Er worden nu, zoowel door Franschen als door Engelschen, pogingen
aangewend om ons hun gezindheid geheel te doen deelen. Dat wij tegen
de aanvallende kracht die in de heele duitsche ontwikkeling school, in
verzet kwamen als Nederlanders, is evenwel geen reden waarom we ons
zouden vereenzelvigen met eenig aan Duitschland vijandig volk.
Ik weet wel dat wij, niets anders willende zijn als Nederlanders, van
weerskanten in de verdrukking komen. Maar dit is juist het eigenaardig
en onafwendbaar gevolg van onze ligging, onze aard en onze geschiedenis.
Als zulk een, aan alle zijden aan druk blootgestelde natie, moeten wij
bestaan of ondergaan.
De mogelijkheid is onloochenbaar dat wij, op het oogenblik dat de vrede
gesloten wordt, op niemand kunnen rekenen, integendeel de vijandigheid
zullen hebben te verduren van al onze buren, die van Duitschland zoo
goed als van Engeland, Frankrijk en België. Maar toch zou het dwaas
zijn—meer dan dwaas: onverantwoordelijk—ons uit vrees voor dat lot
aan de zijde te stellen van de eenen of de anderen.
Wij zijn, niet minder door onze belangen dan door onze volksaard, een
kleine en onafhankelijke, maar naar alle zijden open mogendheid. Wij
wenschen geen uitbreiding van grondgebied, maar wel het vrije verkeer
met alle omliggende landen. Wij meenen dat wij voor de stoffelijke
en geestelijke werkzaamheid van Europa, van de wereld, wel zooveel
beteekenen, dat men ons het beheer kan laten over onze bezittingen en
het recht onszelf te zijn. Welteverstaan, mits wij ook anderen het hunne
laten, ons niet mengen in hun strijd om voorrang of oppermacht, ons niet
laten indeelen in hun groepeeringen. Als bondgenoot zouden wij een van
de geringsten zijn, als onafhankelijk vertegenwoordiger van het recht
van kleine volken hooren wij tot de aanzienlijksten.
Wij zijn tegelijk belangeloos tegenover de anderen, en in ons recht
onaantastbaar. Beter stelling kunnen we niet innemen.