XVIII

Personen kunnen uitmunten, gezelschappen zijn doorgaans middelmatig,

menigten zijn beneden peil. Breng nu menigten, grooter dan ze ooit

in het eigen land bijeen waren, over op vijandelijk grondgebied,

stel ze daar bloot aan beurtelings woede en vrees, opgewondenheid en

neerslachtigheid, honger en tijdelijke verzadiging, uitputting en

verveling. Neem in aanmerking dat volkstrots, en minachting voor het

vreemde volk, haar van kind af ingegoten, nu op het kookpunt zijn, dat

geen van haar leden het verband meer heeft, hetzij van de dagelijksche

arbeid die rustig maakt, hetzij van gezin, verwanten en vrienden,

stedelijke of landelijke gebruiken en zeden, van al die bindende machten

in één woord die een rem zijn op de genotzuchtige aandriften, de

zwakkeren nopen in het gareel te blijven, de sterkeren prikkelen tot

het geven van een voorbeeld, de bedorvenen noodzaken zich voor te doen

als beter dan ze van nature zijn, terwijl dit heele verband vervangen

is door alleen de krijgstucht. Stel u voor dat die tucht eens niet

gehandhaafd wordt: dat hoogeren niet altijd voortreffelijker zijn dan

lageren, dat het soms in het voordeel kan schijnen van de oorlogvoering

diegenen van wie men bijwijlen alles vergen moet een poos vrij te laten.

Is er wel meer noodig tot het verwekken van toomelooze moedwil en

uitgelaten losbandigheid?

Holland en de oorlog · 第 61 / 138 题