Een vriend van mij, een kunstschilder, had Racier als model genomen,
vooral om z'n merkwaardigen dweperskop. Een mager-verhongerde zwerver;
dreigend lang in z'n op den draad verschooierde pool, die 'm over
de voeten sleepte. Maar toch droeg hij dien armzaligen dallesdekker
met Don Quichottige statie. Daarboven hield hij het hoofd altijd
even achterover in den nek, keek je zoo uitdagend van onderop
aan, en wonderlijk uit de hoogte. Een trotsche, fanatiek hatende
martelaarsfacie, ziekelijk wit in de rosse harigheid die tot een
puntbaard verliep, en onder iedere emotie gloeiërig blozend. Dan was 't
of hij koorts had; z'n lichtbruine oogen vonkelden in de innig zwakke
donkere rimpeltjes-randen. Geagiteerd frunnikten z'n fijne handen de
snorre-punten omhoog, met bevende vingers ... Maar meteen liet hij zich
in den leunstoel wat dieper teruggaan; een stille glimlach berustigde
zijn gezicht, en dan zag hij je goedig aan, alsof die wereldsche
zaken toch eigenlijk te onbeduidend waren, om je druk over te maken.
"Nog drie jaar de bajes in ... en 't is met mijn ommers gedaan. Het
't grootkappetaal weer z'n zin ... Als die poot nou maar niet zoo
schrikkelijk zeer deed."
Daar sukkelde hij nu al mee, zoolang ie uit de gevangenis ontslagen
was. Dien eersten dag had de drukte op straat 'm duizelig gemaakt. 't
Geschreeuw van den sleeper had ie niet gehoord, en het wiel was 'm
over z'n wreef gegaan. 't Wou niet genezen. En dokters vertrouwde hij
niet: waren allegaar in dienst van den rijkdom. Kon ie geen dankie
tegen spelen. Maar vóór hij naar 't atelier ging om te poseeren,
strompelde hij, dreigend lang in z'n slepende zwerversjas, de Maas
langs, naar een plek waar nog geen kaaimuur was, en hield daar z'n
verbrijzelden voet in 't water van de rivier, dat bij vloed immers
een magische geneeskracht moet hebben. De heele seance door lag die
wonde extremiteit bloot op z'n andere knie gekruist, streelde hij er
troetelend langs, tot de twee uur weer om waren. Dan wond hij er de
gore lappen zorgzaam om, bond de slof er onder, en rechtop meesleepend
z'n leed als een martelaar, schreed hij terug naar de slaapstee,
waar hij met spottenden eerbied "Generaal" werd genoemd.--"Zijne
Excellentie de Generaal"--zoo presenteerde hij bij voorkeur zich zelf
met een even ironischen ernst; wat zielig geworden herinnering aan
zijn groote dagen!
"Racier is wel de wonderlijkste kerel, dien 'k ooit als model heb
gehad: een prinselijk fantast, kinderlijk dweper, soms zoo zacht
als een lammetje in de Mei en dan weer ineens met bevliegingen van
anarchistische bommengooierij. Hij is me nu onder 't werken door z'n
leven aan 't vertellen. Da's één eindelooze reeks van de zonderlingste
oplichterijen met telkens langere pauzes in de gevangenis. En 't komt
allemaal uit een soort hoogmoedswaan voort. Want ik zie er volkomen
een modernen Don Quichot in ... Je moet eens komen luisteren. Hij
beweert Franschman, gevluchte Communard te wezen. Dat hij zelf de
lont in het kruit heeft gestoken! Enfin, loop eens aan."
Toen op dien morgen ben ik er op 't atelier bij komen zitten. De
schilder stond aan z'n ezel te schetsen; in een luien stoel zat de
schooier voornaam achterover geleund, den misvormden bloederigen
voet op z'n schoot, 't fanatieke gezicht sterk belicht onderuit, dat
't wel treffend klassiek aandeed, als een apostel op een of andere
primitieve schilderij.
Hij was zóó in de herinnering aan z'n eerste oplichters-"rol" verdiept,
dat hij mij niet merkte en voortredeneerde:
"Zie je, toe was 'k dus ontslage as misdadiger van 't miletairisme;
maar er kleefde nog geen vlekkie op me naam as burger: wat 't miletaire
betreft gaat ommers 't ceviele niet an ... Maar nou komt me eerste
misdaad; wel zoo groot niet ... toch is tie mooi. En er komt van
't kappitalisme in te pas--snap je?--da's juist 't mooie. Van de
ouderdom af van 17 jare ben ik altijd de grooste tegestander van
't kappitaal geweest ... Da's me zenuwe ... Me moederskwaal. Heb je
niet opgemerkt, da'k altijd na die deur kijkt? Nou heb 'k momenteel
toch niks op me gewete ... anders liep 'k niet op straat, hè? Maar
die omstandighede komme erbij, dan weet je niet waar je heen mot en
je ziet dat rijke tuig éte ...
"Was dàt niet 't geval, dan was ik tot hede toe altijd nog
fatsoendelijk man, en door me capaciteite--'k spreek àlle tale,--nou
al lang gepensionneerd eerste-luitenant. Want, zie je, a'k honger
heb, kruip ik in die krotjes op de Schiedamschedijk, waar die vreemde
zeelui komme; 'k bied ze me potlooje an, me kenijntjes, en spreek ze
in d'r moers taal toe. Dat trekt, en dat geeft. Of 'k krijg altemet
's 'n toeval op de stoep van 'n rijk restaurant--Overiges zet 'k
't menschdom heelegaar an kant, as atheïst zijnde ... tot in me
niere. Dar! 'k Was nog geen twintig jaar oud, da'k tege mijn pa zei:
Mon père, le temps viendra, dat 't kappitaal de riksdaalders met
schoppe uit raam smijt, maar dan zal 't te laat zijn. Trop tard ...
"Jawel, 't kappitaal wil je je ooge verblinde. As 'k een paar millioen
rijk ben, ken 'k op mijn jare nog wel 'n beeldschoone, piepjonge
dame krijge, waar niks op valt te zegge ... Nou tràppe ze me d'r uit
... Begrijp je me ook?--Op mijn jare, trouwens ... 'k heb 't mooiste
genote, 't fijnste, van alle naties gehad, en nou zeg 'k met de apostel
Paulus: de geest is nog wel gewillig maar 't vleesch is te zwak ...
"As je je knieë wou buige, liep je in 't zwarte lake ... Maar dat
vervloek ik ... Was 'k 'n hond--ja dan, dan vrat ik meschien op wat
'k al an atheïsme uit heb gespoge. Nou blijf 'k zoo, to'k kapot ga:
de natuur in; niks as natuur.--As je mijn maar begrijpt ...
"Dáár krijg je me misdaad, me eerste slag ... al ben 'k ook zoo slecht
niet ..."
Toen zweeg hij even. En je hoorde enkel in 't stille schildersatelier
't broze schrappen van 't houtskool.
Dan stak hij koesterend z'n magere handen naar den haard uit:
"'k Mag dat piepe van die kokies zoo graag hoore! 'n Ope vuur is 't
mooiste voor iemand die liefelijk denkt ... Bij de rijkdom hebbe ze
d'r van die blokkies hout op; dan gane de gedachte nog zachter ... Wat
'n weer is 't buite ... 'k Mot er tòch door ... Affijn ... Luister
je wel?--Dan is 't goed. Kan 'k beginne:
"As 'k zoozoowat beraam van 'n plan, dan is 's-Gravenhage me
hoofdzetel. Koninklijke residentie ... snij je me hart ope, vin je
één bonk oranje. Met respect ... Maar waaròm De Haag me hoofdzetel is,
dat legt in me ziel begrave. Hoort nooit niemand. Gaat mee in me graf.
"Nou. Met me uitgangskast van f 180 uit de bajes had ik niet
genoeg om de rol te spele, die ik in 't detentiehuis in me hoofd had
gesteld. Daarom nam ik me toevlucht tot mama. Ik vroeg die edelvrouwe
of ze mijn de som van duzend gulde op wou sture. Maar deze edele
moeder wist welk vleesch ze in de kuip had, en daarom--schreef ze
mijn--mot gij u tevrede stelle met honderd gulde, geliefde zoon. 't Had
natuurlijk ten doel om baron van ..... in De Haag te late springe,
want die z'n zoon wou ik same met mijn an lager wal hale ... As
je nou dus maar voelt dat 'k àl wat ik ondergaan, te danke heb an
me ideeë, om rede ondergeteekende 'n atheïst is, da' wil zegge:
'n natuurkind. Vergeet 't nooit asjeblieft.
"Voor die f 280 heb ik me toe' late make een blauw kamgare pak,
jaquet-kostuum Engelsche koningssnit; een paar kaplaarzen met
vergulde sporen, een fantasie-hoed style Louis XV, en een groote lange
ulster, "coat", zegge de Engelsche tailleurs.--Van de mode weet ik
àlles!--Daarbij in stijl een fantasie-ketting, een fantasie-ring en een
zilvere remontoir-horloge. Zoo was me kostuum--èn een fantasie-lorgnet;
gesiseleerd goud netuurlijk. Dat heele zakie kostte me over de f120
... 't ware verlakte chevreau laarze, style moderne ...
"Toe huurde 'k me een paard en ging zoo rije in 't Haagsche bosch om
't groote kappitaal na te doen. Maar dit kon ook geen stand houwe. Want
waar afgaat en niet bijkomt, dat mindert ... sterk.
"Ik was gedurende me eerste misstap gelogeerd in 't Wape van 'Oorn
... da's weer 'n hache, die ik niet uit kan spreke, door me Fransche
afkomst, merk je wel? En 'k heb dat leve slechs zeve dage volgehouwe,
alhoewel 't ondergeteekende zeer wel beviel, niet zoozeer om te geure,
as om me misdadige plan ten uitvoer te brenge. Hetgeen helaas mislukt
is, waar ik op hede toe geen spijt van heb ... want dan zat ik me
hier nou niet bij jouw kacheltje te warme.
"Maar toe' ten ende raad zijnde, en geen geld meer hebbende, en op
mijn logement, waar ik thuis was, op mijn gebied geen schuld kunnende
make--die Koossie Harme, de bolleboffin, kende mijn wel, want al
hoorde ze tot de classe ouvrière, toch het ze me wel op eige koste
's nachs weg late brenge met rijtuig, as ze van de recherche na me
kwamme vrage, die russe,... ja, zukke logemente moste d'r meer zijn
... Affijn: geen schuld willende make ..."
"Zeg, Racier"--kwam even 't hoofd van den schilder om den ezel--"je
spreekt nou ineens net zoo plechtig als 'n feuilleton uit 't
Rotterdammertje!"
"Ja, fullitons, die heb ik in alle tale geschreve ..."
"O zoo, pardon dan, cher maître."
"A votre service.--Dus"--neeg de zwerver ernstig--"dus geen schuld
willende make, en met het kostbare uniform, als bove omschreve,
een nacht en twee dage onder de bloote hemel mottende bivakkeere,
zonder ete of drinke, want vrage kan ondergeteekende niet ... Zie
je, dan ging 'k meest uitruste op dat bankie op de Vijverberg, pal
tegenover 't kantoor van die bankier, omdat daar een boezemvrind van
mijn directeur-général is, 'n ami intime, waar 'k in me jeugd nog mee
gestudeerd heb. Maar hij laat me an me lot over, de stumper. Zoo is
't kappitaal ...
"Nou komme de tale; mot je je best doen ze zonder taalfoute te
verstaan, anders schrijf ik 't op logement liever voor je uit, met
de traduction d'rnaast.
"Dus geen raad meer wetende--nou komt de rol!--ging ik de Korte
Vijverberg af, de Gevangepoort door--ja, 't is een onthou!--zoo àl
slenterende,--met de achtermiddag begrijp je?--en daar kwam ik door de
Spuistraat. Zoowat 't vierde of vijfde huis vóór je an 't Spui bent,
had je daar het hotel-restaurant Du Commerce--de baas leeft nou van
z'n cente. Amen!
"Nou komt die schets van mijn: Zag 'k daar al die groote hoofde
lekker ete en drinke. Ik liep er hongerig voorbij de glaze en zag
dat. En 'k vroeg mezelvers af: da's toch zoo goed voor mijn as voor
't kappitaal? Goed, ik tree binnen, gaan an 'n tafeltje zitte, trek
me ulster uit, en volges die etikette hang 'k 'm an de portemanteau,
die achter dat tafeltje plaas heeft.--Ja, jij weet niet wat er onder
de rijkdom bestaat. Maar ze hebbe d'r effetjes twaalf kelners, zwarte
rok, witte das, gefriseerd, èn een opperhoofd, die persoonlijk heen
en weer loopt om te kijke of de geachte cliënte elk op z'n beurt
wordt bediend, zooas de etiquette dat vereischt.
"Op de tafel staat een eletrieke bel. Daar druk je op dat knoppie,
en de kelner numéro neuf kwam bij mijn, en miek zijn révérencie. Ik
zeide tot hem in me moeders taal: "Garçon, hm, apportez moi la
carte."--Waarop hij de menu van den dag bij mijn op tafel lag. Ik
bestelde toen van die menu een diner... complet, die bedraagt f
3.75.--Ja natuurlijk,'k had ommers tòch geen lood. En da's me eerste
stap geweest.--Nadat ik geconsumeerd had, schelde ik weer, waarop de
kelner numéro neuf weer bij mijn kwam onder een révérencie, en ik hem
in me moeders taal vroeg: "Apportez moi la carte des vins". Waarop
hij een kaart op de tafel lag met de noodige merke van de wijn, die
aanwezig is in de kelders. Waarop ik uitkoos--alles in me moeders taal:
"apportez moi une bouteille St. Julien ..." Da's een fijn etiket,
hoor; nou asseblieft; 'k wou 'k nou maar 'n glaassie had, dan verzette
'k me zinne nog 's.
"Volges de etiquette van de gevraagde wijn of flesch, wordt daar
een borretje bij gebracht met de kwitantie. Die bediende loopt heen
en weer. De minste beweging, dat hij ziet of merkt, dat je geld op
dat borretje legt, neemt ie 't weg met de kwitantie, en brengt de
overschot van 't geld weer op z'n plaas an de tafel waar je zit.--Mot
je allemaal die etiquette van wete, zooas ik.
"Dan schuif je volgens die etiquette--angezien die bediende geen
salaris hebbe--dat fooitje, dat je 'm heb toegedacht, vooruit ... Maar
ik heb geen lood, geen rooje spie, en mot zien hoe 'k me eige daar
uitzwem. Angezien de bediende heen en weer loopt, en er zoo machtig
veel rijk volk bij zit, kan 'k niet séance tenant me rol vervulle, en
vroeg ik de garçon, in me moeders taal, of ik hem eve privé alleenig
mog spreke.
"Toe 'k onder vier ooge met hem sprak, gaf 'k voor te zijn de
burgemeester van Loosduine, en dat me paard stond Laan van Meerdervoort
in de stalle van de heere X. 's Morgens bij 't ankleeje van mezelf--zoo
miek 'k 'm wijs--èn 't te paard stijge, had ik blijkbaar me portemenee
vergete, of da'k die na alle waarschijnlijkheid door 't rije in 't
Haagsche bosch wellicht had kènne verlieze. Maar angezien't alles
spiksplinternieuw was, wa'k an me donder had, gemaakt bij le tailleur
le plus chic, daar de name van stonde vermeld achter op de lis, zei
ik tot hem: "ik zal me pantalon uittrekke, binneste buite kere en u
in bewaring geve, totda'k over 'n uur uit Loosduine te paard of in me
eige equipage met twee zweetvosse terugkom"... alles in me moeders
taal. "Wil u s'il vous plait zoolang voor één uur me voorspraak
weze bij monsieur votre patron?"... Want ik mos die risterasie toch
uit.--Waarop hij antwoordde: "mijnheer, dat is niet noodig, want u
ken van mijn nog wel vijf en twintig pop d'r bij krijge." Waarop ik
antwoordde: "ik wil zoo, en ik gaan van mijn begrip nie af." Waarop de
bediende antwoordde--(Luister je nog?--Dan 's 't goed) antwoordde ..."
"Waarop!"--viel de schilder ernstig in.
"Waarop?"--begreep de vagebond niet--"wel op de privaat, netuurlijk;
want 'k heb die knul meegenome. Waarop ik in die pletie ging,
me kaplaarze uittrok en zoodoende me bovebroek... Zie je, me lange
ulster ha'k óók an, anders ha'k door dat café niet terug kenne gaan,
in me onderbroek... Waarop ik hem mijn broek in bewaring gaf en
hij 't heele bedrag betaalde: flesch wijn, veertien gulde, en 3.75
'n diner... complet. Waarop ik 'm vroeg in me moeders taal: "avez
vous les moyens pour me prêter quelquechose?" Waarop hij antwoordde:
"meneer, al wou je vijf en twintig gulde hebbe." Waarop ik antwoordde:
"Donnez moi quarante sous"--da's 'n gulde, maar wij spreke in sous--"'t
is om me paard te hale en die knecht een fooitje te geve." Waarop ik
die gulde in me spoorzakkie steek. En ik ben natuurlijk an finance
rijker, maar an kleedingstukke ben 'k smerig verminderd.
"'k Gaan daar 't hôtel uit, ongehinderd en wel, en volg de Spuistraat:
zonder broek... Ja, 't is wat! Maar die lange ulster hing mijn op
me enkels en daar kwamme me kaplaarze uit. Dus ik denk: 'k loop
in me onderbroek onder de mensche en ze ziene 't niet, verblinde
Christene as ze daar benne voor mijn: atheïst! Dan gaan 'k op de
hoek 't Maastrichsche bierhuis binne, en koop een kleintje klare van
Ulskamp--die hache spreek 'k nooit uit als Franschman zijnde--om rede
me diner te late zakke. Geef me gulde uit me spoorzakkie, en krijg
nege dubbeltjes werom.
"Da's de eerste rol, me eerste misstap..."
Glorieuselijk en volkomen in z'n spel draaide de vagebond z'n
snorren op, met de andere hand aldoor aaiend over z'n zeeren voet;
den verhongerden dwepers-kop rood aangegloeid, de oogen vervoerd.