Het pruisische legerbestuur, dat de beschikking over geheel Duitschland
heeft, zou het niet gewaagd hebben, een strijd te beginnen, nog wel
tegen Engeland in, om de hegemonie in Europa, als het zich niet
buitengewoon sterk achtte. Wanneer ik nu bedenk, dat tegenover alles wat
in Duitschland kunst en smaak en levensvreugde voorstelt, de pruisische
geest het rechtlijnige en schoolsche, de brute kracht, het ambtelijke
en het vormelijke vertegenwoordigt, dan kan ik mij over de driestheid
waarmee die geest zich ook buiten de duitsche grenzen zou willen breed
maken, geenszins verheugen.
Kwam Pruisen werkelijk tot de oppermacht, dan zou het—ook indien het
Nederland goedgunstiglijk niet inlijfde noch het dwong tot een nadere
vereeniging met Duitschland—zich hier toch als meester doen gelden, en
niet in vrije wedijver, maar door onmiddellijke drukking trachten zijn
geest en instellingen hier te doen doordringen. Wij zouden tegenover
Duitschland in de verhouding raken waarin Finland tot Rusland staat.
Want of Duitschland uit vrees voor Frankrijk of uit zuivere aanmatiging
gehandeld heeft, toen het België binnenviel, die daad zelf komt volmaakt
overeen met die van Rusland tegenover Finland. Ze is tirannie,
voorafgegaan door woordbreuk.
Het lijkt mij daarom onweersprekelijk dat wij niet mogen wenschen dat
Duitschland sterker blijkt dan zijn vijanden. Wij moeten hopen dat onze
ligging tusschen drie gelijkelijk-machtige mogendheden gehandhaafd
blijft.