Zoo dringt het besef dat de oorlog ook ons bedreigt, tegelijk
met de verwachting dat de vrede in de verte nadert, ons niet tot
luidruchtigheid, maar tot een diepere stilte, waarin wij het werken van
onze beginselen waarnemen. Naarmate het uiterlijk gebeuren hoop en vrees
nader aan elkander brengt, bespeuren we de werking van die beide ook
inniger in onze eigen roerselen en daar vooral begrijpen wij van dat
gebeuren de beteekenis. Het is geen geringe winst zoo de storm van de
wereld zich in ons innerlijk afteekent en als dreigender bewogen ernst
zijn herinnering in ons achterlaat.
_Januari–April '16._