LA BRUYÈRE.

Ware bedervers van het geweten zijn sommige dagbladschrijvers die er hun

werk van maken tusschen de daden van de eenen en die van de anderen het

onderscheid te verdoezelen. Zij deelen mee dat oorlogvoerenden zich van

giftige gassen bedienen, maar om er dan dadelijk op te laten volgen:

het is waar dat de andere partij land onder water zette en dat men ook

door verdrinken sterven kan. Dat vergiftigen altijd voor iets gemeens

en het opofferen van eigen land voor een daad van vaderlandsliefde

gegolden heeft, schijnen zij niet te weten, en de lezer die gewend is de

meeningen van zijn dagblad met een zeker vertrouwen inteslurpen, neemt

de notie dat deze tweeërlei maatregelen gelijkelijk afkeurenswaardig

zijn, in zich op, zonder misschien tijd te vinden om over hun

onderscheid na te denken. Maakt men die schrijvers op hun misdrijf

opmerkzaam, dan spelen zij de verongelijkte. „Welk een bekrompenheid!”

roepen zij uit, „van ons te verlangen dat wij de meerdere of mindere

slechtheid van verschillende oorlogsdaden afwegen. De oorlog in zijn

geheel is slecht en niet tegen een enkele van zijn uitingen wenden wij

ons, maar tegen hemzelf.” Ondertusschen gaan zij voort, _zoolang de

oorlog duurt_, geen verschillen te zien, ook niet de klaarblijkelijkste.

Het gevolg is, dat ten opzichte van een toestand die tot de gewichtigste

hoort waarin de menschheid verkeeren kan, en waarin ze gedurende

een groot deel van haar bestaan werkelijk verkeert, aan haar

onderscheidingsvermogen het zwijgen wordt opgelegd. De eisch dat

menschen, juist wanneer zij vijanden zijn, ridderlijk met elkaar omgaan,

mag niet worden uitgesproken. Het vonnis van laaghartigheid, dat juist

wanneer de hartstochten zijn opgewekt, het vaakst en het strengst dient

te worden gehandhaafd, moet verzwegen worden. Het geweten dat in gewone

tijden, uit natuurlijke gemakzucht of omdat het minder geprikkeld wordt,

vanzelf wel zwijgt, mag zich óók niet laten hooren nu het ontwaakt

en door vreeselijke gebeurtenissen van zijn verantwoordelijkheid

doordrongen is. In de tegenwoordige omstandigheden dekken de

dagbladschrijvers die deze aanslag op de gewetens begaan, zich bovendien

nog door een beroep op onze „onzijdigheid.” Ten onrechte, want

onzijdigheid wil wel zeggen dat men, als staatsburger, aan een strijd

tusschen oorlogvoerende staten niet deelneemt, maar geenszins dat men

afstand doet van het recht op oordeelen.

Holland en de oorlog · 第 71 / 138 题