, maar het vraagstuk van Calais dreigde
te veelomvattend te worden, zoodat de geheele Engelsche zaak ter zijde
werd gelegd, om onafhankelijk van de Spaansch-Fransche belangen, door
een toekomstig congres te worden beslist. Men moet niet vergeten,
dat Oranje, hier ook aanwezig, pas 25 jaren telde en toch reeds als
een man van groot gewicht in deze hoogst belangrijke diplomatieke
vergadering gold. Daar viel wat te doen. Gedurende de laatste zeven
jaren had men onophoudelijk steden genomen en hernomen, welker bezit
van groote waarde geacht werd. Elk van deze moest in bijzonderheden
worden behandeld. Dan moest het verbeurd verklaarde grondgebied
van partijgenooten aan beide zijden worden teruggegeven en na de
vaststelling der losprijzen, de gijzelaars worden uitgewisseld. Uit
een brief van Oranje aan den hertog van Savoye blijkt, dat er hard
werd gewerkt om de zaak tot een goed einde te brengen en tevens meldt
Oranje aan den hertog, dat bij mogelijke teruggave van Piemont Zijne
Hoogheid over zijn huwelijk met Margareta, zuster van koning Hendrik,
een beslissing moet nemen, daar men deze echt als voorwaarde voor de
teruggave van de landen geëischt heeft. Voordat er eenig besluit in
die vergadering was genomen, had eene gebeurtenis plaats, waardoor
de geheele zaak zeer vereenvoudigd werd.
Maria, die zich het verlies van Calais zeer bijzonder aantrok,
eindigde haar ongelukkig en onbevredigd leven op den 17en November en
liet aldus haar echtgenoot vrij om zijn diplomatieke beloften met een
nieuwe huwelijksverbintenis te bezegelen. Haar dood en de opvolging van
Elisabeth veroorzaakte een tijdelijke opschorting der onderhandelingen.
Een schitterende lijkdienst werd tot haar nagedachtenis door Filips
in Brussel gevierd en daarna kon hij de vraag van een opvolgster
overwegen.
Nog een andere lijkdienst werd er, behalve die van Filips' ongelukkige
echtgenoote, in Brussel gehouden. Reeds den 21en September was keizer
Karel in het klooster St. Juste overleden, maar zijn zoon vond eerst
in het laatst van December tijd, om den doode in het openbaar de
laatste eer te bewijzen. De praalvertooning, die toen in Brussel
plaats had, was echter zoo schitterend, dat het uitstel er wel door
verontschuldigd werd.
De plechtigheden hadden plaats op 29 en 30 December 1558 en behalve
de prachtige rouwversiering van de kathedraal en de stad zelf, trok
van den grooten optocht, die door de stad ging, een schip het meest de
aandacht, zoo kunstig vervaardigd, dat, ofschoon onzichtbare helpers
het droegen, het door zeepaarden scheen voortbewogen. De bemanning
werd voorgesteld door drie zinnebeeldige personen. De Hoop, geheel in
't bruin gekleed met een zilveren anker in de hand, stond aan den
voorsteven; het Geloof, met den avondmaalskelk en het roode kruis
in een wit gewaad met een sluier van wit zijden gaas, zat op een
staatszetel vóór den bezaansmast, terwijl de Liefde in het rood met
een vlammend hart in de hand, aan het roer het schip bestuurde.
Eigenaardig is de beschrijving van een Engelschman, die aan zijn
chef een gedetailleerd verslag zond en waarin ook de Prins van Oranje
vermeld wordt.
"Nagenoeg middenin zag men een schip versierd met de banieren van
's keizers wapenen, en onder deze, vele banieren van de Turken en
Mooren, naar beneden gevallen en in 't water liggende. Het geheele
bovenste gedeelte van het schip was kostbaar gebeeldhouwd en verguld;
de voornaamste touwen en masten, de zeilen en toppen waren alle
zwart.... In het midden bij den grooten mast was een staatszetel
opgericht, waarop niemand zat. Daarvoor stond een meisje geheel in
het wit gekleed, haar aangezicht bedekt met een witten sluier. In
haar rechterhand had zij een rood kruis en in haar linkerhand een
kelk met het sacrament.... Daarna kwamen 24 paarden, die alle een
land voorstelden, waarover de keizer geregeerd had en voor ieder
paard ging een graaf of hertog....
De Prins van Oranje droeg het zwaard met de punt benedenwaarts.... En
toen de dienst was afgeloopen, kwam daar een edelman naar de
lijkkoets (zoover ik kon hooren was het de Prins van Oranje), die
voor de lijkkoets staande, met de hand op de kist sloeg en zeide:
"Hij is dood." Daarop een poos stilstaande, zeide hij: "Hij zal dood
blijven." En wederom na een pauze sloeg hij nog eens op de kist en
zeide: "Hij is dood en daar is een ander in zijn plaats opgestaan,
grooter dan hij ooit was."
Nadat Filips een vruchtelooze poging had gedaan om de hand van Maria's
opvolgster te verwerven en daarbij niet onduidelijk was afgewezen,
werden de onderhandelingen in Februari 1559 te Cateau Cambrésis, in
plaats van te Cercamp heropend en kwam het verdrag op den 3en April
tot stand. Geen der partijen behaalde na 8 jaren oorlog, die zooveel
moeite en kosten na zich had gesleept, eenig stoffelijk voordeel. Al
de veroverde plaatsen werden aan dien souverein teruggegeven, die ze
in 1551 had bezeten. Had indertijd de keizer de grootste verliezen
geleden, nu was zijn zoon aan den winnenden kant. Filips gaf aan
de Franschen vijf steden terug, die hij in Picardië had veroverd,
maar daarentegen stond Hendrik II hem meer dan 200 plaatsen in de
Nederlanden en in Italië af. Filips zou huwen met Elisabeth van Valois
en een bruidschat van 400.000 kronen ontvangen, ofschoon die dochter
van Hendrik II eigenlijk bestemd was geweest voor don Carlos.
Philibert van Savoye werd door het verdrag rijkelijk bevoordeeld. De
Fransche afgevaardigden hadden de belangen van 's konings zuster zeer
behartigd en hij had er in toegestemd Margareta van Valois te huwen,
die in haar bruidskorf een huwelijksgift van 300.000 kronen en de
verbeurd verklaarde vaderlijke goederen van den hertog medebracht.
Het wezenlijk motief, dat de twee monarchen er toe geleid had om tot
een schikking te komen, zonder elkander verder te bestrijden, was,
gelijk ik reeds zeide, hun wensch om een krachtdadig eind te maken
aan de ketterijen, die overal in hunne landen vermeerderden. Toen de
contracten waren geteekend, koos Hendrik Oranje, Aerschot en Egmond
uit, om hem naar Parijs te vergezellen en hem tot onderpand voor
de vervulling van het verdrag te strekken. Oranje ging daar dan ook
reeds vroeg in April heen.
Ongelukkig bestaan er geen particuliere brieven meer van Oranje
gedurende dit Parijsche bezoek. Kleine aanteekeningen, zooals hij
schreef uit het ongemakkelijke kampleven, eindigden voor altijd met
het leven van Anna van Buren. De brieven aan zijne bloedverwanten in
Dillenburg zijn verdwenen, zoodat het onbekend is gebleven, wat zijn
indrukken waren van de Fransche hoofdstad.
Toch is een eigenaardig verhaal bekend geworden, waaruit het
medelijdende hart van onzen Willem duidelijk blijkt.
"De Prins was te Parijs in een hotel gelogeerd, waar de provisiekamer
van den bottelier uitzag op een laan door middel van lage vensters met
ijzeren traliën. In de nabijheid stond een schenktafel met prachtig
zilver. Een booswicht, die dat ontdekt had, peinsde op middelen,
om er zich meester van te maken en voorzag zich van lange haken,
waardoor hij de stukken een voor een naar het ijzeren traliewerk
haalde en die niet door de gaten konden, met kracht omboog. Hij wist
op deze manier al het schoonste naar zich toe te halen.
"Dit onaangenaam geval verontrustte hen, die de zorg voor het zilver
hadden zeer, doch eindelijk werd de dief om een andere schurkenstreek
gevat; hij bekende, dat hij ook dezen diefstal had begaan en werd
tot den strop veroordeeld.
"Toen de dag van de strafoefening was aangebroken, werd juist op het
oogenblik, dat de goede Prins met den koning van de jacht terugkeerde,
de booswicht naar de galg geleid. De Prins zag dit en hoorde van een
voorbijganger, om welke misdaad hij den dood moest ondergaan. Deze,
die den Prins niet kende, antwoordde, dat het de man was, die het
zilveren vaatwerk van den Prins van Oranje had gestolen. Met aandrang
richtte de Prins zich daarop tot den koning, hem verzoekende het
leven van den misdadiger te sparen.
"De koning bewilligde er in en in vollen galop reed toen de Prins zelf
naar de menigte, die zich verzameld had om getuige te zijn van het
akelig schouwspel, staakte de executie tot de aankomst des konings
en redde alzoo den dief uit de handen van den beul. Na hem vermaand
te hebben, in de toekomst een beter leven te leiden, gaf hij hem in
naam des konings de volle vrijheid terug. Het grootste deel van het
zilver kreeg de Prins weerom."
De gijzelaars vonden blijkbaar het vaststellen der eindbepalingen
van het verdrag geen gemakkelijke zaak, want voortdurend werden die
om nietige redenen uitgesteld. Met veel pracht en plechtigheid werd
het huwelijksverdrag tusschen Elisabeth van Valois en Filips II op den
22en Juni, bij afwezigheid van den laatste gesloten, terwijl Alva zijn
gevolmachtigde was. Op den dag van het huwelijk had Oranje zoo hard
gewerkt, dat hij verplicht was den volgenden dag te bed te blijven.
Dat de onderhandelingen zoo langzaam vorderden, was ook onvermijdelijk,
daar beide partijen bevreesd waren te zullen worden bedrogen;
bovendien waren er tal van feesten, om de langwijligheid van de zaken
wat te breken.
Daaronder was ook een jachtpartij in de bosschen van Vincennes, waarbij
een belangrijk voorval plaats had. Op weg naar huis, waren Oranje en
de Fransche koning van de rest der ruiters afgedwaald. Terwijl zij
langzaam onder de boomen voort reden, begon Hendrik, in de meening, dat
de jonge Hollandsche staatsman het volle vertrouwen van zijn Spaanschen
koning genoot, hem te spreken over de bijzonderheden van het privaat
verdrag, dat hij met Alva had gesloten, ten einde de ketterij uit
de gezamenlijke landen van hem zelf en Filips uit te roeien. Wat er
in Oranje moet zijn omgegaan, toen hij van het vreeselijke plan der
vorsten hoorde, blijkt uit hetgeen hij later zelf in zijn Apologie
schreef, n.l. dat hij "door medelijden getroffen werd met zooveel
welvarende menschen, die aldus veroordeeld werden tot vernietiging,
in 't bijzonder met dat land, waaraan ik zooveel verplichting had en
waar men een inquisitie wilde invoeren, erger en wreeder dan die van
Spanje.... Van deze dingen getuige zijnde, beken ik, dat ik van dat
oogenblik af in ernst besloot, het Spaansche ongedierte uit dat land
te verdrijven en nooit heb ik berouw gehad over mijn besluit."
Of het geval zoo dramatisch is geweest als de Prins het voorstelt
in zijn Apologie, mag betwijfeld worden, als we bedenken, dat dit
stuk in 1580 werd geschreven, dus ruim 20 jaar na het voorval, doch
hier staat tegenover, dat Oranje deze geschiedenis reeds in 1562 aan
Granvelle moet hebben meegedeeld.
De zelfbeheersching, getoond bij dat gesprek in het bosch van
Vincennes, heeft den Prins den naam van den Zwijger geschonken, die hem
het eerst door Granvelle moet gegeven zijn. Niet om een doorloopende
karaktertrek, maar om een enkele daad is hem deze naam dus geschonken.
Op een der vele feesten, welke op die jachtpartij volgden, had het
tournooi plaats waarin Hendrik II gewond werd, met het gevolg, dat
hij enkele dagen later op 12 Juli overleed. Zelfs zijn lofredenaars
konden niets goeds van hem vermelden.
Waarschijnlijk was Oranje toen niet meer te Parijs, want hij haastte
zich, door Hendriks mededeeling verontrust, naar de Nederlanden te gaan
zoo spoedig hij verlof kon krijgen, onder belofte echter onmiddellijk
terug te keeren, zoodra hij werd opgeroepen.
Terwijl men in Parijs bezig was de eindbepalingen van het verdrag op te
stellen, maakte Filips zich gereed aan zijn hartewensch te voldoen,
de Nederlanden vaarwel te zeggen en die echt Spaansche rust te
genieten. Hij had van zijn verblijf in het Noorden meer dan genoeg;
de episode van zijn Engelsch huwelijk behoorde tot het verleden;
van nu af was hij tot zijn eigen erfgoed bepaald. Een nieuw huwelijk
was tot stand gekomen, terwijl het verbond met Frankrijk hem de
gelegenheid had geopend, de vrijheid der godsdienstige gedachte uit
te roeien, waartegen hij ieder jaar van zijn verder leven steeds meer
haat koesterde.
Wat verlangde hij terug naar Spanje, waar hij zich in de landstaal
zou kunnen uitdrukken en waar hij tenminste eene omgeving zou vinden,
die meer met hem in aard en karakter overeenkwam. Vrijwel gedwongen
was zijn verblijf in de Nederlanden geweest, maar nu belette hem
niets meer die gewesten vaarwel te zeggen. Voor hij echter kon
vertrekken, moest eerst zijn plaatsvervanger worden aangewezen,
want Philibert van Savoye, de opvolger van Maria van Hongarije, was
in zijn heerschappij over Piëmont hersteld en kon dus niet langer de
betrekking van landvoogd vervullen.
Men zegt, dat Egmond en Oranje zich een oogenblik zouden gevleid
hebben, dat de keus van den nieuwen landvoogd op een hunner vallen
zou, maar waarschijnlijk is dit niet; zij moesten direct begrepen
hebben, dat Nederlandsche edelen, hetzij inboorlingen als Egmond of
genaturaliseerd als Oranje, geen landvoogden zouden zijn naar het
hart van den tegenwoordigen koning.
Over twee mededingsters werd spoedig ernstig gedacht, n.l. de
hertogin van Parma en die van Lotharingen; deze laatste werd door de
Nederlandsche edelen begeerd, omdat zij onder haar naam zelf hoopten
te regeeren.
Oranje vooral ijverde zeer voor haar, hetgeen ook verband hield met
trouwplannen van den Prins.
Anna van Buren was slechts eenige maanden dood, toen Willem, het
voorbeeld van zijn koning volgende, begon uit te zien naar een
tweede echtverbintenis. Zelfs zeer kort na den dood zijner eerste
vrouw, had de Prins een liaison, die niet tot een huwelijk leidde,
maar toch te wereldkundig is geworden, om er niet van te spreken. Het
was een Vlaamsch meisje, Eva Eliver genaamd, dat hem bekoorde en hem
in September 1559 een zoon schonk, bekend onder den naam Justinus
van Nassau, welke natuurlijke zoon van den Prins, naar de gewoonte
der tijden, een opvoeding, overeenkomstig den stand van zijn vader
ontving en dientengevolge ook later gouverneur van Breda en admiraal
van Zeeland werd. Van een huwelijk met die Eva kon geen sprake zijn;
zij huwde later met den secretaris van de stad Hulst, A. Arondaux.
De Prins zelf moest eene vrouw zoeken van zijn stand en geboorte. De
eerste, op wie hij den blik vestigde, was Madame de Touteville, dochter
van den graaf van St. Pol, schoonzuster van den koning van Navarre en
weduwe van den hertog van Enghien. Deze weduwe, nauwelijks 17 jaar,
was een der rijkste en schoonste erfgenamen van Frankrijk. De Prins
leerde haar kennen tijdens zijn gijzelaarschap in Parijs en schijnt
om hare hand aanzoek te hebben gedaan. Ongetwijfeld was haar rijkdom,
bij den toenmaligen staat zijner eigen geldmiddelen, eene sterke
attractie voor Oranje. Doch zoowel Filips II als Hendrik II werkte
dit huwelijksplan tegen; Filips, omdat hij ongaarne de verbinding zag
van Nederlandsche heeren met Fransche geslachten; Hendrik, omdat hij
een ander voor de rijke erfdochter op het oog had, die haar echter
ook niet kreeg.
Toen dit huwelijksplan was afgesprongen, richtte Oranje zijn blik
op Renée van Lotharingen, oudste dochter van den hertog Frans
van Lotharingen en Christierna van Denemarken. Deze was de door
de Nederlandsche grooten, inzonderheid de door Oranje begeerde
opvolgster van den hertog van Savoye als landvoogdes der Nederlanden;
zij was, volgens Catharina de Medicis, "la plus glorieuse femme,
que je visse jamais." Haar schoonheid was niet minder beroemd, dan
die harer dochter. Misschien werd Oranje ook daardoor getroffen,
maar de hoofdbedoeling van zijne poging, om Renée te huwen, lag in
de politiek. Hare moeder, de fiere dochter van koning Christiaan
van Denemarken en van Isabella, zuster van Karel V, was een eigen
nicht van Filips II en zij had alle hoop, dat de koning van Spanje
haar tot landvoogdes zou benoemen. Zij was een zeer eerzuchtige
vrouw, steunde niet alleen elke poging om het huis Holstein
uit Denemarken te verdrijven, maar sprak ook haar woord mede in
de Europeesche staatkunde. Te Cateau-Cambrésis was zij zelfs een
ijverige onderhandelaarster en daar schijnt ook het huwelijksplan
van hare dochter met Oranje te zijn beraamd, omdat de laatstgenoemde
hare kansen om landvoogdes te worden, zeer groot achtte en hij alsdan
onder haar naam in de Nederlanden zou kunnen regeeren. Aan beide
verwachtingen werd de bodem ingeslagen. "Tusschen de niet verloving
van den Prins met Renée van Lotharingen en de niet benoeming van
Christierna tot landvoogdes is een duidelijk voelbaar verband." Koning
Filips schijnt zelf ook aan Christierna geschreven te hebben, dat zij
het aanzoek van Oranje van de hand moest slaan. In het openbaar hield
Filips zich, alsof hij dat huwelijk goedkeurde. Maar hij wilde zijn
heerschzuchtige nicht buiten de Nederlanden houden en buiten staat,
om onder de Nederlandsche edelen een partij te vormen.
Margareta werd tot landvoogdes gekozen, vooral door den invloed van
Granvelle. De benoeming van deze bastaardzuster van den koning was
de eerste gevoelige nederlaag voor de nationale partij onder Filips'
bestuur. Margareta was het oudste kind van den overleden keizer,
buiten huwelijk geboren, vier jaar voor zijn huwelijk, maar als
een erkende dochter, door de zorg van Karels tante en later van
zijn zuster, opgevoed. Op twaalfjarigen leeftijd was zij gehuwd met
Alexander de Medicis, een ellendigen nakomeling van de familie Medicis,
wiens dood binnen een jaar na dat huwelijk geen ongeluk was voor zijn
jonge vrouw. Haar tweede echtgenoot was Ottavio Farnese, zeven jaar
jonger dan zij, met wien zij vrij gelukkig was. Als vrouw was zij geen
aantrekkelijke persoonlijkheid. "De waarheid is, dat haar geest niet
alleen haar sekse te boven ging, maar zij ging zoo gekleed en had
zulk een houding, alsof zij niet was een vrouw met een mannelijken
geest, maar een man in vrouwenkleeren. Zij was zoo sterk, dat zij
aan de hertenjacht gewoonlijk mededeed, hetgeen de lichaamskracht
van vele mannen te boven ging. Op haar kin en bovenlip groeide een
baardje, dat haar mannelijke gelijkheid gaf en groot gezag. Zij had
een helderen geest en kon met wonderlijke handigheid de zaken van
alle kanten bekijken."
Op het punt van godsdienst was zij bekrompen en bijgeloovig, op 't
gebied van staatkunde reeds bedorven in de leerschool van Macchiavelli
en wat haar kundigheden betreft was zij zeer middelmatig; ze kon
nauwelijks het Fransch schrijven, dat te Brussel altijd als hoftaal
had gegolden.
Hoe kon deze vrouw, die bij haar verschijning liefde noch achting kon
inboezemen, bewaakt door het achterdochtig oog van Filips en geplaatst
onder de voogdij van Granvelle, een krachtige, vrije ontwikkeling
geven aan den adel, die haar omringde?
Ziedaar de nieuwe meesteres onder wie Oranje zijn loopbaan als
staatsman aanving. Zijn leerjaren waren voorbij. Als page had hij den
keizer trouw en loyaal gediend en onder zijn banieren zijn eerste
campagnejaren doorleefd. Met den nieuwen meester had hij forten
gebouwd en gekampeerd en daarna was hij ingewijd in het moeielijker
werk, om verdragen tot stand te brengen. Voortdurend was zijne
verantwoordelijkheid grooter geworden en nu stond hij aan den aanvang
van het moeilijkste deel van zijn loopbaan. De ondervinding, die hij
reeds had opgedaan en het hooge standpunt, dat hij innam onder de
Nederlandsche heeren, gaven hem recht om mede te werken aan het eerste
openbaar verzet tegen den wil des konings. Nog voor deze naar Spanje
terugkeerde, zou hij van den aanvang van dat verzet getuige zijn.
De eenige regelmatige regeeringstroepen in de Nederlanden waren de
zoogenaamde "bandes d'ordonnance", die uit 3000 ruiters bestonden, in
14 escadrons verdeeld, ieder onder het commando van een stadhouder of
edele. Behalve deze troepen waren er in het jaar 1559 nog omstreeks
4000 vreemde soldaten, voornamelijk Spanjaards, in het land
ingekwartierd. Wat moesten deze vreemde troepen nog na den vrede
in het land doen? Toen Hendrik II in het bosch van Vincennes zijn
vertrouwelijke mededeeling aan Oranje deed, was een van de punten,
die bijzonder de verontwaardiging van den Prins hadden gewekt, dat
die vreemde troepen van nu aan zouden gebruikt worden om de ketterij
te onderdrukken, daar hun diensten niet verder noodig waren tegen
een buitenlandschen vijand, sinds Frankrijk en Spanje zich hadden
verbonden. Om elke schikking dienaangaande te voorkomen, had Oranje
zijn verblijf in de Fransche hoofdstad bekort en zich huiswaarts
gespoed; hij wachtte slechts op een gelegenheid, om tegen het langer
verblijf dier Spaansche troepen op te treden.
De Staten-Generaal, die Filips, in strijd met het voorbeeld van Maria,
de vroegere landvoogdes en met de waarschuwing van Granvelle, kort na
den afstand van Karel V had bijeengeroepen, om beden toe te staan,
werden, al was de uitslag van die eerste samenroeping niet naar
wensch geweest, toch nog eenmaal vóór Filips' vertrek door hem te
Gent vereenigd om afscheid van hem te nemen en Margareta als Filips'
vertegenwoordiger te verwelkomen.
Op den vastgestelden dag waren de Staten vergaderd en verscheen
de koning met de nieuwe landvoogdes, den hertog van Savoye en
vele gezanten en edelen in hun midden. Aan Granvelle was de taak
toevertrouwd de afgevaardigden in naam van den vorst toe te spreken. In
sierlijken stijl en hoogdravende woorden werd meegedeeld, waarom
Filips zijn geliefde gewesten ging verlaten, dat alleen innige liefde
voor de Nederlanden hem had genoopt tot het einde van den oorlog
hier te blijven. Het achterlaten der Spaansche troepen werd met
een enkel woord vergoelijkt en aan de Staten op het hart gedrukt,
de edicten van wijlen zijn vader alle uit te voeren. Bovendien
verzocht de koning nogmaals een bede, nu van 3 millioen florijnen,
daarbij herinnerende aan de omstandigheid, dat al het geld, evenals
dat vroeger was geschied, ten nutte van de geliefde gewesten zou
worden besteed. Na het eindigen dezer rede gingen de Staten uiteen,
om volgens oud gebruik die bede te overwegen en op den volgenden dag
deelde elk gewest afzonderlijk zijn antwoord mede.
De Staten van Artois waren de eerste, die hun besluit moesten
voorlezen. In navolging van de rede van hun souverein spraken ze in
niet minder sierlijke woorden van hun innige verknochtheid aan hun
vorst; ze beloofden tevens plechtig, zoover hun aandeel betrof, de
nieuwe bede op te brengen. Filips had hen onder al die vleiende woorden
glimlachend aangekeken, maar op hetgeen aan het slot werd vermeld, had
de koning niet gerekend. De Staten toch eindigden met Zijne Majesteit
ernstig te verzoeken, als vergoeding voor hunne bereidvaardigheid,
onmiddellijk de Spaansche troepen uit de Nederlanden te verwijderen.
Bij deze onverwachte wending in de toespraak van de afgevaardigden
verdween niet alleen zijn glimlach, maar toonde de vorst zich diep
beleedigd. De Staten der andere gewesten volgden, maar verzochten
niet als die van Artois de verwijdering der vreemde troepen, doch
stelden dit vertrek als voorwaarde voor het verleenen van de bede.
Behalve de antwoorden der afzonderlijke Staten werd nog voor het
uiteengaan der vergadering een afzonderlijk formeel protest in naam der
Staten-Generaal aangeboden, onderteekend door den Prins van Oranje,
Egmond en vele andere Nederlandsche edelen. In dit protest werd de
zaak bij den rechten naam genoemd, werd gewezen op de rooverijen en
uitspattingen van het "Spaansche ongedierte" en bovendien met nadruk
aangedrongen de belangen van den Staat niet aan vreemdelingen, doch
zooals van ouds, aan inboorlingen over te laten.
Was Filips door de antwoorden der Staten reeds ten diepste beleedigd,
de aanbieding van het laatste verzoekschrift deed de maat bij hem
overloopen. Woedend stond hij op, verliet de vergadering onder het
uiten der woorden: "Of ze hem die ook een Spanjaard was, niet mede
het land wilden doen ruimen."
Voor het eerst had men zich in de noordelijke gewesten openlijk tegen
den Spaanschen koning verzet en Oranje, die zooals we zagen, het
stuk mede onderteekend had, was blijkbaar bij deze gelegenheid de man
geweest, die de leiding had gehad. Vandaar, dat het niet vreemd is,
dat men het volgend voorval vermeld heeft, al was het alleen maar
om uitdrukking te geven aan de algemeene opinie, dat de Prins van
Oranje de hoofdleider van die beweging in de zaak van het Spaansche
krijgsvolk is geweest.
Toen alle toebereidselen voor het vertrek van Filips gemaakt waren,
vertrok de koning naar Vlissingen, vanwaar de vloot naar Spanje
zou uitvaren. Onder de aanzienlijksten van deze gewesten, die hem
uitgeleide deden, behoorde ook de Prins van Oranje. Het afscheid
was zeer hartelijk; Filips omhelsde de edelen, doch zich tot den
Prins van Oranje keerende, verweet hij hem bitter de houding door
de Staten tegenover hem aangenomen. De Prins verontschuldigde zich,
zei dat alles langs regelmatigen weg was geschied en het niet zijne
beslissing, doch die van de Staten was geweest, waarop Filips den
Prins verontwaardigd bij den arm greep en uitriep: "No los estados,
ma vos, vos, vos!" "Niet de Staten, maar gij, gij, gij!"
De Prins van Oranje zou na deze openlijke beleediging zich niet aan
boord van 's konings schip hebben begeven, maar zich vergenoegd hebben
hem van den wal af een goede reis toe te wenschen!
Hoewel het verhaal niet geheel betrouwbaar is, kan het als bewijs
dienen hoe de tijdgenooten dachten over het aandeel, dat de Prins in
het verzet had en hoe ze hem als de ziel der beweging beschouwden.
Den 26en Augustus 1559 ging de vloot, uit negentig schepen bestaande,
te Vlissingen onder zeil en bracht den koning na een zeer stormachtige
reis behouden naar Spanje.
Wel had hij beloofd binnen drie of vier maanden de vreemde soldaten uit
het land te zenden, bij welke belofte zich de Staten hadden neergelegd,
maar het duurde nog tot 1561, eer het geschiedde. De Prins van Oranje
en Egmond werden met het opperbevel over de Spaansche regimenten
belast, doch eigenlijk voerden Romero en Mendoça het bevel. Oranje
en Egmond leenden alleen hun naam.
Dat deden ze ook bij het lichaam van den Raad van State. Ten einde
hun houding daarin, vooral die van Oranje, te begrijpen, is het
noodig, eenigszins van naderbij de regeeringslichamen te beschouwen,
die in werking waren bij het vertrek van Filips. De landvoogdes werd
bijgestaan door de drie Raden, die van 1531 af reeds onder Karel V
waren ingesteld, namelijk de Raad van State, die van Financiën en de
Geheime Raad. De beide laatsten waren onmisbare werktuigen voor de
regeering. Aan het hoofd van den Raad van Financiën stond Barlaimont;
aan dat van den Geheimen Raad, die zich met de administratie van
recht en wet ophield, was Viglius geplaatst. De Raad van State moest
op den algemeenen gang der regeering invloed uitoefenen; in zaken
van oorlog en vrede, van landsverdediging en rustbewaring moest die
Raad, uit de aanzienlijksten van het land samengesteld, de landvoogdes
voorlichten. Uit Nederlanders samengesteld, moest hij aan het volk ten
waarborg strekken, dat, wie ook landvoogd wezen mocht, de strekking der
regeering niet anti-nationaal zou wezen. De landvoogdes Maria echter
vond reeds in dien Raad een te groote beperking van haar eigen gezag,
en Granvelle, die bij Filips' vertrek door hem aan Margareta was
aangewezen als haar raadgever en die in alle drie Raden zitting had,
wist Margareta van Parma te overtuigen, dat ze niet beter kon doen,
dan Maria's voorbeeld te volgen en zoo weinig mogelijk den Raad van
State te raadplegen. Hij kon niet opgeheven worden, maar hij werd een
bloot sieraad, dat aan de regeering een nationalen glimp moest geven.
In dat lichaam, in oorspronkelijke bedoeling zoo veelbeteekenend,
maar afgedaald tot den rang van versiering, werd ook Oranje met Egmond
gekozen. Wel begrijpende dat zij, daarin zitting nemende, alleen als
instrument zouden dienen, begonnen ze met voor die eer te bedanken,
doch daar Filips hun een belangrijk geschenk in geld gaf, namen ze
de benoeming aan, op voorwaarde, dat ze dan ook werkelijk zouden
worden geraadpleegd. Ras ontdekten ze, hoe ze bedrogen waren, want
Granvelle, Viglius en Barlaimont overlegden eerst alles in de Consulta,
en brachten slechts in den Raad van State wat zij goedvonden. We
zullen nader zien, hoe onder tal van andere rechtmatige grieven, de
miskenning die Oranje in den Raad van State ondervond, den doorslag
tot zijn verzet heeft gegeven.
De verschillende gewesten werden onder stadhouders gebracht. Holland,
Zeeland en Utrecht kwamen onder het stadhouderschap van den Prins van
Oranje, gelijk Vlaanderen en Artois onder dat van Egmond; Gelderland en
Zutfen onder dat van Meghen; Friesland, Groningen en Overijsel onder
dat van Aremberg, enz. Het was dientengevolge de eerste taak van den
Prins, de staten van zijn bestuur samen te roepen en er voor te zorgen,
dat zij voorzieningen zouden treffen om hunne quota's (aandeelen
in de belasting) te voldoen. Te midden van deze bezigheden kwam er
een oproeping tot hem, om aanwezig te zijn bij de kroning van den
nieuwen koning van Frankrijk, Frans II, te Reims. In die dagen schreef
Margareta den Prins uit Brussel op den 13en September het volgende:
"De weg, dien gij hebt ingeslagen, om de Hollanders te
overreden, schijnt zeer goed geweest te zijn.... Ik zou
liever gezien hebben, dat de Franschen u thans maar niet
hadden opgeroepen, want ik heb voor het tegenwoordige uwe
diensten zeer noodig. Men geeft mij echter de hoop, dat uw
verblijf in Frankrijk van korten duur zal zijn."
Margareta beveelt verder Oranje ten krachtigste aan, in Frankrijk zijn
invloed aan te wenden, dat men zich haasten zal met de restitutiën, bij
den vrede bepaald; dan zal men ook van de zijde van den Spaanschen
koning alles aanwenden, om hetzelfde te doen. Ook stelt zij in
dat schrijven voor, in zoo verre eene verandering te brengen in de
plaatsing van de gehate Spaansche troepen, die onder commando (?) van
Egmond en Oranje waren gesteld, dat die naar de grenzen van Luxemburg
en Henegouwen zouden vertrekken.
In Reims volbracht de Prins zijne zending. Op 15 October 1559 was hij
in Brussel terug en daar ontving hij de droevige tijding, dat zijn
vader, graaf Willem van Nassau, den 6en October op den leeftijd van
72 jaar was gestorven. Bijna zijn geheele leven had Oranje, van zijn
vader verwijderd, doorgebracht en onder invloeden, die wel in staat
waren, een jongmensch van ouderlijke invloeden te vervreemden. Bij
den Prins was dit, gelijk wij in het volgend hoofdstuk zien zullen,
niet het geval geweest. Bij de aanvaarding der erfenis van Chalons, had
Willem van het grootste deel van zijn erfgoed in Nassau afstand gedaan
en alleen ter wille der titels een zeker recht op de voorvaderlijke
kasteelen behouden. Nu werd hij natuurlijk het hoofd der familie en
als zoodanig ontving hij alle eer en onderscheiding aan het hoofd
der Nassau's verschuldigd; maar de Duitsche landen vielen terecht
aan zijne broeders ten deel, die op Duitschen bodem waren gebleven.