De verbazing is dezer dagen algemeen, dat er in onze tijd, in ons
Europa, tusschen beschaafde staten oorlog ontstaan kon. Er zijn er
zelfs, die in het uitbreken van die oorlog de logenstraffing zien van
de europeesche beschaving, en haar beschamend eind. Maar oorlogvoeren,
d. w. z. trachten zichzelf recht te verschaffen door de wapenen, doet,
op een gegeven oogenblik, iedere persoon en iedere groep, die geen wet,
beschermend of bedreigend, boven zich voelt.
Iedere persoon, iedere groep dan ook, wapent zich sterker, naarmate hij
onder zwakker gehandhaafde wetten leeft, en zelden zal het oogenblik
lang uitblijven, waarop hij zijn wapens in werking stelt.
Staten evenwel zijn zulke groepen. Terwijl alle personen en
gemeenschappen die in een staat neven elkander leven, zich door die
staat zelf de wet gesteld en gehandhaafd zien die hun de eigenrichting
verbiedt en even ondoenlijk als onnoodig maakt, leven de staten zelf
neven elkander zonder eenige macht boven zich die hun haar wet kan
opleggen, onbeschermd, onbedreigd, en overgelaten aan de ingevingen van
vrees en begeerte.
Wapening en oorlog zijn dus de onvermijdelijke gevolgen van het bestaan
van staten. Zij zouden alleen niet voorkomen in het geval dat alle
staten van de aarde één staat waren, en die staat sterk genoeg om al
zijn deelen te beheerschen.