EEN VERHAAL VAN EEN SLAVEN OPSTAND AAN DE KAAP.

Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer

of min dan een afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te

zeggen, wij hebben bijna precies overgenomen wat er in dat dagboek

geschreven staat, maar slechts hier en daar het Hollandsch in een meer

moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers moeite

zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te

verstaan.

Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het

blijkt dat Jan van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het

luisteren naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven

opstand hadden deel genomen, en dat hij daarop waarschijnlijk uit

aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen in de zaak, een

verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om het

nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats

gevonden, als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld

had geopperd, daar, (zooals Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de

kolonie in het algemeen zeer goed werden behandeld, en uit henzelven

nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten wij hem zelve

zijn storie vertellen.

Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een

zekere Louis, een slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius

doch reeds een geruimen tijd hier. Hij was een slaaf van jufvrouw

Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde, en die geen

dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op

voorwaarde dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne

eigenares afstond, eene gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd

wordt, en haren oorsprong heeft in het Romeinsche recht. Louis nu was

gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw, Anna genaamd, die

zelve vroeger slavin was geweest maar door haren eigenaar

geëmancipeerd, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije

vrouw haren echtgenoot had gehuurd van diens meesteres, en haar

daarvoor een zekere vaste som per week betaalde, en het werk dat Louis

deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen en

paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van

goederen en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij

schijnt niet geheel gekleurd te zijn geweest; in waarheid was hij zoo

licht van kleur dat een gewoon mensch hem voor een blanke zou aanzien,

en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een of andere blanke

van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had Anna

een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren

stand, en onder die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper

genaamd. Deze schijnt iemand geweest te zijn die veel gehoord en

gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon hij aan dien

opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit

verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met

Louis, en vervulde dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en

als vanzelf kwam men natuurlijk te spreken over den afhankelijken

toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds

in Engeland door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der

slaven in het Britsche rijk. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat

deze gesprekken een geweldigen invloed hadden op het licht ontvlambare

gemoed van Louis.

Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper

de mogelijkheid te bespreken van het aan den gang zetten van een

slavenopstand, en Hooper was geenszins ongewillig om op dit plan in te

gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de overtuiging dat het

gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar er

toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar

bovendien er groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen.

Louis had echter een goede kennis, een zekere Abraham, slaaf van den

heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend was met het Zwartland, waar

hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim genomen, en

men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham

een reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van

de gevoelens onder de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan

voornamelijk zou spreken met eenige slaven die hij er kende. Dit plan

werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer gebracht. In het begin van

de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar de plaats van

den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde.

Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een

reisje in die streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens

als tolk diende, vergezeld was. Abraham was met den heer Louw bekend en

Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid door den niets vermoedenden

boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een paar dagen op de

plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de

overtuiging dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een

aantal aanhangers zouden krijgen als de zaak maar één keer aan den gang

was gezet.

Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een

gesprek met Louis, en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het

komplot te nemen, namelijk een tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een

matroos, of liever gezegd gewezen matroos van een Engelsch schip, die

eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden begonnen thans

hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun

plan ten uitvoer te brengen. Op den 24sten October reeds, vroeg in den

morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld, een half

gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht

paarden, waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl,

Simonsstad, en dergelijke naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij

een baantje voor hem had daar er een Engelsche officier was, die naar

eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een wagen

verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en

er werd bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het

huis van Louis, waar hij zijn passagiers zou ontvangen.

Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een

met gouden, en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een

kleine sabel verkregen, en toen den volgenden morgen, de wagen van

Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam, klommen Hooper en Louis,

beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok men in de

richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval

Kelly en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een

zekere Adonis, een slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost

was, maar aan Abraham bekend was. Adonis deelde men daarop het plan

mede, en hij betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men

reed nu door, maar langs den weg werd er verscheidene malen

stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver van den wagen, zekere

David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die wijze

voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide

dat David zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor

vijf dagen gehuurd, en Hooper had daarvoor niet minder dan 100

rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat later bleek een brutale leugen

te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden tegenwoordig te

zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk tot

de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door

naar de plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De

volgenden dag werd de reis voortgezet, en tegen den middag bereikten

zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper en Louis uit het rijtuig

klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer Louw thuis

was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw

werkelijk thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op

een gegeven teeken allen hem zouden aanvallen en hem binden. Het

ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was, waarop Hooper aan

jufvrouw Louw Louis voorstelde als een Spaanschen zeekapitein, die geen

Hollandsch of Engelsch verstond, en zich zelve uitgaf als een zijner

officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal en ontving hare

gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zij verzorgde

hunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek.

Terwijl zij op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar

de slaven, en hadden een gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van

Louw, die reeds vroeger door Abraham in het geheim was ingewijd, en met

wien men nu verdere maatregelen besprak.

De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het

gevaarlijke hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken

zij niet den moed te hebben gehad om het plan door te zetten, en den

volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham nog sliepen, vertrokken

zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis van zijn

uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee

blanken niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk

hier melden, dat deze één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens

ziende aankomen verborgen zij zich, en dat wel zoo goed, dat zij later

elkander niet konden vinden, en dus ieder huns weegs gingen. Hooper

ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige

dragonders die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar

Kaapstad vervoerd. Kelly kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en

onderging hetzelfde lot.

Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de

been, en na Louis te hebben gewekt, hielden zij een korte

beraadslaging, waarin zij tot het besluit kwamen, om niettegenstaande

het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan voort te

gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer

Louw, liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en

vertrok daarop van de plaats. Louis begon nu dadelijk een anderen toon

aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats zijnde volk om de wagen

van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden, en hoewel

jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen

verzette, gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop

vertrok men, versterkt door tien der slaven van Louw, naar de plaats

van den heer Willem Basson, die niet ver daar van daan lag. De heer

Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze omstandigheid

aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag te

komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en

vastgebonden, en daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar

inspannen. Niet tevreden met deze geweldenarijen, braken zij een aantal

der kamers van het huis open, haalden alle wapenen, en schiettuig er

uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene andere vrouw

op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen

hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het

district gevangen te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte

echter aan de twee vrouwen om te ontsnappen. Daar de opstandelingen

blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken naar de vrouwen,

deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van de

plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter

Basson, die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene

broeder van Willem Basson namen zij gebonden, en in den wagen geworpen,

met zich mede. Op den weg naar de plaats van Pieter Basson, ontmoetten

ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem door hem met den

dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem

bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het

bezoek op zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar

een kwantiteit geweren, kruit en hagel buit.

De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en

nauwelijks waren zij daar aangekomen, of zij overrompelden den

eigenaar, bonden hem vast, en wierpen hem in een der wagens; en daarop

braken zij in het huis, en stalen al het geld dat er te vinden was, dat

echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke

hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste

slaven van Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat

zij waarlijk geloofden dat Louis door de regeering was gezonden om de

blanken gevangen te nemen en naar de Kaap te vervoeren. De thans meer

dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats van den heer Pieter

van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg

mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij

mishandelden ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te

buiten aan den drank die zij in de kelders vonden.

Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking

ontvingen, werd de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee

gedeelten, één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder

het gezamentlijk bevel van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld,

waarop elke bende toen zijns weegs ging, nadat men afgesproken had, dat

men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten, om vereenigd

daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te

overvallen en te veroveren.

Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen

werden bezocht; genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34

plaatsen in het tegenwoordige Koeberg en zuidelijk gedeelte van

Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende, namelijk

dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor

zij niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld

hebben om tegen hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in

dezen opstand niet vergoten; de weerspannige slaven bepaalden zich tot

het knevelen hunner heeren in de meeste gevallen, het stelen van

goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen en

dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met

jufvrouw Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook

inderdaad erg genoeg; daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de

plaats van den heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar,

die in het algemeen zeer goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen

echter niet belette dat men hem allergruwelijkst mishandelde door hem

bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan, en

hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer

Hendrik van Niekerk.

Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van

Blauwberg vallei, en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige

plaatsen, totdat zij bij die van Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen

dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen van hetgeen aan den

gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het

verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden

uithalen, werden zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel

niemand hunner wondde, maar hun toch zoodanig den schrik op het lijf

joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen, zonder in staat te zijn

geweest om eenig kwaad te doen.

De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de

Kaapstad bereikt, en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit

grapje een einde te maken. Eenige sterke detachementen infanterie en

kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad uit in de richting van

Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de slaven

wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van

Zoutrivier, zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de

Kaapstad te rukken, met het heilig voornemen deze stad te veroveren.

Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet weinig verbaasd waren,

toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel als die

van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot

gaven zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch

werden reeds den volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis

vervoerd.

De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem

natuurlijk vrij wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was,

en het van belang was, om uittevinden wie de hoofdmannen van de

beweging waren geweest en wie er een werkdadig aandeel hadden genomen.

Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk door de

praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat

met het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de

autoriteiten uitvoerden. Tweehonderd en vier en veertig slaven werden

dus niet verder gestraft dan met een geweldige schrobbeering van den

Fiskaal, en daarop ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij

weer zoo lichtgeloovig waren, zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden

afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige meesters overhandigd,

die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige wijze

onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden

door den Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge

Gerechtshof gebracht, dat op den 7den December 1808 vonnis gaf. Louis,

Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen werden door het hof

ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele jaren

gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het

bijwonen der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden

gegeeseld en ten slotte aan hunne meesters te worden overhandigd. De

Gouverneur, die deze vonnissen moest bekrachtigen, wijzigde eenige er

van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido en Jephta werden

gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld.

Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende

redenen geschorst, tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit

Engeland, en terwijl ik dit schrijf zitten zij in de gevangenis hun lot

aftewachten.

Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het geheele tijdperk der

Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder de slaven

was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land

kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer

nauw met de kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich

niet ontzag om op hunne manier slaven meiden te trouwen. De slaven

werden over het algemeen vrij goed door hunne meesters aan de Kaap

behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele

volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters

die hunne slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen

afkeuring bij de bevolking. Natuurlijk liep men niet om elk

bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift van de

regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het

verbruid had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed,

maar daarmee was de zaak dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog

maar een paar jaar onder Engelsch bestuur zijn, hebben wij reeds een

opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk, dat het

denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel

als de andere blanke, insgelijks een Engelschman, geen moed hadden om

het plan ten uitvoer te brengen. De zaak op zich zelve is al leelijk

genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere gevolgen zal hebben,

want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld

van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt

werd, door het feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden,

want sedert de heer Barrow zijn boek heeft doen verschijnen, is het in

Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen Boer als een laag,

wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen en

dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die

gemelde heer doet omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen

behandelen. ’t Is een diep treurig ding dat de Afrikaner aldus miskend

en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij over hem voert, en

men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen, en

welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen.

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 23 / 28 题