JAN VAN ECK KRIJGT BEZOEK, EN HOORT HEEL WAT NIEUWS.

Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder mensch

ondervindt op de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in

meerderen, anderen in minderen graad. ’t Is negentien jaren geleden,

dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt met Jan van Eck, en hij

was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk genoeg

was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te

nemen, en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van

Eck, dien wij gaan bezoeken op den 1sten Juli 1811 is een geheel ander

man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de

tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het

grootste gemak zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven,

en die zich door geen omstandigheden hoegenaamd uit hun gewonen

levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter niet. Hij

was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem

hinderde, kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer

moeielijk om zich zelfs in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon

hij vergeten, dat hij thans in een land woonde, dat veroverd was door

eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden van den Hollander

uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er niets

te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets

zou gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land

zou moeten verlaten. Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan

zou hij wellicht u geen voldoend antwoord hebben kunnen geven, maar zou

gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel was, dat hem zeide dat er

spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door hem gewonnen

prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat

betwijfelde hij wel een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns

harten om dit te kunnen doen.

Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor

de deur van zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche

leuningstoel, dat er wel wat naar een erfstuk uitzag, zoo had de tand

des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men zien hoe met koperdraad

en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk

door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk

het ongeluk gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt

door een koper plaatje, dat er netjes aan bevestigd was. De zon was

juist aan het ondergaan, en zooals meermalen het geval is in den winter

op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil, en begon er

een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten

maken om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude

meer gevoeld dan hij ooit te voren had gedaan, en hij was dus

voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat een zware kou op zijn leeftijd

geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij den ouden jongen

roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een man

eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van

Kaapstad. Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig

bezoeken in den avond ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd

om dezen man direkt op hem te zien afkomen. Deze, een flink uitgegroeid

jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte dan ook recht op den

heer Van Eck af, groette, en zeide toen:

„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”.

De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn

gelaat niet te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden

moest:

„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou

naam kom nie”.

„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling.

„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak?

D’ is daarom nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou

vijf jaar wat ik jou die laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel

geword. Jij is zeker ook al getrouwd?”

„Neen, Oom,” zeide Jan Botha lachend, „daar is op die oogenblik nog te

veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw te denk. Pa zeg ik

kan nog maar een beetje wacht.”

„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud voor mij om hier buiten

te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl hij zijn

bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf.

„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit

met jou pa, en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die

kaffers nog banja voor jullie?”

Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar

begon met te zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging. „Maar

ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,”

vervolgde hij.

„Wat?”, vroeg Van Eck, „jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie

plaats verkocht heeft?”

„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te

verlaat, want die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo

parmantig, en brutaal, dat pa niet meer kans het gezien om daar te blij

nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost gevraagd om ons te bescherm,

maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen nie, want die

Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog

zou ons die Kaffers nie weg krij nie”.

„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck woedend uit, „hullie

is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder

lij. Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie

wereld.”

„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die

Engelschman uit die land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij

ons.”

Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan

Botha zijn tabakzak aan waarop hij zeide:

„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is

rechte nieuwsgierig om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat.

Zooals jij weet was ik groote vrienden met je pa, en toen die

verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel het laat

zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid

getroost, zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie

die ou-baas los gelaat het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in

die Kasteel vermoord, kan een mensch maar zeg. Die arme ou man kon die

nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers niet staan, en hij

is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman

voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.”

De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de

ongelukkigen die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet

in 1799. Jans Botha’s vader, Teunis Botha, was een der voormannen

geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein, een plaats

niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij

die een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen

hadden moeten beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte

omdat er geen eensgezindheid onder de opstandelingen was, en zij

bovendien vreesden om door het leger van Generaal van de Leur, dat van

uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden

afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot

te worden ten toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als

teeken dat hij den dood had verdiend, en daarop uit de kolonie

levenslang te worden verbannen. Het eerste gedeelte van het vonnis werd

werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie verbannen doch

gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in

1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het

is nauwelijks noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk

had gemaakt op den Graaff-Reinetschen boer en dat hij zoowel als zijne

familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de Engelschen, en

gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen

de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige

kerkers van het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de

tanden knersen. Jan van Eck had vele jaren geleden kennis gemaakt met

den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet, en was vol bewondering

geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid, en door

hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke

distrikten, waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen

waren. Teunis Botha, een man die de kleurlingen goed kende, had reeds

toen gezegd, dat als men de grensboeren hun zin gaf, en ze toeliet om

op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig een einde

zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had

hij daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met

de uitwerking van de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij

over geene andere wapens kon beschikken dan over zijn assegaai en zijn

schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen den kleurling op

flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink te

verslaan, dan had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den

blanke gekregen, en zou hij voor dezen op den duur pad hebben gegeven,

zoodat de Europeaan dan in het bezit zou zijn gekomen van het prachtige

land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers was bewoond; want

het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar de

noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De

geschiedenis van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en

heel wat van het bloed dat in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou

dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige politiek der Engelsche

regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die bekend

waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de

dingen verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de

groote levenskwestie voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen

wat het behoort te wezen, voor dat die kwestie, hoe dan ook, uit de

wereld is gemaakt.

Doch dit is slechts terloops gezegd.

Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te

vertellen als volgt:

„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve

die naam van Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd

gehad wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar

ruzie onder die Kaffers ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot

kapitein van die algemeene Kosa stam, maar hullie is verdeeld in een

aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste daarvan is die

Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van

Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd

van die Gaika stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit

schijnt dat die Engelschen Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou

is daar gedurig oorlog tusschen die volk van Gaika en die volk Niambe.

Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa, en hij is

die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou

tusschen die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die

Langkloof.

„In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te

laat gaan; hullie het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer,

maar hij wou dit niet neem. Cungwa het toen daarom beloof dat hij zal

teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in plaats daarvan naar die

Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij het zijn

kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij

doet nu net wat hij wil. Een heele partij van die menschen wat aan die

westekant van die Vischrivier woon, is al verplicht gewees om hullie

plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel zoo vreeselijk

dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen

goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke

dingen kan afgeef. Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor

ons menschen bederf. In die vroeger dagen het een boer als hij goed

verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al was dit door die

Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen

weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje

respekt voor die boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad

nie, zooals dit lijk; en die gouvernement is bang om een oorlog met die

Kaffers te maak, en dit weet die zwarte duivels. Die gouvernement het

nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor het, hij dit

aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost

rapporteer, en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat

tegen die tijd wat die landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan

zoek, dan is die vee al zoover Kafferland in, dat daar glad nie kans is

om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement die

Hottentot soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja

alsof die Hotnots kop in één muts is met die Kaffers, en op die manier

krijg die arme boer nooit zijn vee terug. Als dit nog een beetje zoo

aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen in die

Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die

vervlakste Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren

zie hoe hullie klaar kom. Die menschen word nou rechtig ontevree, want

hullie reken d’is die gouvernement zijn schuld dat die ding zoo

verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af, flinker was

geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan

had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat

die Engelsche zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van

die Kaffers neem. Hullie zeg dat die land eerst aan die Kaffers het

behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem het, en nou maak hullie uit,

dat dit die plicht van die regeering is om die land aan die Kaffers

terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû

vuilnis, van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart

vrouwens het; die Read is een man wat die boeren vreeselijk haat, en

die zwart volk tegen hullie opstook; en nou is daar een Dr. Philip

gekom, Oom, wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van

die klomp zendelings is.

„Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want

als een zendeling hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer

kans voor die boer om recht te krijg, en die landdrosten is nou zoo

partijdig voor die volk dat een mensch net voor niks bij hullie gaat

klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is partij wat

grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar

leelijke dingen op die grenzen zal gebeur.”

Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men

kon het hem aanzien dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha

klaar was, bleef de oude man nog een tijdje lang in gedachten

verzonken; toen zeide hij:

„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks

genoeg om die Engelschen daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil

doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf een kommando van jullie

menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land is jullie

zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het,

geloof ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar

hullie was rondzwervende volk, wat van daag hier en morgen daar was.

Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie en die

Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”.

„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha,

„ons menschen is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche

kant omdat hullie geld uit die Engelschen maak en daar is nog al van

ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel, wat altijd preek dat ons

maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering. En tegen die

Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie

kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons

natuurlijk niks begin nie.”

„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk

is; in 1799 met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was

dit net zoo die geval; als die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam

toen almaal gelijk getrek het, dan was die ding glad anders gekom. Maar

die één het dit gewil, en die ander dat; die één wou nie onder die

orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het

gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land,

het die ding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word. Daar

zal nog banja water in die zee moet loop, voor ons menschen leer, dat

als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet werk, en als één

man bij malkaar moet staan.”

„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang

neem voor ons zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen

heeltemaal die baas, en die zendelingen is op Graaff-Reinet, en bij

Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een

heele lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze

menschen wat hullie beschuldig van hun volk slecht te behandel. Die

boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op die wereld, en as een

mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch amper

lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een

van die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat

hullie meiden straf door hullie kokende water over die kop te gooi, en

dat een vrouw zelfs een kaffer in een pot kokend water het laat gooi,

omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd had. Ook dat een van

onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok het

geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes

begrave, omdat hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en

die Hottentot, zoo vertel die zendeling, was alleen, en als die

Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel weet wie die storie

onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan het.”

„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als

die boer dan zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij

dit toch nie zelvers gaan vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo,

dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid is, dat die zendelings staties

niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige volk, wat

van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja

lekkerder vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel.

Hullie gaat iederen dag naar die kerk toe, en om in die gunst van die

zendelings te geraak, vertel hullie die arme onnoozele Engelschen

allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie dit alles

geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie,

hullie toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer

een wapen tegen die boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd

gezegd dat dit een fout was van generaal Janssens om die zendelings zoo

te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij Bethelsdorp te

geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal is,

ondersteuning had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie

leer die volk om behoorlijk te werk en stook hullie nie op nie tegen

hullie bazen zooals die andere zendelings doet. Maar die zendelings van

die Londensche genootschap is een ware pest voor die land, en die

zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die

leer van die Satan dan die leer van Christus.”

„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee

werk, oom,” zeide Jan Botha weer, „onder die baar Kaffers is hullie net

zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins wat ons menschen net

banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig

geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te

Bethelsdorp, en hullie zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde

christen is.”

„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer

van zendelings, maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in

hullie daden. Van een kaffer in zulk een geval geldt die oude

spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar niet van streken”.

Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar

Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock,

als gouverneur hier, en dit is te hopen dat hij die Kaffers zal

rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen op die

grenzen moet begin.”

„D’is waar Oom,” zeide Jan Botha, „zooals die ding nou is, kan dit

niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht wees om uit die

kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal

wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad

telang, hier zit en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is

ouwe volk van ons, maar een mensch kan een Hotnot nooit heeltemaal

vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort van kattekwaad

uitvoer”.

Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam,

en schoon deze hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken,

weigerde Jan dit, en stapte in de richting van Papendorp, waar zijn

wagens uitgespannen waren.

Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen

stond hij op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken.

Een half uur later was hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te

vullen, altijd zijn laatste werk vóór hij ging slapen.

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 25 / 28 题