Het is een illusie van de vredesvrienden dat zij na de oorlog de
invloed kunnen oefenen die hun bij het begin ervan onthouden werd. De
regeeringen die oorlog verklaarden met of zonder hun toestemming, zullen
ook in staat zijn de vrede te sluiten zonder hen te raadplegen over de
voorwaarden.
De zaak is dat beslissingen als die over oorlog en vrede afhankelijk
zijn van de staatsmacht, en dus van de menschen door wie die macht wordt
uitgeoefend. Die personen voelen zich verantwoordelijk voor de belangen
die zij vertegenwoordigen. Voor die van de staat, en niet voor die van
de menschheid.
Stel een koopman voor dat hij niet voor zijn winst werkt, maar uit
menschlievendheid. Hij zal dan dadelijk antwoorden dat hij zou ophouden
koopman te zijn, en dus maar liever filantroop wil worden. Evenzoo kan
men een staatsman niet vragen humanitair te zijn.
Ieder vredes-apostel, die tevens staatsman is, zal, zoodra de uiterste
verantwoordlijkheid jegens zijn land van hem gevergd wordt, genoodzaakt
zijn aftetreden, niet zoozeer onder drang van de omstandigheden, als
wegens de onmogelijkheid te ontkomen aan het dilemma in zijn geweten.
Hij kan niet twee heeren dienen: de staat en de menschheid.
Dit uitzicht schijnt waarlijk troosteloos, en dat is het ook, zooals
iedere zuiver-idëeele verwachting, gezien de onmogelijkheid haar te
verwerklijken, tot troosteloosheid stemt.
De humanitaire verwachting kan niet verwerkelijkt worden door of in
de staten: zij kan het alleen, en is het, zoodra zij haar eigen vorm
schept: de gemeenschap waarin de staten zijn opgenomen.
De vraag is niet of staatslieden een vrede kunnen bewerken die aan
sommige menschheids-bedoelingen beantwoordt. Zij zullen dat doen
voor zoover hun staat oppermachtig blijft, en met de bijgedachte dat
te gelegener tijd nood wet zal breken. Maar de vraag is, of zich
een menschheid vormen zal die aan de staten haar gezag oplegt. Of
staatslieden daartoe zullen medewerken, betwijfel ik.