DE JEUGD VAN WILLEM VAN ORANJE EN ZIJN EERSTE VELDTOCHTEN 1531-1555.

Graaf Willem, over wien we in het vorige hoofdstuk een en ander

hebben meegedeeld, was in 1505, op achttien jarigen leeftijd gehuwd

met Walpurga, dochter van graaf Jan van Egmond. Uit dezen echt waren

twee dochters, waarvan alleen Magdalena, in 1538 getrouwd met graaf

Herman van Nuenar, de moeder overleefde.

Walpurga stierf in 1529 en aanstonds schijnt de quaestie van haar

opvolgster in de familie druk besproken te zijn, want kort na haar dood

ontving Willem van zijn broeder Hendrik van Nassau een brief, waarin

hij verschillende prinsessen van Lotharingen, Wurtemberg en Saksen

aanbeval als begeerenswaardige partijen voor zijn broeder. We kunnen

ons dien broederlijken aandrang tot een tweede huwelijk begrijpen,

wanneer we bedenken, dat in die dagen een chatelaine of dame van

het kasteel dringend noodzakelijk was. Niet alleen werd er in het

kasteel gesponnen en geweven en moesten er kleeren gemaakt worden,

geen kleinigheid als de bewoners talrijk waren, maar ook diende de

zuinigheid in acht genomen te worden.

Elk Duitsch edelman was verplicht een vast bedrag te betalen; de

keizerlijke rijksdagen, die nu in de eene dan in de andere stad

werden gehouden en het onophoudelijk oorlogvoeren gaven bovendien

aanleiding tot veel reizen. Bij trouwen begrafenisplechtigheden kwamen

bloedverwanten tot een zeer ver verwijderden graad te zamen en werden

overdadig onthaald en niet alleen bij dergelijke gebeurtenissen was

het aantal gasten op het kasteel zoo groot.

Dillenburg was, door haar ligging op een der wegen van Brunswijk,

Brandenburg en andere noordoostelijke gewesten naar Frankfort, in den

regel de plaats, waar vele zaken werden afgehandeld. De Dillenburgsche

Kroniek vermeldt o.a. een bezoek van Hendrik, den hertog van Brunswijk,

op het kasteel met een gevolg van 134 ruiters en van den markgraaf

van Thüringen met 150 volgelingen. Wat er dan te doen viel, behoeft

geen nadere vermelding.

Willem gaf echter niet zoo spoedig gehoor aan den raad van Hendrik

en het blijkt ook hieruit, dat haast geen karaktertrek van hem is

geweest, daar hij twee jaar wachtte, voor hij een nieuwe gravin ten

huwelijk vroeg.

Het was Juliana van Stolberg, weduwe van Filips van Hanau, waarmee

Graaf Willem in 1531 trouwde. Zij was geen onbekende voor hem; in

hetzelfde jaar dat Willem weduwnaar werd (1529), was ook Filips van

Hanau overleden, Juliana met 5 kinderen achterlatende. Willem, die

ook voogd van den minderjarigen Filips was geweest en toen tijdelijk

het bestuur over Hanau had gevoerd, werd thans bij zijn dood tot

uitvoerder benoemd van zijn uitersten wil en tevens tot voogd over

de kinderen. Met groote zorg had hij die taak ondernomen en daardoor

was hij tevens in de gelegenheid geweest, de jonge weduwe, met wie

hij nu huwde, beter te leeren kennen. Al zijn pleegkinderen nam hij

ter opvoeding in zijn eigen huishouden op. Woonde Willem wel eens te

Siegen, de vaste woonplaats was Dillenburg, waar ook de kinderen van

Juliana geboren werden.

Den 24en April 1533 werd de oudste zoon van Graaf Willem en Juliana

geboren. Hij ontving denzelfden naam als zijn vader en bij de

geboorte bestond niet het minste vooruitzicht voor den jongen Willem

om een grooter erfgoed te krijgen dan zijn vader hem kon geven, want

zoowel Hendrik als Réné van Nassau waren in hun volle levenskracht,

ja de laatste had nog niet eens het prinsdom Oranje geërfd, een naam,

die bestemd was wereldberoemd te worden.

Over de eerste jaren van Willem is zeer weinig bekend, maar zeker

is het, dat zijn jeugd niet eenzaam is geweest. Volgens de gewoonte

van dien tijd trachtte men de jonge edellieden van een vorstelijk

huisgezin geplaatst te krijgen, in een, als het kon, van hooger rang,

ten einde de opvoeding te voltooien. Het hof van Graaf Willem had

een uitstekenden naam en ouders achtten zich gelukkig, als zij er in

slaagden, hun zoons daar geplaatst te krijgen. Het gevolg hiervan was,

dat het kasteel steeds vol leven was, niet alleen door de vele jonge

edellieden, die er in huis waren, maar ook door het groot aantal

kinderen op het Dillenburger kasteel geboren.

In Juli 1544 sneuvelde Réné te Saint-Dizier, door welke gebeurtenis het

leven van den jongen Willem volkomen veranderde. Réné had toestemming

verzocht en gekregen om zijn uitersten wil te maken en Karel V had

deze beschikking, waarbij al de goederen op zijn Duitschen neef

Willem overgingen, goedgekeurd. Wel had Willem de Oude, krachtens

vroegere afspraken met zijn broer Hendrik, aanspraak mogen maken op het

Nassau-aandeel van de bezitting, maar de vader vond het verstandiger

te berusten in de keizerlijke sanctie, teneinde de opvolging van

zijn zoon in de moederlijke erfenis van Réné niet in de waagschaal

te stellen. Zooals de vermaking was beschreven, werd zij door Willem

den Oude voor zijn zoon aanvaard; dit bracht echter mee, wat Karel

V nadrukkelijk had vastgesteld, dat de jonge erfgenaam aan zijn hof

zou worden opgevoed.

Het wekt eenigszins bevreemding, dat Willem, op dat oogenblik toch

erkend protestant, erin toegestemd heeft, dat zijn zoon opgevoed zou

worden aan een hof, waar hij verplicht zou zijn, de voorschriften op

te volgen van een godsdienst, dien de vader zelf reeds had vaarwel

gezegd. Gedurende de afwezigheid van Karel V zou Willem in het

huisgezin van Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden, wonen

en deze werd geacht Lutheraansche sympathieën te koesteren, ja zelfs

wordt beweerd, dat zij den hervormden godsdienst had aangenomen.

Hoewel dit zeer onwaarschijnlijk is, daar geen lid van de

Oostenrijksche familie het zou gewaagd hebben, zoozeer den

overheerschenden ouderen broeder te weerstaan en in 1544 alle

kerkvormen nog door Maria werden in acht genomen, is Willems gedrag

in dezen verklaarbaar, als we bedenken, dat het Protestantisme nooit

zulk een levenskwestie voor Graaf Willem is geweest en men nog leefde

in een tijd, dat beide godsdiensten niet zoover van elkaar afweken

en er allerlei pogingen werden gedaan om ze te hereenigen.

Dat het protestant blijven de vooruitzichten van den zoon zeer zou

hebben benadeeld is zeker en deze wilde Graaf Willem niet opofferen,

zoodat we hem in Augustus 1544 met den jongen Prins naar Brabant

zien gaan, ter regeling van de beschikking bij Réné's dood gemaakt

en op den 28en dier maand verschenen beiden te Breda, ten einde de

begrafenis van Réné bij te wonen.

Voor het eerst kwam Willem op Nederlandschen bodem, voor het eerst

ook aan het Hof van Karel V.

De regeling van de erfenis schijnt spoediger in orde gekomen te zijn,

dan bij dergelijke gelegenheden dikwijls het geval was, want reeds

in September kwam met de weduwe van Réné een transactie tot stand,

waarbij deze van het haar bij testament toegekend vruchtgebruik tegen

andere voordeelen afzag.

Een belangrijke zaak, welke geregeld moest worden, was de voogdij over

den jongen prins; de keizer wilde den vader hiermee niet belasten,

met het oog op zijn Lutheraansche sympathieën, zoodat hij genoegen

moest nemen met een drietal voogden, waaronder Claude Bouton, heer

van Corbaron, een kamerheer van den keizer, die in 1545 feitelijk

tot gouverneur van Willem werd aangesteld.

Tegelijkertijd met deze benoeming van Corbaron was ook het hof van

Willem geregeld, waarbij de grootste zuinigheid betracht moest worden,

daar er nog al schulden te betalen waren en de verkregen goederen verre

van onbezwaard overgingen. De onkosten van het hof, dat behalve uit

den gouverneur en twee jonge graven, tijdgenooten van den Prins, uit

een stalmeester voor zijn negen paarden, een edelman, vijf bedienden

en een schoolmeester bestond, bedroegen ongeveer 3500 caroliguldens

per jaar, welke uit de inkomsten van Breda werden gevonden.

Het is jammer, dat over deze eerste jaren van Willem aan het hof

van Karel V zoo weinig bekend is geworden, ja, het is zelfs onzeker,

wanneer de Prins volkomen is opgenomen in de onmiddellijke omgeving

van den keizer.

Hij hield zijn verblijf te Breda en in het paleis te Brussel onder het

dagelijksch persoonlijk toezicht van zijn gouverneur, die steeds vol

lof over hem was en hem als zeer gewillig en volgzaam prees. Bovendien

kwam Willem geregeld aan het hof der landvoogdes, Maria van Hongarije,

die een wakend oog op hem hield en al haar best deed, gedurende de

minderjarigheid van den Prins het zwaar belaste Bredasche vermogen

in beteren staat te brengen; ook bewoog hij zich in het gevolg van

den keizer, wanneer deze zich in het land bevond.

Op de reizen van Karel V vinden we Willem in zijn gezelschap, zooals

uit de tegenwoordigheid op den Rijksdag van Augsburg in 1548 blijkt. In

dezen tijd schijnt de geheele opneming van den Prins in het gevolg

van den keizer overwogen te zijn en zoo vinden we hem ook bij de

huldigingsreis van Karels zoon Filips door de Nederlanden in 1549.

Het doel, dat vooral in deze eerste jaren bij Willems opvoeding op den

voorgrond stond, was, hem los te maken van zijn Duitsche verwanten

en hem tevens als Nederlandsch edelman nauwer aan het Brusselsche

hof en de Nederlandsche zaken te verbinden.

De keizer bemerkte spoedig het merkwaardige karakter van den jongen

en reeds op zeer jeugdigen leeftijd was hij de vriend, ja zelfs

de vertrouwde van den keizer. Zijn plaats was steeds om en bij den

keizerlijken meester en bij de meest gewichtige beraadslagingen was

Willem altijd aanwezig. Geheimen scheen de vorst niet voor hem te

hebben en zijn helder oordeel en scherp verstand kwamen door dit leven

al spoedig tot buitengewone ontwikkeling. Dat Karel V veel zorg aan

zijn opvoeding besteedde, blijkt wel uit het feit, dat Willem vijf

talen vloeiend sprak, terwijl Filips zich alleen in zijn moedertaal

kon uitdrukken en een weinig slecht Latijn sprak.

De vader van den Prins was niet onverdeeld ingenomen met de opvoeding,

welke zijn zoon kreeg. Hinderde het hem al, dat Maria zich krachtig

verzette tegen zijn wensch om gesteund te worden uit het vermogen

van den Prins, o. a. voor het voeren van het Catzenellenbogen-proces,

het krenkte den vader bepaald, dat men zijn zoon zoo uiterst karige

middelen toestond, gedurende zijn minderjarigheid. Willem riep

daartegen de hulp in van den meest invloedrijken minister van Karel V,

Granvelle, den bisschop van Arras, met het gevolg, dat deze naast Maria

van Hongarije de gewichtigste beschermer van den jongen Willem werd.

Jérome Granvelle, een jongere broeder van den kardinaal, werd

zijn onderwijzer en gouverneur, waarover Willems vader zich ten

zeerste verheugde. De vroegtijdige zelfstandigheid van den Prins

en ook zijn huwelijk met Anna van Buren, had Willem in hoofdzaak

aan dezen gouverneur te danken. Het gevolg hiervan was, dat de

vriendschapsbetrekkingen, aldus met de Granvelle's gevormd, van zeer

intiemen aard waren en de Prins bleef ook met den kardinaal op goeden

voet, tot kort voor de breuk tusschen hem en de Nederlandsche edelen.

Tot zijn achttiende jaar bleef de Prins aan het hof van den keizer;

welk edelman zou reeds op dien leeftijd een zoo schitterende

positie hebben ingenomen? Hij stond in blakende gunst van Karel V,

die nauwelijks den middelbaren leeftijd bereikt had; hij was jong,

goed opgevoed en ontwikkeld, rijk door eigen middelen en droeg daarbij

den titel van een onafhankelijk vorst. In 't kort, hij zou voor ieder

een bij uitstek begeerenswaardige schoonzoon zijn. Zoo dacht ook

Maximiliaan, graaf van Buren, een van de meest gewaardeerde generaals

van den keizer. Toen Karel hem, ter erkenning van gewichtige diensten,

den hertogstitel aanbood, weigerde Maximiliaan, omdat daaraan geen

geldelijke voordeelen waren verbonden en hij liever een rijke graaf

dan een arme hertog wilde wezen. Men verhaalt, dat de generaal van de

gelegenheid gebruik maakte en den keizer in plaats van een hoogeren

rang, den Prins van Oranje als echtgenoot zijner eenige dochter Anna

van Egmond vroeg, aan wie hij dan een aardigen bruidschat zou meegeven.

Reeds vroeger, zelfs toen de Prins pas 15 jaar was, had men over

een huwelijk gedacht, nog wel met een Spaansche dame, maar het is te

begrijpen, dat de verwanten van Willem dit ongaarne zagen en verheugd

waren, toen in 1550 weder over Anna van Buren gesproken werd.

Maximiliaan beleefde het echter niet Willems schoonvader te worden,

want op het einde van 1548 overleed hij en gaf als zijn laatste wil te

kennen, dit huwelijk gaarne te zien. Pas in 't laatst van 1550 stemde

de keizer toe in de verbintenis met Anna, waartegen hij aanvankelijk

op godsdienstige gronden bezwaren had gemaakt.

Den 9en Juli 1551 werd het huwelijk voltrokken en het jonge paar begon

het huishouden op schitterenden voet. In het begin van het volgende

jaar had de officieele huldiging van het vorstelijk echtpaar als heer

en vrouwe van Breda plaats. Gedurende twee dagen waren er schitterende

feesten te Breda, terwijl de stad als blijk van hulde, den Prins met

een geschenk van 20.000 gulden vereerde. Tevens werd de Prins uit zijn

voogdij ontslagen en mocht hij zelf over zijn goederen beschikken;

dit kon hij nu in ruimer mate doen en meer overeenkomstig zijn rang,

daar zijn jonge vrouw hem hiertoe in de gelegenheid stelde.

Willems vader in Dillenburg, die zich wel verheugde over het gesloten

huwelijk, scheen toch met eenige bezorgdheid vervuld te zijn over den

zoon; het hof te Brussel kenmerkte zich volstrekt niet door strenge

zeden en voor een nog zoo jong en onervaren edelman vond de vader

deze omgeving niet zonder gevaar. Hij was dan ook pas gerust, toen

hij de bepaalde toezegging verkreeg van "de bijzondere bescherming

en leiding der verstandige landvoogdes, die zich hare verhouding tot

hem nog altijd min of meer als een "moederlijke" dacht en ook in de

eerstvolgende jaren toonde, deze met ernst te willen waarnemen.

Er hebben vele geruchten geloopen omtrent het ongeluk uit deze

verbintenis voortgevloeid; tevens werd er verteld, dat Willem zeer

onvriendelijk was tegenover zijne vrouw, zelfs beschuldigt men den

Prins van haar vergiftigd of met een dolk gedood te hebben. Dit laatste

is een belachelijk sprookje, dat zelfs geen geloof vond bij hen,

die het verspreidden, maar 't is een bewijs, hoe ook dezen grooten

man geen laster gespaard is gebleven. Wat het onvriendelijk zijn

tegenover Anna betreft, ook dat moet valsch wezen, tenzij Willem

op zijn 19e jaar reeds een volleerde huichelaar was, hetgeen we

niet kunnen aannemen; in de twee-en-twintig brieven, die nog van

hem aan haar bestaan, geen zweem van die onvriendelijkheid, ze zijn

daarentegen buitengewoon aardig, echte ontboezemingen van een jongen,

in eenvoudigen stijl geschreven.

Uit hetzelfde jaar 1551 bestaat er een blijkbaar fabelachtig verhaal,

waarvan echter de beteekenis voor het leven van den Prins niet kan

ontkend worden. In dat jaar sloot Maurits van Saksen een verbond met

Hendrik II van Frankrijk tegen den keizer, ten einde aan zijn inbreuk

maken op de Duitsche vrijheid weerstand te bieden. Karel had gepoogd

de Duitsche edelen tot een staat van "beestachtige slavernij" te

brengen. In het bijzonder bedoelde dit verbond de bevrijding van Filips

van Hessen en Frederik van Saksen, die sedert den slag van Mühlberg

in 1547 werden gevangen gehouden. Nu was er een zekere maarschalk de

Vieilleville, die aan de hoven van Frans I en Hendrik II een voorname

rol vervulde, wiens mémoires, door zijn secretaris Vincent Carloix

geschreven, een der bronnen uitmaken van de Fransche geschiedenis van

dat tijdvak. De stijl daarvan is zeer helder en levendig, hoewel het

niet twijfelachtig is, dat, wanneer de herinnering den secretaris in

den steek liet, hij niet aarzelde schilderachtige bijzonderheden uit

zijn eigen verbeelding te schetsen. Deze nu geeft een minutieus verhaal

van een Duitsch gezantschap, dat in 1551 naar Fontainebleau ging met

het plan om een offensief en defensief verbond voor te bereiden.

Volgens hem stonden de hertog van Symerch en de graaf van Nassau aan

het hoofd dezer ambassade en was de graaf vergezeld door zijn zoon,

den Prins van Oranje.

Indien echter één kenmerk Graaf Willem onderscheidde, dan was het

voorzichtigheid. Hij was zoo gelukkig geweest aan den Schmalkaldischen

oorlog te ontsnappen en het is in het geheel niet waarschijnlijk,

dat hij zijn eigen belangen en die van zijn zoon zou in de waagschaal

gesteld hebben, door zulk een publieke daad van vijandschap tegen

den keizer, als deze zending naar Fontainebleau was. Daarbij, een

der voornaamste bedoelingen van Maurits' verbond met Frederik was,

om Filips van Hessen, Nassau's erfvijand en levenslangen bestrijder,

te bevrijden. Willem had nu zeker geen voordeel getrokken van de

gevangenschap van zijn vijand, door zijn Catzenellenbogen-landen

aan te randen, maar dit was ééne soort grootmoedigheid; een bepaalde

poging hem vrij te maken, zou een andere geweest zijn.

Waar of niet, het verhaal is te aardig om stilzwijgend voorbij te gaan.

De Graaf van Nassau vergezelde den hertog van Symerch, omdat hij zeer

bekend was met de zaken, het volk en de behoeften van Duitschland en

ook omdat het Fransch hem even vertrouwd was als zijn moedertaal.

Vieilleville legde het eerste ceremonieële bezoek af aan de gezanten

en bij zijn vertrek vroeg Nassau hem de vergunning om den maarschalk

naar zijn hotel te mogen begeleiden, waarmee hij zijn wensch te kennen

wilde geven, een meer intieme conversatie te hebben, daarbij voegende,

dat hij aan den maarschalk verwant was.

Vieilleville zeide, dat hij in Duitschland geene betrekkingen had

en Nassau vroeg hem toen, of hij niet verwant was aan het huis van

Oranje. Vieilleville antwoordde van ja, maar sinds den dood van

Philibert wist hij niet, aan wien het vorstendom was gekomen. Willem

deelde hem toen mede, dat zijn zoon de tegenwoordige bezitter

was. Vieilleville omhelsde daarop den graaf als zijn neef en drong er

op aan, dat hij den prins zou ontbieden, opdat hij ook hem kon omhelzen

en zij beiden zijn gasten mochten zijn. Nassau stemde daarin toe en

zei, dat het alleen het verlangen naar diezelfde hartelijke omhelzing

als neef was geweest, die zijn zoon bewogen had, met hem mee te komen.

Toen zij de tent, waar de maaltijd zou plaats hebben, binnentraden,

vielen de oogen van den graaf van Nassau op de wapens van Oranje. Het

dekkleed van het muildier, beladen met extra-proviand, waarop de

kwartieren van het schild van den gastheer waren geborduurd, was

ook van die wapens voorzien. Die attentie trof den graaf zoozeer,

dat hij zijn nieuw ontdekten neef weder warm omhelsde; hij zeide,

dat het hem nu niet langer verwonderde, dat zijn zoon een Fransch

hart had en hij voegde daarbij deze woorden:

"Ik geloof, dat als zijn hart werd geopend, men er een lelie in zou

vinden, want onophoudelijk spreekt hij van uw koning en uw volk. Ik

geloof, dat het hem zeer zou behagen tot den dienst der Fransche

kroon te behooren. Ik zal hem dat niet beletten, want zijn fortuin

zal hij nooit in den dienst des keizers maken. Om dat te doen, moet

men Spanjaard zijn en buiten noodzakelijkheid niets met ons volk te

maken hebben."

Nassau weidde daarop uit over de wijze, waarop de keizer de Duitsche

Staten en edelen had behandeld en voegde er bij, dat hij hartelijk

hoopte, dat Hendrik uit christelijke barmhartigheid hen onder zijn

bescherming zou nemen; zij waren aan hem verwant, terwijl de Italianen,

wien hij zooveel vriendelijkheid en lankmoedigheid had bewezen,

slechts vreemdelingen voor hem waren.

Gedurende dit gesprek kwam de Prins binnen. Hij was een jongmensch van

zeer bescheiden en aangenaam voorkomen, die, zonder een introductie

van zijn vader af te wachten, zich met nederigen eerbied in de armen

van den maarschalk de Vieilleville wierp. Hij vertelde, dat het doel

van zijn geheele reis enkel de begeerte geweest was, hem te zien en

hem zijn diensten aan te bieden; want hij wist, dat de maarschalk

het eenige sieraad was van het Fransche hof, met wien hij verlangde

te leven en te sterven. Onder zijn invloed zou hij gelukkig leven en

zijn jeugd gevormd kunnen worden.

Na hem voor die woorden te hebben bedankt, zei de maarschalk: "De

graaf, uw vader en ik, waren juist bezig er over te spreken, toen gij

binnenkwaamt, om van u een goed Franschman te maken, want hij, niet

minder dan ik, wenscht, dat gij van land en partij verandert. Het

komt ons beiden voor, dat dit zeer voordeelig voor u zijn zou, om

een menigte redenen, die ik u een anderen keer wel eens vertellen zal

(want het wordt tijd voor den maaltijd); doch de belangrijkste daarvan

is, dat de staat, welks naam gij draagt, in Frankrijk ligt.

"Dat is waar, inderdaad," zei de Prins, "maar het is niet het

grootste, zelfs niet het zesde deel van mijn bezittingen in de

Nederlanden. Niettemin is er één punt, dat mij schijnt te dwingen,

om aan Uw wensch te voldoen, n.l. dat de Prins van Spanje, zonder

eenige klaarblijkelijke reden, mij niet kan uitstaan; het is mij

onmogelijk, hem te behagen, hoewel ik niet in staat ben de oorzaak

van zijn animositeit te ontdekken; ik ben mij althans niet bewust,

hem ooit te hebben beleedigd."

"Dan zijt gij wel erg ongelukkig," antwoordde Vieilleville, "en als

hij erfgenaam van alles wordt, kunt gij wel uw rol in de staten van

het Keizerrijk en van Spanje opgeven."

"Daar is nog iets anders," voegde de Prins er bij, "iemand, zeer

bekwaam in sterrenwichelarij, die wonderlijk de diepten aller

wetenschap heeft gepeild, heeft me gewaarschuwd, dat ik bestemd ben

om door zijn hand te sterven of tengevolge van een samenzwering door

hem tegen mijn leven gesmeed."

"Maar waar denkt gij dan aan, arme Prins," zei Vieilleville, "dat

gij niet luistert naar den raad van uw vader en van mij? Wel! de

vrees daarvoor alleen is in staat te dooden. Wat die waarzegger u

heeft verteld, zal u het geheele leven in doodelijken angst doen

doorbrengen en het aldus verkorten."

"Het is mogelijk," zei de Prins, "maar de intieme vriendschap, die

de keizer, zijn vader, mij heeft bewezen en de gunsten, die ik van

hem heb ontvangen, hebben mij zóó aan zijn dienst gebonden, dat het

mij niet mogelijk zou zijn, hem te verlaten, al zag ik den dood nabij."

"Het is genoeg," hernam Vieilleville. "Had ik geweten, dat dit uw

laatste vaste besluit was, ik zou nooit een voorstel aan u gedaan

hebben en zoolang ik leef, zal ik er niet meer over spreken."

Na den maaltijd, waarbij ook andere Duitsche edelen in der haast

waren genoodigd, even goed als de Prins, had de Graaf een bijzonder

onderhoud met Vieilleville en drong hij daarin krachtig bij hem aan,

den koning te bewegen, om de voorstellen der Duitschers aan te nemen.

Vieilleville hernam, dat er niets was, dat hij meer begeerde dan

dit verbond, dat glorie aan Frankrijk brengen zou; maar zeide hij,

hij had weinig invloed op Hendrik, daar hij geen Montmorency was,

noch zelfs lid van den geheimen raad.

De gasten vertrokken en dienzelfden nacht werd Vieilleville door den

koning ontboden en hem meegedeeld, dat hij tot lid van den geheimen

raad was benoemd. Op de eerstvolgende vergadering nam hij stoutmoedig

een standpunt in tegenover de andere raadsleden, die Hendrik aanrieden

de aanbiedingen af te wijzen en hij sprak met zulk een goed succes,

dat Hendrik besloot in het verbond te treden en alzoo de kampioen

der Duitsche vrijheid werd.

De onderhandelingen werden voortgezet en er kwam een verdrag tot

stand, waarbij werd aangenomen, dat Hendrik maandelijks een zekere som

aan de Duitschers zou betalen, die onmiddellijk de operaties zouden

beginnen, terwijl de Fransche koning een afleiding in Luxemburg en op

de grenzen van de Nederlanden zou scheppen. Verder werd er bij bepaald,

dat hij bezit zou nemen van al de Fransch-sprekende steden, die hij

zou overwinnen en dat de Duitschers hem helpen zouden, om Milaan,

zijn vaderlijk erfgoed, te heroveren, zoodra hun eigen troebelen

vereffend waren.

Voor het vertrek van het gezantschap werden zij, na de gunstige

beëindiging hunner zending, op een Zondag, den 20en October, te

Fontainebleau genoodigd. Nadat ze zich te Chesnil verfrischt hadden,

werden ze in de groote hal te Fontainebleau binnengeleid, die zij,

volgens de beschrijving in de mémoires "zoo rijk versierd vonden,

dat ze met bewondering waren vervuld. Daar hingen de wapenschilden

van het Rijk, (behalve die van het huis van Oostenrijk) met die van de

afgezanten der keizerlijke steden aan den wand. Schitterende festoenen

en een verbazingwekkende overvloed van gouden en zilveren versiersels

zetten aan alles een grooten luister en pracht bij.

Zijne Majesteit kwam eindelijk ook binnen, vergezeld door zijn

prinsen en heeren, zoo rijk gekleed, dat ze allen wel voor koningen

konden doorgaan. De koning nam den hertog van Symerch en den graaf

van Nassau ter zijde, om met hen wat te praten; de connétable en

de prinsen onderhielden zich met de anderen door middel hunner

tolken. M. de Vieilleville wendde zich tot den Prins van Oranje,

die ook hem zocht, zoodat niemand aan zichzelf bleef overgelaten,

terwijl men op het diner wachtte, dat zou worden voorgediend.

Na het diner begon het bal, waarbij de koningin en al de hofdames

verschenen, zoo kostbaar gekleed, dat de Duitschers één en al verbazing

waren. Na den koninklijken dans in paren, werden de Duitsche dansen,

die de gasten beter kenden, uitgevoerd, met een gaillarde (een

destijds zeer bekenden dans) voor deze bijzondere gelegenheid, die

des te voordeeliger de gratie van onze Fransche jeugd deed uitkomen.

Niet een der gasten bood zich aan om de figuren daarvan mee te dansen,

behalve de Prins van Oranje, die zich zeer knap daarvan kweet en zeker

den prijs van de gaillarde gewonnen zou hebben, als hij met al zijn

houdingen, sprongen, draaiingen en bewegingen de maat van de muziek

had kunnen houden.

Op den volgenden dag keerde het gezantschap, beladen met geschenken

en vol toewijding aan den Franschen koning, naar Duitschland terug.

Dit romantische verhaal wordt bij vele geschiedschrijvers

aangetroffen, vooral de beschrijving van het bal, maar 't is wel

onwaarschijnlijk, dat zoo spoedig een definitieve overeenkomst

zou gesloten zijn. Dergelijke onverwachte ambassades met volkomen

volmachten en verdragen, geteekend en gesloten binnen enkele dagen,

zijn feiten, die alleen door geschiedschrijvers als Vieilleville's

secretaris worden verhaald. Ook wordt omtrent dit verbond door Pfister

het volgende meegedeeld:

"Maurits en koning Hendrik II van Frankrijk zochten met elkander

een overeenkomst te sluiten op zulk een wijze, dat het niet bekend

was, wie de eerste stappen gedaan had. Korten tijd te voren had Jan

Frederik van Saksen een alliantie met Frankrijk afgeslagen, omdat

die de veiligheid van het keizerrijk bedreigde. Maar de wanhopige

toestand stond niet langer halve maatregelen toe. De Fransche gezant,

Fraxinus, kwam op het eenzaam in het woud gelegen kasteel Friedewald

in Hessen. Hier traden de Duitsche vorsten, Keurvorst Maurits voor

zichzelf en zijn pupil George Frederik van Brandenburg-Anspach, hertog

Albert van Mecklenburg en de jonge landgraaf Willem van Hessen, tot

een defensief en offensief verbond met Hendrik van Frankrijk toe,

ten einde staatkundige en godsdienstige vrijheid te erlangen."

Daarop volgt een trek, die doet denken aan Vieilleville: "Terwijl de

verbondenen bezig waren de acte van het verdrag te teekenen, sloeg

een bliksemstraal, gepaard aan een hevigen donderslag een scheur in de

hal van Friedewald, hetgeen Fraxinus, overeenkomstig de oude meening,

als een goed voorteeken opvatte."

Het is, om kort te gaan, hoogst onwaarschijnlijk, dat de Graaf

van Nassau eenig deel aan de transactie heeft genomen en nog

onwaarschijnlijker, dat hij zulk een daad van onvoorzichtigheid en

trouweloosheid zou hebben verricht, om zijn zoon in operaties te

wikkelen tegen den keizer en het keizerlijke leger, waarbij hij juist

zijn opdracht had ontvangen.

In September 1551 n.l. ontving de Prins zijn eerste militaire benoeming

als kapitein van een ruiterafdeeling van 200 paarden en in April

van het volgende jaar kreeg hij van de regentes een tweede opdracht

als kolonel van tien compagnieën voetvolk. Dit was geen kolonelspost

alleen voor de eer, om, terwijl hij rustig aan het hof kon blijven,

den jongen man een uniform te leeren dragen, want de oorlog was

aanstaande, die ook hem op het slagveld roepen zou.

Het gesloten verbond tusschen Hendrik II en Maurits, waarvan we

boven spraken, was een feit en Karel V had de hulp noodig van al zijn

getrouwe onderdanen, die oud genoeg waren om de wapens te dragen.

De verbondenen waren overeengekomen, dat Hendrik in het vroege

voorjaar naar de Nederlanden zou optrekken en het keizerlijk leger,

voor zoover het daar was, zou bezighouden, zoodat Maurits bij het

openen der vijandelijkheden alleen de troepen zou ontmoeten, die

Karel toevallig bij zich in Duitschland had. De allerchristelijkste

koning verscheen met groot vertoon als de verdediger der vrijheid op

het oorlogstooneel. Hoewel er nieuwe vervolgingen tegen de Fransche

protestanten werden op touw gezet, omhelsde hij dapper de zaak der

Lutheranen aan gene zijde van den Rijn, die door de onderdrukkingen van

zijn meest katholieken broeder, den keizer, diep waren terneergeslagen.

Welk een schrik voor den keizer, toen hij te Innsbrück vernam,

dat Maurits zijn masker van getrouwheid had afgeworpen en in

Thüringen gereed stond, om zijn vroegeren meester met 2000 man

voetvolk en 5000 ruiters, die hij in het geheim had bijeenvergaard,

aan te vallen. Karel vluchtte, naar beweerd wordt verkleed als een

oude vrouw, van Innsbrück naar Villach, teneinde daar te overleggen,

welken weg hij verder zou inslaan.

Ofschoon Karel meer van onderhandelingen met Maurits dan van oorlog

verwachtte, gaf hij toch Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden

bevel, den aanval der Fransche troepen aan de grenzen te stuiten.

Het gevolg hiervan was, dat in het vroege voorjaar van 1552 Maria

zich gereed maakte, de aanvallers op alle punten langs de grenzen,

die niet door natuurlijke middelen verdedigd waren, te gemoet te

gaan. Onder haar opperbevel trok Willem van Oranje aan het hoofd

van zijn tien compagnieën naar de grenzen. Voordat de veldtocht was

geopend, hadden Metz en Straatsburg zich reeds overgegeven en dit

succes der Franschen werd nog gevolgd door de overgave van Damvilliers,

Yvoy, Montmédy en andere kleine steden.

Door de verantwoordelijke positie van den Prins van Oranje,

onderhield hij een geheime briefwisseling met de Regentes Maria over

punten van tactiek, soldij, voorbereidingen van wapenschouwingen

enz. Hij onderhield niet alleen met haar correspondentie, doch ook

met zijn jonge vrouw, die als zijn plaatsvervangster in Breda was

achtergebleven. 't Zijn alle aardige, maar jongensachtige briefjes,

vol zorg voor zijn vrouw en vol van kleine nieuwstijdingen over den

loop van den veldtocht, dien zij blijkbaar in stilte volgde.

Uit Thorn, waar hij in Juni was, schreef hij het volgende aan Anna:

Mijne vrouw!

Deze dient, om U te berichten, dat ik gisteren brieven van

de koningin ontving, zoo vriendelijk als ik niet geloof, dat

zij ooit aan iemand van welken rang ook geschreven heeft; zij

drukte er haar goedkeuring in uit over mijne eigenschappen en

wenschte mij toe, dat ik altijd denzelfden ijver zou toonen,

terwijl zij mij verzekerde van haar volkomen vertrouwen in

mij. Ik bid God, dat hij mij de genade geeft, dien goeden naam

te behouden. Ik ga morgen naar het leger en hoop te Tongeren

te slapen, waar ik vijf mijner compagnieën moet afwachten. Ik

hoop, dat God mij zal vergunnen in goede gezondheid en met een

goeden naam terug te keeren, zoodat wij dan beter gelegenheid

zuilen hebben van elkanders samenzijn te genieten. Ik verzoek

U, mijn verontschuldigingen bij onze grootmoeder en onze

moeder te maken, dat ik haar niet geschreven heb. Daarmee

wil ik liever tot later wachten, want ik ben bang, hen

met mijne brieven te vervelen, daar ik niets nieuws weet

te vertellen. Zoodra ik iets weet, zal ik dit doen. Tevens

verzoek ik U mijn nederigste groeten over te brengen aan uw

geheele hofhouding; ik bid U, het hen allen zoo aangenaam te

maken, dat ze U in het graafschap gezelschap blijven houden

en Uwe eenzaamheid, die gij anders zoudt gevoelen, daardoor

wat verlichten. Den Schepper biddende, al uwe wenschen te

verhooren enz.

Uw beste echtgenoot,

Willem van Oranje.

Aan Mevrouw de Prinses van Oranje.

Uit Thorn, 7 Juni.

De jonge officier beklaagde zich ernstig over de vele ongemakken van

het kampleven en in een volgend briefje tracht hij haar gerust te

stellen over het gevaar, dat Brabant, door een inval der Franschen,

bedreigde.

Bovendien was een voortdurende oorzaak van angst de kwestie van

versterking; daarbij heerschten allerlei ziekten in het slecht

georganiseerde kamp onder de soldaten, zoodat de ondervindingen van den

veldtocht in den zomer van 1552 verre van aangenaam waren. Veldslagen

werden niet geleverd, doch de guerilla-oorlog putte het leger uit

en daarbij kwam nog de voortdurende geldnood in de schatkist van het

leger, zoodat de betaling der soldaten altijd ten achter was.

Karel was kwistig in beloften en verzekeringen, dat er geldversterking

uit Spanje op weg was, maar het weinige, ooit door het leger gezien,

werd van de onwillige Nederlanders afgeperst en gebruikt om de

Spaansche troepen te betalen.

"Daarom bid ik U, houd goeden moed en hoop, dat wij in onze onderneming

zullen slagen en dat wij een eind zullen maken aan het snoeven onzer

vijanden", schrijft Oranje uit Mons op den 11en Juli aan zijn vrouw

en ook hij doelde daarbij op de versterkingen zoowel aan soldaten

als aan geld, die naar mededeeling van de koningin waren aangekomen.

Vier dagen later schrijft hij haar uit het kamp te Dorle, dat zijn

regiment en de cavalerie een poging hadden gedaan om den Koning van

Frankrijk in een hinderlaag te lokken, doch dat er geruchten gingen,

dat de Fransche koning reeds over zijn grenzen was teruggetrokken.

Werd de oorlog dus slepende gevoerd, zonder dat er iets belangrijks

werd uitgericht, Karel zelf was bezig met onderhandelingen, die het

vredesverdrag van Passau (21 Aug. 1552) ten gevolge hadden.

Wel hadden de Duitsche edelen aan Hendrik de verzekering gegeven,

geen verdrag met Karel te sluiten, wanneer niet allereerst de Fransche

belangen werden behartigd, maar toen het tot dat punt kwam, werd er

alleen door de verbondenen een korte clausule aan toegevoegd, waarin

den koning van Frankrijk vergund werd, hun elke oorzaak van klacht

tegen den keizer mee te deelen.

Hendrik dacht er niet meer over de voordeden, door hem behaald, prijs

te geven; hij weigerde zijn troepen van den keizerlijken grond terug

te trekken en had zich reeds in September van bijna geheel Lotharingen

meester gemaakt.

Als wraak over den voorspoed van Hendriks leger verwoestte Maria

verscheidene dorpen in Champagne, maar het mocht haar niet gelukken

ook maar een enkele sterke plaats te nemen.

Door het verdrag van Passau had de keizer nu de handen vrij gekregen

om Hendrik voor zijn al te werkzame belangstelling in de zaken van

zijn buurman te straffen.

Het verlies van Metz was vooral zeer hinderlijk voor den keizer en

hij besloot geen enkele poging te sparen om het te hernemen.

Hij naderde vroeg in September den Rijn, waaruit Hendrik reeds

voor de leus zijn paarden had doen drinken en Maria lichtte weer

troepen, teneinde ter vermeerdering van het keizerlijk leger, een

detachement op te zenden. Oranje zond een bijzonder verzoekschrift

aan haar om met een volgende divisie te worden gezonden, waardoor

hij misschien de gelegenheid zou vinden op een spoedige beëindiging

van het Catzenellenbogen-proces aan te dringen. Filips van Hessen was

vrij geworden en nu hoopten de Nassau's op een gunstige schikking in

hun proces, daar zij zich gedurende de gevangenschap van hun buurman

zoo toegeeflijk hadden gedragen.

Maria wilde echter haar schikking niet veranderen en bleef er op staan,

dat het regiment van den Prins naar Artois zou gaan; wel keurde ze

goed, dat het commando aan een ander werd opgedragen, terwijl Oranje

dan met verlof mocht om den keizer te bezoeken. Willem ging op dit

voorstel niet in, want het was nog iets anders rechtstreeks naar den

keizer te gaan en een verzoek tot hem te richten dan een opdracht te

hebben, waardoor de gelegenheid zich zou kunnen voordoen in 's keizers

nabijheid te komen en dan een gunstige gelegenheid af te wachten om

zijn private belangen te behartigen.

De Prins ging dus niet met verlof, maar op weg om Brabant te

doorkruisen, na echter te Brussel een brief aan Karel geschreven te

hebben. Van Bouvignes aan de Maas, dat hij in October bereikte, kwam

de jonge kolonel in Arras, waar hij een zeer waardeerend schrijven

van Maria ontving voor zijn uitmuntende diensten.

Van hier schreef hij half November aan Anna, dat hij hoop had op

spoedige ontbinding van het leger, waardoor zijn liefste wensch tevens

vervuld zou worden haar spoedig terug te zien. ".... ik kan mijn

verlangen om U terug te zien, niet in schrift uitdrukken. Ik gevoel

mij alsof ik reeds een jaar van U verwijderd was," meldt hij o. a.

Die vurige wensch werd vervuld en de troepen van den prins werden te

Valenciennes op den 17en November ontbonden.

Nadat zijn compagnieën waren weggezonden, bedwong Oranje zijn

ongeduld om zijn vrouw te zien, want hij wilde zijn hulde aan

Karel gaan betuigen. Uit Thionville kon hij met een koerier, die

naar Brabant terugkeerde, enkele regels voor de prinses meegeven,

om haar te zeggen, dat "Monsieur van Arras" hem had aangeraden, een

dag bij Karel te gaan doorbrengen, omdat hij zoo in de buurt was;

tevens meldde hij, dat er gezegd werd, dat de keizer niet lang voor

Metz zou blijven. Dit bleek juist, want zes dagen later hief Karel,

ontmoedigd door het gemis aan succes, de belegering op, die 56 dagen

had geduurd en aan de belegeraars veel grooter schade berokkend had

dan aan de burgers der belegerde stad.

Bijna 3000 man stierven aan ziekte of vielen in de schermutselingen,

welke een ongelukkig deel uitmaakten van die akelige belegeringen. Dit

beleg van Metz is als een zeldzaam voorbeeld in de geschiedenis bekend,

omdat er door de overwinnende partij ridderlijke welwillendheid werd

betoond. De hertog van Guise voorzag de berooide keizerlijke soldaten,

die, na het vertrek van het voornaamste deel van het leger, op de

wegen rondzwierven, van versterkingen, zooveel als hij kon uitsparen

en beval aan Fransche geneesheeren al degenen te verzorgen, die te

ziek waren om naar de keizerlijke dorpen te kunnen worden overgebracht.

Karel trok naar Brussel, waar hij zoo rustig den geheelen winter bleef,

dat in Frankrijk reeds het gerucht van zijn dood werd verspreid. Zoover

was het wel niet, maar de gebeurtenissen van 1552, dat jaar vol

onaangename verassingen, hadden hem diep terneergedrukt. Zijn

hartewensch bleef, zich op den koning van Frankrijk te wreken. Het

geld hiervoor benoodigd moest uit Amerika komen; toen dit echter niet

kwam, vroeg hij aan de Nederlanden een subsidie, die met tegenzin

werd gegeven. Hollands aandeel alleen bedroeg 300.000 gulden en

zijn stoere burgers waren bijzonder toornig, dat ze dit bedrag naar

de grenzen van Artois moesten zenden, terwijl hun haringvisscherij

groote behoefte aan bescherming had.

Vroeg in den zomer van 1553 werd Karel wakker uit zijn

winterverdooving, trok te velde en deed een aanval op de stad

Thérouanne, een der peluwen genoemd, waarop de Fransche koning gerust

kon inslapen met de gedachte, dat zijn koninkrijk veilig was. Karel

verwoestte de stad zoo geheel, dat de naam tijdelijk van de kaart

van Frankrijk werd uitgewischt.

Dit troostrijke succes van den keizer had tengevolge, dat Hendrik de

feestelijkheden, verbonden aan het huwelijk van Diana van Poitiers

te Parijs, liet staken om de grenzen te bereiken en den keizer te

verdrijven.

In dit tweede jaar van zijn werkelijken dienst diende Oranje onder

den opperbevelhebber van het keizerlijk leger Emmanuel Philibert van

Savoye. Veel belangrijks werd er echter niet uitgericht, daar Karel

wijselijk een groot gevecht vermeed, maar toch langzaam vorderend

over de Fransche grenzen trok en bijna Amiens bereikte. In October

betrokken de soldaten hun winterkwartieren reeds.

In den winter, die nu volgde, trachtte Karel een verbintenis tusschen

Filips en Maria van Engeland tot stand te brengen, een huwelijk,

dat weinig goeds voor de Nederlanden voorspelde, terwijl Willem, die

zich te Breda bevond, nieuwe huurlingen poogde te verkrijgen om voor

de lentecampagne gereed te zijn. Hij ondervond daarbij van de zijde

der koningin niet veel medewerking; deze was zuinig van aard en wilde

geen handgeld geven, wel rijke beloften van toekomstige betalingen,

waarmee de Duitschers echter geen genoegen namen. De Prins deed haar

opmerken, dat de beste soldaten door andere vorsten zouden worden

gehuurd, zoo hij niet die huurpenning of dat handgeld kon betalen;

de koningin bleef doof voor zijn opmerkingen en behield haar penningen.

In de lente van 1554, op zijn 21e jaar, werd de jonge officier tot

den rang van hoofdcommandant bevorderd en toen hij in Juni te velde

trok, werden de vereenigde troepen van Brederode, van Schwarzburg,

Rosenberg en Buren onder zijn commando geplaatst.

Hendrik II marcheerde vroeg in Juli naar de grens en nam bezit van

Mariënburg, een versterkt jachtslot. Ook Dinant moest capituleeren en

daarop naderden de beide legers te Givet, waar ze 6 dagen lang op de

tegenovergestelde oevers van de Maas gekampeerd waren, met het volle

gezicht op elkaar.

Toen Karel, die te ziek was om Brussel te verlaten, vernam, dat

Philibert van Savoye was achteruitgeweken, blijkbaar onzeker hoe te

handelen, raapte hij alle kracht, die nog in zijn uitgeput lichaam was

overgebleven samen en verscheen plotseling, als een geest uit het graf,

te Namen. Het scheen, alsof hij een vernietigender nederlaag tegemoet

ging, dan hij ooit van te voren had geleden. Bij Metz had Karel zelf

gezegd, dat de Fortuin een vrouw was, die een jongen koning verre

verkoos boven een ouden keizer, maar thans bleek het anders te zijn,

want de vijand was verplicht terug te trekken en de keizer kreeg

daardoor een betere positie, dan hij drie jaar geleden had ingenomen.

Als weerwraak op de verwoesting in Artois, plunderde Karel het land

en volgde den terugtrekkenden vijand tot in Picardië; daarna trok de

keizer naar Brussel terug.

Hier werden verschillende pogingen beproefd om vrede met Frankrijk te

sluiten. Oranje was in het bijzonder ongerust; volgens hem moest er

in het aanstaande tractaat van zijne zaken nadrukkelijk sprake zijn,

daar hij nooit door zijn Fransche Staten als heer was erkend. De

onderhandelingen vorderden langzaam en opnieuw werden in de lente

van 1555 de vijandelijkheden in het ongelukkige grensland geopend.

Bij een lastbrief, gedateerd 22 Juli, benoemde Karel Oranje tot

hoofdcommandant over al de Nederlandsche troepen, die in de nabijheid

van Givet onder de wapens waren. Het is mogelijk, dat de Prins die

positie reeds eerder bekleedde, want hij zegt in zijn Apologie:

"Toen ik nog niet den leeftijd van 21 jaar had bereikt en niet aan het

hof, maar te Buren vertoefde, koos de keizer mij tot hoofdcommandant

gedurende de afwezigheid van den hertog van Savoye, niettegenstaande

de raadsheeren en de koningin verschillende andere officieren daarvoor

noemden, wier naam reeds gevestigd was, als de graven Bossu, Lalaing en

Maarten van Rossum, allen veteranen in den dienst en Aremberg, Meghen

en Egmond, die twaalf jaar ouder was dan ik." Hij voegde daarbij,

dat de bescheidenheid hem niet veroorloofde de redenen te herhalen,

die Karel tot die benoeming bewogen, daar het dan licht zou kunnen

schijnen, alsof hij zichzelf overschatte.

Dit was een zeer gewichtige positie, die evenals andere

verantwoordelijke betrekkingen, vele uitgaven eischte. De Prins had

een groot inkomen, maar dit zelfs dekte zijn uitgaven niet. Vandaar,

dat de kwestie van de financieële emolumenten aan zijn nieuwe

waardigheid verbonden zeer gewichtig voor hem was. Hij schreef er

ook zijn vrouw over en verzocht haar eens door zijn rechtsgeleerde

te laten onderzoeken, hoeveel de oude Prins van Oranje, de hertog van

Aerschot en de Bossu als inkomen hadden; hem was n.l. maandelijks 500

florijnen en 12 hellebaardiers beloofd, ieder tegen dubbele gage. Dit

was zeer weinig, vond de Prins en zelf schatte hij in zijn brief het

inkomen, dat hij maandelijks te verteren had op 2500 florijnen. Hoewel

altijd slecht bij kas, aarzelde hij niet nieuwe uitgaven te doen;

o.a. bestaan er brieven omtrent een gallerij, die de Prinses bezig

was te bouwen. Gedurende de overige zomermaanden was de Prins weer te

velde. Karel had besloten een rij van forten te bouwen om de bedreigde

streek in Brabant te beschermen.

De jonge generaal stond tegenover ervaren en geduchte tegenstanders,

zooals de hertog van Nevers en Châtillon, den admiraal van Frankrijk

(Coligny), die sedert wel het bewijs heeft gegeven welk een sterke

klant (rude partie) hij was. "Nochtans kon ik mij Goddank, tegen hen

staande houden en bouwde Philippeville en Charlemont voor hun oogen

(à la barbe), al woedde ook de pest in ons leger."

Behalve de pest, die niet kon bedwongen worden, vermeerderden de

onophoudelijke regens de hardheden van het kampleven en het gewone

gebrek aan fondsen dreef de ontmoedigde troepen tot een muiterij, die

de officieren slechts met moeite konden bedwingen. De oprichting der

forten was een tijdroovende bezigheid en in geenen deele aangenaam. Op

den 15en October schreef Oranje aan de Prinses: "Ik verzeker U, dat

het mijn eenig amusement is, buiten in den regen en in de modder bij

onze versterkingen te staan en als ik wat rust neem, dan doe ik dat

aan U gedachtig en stel mij de vraag voor, of ik nog lang hier zou

blijven, indien het aan mij lag."

Het schijnt vreemd, dat Karel dezen drukken tijd heeft uitgekozen

om zich aan het publieke leven te onttrekken. Na zijn laatste

krachtsinspanning in 1554, was hij rustig te Brussel gebleven,

alles voorbereidende voor dat befaamde afscheid van het Europeesch

tooneel, dat eindelijk plaats had op den namiddag van den 25en October

1555. Ontmoedigd door zijn afnemende macht, had hij besloten liever

vrijwillig afstand te doen van zijn rijk, dan getuige te zijn van de

vermindering der macht, die hij zoo lang had gehandhaafd. Onder de

vele hooge gasten, die verzocht waren om bij die niet alledaagsche

plechtigheid tegenwoordig te zijn, vergat de keizer zijn nieuwen

generaal niet. Deze was daar zeer mee ingenomen en schreef er de

Prinses over, haar tevens radende aan de hertogin van Aerschot of

aan Mad. Egmond te vragen, haar gedurende den korten tijd, dat ze in

Brussel zou zijn, te ontvangen; hij zou op den dag der plechtigheid met

de post komen, maar hoe lang hij bleef, kon de Prins nog niet zeggen.

Tengevolge van de late aankomst van den aartshertog Maximiliaan,

werd de plechtigheid verscheidene dagen uitgesteld en had niet voor

den 25en October plaats.

Het was een schitterende openbare plechtigheid, misschien een van de

meest bekende uit de 16e eeuw, die door verschillende tijdgenooten

en ooggetuigen in bijzonderheden is beschreven. Ook Karel had daaraan

maanden lang een buitengewone aandacht gewijd; hij kende den invloed

van staatkundig praalvertoon op het volk en hoopte door de pracht

van zijn afscheid de vernederende gebeurtenissen van de laatste jaren

zijner regeering te doen vergeten.

"De groote hal in het paleis te Brussel was luisterrijk versierd en

al de verzamelde gasten waren in de rijkste kleeding getooid. Op eene

verhevenheid aan het eind van de hal stonden drie schoone zetels,

de middelste voor den keizer, die ter linkerzijde voor de koningin

van Hongarije, die eveneens haar regentschap over de Nederlanden zou

nederleggen, die aan de rechterzijde voor den koning. Op dezelfde

verhevenheid ter rechterzijde stond een met tapijt bedekte bank voor

de ridders van het Gulden Vlies en aan den linkerkant, een weinig

lager, een dergelijke bank voor de prinsen en edelen; nog lager waren

andere banken geplaatst voor de drie collaterale raden, den raad van

state, van financiën en den geheimen raad. Onder die verhevenheid,

vlak tegenover hunne majesteiten, waren met tapijt bedekte banken

geplaatst voor de staten, die overeenkomstig hun rang zitting namen,

de staten van Brabant vooraan, dan die van Vlaanderen en de andere

daarachter naar hunne rangorde. Toen allen verzameld en gezeten waren,

hetgeen ongeveer te drie uur was, kwam de keizer van de zijde der kapel

de hal binnen, leunende op den schouder van den Prins van Oranje;

koning Filips en de koningin (Maria van Hongarije) volgden, beiden

begeleid door een groot gevolg van de voornaamste inheemsche edelen en

anderen, ridders van de orde, in groot tenue versierd met hun groote

halssnoeren, evenals hunne Majesteiten, de keizer en de koning. Hunne

Majesteiten namen plaats op de genoemde zetels, terwijl de edelen

en heeren, die in hun gevolg binnenkwamen, naast de verhevenheid aan

den kant van de hal tegenover den toren van het hof bleven...."

De geheele vergadering bleef staande, totdat het bevel gegeven

werd, dat ze hunne plaatsen zouden innemen, om de boodschap in den

behoorlijken vorm aan te hooren, tegelijk met de redevoeringen,

waarvan hier de hoofdinhoud volgt.

"Allereerst hield Philibert van Brussel, staatsraad en lid van den

geheimen Raad, een aanspraak tot de Staten-Generaal in naam van

den keizer, waarin hij diens besluit tot abdicatie en den formeelen

afstand van al zijn Nederlandsche waardigheden en bezittingen aan

Filips mededeelde. Hij somde al den grootschen arbeid op, dien Karel

had volbracht, waardoor hij ten volle het recht op rust had verdiend;

hij vroeg den Staten getrouwheid aan hun nieuwen souverein en bovenal

de instandhouding der plakkaten ten opzichte van den godsdienst,

die Karel had uitgevaardigd en Filips beloofde te handhaven."

Daarna rees de keizer van zijn zetel, wenkte den prins van Oranje

en steunende op zijn schouder, begon hij met zijn toespraak. Hij

herinnerde zijn volk, hoe werkzaam zijn leven was geweest. Sinds zijn

troonsbestijging in 1515 had hij negen reizen gedaan naar Duitschland,

zes naar Spanje, zeven naar Italië, vier naar Frankrijk, tien naar

de Nederlanden, twee naar Engeland, evenveel naar Afrika, alles te

zamen 40. Hij schetste zijn verschillende oorlogen, overwinningen

en vredesonderhandelingen. Die reizen, waartoe zijn plicht tegenover

zijn verschillende onderdanen hem had gedwongen, waren zoo vermoeiend

geweest, dat hij op 55 jarigen leeftijd een oud en gebroken man was.

Terecht zegt Motley, dat het wel moeilijk is, in te zien, hoe dit

op en neer gaan in de wereld, dit heen en weder reizen veel voordeel

heeft gebracht aan zijn beminde onderdanen, die inderdaad gewoonlijk

zijn komst een slecht voorteeken voor hun beurzen vonden, daar elk

nieuw bezoek aanleiding was tot vermeerderde en nieuwe schatting.

Karels eenig verdriet bij zijn afscheid was, dat hij een oorlog met

Frankrijk, die nog aan den gang was, als een erfgoed aan zijn zoon

moest achterlaten, maar die zou wel spoedig teneinde zijn. Hij vroeg

daarop vergeving aan zijn volk voor enkele dwalingen, die misschien in

zijn liefderijk bestuur waren ingeslopen, verzocht zijn zoon en alle

aanwezigen, de heilige kerk te bewaren en te beschermen, omhelsde

Filips en riep hem, zijn hand op zijn hoofd leggende, tot graaf van

Vlaanderen en souverein van de Nederlanden uit, terwijl hij in den

naam der heilige Drieëenheid het teeken des kruises maakte. Volgens

den Venetiaanschen gezant zonk hij aan het eind zijner rede uitgeput

op zijn troon neder, terwijl de geheele doorluchtige vergadering

tot tranen toe bewogen was. De Engelsche gezant te Brussel zegt

het nog sterker. "Daar was niet één man in de gansche vergadering,

die niet gedurende een groot deel van Karels rede overvloedig in

tranen uitbarstte."

Motley, de meesterlijke beschrijver van dezen afstand, noemt dat

afscheid met die tranen een verachtelijk comediespel, een stelselmatige

vertooning. Volgens dien schrijver waren de belangen der Nederlanders

nooit, zelfs niet in de tweede plaats, bij hun gebieder in aanmerking

gekomen; hun land was als de schatkamer beschouwd, waaruit Karel

putten kon en de door hem afgeperste sommen, werden aan langdurige

oorlogen verspild, voor de Nederlanders van even weinig belang,

als waren zij op een andere planeet gevoerd. Volgens onze groote

geschiedkundigen was men werkelijk in de Nederlanden aan den keizer

gehecht. Hij had zeker nooit de beurzen ontzien, maar daartegenover

het beste, dat hij aan die gewesten kon geven, de eenheid, aan de

Nederlanden geschonken. Met aandoening inderdaad zag men den 55

jarigen man vrijwillig van het wereldtooneel scheiden.

Filips sprak nu eenige woorden; hij betreurde het, de Fransche taal

niet voldoende machtig te zijn om zich daarin te uiten en verzocht

daarom de aandacht voor den Bisschop van Arras, die zijn tolk zou

wezen. Met veel omhaal van woorden deelde hij namens den nieuwen koning

mede, dat deze de gift van zijn vader aannam en zijne toewijding aan

zijn volk beloofde.

Deze lange rede werd beantwoord met een van gelijke lengte door

den Raadsheer Maes van Antwerpen, "een man van groote geleerdheid,

welsprekendheid en omslachtigheid tevens". Namens de Staten-Generaal

aanvaardde hij den afstand en drukte op buitengemeen wijdloopige

wijze hun spijt uit over het vertrek van den ouden souverein.

De regentes Maria van Hongarije, de "Christelijke Weduwe" volgens

Erasmus, volgde met een zorgvuldig voorbereide rede, waarbij ze afstand

deed van het bestuur, dat zij 23 jaren gevoerd had. De woordenrijke

Raadsheer gaf in welgekozen zinnen ten antwoord, dat er in al de

gewesten slechts één roep was over haar uitmuntend bestuur.

"Toen deze redevoeringen waren geëindigd, gingen Hunne Majesteiten in

dezelfde orde en langs denzelfden weg, dien ze binnengekomen waren,

weder heen, evenals de Staten-Generaal, overeenkomstig hun rang."

Zoo eindigde het groote schouwspel van de abdicatie. De formaliteiten

voor de verandering der regeering in de verschillende gewesten, die,

op zoo verscheiden wijze gekregen, natuurlijk zeer uiteenliepen,

volgden in de eerste dagen of weken daarna. De Spaansche kroon en

die van Indiën kwam niet aan Filips vóór 16 Januari 1556, terwijl de

keizerlijke scepter, die tot groot verdriet van Karel niet aan Filips,

maar aan zijn broeder Ferdinand verviel, eerst in Augustus van dat

jaar op dezen overging.

Met Karel V verdween een heldenfiguur in Europa en de Nederlandsche

gewesten gevoelden een zekeren trots op zijn wapenfeiten, in

weerwil van 't vele geld, dat zij voor zijn oorlogen hadden moeten

opbrengen. Al had hij slechts weinige van zijn 55 levensjaren op

Vlaamschen bodem doorgebracht, het volk bleef zich altijd herinneren,

dat hij een Vlaming van geboorte was. Hij sprak hun taal en als hij

bij hen vertoefde, dan was hij een hunner.

Hoe geheel anders met Filips. Hij was geheel en al een Spanjaard en

is dit ook altijd gebleven. Geen woord Fransch, laat staan Vlaamsch

kon hij spreken en in de plaats van de gemeenzaamheid van zijn vader

tegenover de noordelijke onderdanen, kwam nu het meesterachtige

van Filips.

Met Karels afstand van de regeering eindigt een belangrijk tijdperk

van het leven van Willem van Oranje.

Op 11 jarigen leeftijd aan 't hof van den keizer gekomen, had Karel

reeds vroeg de waarde van Willems karakter erkend en hem in zijn

omgeving een plaats toegewezen.

Onder leiding van Jérome de Granvelle had de knaap een uitstekende

opvoeding ontvangen, zoodat, terwijl de Prins van Spanje slechts zijn

moedertaal ter beschikking had, de Prins van Oranje o.a. het Fransch,

Duitsch en Vlaamsch meester was.

Op 18 jarigen leeftijd had hij zijn eerste militaire benoeming

gekregen en nog geen drie jaar later werd hij, met voorbijgaan van

vele officieren van naam, reeds tot hoofdcommandant aangewezen.

Toen Karel afstand deed mocht zijn troetelkind niet ontbreken, ja de

keizer schreef hem zelfs, die daad niet buiten zijn tegenwoordigheid

te willen verrichten!

Tot heden had hij een meester gediend onder wiens vaderlijke en

liefderijke zorg de Prins tot een man was opgegroeid, hoe geheel

anders zou het voor hem worden, thans de goddelijke superioriteit

te erkennen van een man, die slechts iets ouder was dan hij, wiens

karakter klein en onbeduidend was en wiens intellectueele talenten

zoo schraal mogelijk waren.

Welk een verschil tusschen deze twee mannen! "In plaats van listige

achterdocht van Filips toonde Oranje verstandige voorzichtigheid,

in plaats van willekeurige hardnekkigheid, krachtige standvastigheid,

in stede van vruchteloozen arbeid, onvermoeiden ijver."

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 12 / 80 题