SLOT.

Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den

vreeselijken storm herinneren, die op den 31sten Augustus van het jaar

1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die in die

dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het

nog zeer de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen

herinneren, want stormen zijn zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland

in den winter, dat de oude inwoners van de Kaap er geen bijzondere

attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het vergaan van

een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls gebeurde in de

dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven

van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren,

zoodat de schepen veilig onder de bedekking er van konden liggen,

zooals zij thans doen. In de geschiedenis boeken van de Kaapkolonie is

dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden datum, en dat

waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag,

en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak

aan een enkel schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai

Fals, maar deze baai was in den winter een veel veiliger haven dan de

Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen de Noordwester stormen die

in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek van Jan van

Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te

zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek

zullen zien.

Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van

den 30sten Augustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was

toen nog maar een lichte bries, die geen ander effekt scheen te hebben

dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat tusschen Robbeneiland en

Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen, die

aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand

verwonderde, want in Augustus is de winter nog lang niet over in het

zuiden der kolonie, en zelfs in October krijgt men dikwijls zeer zware

regens en stormen. In den nacht wakkerde de wind echter wat aan, en

toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten, was de lucht

met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende

wolkgevaarten kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware

storm voorspellen. Zwarte zware, donder koppen waren het eenigszins

buitengewoon van vorm en kleur; zij waren niet gewoon zwart, maar

schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier en daar

waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen

houtje tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene

luchtstrooming, die oogenschijnlijk dichter bij de aarde was dan de

wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate de dag voorbij

ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat

omtrent den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet

meer zichtbaar) was de geheele Kaapstad in een blauwachtig,

geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu geheel was gaan liggen.

Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende

stilte, zoo doodsch en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn

eigene stem schrok. Alle menschen zorgden dan ook om binnentijds in

huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter de dikke muren

hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der

zaken af.

Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te

hebben gemonsterd, en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een

felle bliksemstraal kliefde de lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik

kraakte er een geweldige donderslag, die de stad tot in hare

grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind zich

met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat

weggerukt kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een

gehuil en een gesis dat iemand hooren en zien deed vergaan. Steeds

woedender werd het gebulder der elementen; en daarmede vermengde zich

nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende en

schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter

beukten tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort

daarop begon de regen in stroomen neer te vallen, en werden de straten

en wegen in ware rivieren herschapen, terwijl de wind steeds bleef

doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden.

Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij

had den storm zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd,

toen de storm losbrak, en dat met zooveel geweld, dat zijn oude jong

half bang werd, en de aanmerking maakte dat dit leek alsof de wereld

wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die wind die huis

kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man

lachte om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en

had nog wel zwaardere stormen doorleefd, en het was niet zeer

waarschijnlijk dat de golven zoover het strand zouden opkomen, al was

in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee tot zeer

dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf

geweest, die altijd hooger drong dan de golven onder gewone

omstandigheden.

„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een

onbeperkt vertrouwen in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging

dan ook werkelijk zijn bed op de gewone plek in de kombuis maken, want

het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee vertrekken, een waarvan

als woon- en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en

bergplek diende.

Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn dagboek te voorschijn

halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste

twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was

binnen gekomen, zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de

elementen een hevigen strijd aan het voeren waren, en dat wind, en

regen met elkander in geweld wedijverden onder het gedurige, en steeds

sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog de

baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden

hebben doen vergaan, zoo er eenige waren geweest.

Jan van Eck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen

strijd, die daar buiten aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig

jaar leven aan Tafelbaai’s strand had hem er aan gewoon doen worden, en

het geloei van den storm en het gebrul der baren was hem immer een

soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het een

zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch

dezen avond was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij

luisterde een tijd lang naar de geluiden daar buiten, en het kwam hem

voor alsof er dien avond iets bijzonders in die geluiden was, iets dat

hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen als van zelve

terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor

zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd

tot aan den tegenwoordigen tijd. Hij zag weder de goede oude dagen,

toen er hier in de kolonie een oprecht en rechtvaardig man aan het

hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet had gezien;

Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die niet alleen belang stelde

in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook

het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder

individu in de kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de

verdere tooneelen van de geschiedenis der Kaap; hij zag de zaken

achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs; de

Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de

kolonie te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat

te zijn het hoofd boven water te houden. En toen zag hij ten slotte de

eerste verovering van de Kaap door de Engelschen, en zich zelven met

geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand aan Muizenberg; hij

streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der schaamte

kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk

verraden was, door hen aan wien het bestuur en de bewaking er van waren

toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige jaren, jaren van vreemde

heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld,

Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde

kerkers van het Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren

tijd naderde, en de Hollandsche driekleur weder fier van de tinne van

het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat toen, en wat hadden zij

niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld, de oorlog

brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal

zijn prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van

Zuid-Afrika. Weer woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en

het scheen bijna alsof zij daar zou waaien totdat de dag des doems de

dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en er een andere Vorst over

de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld.

Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog

ontrolde, greep Jan van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het

Westen, de pen, om, vóór hij zich ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij

te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm, zoo erg als ik hem nog

nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het van

gedachten. Arm Kaapland, wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men

hier aanschouwen binnen de volgende honderd jaren? zal er éénmaal een

dag komen wanneer....”

Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of

liever er vlak onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den

schrijver gebeurd? Die vraag heb ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en

er toch nooit eene behoorlijke oplossing van kunnen vinden. Dat het

huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield is,

komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten

eerste schijnt hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten

in de kist waarin hij die gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf

behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen spoor te vinden van zijn

lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad heb ik te

vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien

dat het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het

verliet, om op de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat

de woeste baren hem hebben uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood

vond? Doch waarom ons in zulke gissingen verdiept? De golven van den

oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen door hen

over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door

ons niet verstaan.

Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht,

maakte ik ook eene wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of

Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte zoo goed mogelijk de plaats te

vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want schoon de dokter

die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen

plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was.

Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het

strand lag, en keek eens om mij heen.

De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich

Kaapstad uit, en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts

van mij lag Maitland, en de groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier.

Een kleinen afstand achter mij ratelde er bijna elke tien minuten een

spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden

doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg.

Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de

dagen van 1812! Als de arme Jan van Eck weer eens in het leven

terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen; hij zou een

vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er

eenige dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der

uiterlijke wereld, maar dingen die tot den geest van den mensch

behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen reeds bestond

tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is

breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is

niet hier de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe

hebben geleid.

Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil

brengen, juist daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er

van krijgen, er meer kans is op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu

schijnt te bestaan.

Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te

stellen; men heeft dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel

is ontstaan, die alreeds tot de treurigste gevolgen heeft geleid. En

toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan is de strijd die in

Zuid-Afrika heeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren

oud, en zij bestaat overal. Het is de strijd tusschen den stadbewoner

en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen handel en landbouw. Dat

de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden is, is

alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was,

die de stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije

buitenleven, weigerde stadbewoner te worden. Voor een land als

Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als het ware één

groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten

gunste van de industrie—voor zulk een land is het natuurlijk een

levenskwestie om zijn handel, en diergenen zijner onderdanen die van

den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in Zuid-Afrika

eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten

nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde

maatregelen ontstaan met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen

werden beschouwd als mogelijke koopers en dus beschermd werden

tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als den arbeider

van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van

bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen

rassenhaat, maar een direkt tegenover elkander staan van belangen.

Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er

aan te twijfelen, als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden

en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog

plaatsvinden. Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een

vlieg af te vangen, zooals het spreekwoord luidt. Zoodra de

Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid in het

Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw,

op datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal

Engeland de handelspartij te hulp moeten komen.

En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar

de strijd plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben

gewonnen. En dat is ook begrijpelijk, want naar mate handel en

industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit de

bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor

den Afrikaner, maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan

er betere kansen voor de landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens

anders, tengevolge van de bijzondere omstandigheden, den aard van den

grond en het klimaat van ons land, en er bestaat mogelijkheid, dat

onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch

wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op

den voorgrond stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde

gestreden.

Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling,

maar wel iets over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat

leven te bestudeeren moet voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks

hebben; het behoort zijne plicht te zijn met de geschiedenis van zijn

land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel worden gedaan

voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede,

goedkoope scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons

nageslacht opgevoed is, hoe beter kans zij hebben om den strijd te

winnen.

Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want

onder Afrikaners verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van

dit land ter harte hebben, hetzij zij van Engelschen bloede, of van

Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong zijn.

En daarom nog eens:

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 27 / 28 题