Ik heb de hoop hooren uitspreken dat, wanneer deze oorlog geleden is,
ieder een afschuw zal hebben van oorlog.
Zonder twijfel zal ieder dat.
Iets anders is het, wanneer men gelooft dat de herinnering aan het leed
van nu lang duren, en zelfs de nu levende geslachten overleven zal.
Niets toch slijt sneller als indrukken.
Maar wanneer men bovendien zich aan de verwachting overgeeft dat die
herinnering toekomstige geslachten van het oorlogvoeren weerhouden zal,
dan, meen ik, troost men zich met een waan.
Indien het waar is dat oorlogen het onvermijdelijk gevolg zijn van het
groeien van staten, dan zal de tegenzin van de bevolkingen—geheel of
in meerderheid—zeker de regeeringen bedachtzamer maken, maar hij zal
niet kunnen verhinderen dat op een gegeven oogenblik regeeringen èn
volken tot den oorlog overgaan.
Er wordt vaak gezegd dat het de regeeringen zijn die de oorlogen maken,
of—door middel van de regeeringen—sommige groepen van de bevolking;
en waar deze ten slotte het heele staatswezen het sterkst beinvloeden,
spreekt het vanzelf dat zij ook meer dan anderen aansprakelijk zijn
voor de oorlogvoering. Maar zij zijn dat als staats-organen en niet als
personen of bevolkingsgroepen.
Wat zeggen wil, dat, wanneer andere groepen, zij die altijd de
vrede hebben voorgestaan, aan het bewind komen, zij evenmin als hun
voorgangers zullen ontsnappen aan de oorlogsnoodzakelijkheid, waartoe
de staat zelf, alleen al door zijn bestaan, hen dwingen zal.
Die dwingende macht is zoo groot, dat zij zelfs de minst
oorlogzuchtigen—wij hebben het zooeven beleefd—van de
oorlogsnoodzakelijkheid te doordringen weet. Hoe sterk moet zij dan wel
werken op hen voor wie de instandhouding van de staat boven alles gaat.
Het is daarom dwaasheid te zeggen: wij, vredesvrienden, waren nu nog
niet sterk genoeg om de oorlog te verhinderen. Hoe sterker gij wordt,
hoe meer ge u als staats-organen erkennen moet; en als staatsorganen
zult gij de oorlog onvermijdelijk achten zoodra een andere staat het
bestaan van de uwe belaagt.