Het reisje naar Brussel, ter bijwoning van de abdicatie van den
keizer, was voor den Prins niet van langen duur, want hoewel de
schitterende kleine hoofdstad vol vroolijkheid was ter eere van
de vele vreemdelingen binnen haar wallen vereenigd, mocht Oranje
er maar kort van genieten en zien we hem op den 26en October, den
dag volgende op dien der plechtigheid, reeds weer bij de in aanbouw
zijnde forten terug.
Noch de feesten, noch het verblijf zijner vrouw te Brussel, ten
huize van de hertogin van Aerschot, hadden hem weerhouden zijn plicht
tegenover den nieuwen souverein te vervullen. Deze had van den aanvang
zijner regeering met dezelfde moeielijkheden als zijn vader te kampen;
gebrek aan geld, schaarste aan levensmiddelen en tengevolge hiervan
ontevredenheid onder de troepen.
Nauwelijks was Filips vier dagen aan het bewind, of de Prins ontving
reeds een schrijven, waarin hem spoedige toezending van 12000 kronen
werd beloofd, maar de vervulling dier belofte bleef achterwege en
de brieven in de herfst van 1555 tusschen hen gewisseld, waren vol
klachten van den een, vol beloften en verzekeringen van den ander.
"Wij zijn hier zonder een penning; de soldaten sterven van honger en
koude en aan het hof nemen ze niet meer notitie van ons, dan of wij
reeds dood waren. Stel u de mate van geduld voor, die ik gedwongen ben
uit te oefenen," schreef Oranje aan zijn vrouw, haar tevens meldende,
dat hij niet wist, wanneer ze ontbonden zouden worden, want dit kon
niet geschieden voor het geld was ontvangen.
In het begin van het nieuwe jaar werden de klachten der soldaten
luider en luider en groeiden zóó aan, dat ook Brussel niet onkundig
bleef. Hoe omstandig en scherp Willem van Oranje de moeilijkheden
ook had beschreven, toch nam Filips pas maatregelen, toen een zekere
Hans Bernard, kapitein eener onafhankelijke compagnie, een speciale
commissie aan den koning zond om de klachten over te brengen. Nog
stuurde hij echter geen geld, maar gaf den soldaten de vergunning het
land te verlaten! Tevergeefs poogde de kapitein den koning te doen
begrijpen, dat deze maatregel hem zeer zou benadeelen en bovendien
den geheelen ondergang van het platte land ten gevolge zou hebben.
De onderhandelingen over den vrede waren reeds maanden gevoerd en
hadden ten slotte het gevolg, dat er in Februari 1556 te Vaucelles
een wapenstilstand werd gesloten; te Philippeville en op andere
plaatsen bleven garnizoenen, maar het overschot der troepen werd
betaald en ontbonden.
De Prins van Oranje werd dus ook van zijn moeielijke plichten
ontheven en na een verblijf van zes achtereenvolgende maanden,
verliet hij op het einde van Januari het kamp. Men kan wel aannemen,
dat die treurige tijd er niet toe heeft meegewerkt om Filips bemind
te maken bij den Prins, die maar niet kon vinden, dat de schijnbaar
welwillende brieven van zijn vorst, krachtige middelen waren om de
oorlogskosten te bestrijden.
Filips had zich zeer welwillend tegenover Oranje betoond in deze eerste
maanden, want in November van het vorige jaar had hij hem bericht,
dat de Prins tot lid van den Raad van State was gekozen, een eer,
die door Willem erg koel werd beantwoord en nu, na zijn verblijf in
het kamp, reisde hij naar Antwerpen, teneinde aldaar in de Orde van
het Gulden Vlies te worden opgenomen.
Deze orde was in 1430 door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn
huwelijk met Isabella van Portugal gesticht. Ze werd ingesteld als het
meest schitterend sieraad en als de hechtste steun der heerschappij van
het Bourgondische huis. Door haar wilde men boven den onvervreemdbaren
adel van herkomst en geboorte, een nog hoogeren adel stellen, die
door den wil des konings zijn zou, wat in Engeland en Frankrijk de
pairs der kroon waren. De voorrechten van de ridders van het Gulden
Vlies waren vele; hun hoogste privilege was, dat ze alleen door hunne
medeleden konden worden gevonnist. Doch ook de plichten waren zeer
bindend. Ze moesten trouw zweren aan hun Bourgondischen heer; niet
minder trouw aan het katholiek geloof. Vandaar, dat de vader van Willem
van Oranje het ridderschap weigerde, gelijk we vroeger zagen, omdat
hij den eed om de Kerk getrouw te zijn, niet kon afleggen. De zoon,
na zijn komst in de Zuid-Nederlanden in de Katholieke kerk opgevoed,
zag in het afleggen van dien eed geen bezwaar; wel een bewijs, hoe
die opvoeding alle zaden van het Protestantsch geloof zijner ouders
in hem scheen te hebben verstikt en hoe de Prins althans in het jaar
1556 in het minst nog geen voorgevoel had van zijn roeping in zijn
aangenomen vaderland.
Tegelijk met hem werden er negentien nieuwe Vliesridders gekozen,
waarvan negen Nederlandsche edelen, een feit, dat op een geheel nieuwe
richting van bestuur scheen te wijzen en dientengevolge den staatsman
Granvelle met angst vervulde. Karel V toch was de vriend der steden
geweest. Filips toonde zich van stonde af een vriend der edelen. Hoe
weinig de toekomst aan die voorliefde beantwoord heeft, is bekend.
Willem van Oranje was de derde van de 19, die gekozen werd; op den
30en Januari ontving hij de halsketen, het teeken zijner nieuwe
waardigheid. Na die plechtigheid ging hij naar Breda, waar hij dien
zomer met korte tusschenpoozen bleef.
Het einde van den oorlog was voor de Nederlanden een zeer gelukkige
gebeurtenis; overal werden feesten gevierd en niet het minst had
de groote handelsstad Antwerpen haar vreugde aan den dag gelegd;
geheele ossen werden op de openbare pleinen gebraden en bij het
bezoek van Filips stroomde niet alleen de wijn, maar waren de wegen
met honderden eerepoorten versierd en strooide men bloemen voor zijn
voeten, ofschoon het in Februari was.
Men had nu in de Nederlanden verwacht, dat de koning zou overgaan
tot afdanking der troepen, die op kosten van deze gewesten werden
onderhouden, maar Filips, die bij de feesten in Antwerpen al zoo
onheilspellend somber had gekeken, dacht er niet over dit te doen. Het
leger moest op dezelfde sterkte worden gehouden, daar de wapenstilstand
wel van korten duur zou wezen en hiertoe was juist geld noodig,
vooral, omdat ook de soldij in langen tijd niet was betaald.
Toen de Prins in het legerkamp was, had hij reeds het bittere ongemak
van geldgebrek ondervonden tegenover de schuldeischers van den koning,
maar nu kwam hij voor nog grooter moeilijkheden te staan, nl. geld
van Filips' onderdanen te vragen.
In Maart zou er een vergadering van de Staten-Generaal zijn, waartoe
ook Oranje door een eigenhandig schrijven van Filips was opgeroepen.
De Prins haastte zich zijn meester te gehoorzamen en op den 12en had
de vergadering plaats, waar ook Egmond, Aremberg, Meghen en andere
heeren aanwezig waren.
De koning deed wanhopige pogingen bij die eerste vergadering van de
vertegenwoordigers der Nederlandsche gewesten natuurlijk te zijn. Zijn
geldgebrek was zeer drukkend, niettegenstaande de edelmoedigheid
zijner Engelsche vrouw en hij hoopte de afgevaardigden te overreden,
hem voldoende giften te schenken, teneinde zijn ledige schatkist aan
te vullen.
Het eigenlijke plan van Filips was een soort gedwongen heffing, een
blijvende belasting, maar toen hij zag, dat men dit niet wilde, nam
hij genoegen met een gift, die door de Staten-Generaal werd toegestaan.
Nadat dit besluit door de afgevaardigden was genomen, kwam nog het
moeilijkste werk, het inzamelen der gelden. Er was vooral in 's
Hertogenbosch oppositie tegen en de koning schreef een eigenhandigen
brief aan Oranje, waarin hij hem vroeg, daar heen te gaan, teneinde
den stadsraad tot rede te brengen. De Prins ging in September met
den raadsheer Noppenus naar die stad. Eerst bestond daar bezwaar,
een vergadering bijeen te roepen, omdat het college van schepenen
moest vernieuwd worden, m. a. w. de wet verzet. Toen er eindelijk een
vergadering was samengeroepen, weigerden de twee eerste afdeelingen
van den raad voor iedere contributie, welke ook, te stemmen, terwijl
de derde goed vond een zeker bedrag te geven, maar onder bepaalde
voorwaarden. Uit den langdradigen brief, dien Oranje aan den koning
over die zaak schreef, blijkt ten duidelijkste wat de Prins al niet
deed om den koning genoegen te doen en toch was hij geheel overtuigd
geworden, dat geen onwil, maar slechts onvermogen de Bosschenaren tot
verzet bracht en deed hij derhalve met het oog op de armoede der plaats
een beroep op de genade des konings. Dit herhaalde hij nog eens op den
7en October in een brief aan den hertog van Savoye, wiens bemiddeling
hij inriep ten gunste der inwoners van 's Hertogenbosch. "De armoede
der stad is zoo groot, dat het medelijden verwekt, die aan te zien,"
schreef hij.
Filips was geenszins genegen de stad ter wille te zijn en beval
Oranje andere pogingen aan te wenden, om haar tot gehoorzaamheid aan
den koning te brengen. Wat het eindresultaat van deze onderhandeling
geweest is, komt niet in eenig document, dat bekend is, voor; het
geval is alleen merkwaardig in zoover het bewijst, welke eerbiedige
pogingen door Oranje werden aangewend, om den wil van zijn souverein
te volbrengen, al was ook zijn sympathie voor de volkszaak opgewekt.
De wapenstilstand, die te Vaucelles in Februari 1556 voor vijf jaar
was gesloten, duurde nauwelijks tweemaal vijf maanden, want reeds in
Januari 1557 heropende Hendrik II, door verleidelijke aanbiedingen
van den Paus verlokt, de vijandelijkheden in Italië.
Paulus IV namelijk, Napolitaan van geboorte, haatte de Spanjaarden
als overheerschers van Napels en streefde van zijn eerste optreden
af naar niets meer, dan naar het verbreken van den vrede tusschen
Spanje en Frankrijk, ten einde, geholpen door Hendrik II, Napels aan
de macht van Filips te ontrukken.
Hoe onstaatkundig Granvelle dezen oorlog van Filips tegen den Paus
ook vond, hij werd verklaard, doch duurde slechts kort in Italië,
want Alva bracht door zijn toenmaals reeds bekende wreedheid de meeste
plaatsen onder de gehoorzaamheid van Spanje terug. Daarop verzoende
zich Filips met Paulus IV om des te feller een oorlog tegen Frankrijk
te kunnen voortzetten.
Oranje, die daarin overigens geen voorname rol speelde, werd wel
in den aanvang met allerlei zendingen belast, die daarmee verband
hielden. Zoo was het zijne taak, oversten zooals George von Holl te
overreden, de karige aanbiedingen aan te nemen, die zijn souverein
goed genoeg vond. Aan den hertog van Savoye schreef de Prins daarover
een langen brief, waarin hij berichtte, dat von Holl de voorwaarden
had aangenomen, mits hem een ruim tafelgeld met het oog op de duurte
der tijden werd toegestaan.
Bovendien werd Oranje met een zending naar den aartsbisschop van Keulen
belast, met het doel hem te overreden, zich met Filips te verbinden. Na
een kort oponthoud, ten gevolge van een koortsaanval op zijn reis van
Breda, kwam Oranje in Keulen aan en deed zijn best zijn opdracht tot
een goed einde te brengen. De aartsbisschop beweerde echter, dat hij
niet de vrijheid had een defensief verbond aan te gaan zonder eerst
zijn kapittel te hebben geraadpleegd.
Oranje keerde naar Breda terug en liet zijn schoonbroeder Nuenar
(gehuwd met zijn halfzuster Magdalena) achter om de beslissing van
den aartsbisschop af te wachten.
Op den 18en Mei vroeg en verkreeg Oranje vergunning naar Frankfort
te gaan, teneinde zijn vader te helpen bij den afloop van het
Catzenellenbogen-proces, dat, gelijk we zagen, in 1557 eindigde.
Terwijl de Prins voor particuliere belangen werkzaam was, deed
Filips een reis naar Engeland om, hoewel juist in tegenspraak met
de voorwaarden van zijn huwelijk, zijn vrouw door vriendelijke en de
ministers van haar door harde woorden, tot deelneming aan zijn oorlog
met Frankrijk over te halen.
Dit gelukte hem zonder veel moeite, zoodat Engeland zich in een geschil
gewikkeld zag, waarin het eigenlijk niet betrokken was. Later bleek,
dat dit volkomen streed met Engelands belangen en dat het daarin
alleen werd meegesleept door de hartstochtelijke verkleefdheid van
een zwakke, slechte en wreedaardige vrouw, die Filips haatte.
Nimmer scheen later de gelukszon zoo helder over den koning als in
den vroegen zomer van 1557, toen nog al zijn onderdanen hem getrouw
waren en hij de beurs zijner Engelsche echtgenoote geheel tot zijne
beschikking had. Wat zij ook tegenover haar volk moge geweest zijn,
tegenover hem was zij nooit karig.
In Mei trokken de troepen onder den Hertog van Savoye te velde
en de hoop op versterkingen van gindsche zijde van het kanaal werd
spoedig verwezenlijkt, al waren er nog vele bezwaren te overwinnen. De
Engelschen droegen zeker Frankrijk geen liefde toe, maar zij hadden
zulk een hartgrondigen haat tegen hun titulairen koning, dat ze zich
eerst krachtig verzetten tegen hulp aan Filips, zelfs in zijn oorlog
met hun erfelijken vijand.
Toch slaagde Maria erin, het verzet harer onderdanen te overwinnen en
kon zij haar echtgenoot van de hulp voorzien, waarom hij gevraagd
had. Filips nam afscheid van zijn onbeminnelijke maar hem zeer
liefhebbende echtgenoote en keerde voldaan naar Brussel terug.
Hier verzamelde hij zijn huursoldaten, die met de Spaansche
en Nederlandsche troepen, 35000 voetknechten en 12000 ruiters
bedroegen. Het leger werd spoedig nog versterkt door het Engelsche
hulpkorps van 8000 man onder den Hertog van Pembroke. In de nabijheid
van Givet werd deze geheele legermacht in het midden van Juli, onder
bescherming van het nieuwe fort Philippeville en onder commando van
den hertog van Savoye, vereenigd.
De Fransche legermacht werd in Picardië verzameld onder Montmorency,
bijgestaan door den maarschalk St. André en door Coligny, die reeds
gebleken was een gevreesde tegenstander te zijn.
De beide legers, ofschoon niet groot, bestonden uit uitgelezen troepen
en werden aangevoerd door de bloem van Europa's ridderschap. "Koningen
en Prinsen en de doorluchtigste Paladijnen der christenheid
rustten zich uit tot het groote tournooi, waartoe zij door heraut
en trompetgeschal waren opgeroepen" en onder hen bevond zich in het
leger van Filips, Lamoraal Graaf van Egmond, "de bataafsche held,
zonder kroon of rijk, maar met een even eerwaardigen stamboom als
waarop menig gekroond hoofd zich beroemen kon, brandende van begeerte,
zich in het worstelperk te onderscheiden."
Na enkele schermutselingen in de buurt van Guise en andere kleine
plaatsen, keerden de Spaansche troepen al hun macht tegen St. Quentin,
een belangrijke stad op den rechtstreekschen weg naar Parijs. Coligny
had die mogelijkheid voorzien en het gelukte hem de stad binnen te
komen, al was het zonder veel troepen, doch hij hoopte haar door
zijn bekwaamheid en ervaring te redden. St. Quentin was spoedig bijna
volkomen ingesloten.
Het gelukte echter Montmorency een gedeelte van zijn troepen binnen
de stad te brengen, zoodat het voor de belegeraars minder gunstig
was geworden en men besluiteloos werd, wat te doen. Ook Philibert
van Savoye was geheel uit het veld geslagen. Niet alzoo Egmond, die
in eene welsprekende rede den krijgsraad er op wees, van welk groot
gewicht het zou zijn den grooten Connétable Montmorency aan te vallen
en hem daardoor den terugtocht af te snijden.
Voor Egmonds hevige taal moesten alle bedenkingen wijken; men volgde
zijn raad, die boven alle verwachting met succes werd bekroond. Binnen
een uur werden 6000 Franschen gedood of gevangen genomen waaronder
de Connétable zelf, die gewond in 's vijands handen viel.
Men had aan Egmond de overwinning te danken, een overwinning, die
Frankrijk de gruwelijkste nederlaag bezorgde sedert de dagen van
den Zwarten Prins geleden. Een doodelijke slag was aan Frankrijk
toegebracht en de Vlaamsche grenzen waren thans beveiligd voor de
ellende, die het Fransche grondgebied ten deel viel.
"Egmond en St. Quentin," beide namen zouden thans van mond tot mond
gaan tot de uiterste grenzen van de heerschappij van den Spaanschen
souverein. Het leger van Montmorency was vernietigd, maar Coligny
was nog in St. Quentin en om de overwinning volkomen te maken, was
de inneming dier stad noodzakelijk.
Filips ging ondertusschen van Brussel naar Kamerijk en ontving de
gelukwenschen, die hem van alle zijden toestroomden.
De vruchten te plukken van deze groote overwinning, een onmiddellijke
aanval op Parijs te wagen, waarvoor de weg thans open was, dit
wilden al de bekende veldheeren; niet echter de vreesachtige, àl
te voorzichtige Filips, die er zich mee tevreden stelde, beleefd
de eerbewijzen voor de dapperheid van zijn generaal in ontvangst te
nemen, maar daarna liefst op veiligen afstand de verdere verwikkelingen
wilde afwachten.
Welk een contrast met zijn vader! Deze zou niet te Kamerijk hebben
gewacht, noch zelfs op de plaats der overwinning, maar Parijs zou
zijn doelwit zijn geweest, nu hem de weg zoo was gebaand.
Toen de keizer hoorde over dit eerste succes van de regeering van
zijn zoon, was zijn eerste vraag: "Is Filips in Parijs?" Maar dat
Mecca bereikte hij nooit, al was hij ook door het nemen van Chatelet,
Han en Noyon verder het Fransche grondgebied binnengedrongen, dan
aan zijn vader ooit was gelukt.
Duidelijk bleek hier, dat Filips van een anderen stempel was en hij
nagenoeg alle eigenschappen des geestes miste, die den keizer hadden
gesierd en die hem de harten deden winnen. In zich zelven gekeerd,
scheen het zijn hoofddoel te zijn, die eenzame rust te genieten,
die de Spanjaarden Sosiego noemen.
Wat St. Quentin aangaat, hoewel slechts door 800 man verdedigd, hield
de stad het dapper uit tot den 27en Augustus, toen er een gelijktijdige
aanval op vier van de bressen, die in de wallen geschoten waren,
plaats had. De stad gaf zich over, hoewel ze tot het laatst dapper
weerstand bood. Coligny toonde zich een uitstekend aanvoerder,
overal aanwezig, waar het gevaar het grootst was en toen de vijand
door een toren binnendrong, die men sterk genoeg dacht en onbewaakt
had gelaten, was het Coligny, die slechts door een paar man vergezeld
er heen ging. Hier werd hij overmeesterd en krijgsgevangen gemaakt
door een soldaat, die hem langs een der mijnen naar den Hertog van
Savoye bracht, van wien de soldaat tienduizend dukaten ontving tot
loon voor het zwaard van den Admiraal. Het was nl. een algemeen
erkend gebruik, dat degene, die den opperbevelhebber gevangen nam,
daarvoor een dergelijke groote som als geschenk ontving.
Het lot der stad was verschrikkelijk en de slachting, die er plaats
had, was een van de meest beruchte in de geschiedenis der belegeringen
van de 16e eeuw.
Een Spaansch krijgsman, die erbij tegenwoordig was en een dagboek
hield van al hetgeen er voorviel, schreef:
"Ik wandelde door de stad en aanschouwde dit alles; het
scheen mij een tweede verwoesting van Jeruzalem. Wat mij het
meeste trof, was, dat ik geen enkelen ingezetene der stad
overgebleven zag, die Franschman was of zich ervoor durfde
uitgeven. Hoe ijdel en voorbijgaand, dacht ik, zijn de dingen
dezer wereld. Nog geen zes dagen en wat was er niet al rijkdom
in deze stad en thans is er geen steen op den andere gelaten."
De naam van Oranje wordt in geen der geschiedenisverhalen bij den slag
van St. Quentin bijzonder vermeld, maar van het midden van Juli af was
hij op het oorlogstooneel aanwezig en commandeerde een der compagnieën,
die de stad belegerden. Van uit het kamp voor St. Quentin deelde
hij zijn vrouw een en ander over de belegering mede; later, den 11en
September meldde hij haar, dat Han zich aan de genade van den koning
had overgegeven; hij betreurt in dien brief de groote verwoesting,
welke de Franschen er hebben aangericht. Aan het slot zegt hij nog,
dat hij onmiddellijk tijding zal zenden, wanneer hij weet, wat er
verder gedaan zal worden. Wederom is dit een bewijs, hoe gaarne Anna
van Buren geheel op de hoogte werd gehouden van den werkkring van den
Prins en tevens hoe deze steeds voortging haar voortdurend berichten
uit het kamp te zenden.
Uit hetzelfde kamp bij Han meldt hij haar den 27en September,
dat hij een lichten aanval van koorts heeft gehad, dien hij weder
terugverwacht. Hij had daar niet alléén last van dat ongezonde kamp,
want hij schreef, dat zijn broer zich eveneens sinds een paar dagen
onwel bevond.
De broeder hier bedoeld, was Lodewijk, derde zoon van Willem van Nassau
en Juliana van Stolberg. Het is bekend, hoe deze het lot van zijn
broer in de Nederlanden heeft gedeeld en hoe jammerlijk zijn uiteinde
is geweest. Telkens zullen we hem ontmoeten, werkzaam voor de zaak
des Prinsen en voor de bevrijding van ons vaderland. Als diplomaat
en als krijgsman stond hij in hooge achting; hij was een der edelste
kampioenen voor onze vrijheid, een schitterende, ridderlijke figuur,
waarop ons oog van ter zijde telkens met eerbied zal staren. In 1538
werd hij geboren en was dus vijf jaar jonger dan Willem van Oranje. In
tegenstelling met zijn broeders Jan en Adolf, die te Wittenberg
studeerden, bezocht Lodewijk Straatsburg en Genève, waar hij zijn
studiën volbracht. Is dit waar, dan verklaart zich daaruit het feit,
dat Lodewijk zich in later tijd eerder dan Prins Willem zelf, geneigd
betoonde, met de Calvinisten samen te werken. Doch het is de vraag
nog, of dit wel betrouwbaar is, aangezien de Duitsche vorsten en zoo
ook Willem de Oude omstreeks 1550, als echte Lutheranen een afkeer
hadden van het Calvinisme, waarvan Genève de hoofdzetel was.
In October 1556 kwam Lodewijk reeds in de Nederlanden. Niettegenstaande
Juliana van Stolberg hem onder al haar kinderen een bijzondere
liefde toedroeg, werd Lodewijk reeds vroeg door zijn vader naar
dat land gezonden, waar zijn oudste zoon reeds zulk een voorname
positie bekleedde en waar dus ook door diens invloed voor den
jongeren broeder beter gelegenheid bestaan zou, zich in de wereld
vooruit te helpen. De uitnemende eigenschappen van Lodewijk vielen
in de Nederlanden reeds spoedig in het oog. Filips II zelf betoonde
hem menige gunst, al was de jonge graaf ook Luthersch. Zijn innemend
karakter en groote bekwaamheden waren zonder twijfel de eenige oorzaak
van die onderscheiding. In 1557 nam hij deel aan den krijgstocht,
die ons bezig houdt, in het gevolg van den Prins van Oranje.
Na den veldtocht werd Brussel weer het hoofdkwartier van het leger,
al was er nog geen vrede gesloten met Frankrijk. Het was echter den
koning niet mogelijk geweest, de troepen bijeen te houden door de
slechte verstandhouding van de verschillende nationaliteiten. De
Engelschen haatten de Spanjaarden en wenschten niets liever dan zoo
spoedig mogelijk naar hun land terug te keeren, zoodat de koning
zich wel genoodzaakt zag hen te doen vertrekken. De Duitschers
klaagden over het gewone verschijnsel, de onregelmatige betaling en
tengevolge daarvan liepen er velen naar de Franschen over. De sterkte
der troepenmacht verminderde dus zoodanig, dat de koning blij was, het
overschot zijner troepen tot een lateren datum in de winterkwartieren
te kunnen terugtrekken.
Een van de voordeelen van de toenmalige oorlogen was de losprijs,
die door aanzienlijke gevangenen moest betaald worden, die dan goed
onder dak moesten worden gebracht, totdat het geld betaald was. Hoever
de regeering in haar eischen en vorderingen dan wel ging, blijkt
o.a. uit het geval, dat de koning Oranje noodzaakte, de gevangenen
van hertog Eric van Brunswijk op zijn kasteel te Breda te logeeren,
daar het volgens zijn meening niet voegzaam was, dat ze in een gewone
herberg hun nachtverblijf hadden. De Prins was zelf afwezig en de
Prinses moest ze maar ontvangen. Men proeft uit den brief, dien Oranje
naar aanleiding daarvan aan Filips schreef, dat hij er niets over
gesticht was. Hij kan dezen dienst wel niet aan den koning weigeren,
maar doet het blijkbaar met tegenzin en schrijft zelfs aan den vorst,
dat hij in geen geval voor de bewaking der gevangenen zorgen kan en
dat Filips daartoe andere maatregelen zal moeten nemen, die hem het
best zullen voorkomen.
De vorderingen, die aan den Prins werden gedaan, waren nu en dan zóó
bezwarend, dat hij ze weigerde te voldoen, zooals o.a. gebeurde met
50 wagens, waartoe Oranje werd geprest, doch die hij niet leverde.
Gedurende de wintermaanden was de Prins genoodzaakt dikwijls van zijn
huis en zijne vrouw afwezig te zijn, omdat hij geld moest trachten te
verkrijgen voor zijn meester, die in groote verlegenheid was. George
von Holl kwam uit Duitschland om de achterstallige betaling voor
zijn troepen te vragen en waarschijnlijk waren er andere kolonels
niet beter aan toe. De gelden, die de staten hadden geschonken,
waren blijkbaar niet voldoende geweest, de uitgaven van den laatsten
veldtocht te bekostigen. Eindelijk slaagde Oranje er in, te Antwerpen
een leening te sluiten met Engelsche kooplieden, hoewel hij zich met
onvoordeelige voorwaarden tevreden moest stellen, daar het crediet
van den koning zeer was gedaald.
Bij den troonsafstand van Karel V had deze bepaald, dat de Prins
van Oranje als gezant aanwezig zou zijn bij de overdracht van de
keizerlijke kroon op Karels broeder Ferdinand. Nadat die overdracht
reeds verscheidene malen was verdaagd, werd er eindelijk in Februari
1558 een Rijksdag te Frankfort gehouden, waarop de Prins met den
vice-kanselier Seld en den secretaris Haller tegenwoordig moest zijn,
om in naam van Karel in alle vormen de keizerlijke kroon op Ferdinand
over te dragen. Dientengevolge keerde Oranje, nadat die lastige leening
tot stand was gekomen, naar Breda terug, ten einde zich voor zijn
reis naar Duitschland gereed te maken. De zending werd op den 24en
Februari volbracht, maar Oranje bleef in Frankfort, om getuige te
zijn van Ferdinands kroning en ook om een bijzondere opdracht voor
Filips te volvoeren. In Maart schreef hij aan den koning, dat de
keizer het door Filips voorgesteld verbond met de Duitsche vorsten
hoogelijk goedkeurde, doch dat er eenige moeielijkheden ten gevolge
van Fransche intriges waren gerezen. "Nieuws is er niet," zoo voegt
hij er bij, "alleen dat de bisschop van Bayonne hier in het geheim
bezig is, kwaad te brouwen; ik hoop hem echter met behulp van den
(onlangs gekozen) Roomsch-Koning Maximiliaan en anderen te weerstaan."
Tijdens Oranje's afwezigheid werd zijn echtgenoote, Anna van Buren,
ernstig ongesteld. Op den 12en Maart schreef de Prins haar een brief,
toen hij het bericht van die ziekte gehoord had. Hij zond haastig
een zijner getrouwen, 't Serraets, naar Breda en liet zijn vrouw door
dezen vragen, hem tijding toe te zenden en den brief althans, zoo zij
dien niet meer kon schrijven, te onderteekenen. Zoo spoedig mogelijk
zou hij terugkomen en rechtstreeks naar Breda gaan. Anna werd echter
erger en toen haar echtgenoot op den 20en Maart Breda bereikte, was
alle hoop op herstel verdwenen en vier dagen later stierf ze. Zij was
25 jaar oud, toen ze den Prins ontviel en liet twee kinderen achter,
namelijk Maria, geboren in December 1553 en Filips Willem, geboren
19 December 1554. [1]
Zooals we reeds vroeger zeiden, wordt in verschillende documenten van
tijdgenooten erop gezinspeeld, dat het huwelijk van Anna van Buren
niet gelukkig is geweest, ja zelfs wordt Oranje beschuldigd haar
wreed te hebben behandeld en ontbreekt het evenmin aan duistere
aantijgingen, dat hij haar dood door geweldpleging zou hebben
verhaast. Een misdadiger dus van het ergste soort!
"Voor ons," zegt Bakhuizen van den Brink, "behoeft dit gerucht geen
wederlegging. Zou zulk een uitbarsting van dierlijke woede met de
kalme effenheid van 's Prinsen karakter gestrookt hebben?"
Maar er is meer, want dezelfde schrijver vraagt terecht, of de Prins in
dit geval wel met zooveel stoutheid later aan koning Filips den dood
van zijn zoon en van zijn echtgenoote zou hebben durven verwijten en
of de graaf van Egmond, die nauw aan 's Prinsen gemalin verwant was,
wel ooit in 1558 Willem van Oranje tot zijn executeur zou benoemd
hebben. Wien men van groote misdaden verdenkt, pleegt men niet de
uitvoering van zijn laatsten wil toe te vertrouwen.
De ongerijmdheid van het gerucht wordt daarbij geheel bewezen door
de getuigenis van een hofdame van Anna, Sophie von Miltitz genaamd,
die uitdrukkelijk naar de oorzaak van dat loopend gerucht gevraagd, in
volle verontwaardiging antwoordde: "Ik kan niet weten, wat lasterlijke
lieden mag bewogen hebben, om zulke schandelijke leugens te verbreiden;
maar één ding weet ik, dat het huwelijk van Anna en den Prins een
vriendelijke, gelukkige echt is geweest, gegrond op vaste liefde en
trouw." Toch heeft Groen van Prinsterer misschien geen ongelijk, als
hij beweert, dat Oranje's eerste huwelijk slechts middelmatig gelukkig
schijnt geweest te zijn, ja, hij voegt daaraan deze woorden toe, die
zeker niet uit zijn pen zouden gevloeid zijn, zoo deze uitnemende
onderzoeker van de archieven van het huis van Oranje daartoe geen
ernstige reden had: "De brieven aan zijn echtgenoote bevatten de
bekoorlijkste uitdrukkingen van teederheid, doch die misschien niet
overbodig waren, om sombere vermoedens tegen te gaan."
Een feit is het, dat vrij kort na den dood van Anna, Oranje een
avontuur had met de dochter van een Vlaamsch burger, waaruit het al te
duidelijk werd, dat hij op het stuk van zeden niet onberispelijk was
gebleven. De laster vond hierin een bodem, waarop het gemakkelijk viel
voort te bouwen en de volksverbeelding kreeg er vrij spel door. Doch
in elk geval is het een bewijs, dat Anna van Buren spoedig door hem
was vergeten. Zijn tweede huwelijk, zoo gauw na haar dood, wijst op
hetzelfde. En toch zouden we onbillijk zijn, indien wij niet geloofden,
dat de Prins door dien dood tijdelijk diep getroffen was. Anna,
hoewel wat teruggetrokken, eenvoudig en onbeteekenend, was in menig
opzicht een trouwe, zorgzame huisvrouw, die gedurende Oranje's vaak
terugkeerende afwezigheid zijn zaken met groote nauwgezetheid waarnam
en gaarne op de hoogte bleef van al zijn plannen en bewegingen. Kort
na haar dood schreef Oranje aan zijn vader:
Beste Vader!
Ik kan U niettegenstaande de droefheid van mijn hart toch niet
onkundig laten, dat de zwakheid, waarin mijn vriendelijke
lieve huisvrouw sinds een maand is vervallen, gelijk gij
onlangs van mij te Dillenburg hebt vernomen, voor en na mijn
terugkeer alhier van dag tot dag is vermeerderd en eindelijk
zoo is toegenomen, dat zij Donderdag den 24en dezer loopende
maand, tusschen 6 en 7 uur is overleden. Haar sterven was
christelijk--ze is heengegaan naar God Almachtig, die haar
ziel genadig en barmhartig zijn zal.
Ruim veertien dagen later spreekt hij in een brief, wederom aan zijn
vader, van het pijnlijk verlies door hem en zijn kinderen geleden.
Van Filips ontving Willem ook een hartelijk schrijven waaruit tevens
bleek, dat hij iemand uit Brussel had gezonden om naar den toestand
zoowel van Oranje, die ziek uit Frankfort was gekomen, als naar
zijn vrouw te vragen. Juist op het oogenblik van het vertrek waren
er nieuwe berichten gekomen, die Filips o.a. het overlijden van Anna
meldden. Eenige dagen later schreef Filips wederom aan Oranje. Dat deze
nog geen verslag over de onderhandelingen te Frankfort had uitgebracht,
kon Filips best begrijpen en hij raadde hem ook aan nog maar wat te
wachten, totdat zijn geest tot rust was gekomen. Aan hartelijkheid
ontbrak het in deze brieven dus niet.
In een schrijven aan Granvelle, den bisschop van Atrecht, die om
nadere bijzonderheden had gevraagd, zegt Oranje o.a. dat de dood van
zijn vrouw bij hem zulk een radeloosheid en onuitsprekelijke smart
veroorzaakte, dat hij tengevolge daarvan een hevigen koortsaanval
kreeg, gepaard aan zenuwtrekkingen.
Wat blijkt uit deze brieven omtrent de verhouding van den Prins tot
zijn eerste echtgenoote? Al te veel nadruk mag er, dunkt mij, niet
gelegd worden op zijn aanval van hartstochtelijke smart, waarvan
de laatste brief aan Granvelle getuigt. De smart, zich in koorts en
zenuwtrekkingen openbarende, kan wel een gevolg van het besef geweest
zijn, dat hij niet ten volle voor zijne overledene geweest was,
wat hij had moeten en kunnen zijn. Doch wij herhalen, wie met deze
uitingen geloof zou willen slaan aan het lasterlijk gerucht, dat te
zijnen nadeele werd verspreid, zou Willem van Oranje moeten verdenken
van eene huichelarij en misdaad, die alle grenzen te buiten ging.
De Prins was in de jaren van zijn eerste huwelijk menigmaal
genoodzaakt, gescheiden van zijn vrouw te leven; zijn dienst in den
oorlog, zijn diplomatieke zendingen doemden haar tot een tamelijk
eenzaam bestaan. Terwijl zij meestal het kasteel te Breda bewoonde,
was hij op reis, in het kamp of in Brussel. Zijn leven daar was,
gelijk we nader zullen zien, zeer weelderig en rijk en toch blijkt
het voldoende uit al de brieven, die hij aan Anna schreef, dat hij
haar niet vergat. Zijn thuiskomst in Breda moet altijd een feest zijn
geweest voor de meestal eenzame vrouw. Zij heeft hem lief gehad tot
het einde, en zij is steeds zorgvol voor zijn kinderen en goederen
geweest. Haar testament, geheel te zijnen voordeele, was een laatste
bewijs van hare liefde en van haar vertrouwen op hem. Terecht is
van haar gezegd: "Voor den tijdgenoot, die het oor niet leende aan
rondgestrooide geruchten, blijft Anna door haar teruggetrokken leven
en haar vroegtijdig einde, een lieftallige figuur. Maar voor den
nakomeling bewaart zij de onaantastbare en zachte bekoring van een
visioen, dat wegdeinst, zonder zijn geheim te hebben geopenbaard."