Personen kunnen uitmunten, gezelschappen zijn doorgaans middelmatig,
menigten zijn beneden peil. Breng nu menigten, grooter dan ze ooit
in het eigen land bijeen waren, over op vijandelijk grondgebied,
stel ze daar bloot aan beurtelings woede en vrees, opgewondenheid en
neerslachtigheid, honger en tijdelijke verzadiging, uitputting en
verveling. Neem in aanmerking dat volkstrots, en minachting voor het
vreemde volk, haar van kind af ingegoten, nu op het kookpunt zijn, dat
geen van haar leden het verband meer heeft, hetzij van de dagelijksche
arbeid die rustig maakt, hetzij van gezin, verwanten en vrienden,
stedelijke of landelijke gebruiken en zeden, van al die bindende machten
in één woord die een rem zijn op de genotzuchtige aandriften, de
zwakkeren nopen in het gareel te blijven, de sterkeren prikkelen tot
het geven van een voorbeeld, de bedorvenen noodzaken zich voor te doen
als beter dan ze van nature zijn, terwijl dit heele verband vervangen
is door alleen de krijgstucht. Stel u voor dat die tucht eens niet
gehandhaafd wordt: dat hoogeren niet altijd voortreffelijker zijn dan
lageren, dat het soms in het voordeel kan schijnen van de oorlogvoering
diegenen van wie men bijwijlen alles vergen moet een poos vrij te laten.
Is er wel meer noodig tot het verwekken van toomelooze moedwil en
uitgelaten losbandigheid?