XV

Toen de oorlog uitbrak deden duitsche bewindhebbers al wat zij konden om

te bewijzen dat hij hun was opgedrongen, dat hij onvermijdelijk was, dat

zij hem voerden ter verdediging. Dat er waren, dat er hoe langer hoe

meer kwamen, die dit niet konden toegeven, die hem zagen als wat hij

was, een ongerechtvaardigde aanval, daarop berust het recht van lieden

als Liebknecht, die meenen dat zij de menschheid niet kunnen dienen door

eensgezind met hun volk te zijn. Hier in Nederland bestaat de besliste

wil dat, indien eenigszins vermijdbaar, de oorlog niet door ons gevoerd

zal worden. Onze gansche aandacht is gespannen erop, wij wenschen, wij

eischen van onze regeering, dat zij zich, zoolang eenigszins doenlijk,

onthouden zal, dat zij aanleiding geve noch ergernis, dat zij voor haar

eigen geweten en het onze zich vrijhoude van iedere neiging tot aanval.

Maar ook het kleinste schepsel verdedigt zich. Ook het nietigste volk

moet weten te offeren voor zijn onafhankelijkheid. Als wij allen zeker

zijn dat onze onafhankelijkheid wordt aangevallen, dan,—maar dan alleen

ook—is oorlog plicht.

Holland en de oorlog · 第 103 / 138 题