Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur,
onze vriend Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en
wendde zich daar dadelijk naar het stadhuis op het zoogenoemde
Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw dat nu nog voor
dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat men
bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het
was in den laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad
kwam; hij was er sinds wij hem eerst hebben ontmoet heel wat ouder op
geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken
zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was
nog uitmuntend; doch zijne knieën waren wat stram geworden en het
loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat hem voornamelijk
van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan wel de
toestand zijns geestes.
Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij
niet klaarkomen met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en
verlangde hij immer terug naar de oude dagen der Hollanders, al wist
hij bij ondervinding welke abuizen dat Hollandsch bestuur met zich had
meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden, en
anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het
tegenwoordige, als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om
voor vrouw en kinderen te zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk
doen, zonder zich te bekommeren over zulke lastige dingen als
beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten door
hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit,
en laten dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om
daarop als eerlijke en brave burgers met alle statie te worden
begraven, met een begeleidend paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nu
eenmaal ’s werelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als
dwaas, of eccentriek. Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon
gewennen aan deze wijze van denken en handelen, en dat hij eene diepe
verachting had voor zulke menschen, en die verachting geenszins
verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon
hij langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met
zeer weinig menschen om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der
weinig hem trouw geblevene vrienden, vooral uit de distrikten in het
oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over de goede oude
tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken.
Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De
gouverneur der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden
eene proklamatie uitgevaardigd, waarin hij alle inwoners der kolonie
opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven bij een paar
vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun
huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat
men thans een Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald
van af den 1sten tot 29sten September, en als plaats, het stadhuis op
het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven,
schoon er niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden.
Sommige menschen keurden deze wijze van handelen af, als in strijd met
den Bijbel, daar de heer David had gestraft, wegens het houden van eene
volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie dat de
regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten
hoe zwaar eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat
men ook van de zaak dacht, men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar
morren, omdat men machteloos was. Ook Van Eck meende dat er iets achter
deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich echter eenige
voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het
laatste oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den
voorlaatsten dag. Er waren nog eenige andere burgers, die om de eene of
andere reden de zaak hadden uitgesteld, en toen dus onze vriend op het
Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen, die hij kende.
Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om
aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat,
een soort van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn
eigendom aantegeven, en daar dit niet veel was, was hij spoedig weder
op het plein, waar hij thans een der aldaar staande groepjes naderde.
Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck goed
kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E. B.
Ziervogel, terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer
Bözenberg werd voorgesteld als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de
plek die wij thans kennen als Wellington, en reeds toen een vrij
bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men was
spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te
worden, al was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat
men zich naar zijn huis en barbierswinkel zou begeven, die niet ver van
het plein, in de korte Marktstraat, was gelegen. Hierin namen de
aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig te zijn, en
liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer
Bözenberg, met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel
moeite over om hen te vergezellen, en een oogenblik later zaten de vier
heeren rustig in een kamer van het huis van den barbier, en
verfrischten zich met een bittertje.
„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad,
mijnheer Van Eck,” zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten
waren. „Och”, hernam de aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig
te doen in de stad, en voor mijn genoegen kom ik er zeker niet, want
als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie waaien dan
kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor
een oud man als ik, die reeds aan ’s werelds loop behoort gewoon te
zijn, niet passen.”
„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer
Bözenberg den spreker in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de
verandering, die in de laatste jaren hier heeft plaatsgevonden, en die
toch in menig opzicht eene groote verbetering is op den vorigen
toestand”.
„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck
weder; „als gij daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel
schaarschheid van geld heerscht als vroeger, en men gemakkelijker zijn
brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien gelijk, alhoewel ik daarvan
niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor zulks echter
van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel
kontant geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een
veel beteren prijs krijgen voor hunne produkten dan tien jaren geleden
het geval was. Maar of dit op zich zelve eene verbetering is, dat
betwijfel ik. Naar mijn bescheidene opinie weegt dat zoogenaamde
voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen zijn van de
Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze
vaderen vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”.
„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie
willen terughebben”, zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen
beter dan gij, en niemand weet beter wat de burgers onder de compagnie
hebben geleden”.
„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder
Jan Compagnie, vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch
waren die tijden in menig opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige.
Had men in die tijden een goede gouverneur zooals Swellengrebel of
Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een minder
goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren
in Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken
alhier, toch steeds gewillig waren om naar onze grieven te luisteren.
Herinner u maar eens in de dagen van Gouverneur van Plettenberg, hoe
wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk wij toch een
gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk
was uit in 1803, en toen de Mist en Generaal Janssens hier kwamen,
scheen het waarlijk dat wij een beteren tijd tegemoet gingen. Maar het
oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij meer droefheid
veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft
gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier
een gouverneur die een soort van despotische macht heeft, en van wiens
beslissingen wij in geen hooger beroep kunnen komen. Wij moeten maar
als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren, want anders is er boete
en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals men aan
Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en
zij durven er niet tegen te pruttelen”.
„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer
Ziervogel weder, „wij hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt
onpraktisch, mijnheer van Eck, en streeft naar het onbereikbare. Men
moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn, en er het beste van
maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover
onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het
ongeluk te storten, omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan
overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt gemakkelijk spreken. Kind noch
kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten,
alzijn ze niet veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen,
en als de dood u van deze aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter
die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn niet allen in die gelukkige
positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen, al erkennen
wij dat ze grootsch zijn.”
Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin
medelijden en verachting als gemengd lagen, een lach die geen
aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie hij gemeend was. De oude
man zweeg een oogenblik, en zeide toen:
„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide: „Gij kunt
niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des
levens hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest
het oogenblikkelijke en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het
grootere voordeel dat slechts te verkrijgen is door een tijdperk van
lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken moed:
dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den
tachtigjarigen oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven
als onze voorouders ook zoo hadden geredeneerd als gij thans doet. Als
zij zich goedwillig aan den tiran hadden onderworpen, en het Roomsche
geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de wereld ook veel beter
zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden zij met
den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun
plaats zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het
misschien beter zijn geweest, maar de wereld en de menschheid, en hun
nageslacht zouden er onder geleden hebben; want heden erkennen wij wel
dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun dankbaar
voor.... Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want
ik gevoel dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd
is, ook onder zijne landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden
mij niet iets nieuws kunt vertellen uit Europa. Ik heb in geen drie
maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad is mij ter hand
gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet de
berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de
zaken in Europa?”
De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die
ik uit Patria ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het
oogenblik niet erg gunstig voor de verbondene mogendheden staan. Zooals
gij weet heeft Keizer Napoleon verleden jaar Oostenrijk een geduchte
nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds dapper den
strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en
Rusland te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten.
Napoleon heeft echter zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen,
en deze zijn thans bezig vrede te sluiten, en dat op voorwaarden, die
zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland aangaat, zoo schijnt
men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den keizer
van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner
zal worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet
veel kans om den Franschen keizer tot den val te brengen”.
Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik
geenszins mij met u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te
koesteren aan de daden van den Franschen keizer; als het voor niets
anders is dan omdat hij tracht de Engelschen op hun plek te zetten, dan
zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn beschouwing
heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te
houden. Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet
een voornaam deel van zijn politiek heeft gemaakt om op goeden voet te
blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want als
hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche
schiereiland, en in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand
hebben gegeven in westelijk Europa, en dan zou hij zijn machtigsten
tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij Engeland
onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts,
in de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn
gekomen met Engeland, dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet
kan prijsgeven”.
„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het
hedendaagsch Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak”
merkte de heer Bözenberg aan, „maar ik geloof niet dat Napoleon dat
goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt dat hij doet; hij schijnt
mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn, die reeds het
leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer
zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie
dat wij er beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer
der Franschen verloor. In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men
grootendeels van den handel leven, en Engeland, als de eenige zeemacht
van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om
onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet
beheerschte, zouden wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen
krijgen, en zou de handel in dit land kwijnen. Dat zult gij toch moeten
instemmen, mijnheer Van Eck?”
„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het
minder goed hebben, maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk
behoort te zijn van den handel. De ware goudmijn van deze kolonie ligt
bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet gewonnen door de
Engelsche bezetting van het land”.
„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van
Eck,” viel de heer Ziervogel in; „heeft de boer het dan niet veel beter
dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan Compagnie had? Krijgt hij
niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg? Heeft hij
thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij
niets kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld,
dat niet zijn volle waarde had?”
De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en
sprak: „Gij laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel
en al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die
tegenwoordig het geheele Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de
allertreurigste gevolgen zal leiden voor dit land. De kwestie is niet
of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn produkten, maar
wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land. Hij
is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook
het welzijn van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat
hij thans de kans heeft, om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen
hier veld op meer dan eene manier, en onder die denkbeelden behoort de
verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land. Een der eerste
behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk
hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar
wat vindt men thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund
worden door de Britsche regeering, het volk aanlokken om te gaan wonen
in en op de zendelingstaties, waar zij een lui en lekker leven voeren
en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze
zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt
Swellendam hoorde, niets anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want
de Hottentot die niet werkt moet, om aan den kost te komen, het vleesch
van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt op die wijze
spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan. En
dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te
gaan, en houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls
alsof de Engelschen, afgaande op wat de zendelingen hun vertellen, de
Kaffers als hunne broeders beschouwen, en meer van hem denken dan van
den Afrikaanschen boer”.
„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun
broeders beschouwen, hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet
toch waarlijk de laatste man te zijn die iets daartegen zoudt
inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques Rousseau ons
niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en
broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was
de heer Bözenberg, die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot
vermaak der aanwezigen scheen zij voor het oogenblik onzen vriend van
zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk antwoord geven. Hij
maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen juist
op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en
deed weten dat het eten op tafel was, en dat alle aanwezigen welkom
zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad was men bijzonder
gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig was,
werd steeds als gast ter tafel genoodigd.
Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet
beviel, of dat hij uit zijn humeur was over de laatst gemaakte
aanmerking, laat zich hier niet uitmaken, maar in alle geval nam hij de
uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren, niet aan, en
zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was om
naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus
afscheid, en ging de straat op in de richting van de Parade, en wie hem
van nabij had gevolgd, had kunnen hooren dat hij bij zich zelve als
volgt mompelde:
’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als
maar mogelijk is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te
maken. Kracht en liefde voor het land zit niet meer bij ze, en allen
worden langzamerhand van dat ellendige zuurdezem van den handel
doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in zulk een
korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten,
wat er van het toekomende geslacht zal worden. Van die zal men ook wel
kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus royaliste que le roi”.
(Nog meer koningsgezind dan de koning zelve).
En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met
een prophetischen geest was bezield.