Toen de oorlog uitbrak deden duitsche bewindhebbers al wat zij konden om
te bewijzen dat hij hun was opgedrongen, dat hij onvermijdelijk was, dat
zij hem voerden ter verdediging. Dat er waren, dat er hoe langer hoe
meer kwamen, die dit niet konden toegeven, die hem zagen als wat hij
was, een ongerechtvaardigde aanval, daarop berust het recht van lieden
als Liebknecht, die meenen dat zij de menschheid niet kunnen dienen door
eensgezind met hun volk te zijn. Hier in Nederland bestaat de besliste
wil dat, indien eenigszins vermijdbaar, de oorlog niet door ons gevoerd
zal worden. Onze gansche aandacht is gespannen erop, wij wenschen, wij
eischen van onze regeering, dat zij zich, zoolang eenigszins doenlijk,
onthouden zal, dat zij aanleiding geve noch ergernis, dat zij voor haar
eigen geweten en het onze zich vrijhoude van iedere neiging tot aanval.
Maar ook het kleinste schepsel verdedigt zich. Ook het nietigste volk
moet weten te offeren voor zijn onafhankelijkheid. Als wij allen zeker
zijn dat onze onafhankelijkheid wordt aangevallen, dan,—maar dan alleen
ook—is oorlog plicht.