DE SLAG VAN BLAUWBERG, EN HOE DIE AFLIEP.

Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4den Januari in het jaar

1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar, scheen

alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo

schitteren, dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees

van door dat helle licht te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het

huisje, dat hij zijne woning noemde; hij zat aan wat de schaduwzijde

moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg om geheel te

beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van

een afdak of halve tent doen spannen langs het huisje, zoodat hij op

die wijze tegen de vinnige stralen der zon was beschermd, en rustig kon

blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op den grond lag.

Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant

worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op

den grond uitgestrekt, zoo lui mogelijk, en stoorde zich

oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept in het boek dat

niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den

zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat

de oude Kapenaar dit boek las, maar dan was het ook een zijner

lievelingsboeken, en slechts de werken van zijn geliefden Jean Jacques

Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck daar dien morgen zou

hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat

twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de

stad te gaan maken of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en

dan een rustig dutje te gaan doen. Maar deze morgen zou hij in zijn

rust worden gestoord, want het was even over negenen toen plotseling

van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het

noemde het blokhuis, drie kanonschoten snel achter elkander werden

gevuurd. Van Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een

minuut lang zag hij naar het blokhuis, waar de rookwolk van het geschut

in den stillen morgen nog hing, en eerst langzaam door den zachten wind

voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen, en kwam er

even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij

dadelijk aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een

signaalpaal eenige vlaggen zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij

naar die vlaggen, toen sloot hij met een gebaar van woede den kijker,

en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen: „Ik dacht het

wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben

wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere

ontvangst krijgen dan in ’95”.

Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok

aantetrekken, en zijn stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij

met haastige schreden naar de stad, waar hij alles in rep en roer vond,

want het was reeds overal bekend dat een Engelsche vloot van drie en

zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai

afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen;

de drie schoten die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de

seinen geweest voor de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop

herhaald worden, volgens een vroeger gemaakte afspraak, en tegen dezen

tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de vijand in aantocht

was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp te

verleenen.

Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie

dat de Engelschen geen beteren tijd voor hun plan konden hebben

gekozen. Het was juist de oogsttijd, en dit was natuurlijk een zeer

ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten; een deel der

wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het

was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden

opkomen, als de gouverneur en zijn raad verwachtten.

Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer

aan zijne bezigheid gehecht is, dat hij die niet graag veronachtzaamt,

want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of,

laten wij liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk

voordeel, dat naar evenredigheid van gering belang is, te verkiezen

boven grootere maar meer verwijderde belangen; in andere woorden dat

hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille van

den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld een

gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had

het lang niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In

plaats van een goeden beet in den zuren appel te geven en die daardoor

te vermorzelen, is het steeds voor de zuurheid teruggeschrokken, maar

moest toch op het einde door een aantal verschillende kleine beten den

appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe

dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee

Zuid-Afrikaansche Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den

Vrijstaat gevoerd? De ondervinding heeft echter ook den Afrikaner dure

lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft vergeten, dat bewijst

het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en de Boer,

die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet

van ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de

boeren-kommandanten niet weinig moeite hadden met het oude geslacht,

dat steeds van kommando wou weggaan, om toch naar hunne boerderij te

gaan kijken.

Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat

het weder ontzachelijk warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor

mensch of beest om gedurende den dag te reizen. Het is aan dit feit te

wijten dat er in den slag van Blauwberg zoo weinig burgers deelnamen,

want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad toen het lot

der kolonie reeds beslist was.

Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een

praatje houdende, daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen

daar was hij thans te oud en te stram toe; de geest was wel gewillig

maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795 had gedaan, daartoe

voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich

inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad

te verdedigen, zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd

aangevallen.

Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam,

en reeds een paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker

gekomen in de nauwe passage tusschen Robbeneiland en het strand van

Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde Melkbosch punt. Doch het weer had

tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan. De noordenwind

was plotseling komen opzetten, een vrij zeldzaam verschijnsel voor

dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig. Van Eck hoorde hem

dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de wind

tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man

en muis aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan.

Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den

nacht vrij hevig woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed

geankerd schip er door zou kunnen lijden, en tegen het breken van den

dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij hol bleef.

Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene

landing te wagen in de hooge branders die aan de noordzijde van

Tafelbaai tegen de rotsen sloegen, en dien geheelen dag bleef de

Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan Generaal Janssens

gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de

allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel

afhankelijk was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de

plaats waar de Engelschen zouden landen, of de wijze waarop zij de

Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen van plan

waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was

ook tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde

aantevallen, of liever om de dadelijke overgave der stad te eischen

onder bedreiging van anders de stad aan een bombardement te

onderwerpen. Dat dit laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel

geweest; want goed beschouwd, zou dit zeker de kortste en

gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur een

bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het

strand van Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche

schepen veel afbreuk te doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en

verder reikend was. Een dreigement met te zullen bombardeeren zou een

grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend zijn

geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de

stad hebben verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de

oproeping tot overgave gehoor te geven. Het is echter zeer

waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal Popham en

Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade

aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen

met het in asch leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch

Generaal Janssens kon, zooals van zelf spreekt, dit niet weten, en van

zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval op de stad van de

zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook

prepareeren. Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad

en ook de burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl

aankwamen, ontvingen last om in de stad te blijven; slechts een klein

troepje burgers onder kommandant Jacobus Linde werd naar het strand van

Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand gade te slaan. Laat

dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand

oogenschijnlijk het anker lichtte en nog een uur later een tweede

boodschapper met het nieuws dat een tiental schepen zeil waren gegaan

naar het noorden. Generaal Janssens begreep wat de reden hiervan was;

de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te ongunstig

gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te

landen, waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van

den Hollandschen generaal kon deze nieuwe beweging van den vijand niet

brengen, want, als er een veldslag moest worden geleverd, kon die

nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad, en Janssens

had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken

naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te

verdedigen totdat er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag

had de Hollandsche generaal niet, want hij had slechts een handjevol

geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste soort, vooral

niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit

Duitschers bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen

rekenen. Persoonlijk was Janssens van opinie dat de kolonie zooals zij

toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht; de kosten die men

er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten

gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn

als het op een fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen.

Maar Janssens was soldaat en eerlijk man; hij had zijn plicht te

volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang mogelijk te

verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te

brengen.

De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld

geraakte dat de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha

baai te maken. Generaal Baird schijnt gevreesd te hebben dat eene

landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en zond dus op den avond

van den 5den Januari een klein deel van zijn leger in eenige transport

schepen naar Saldanhabaai, want schoon het hem bekend was dat zijne

troepen een lange en vermoeiende marsch zouden moeten maken om van daar

de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed tegen

stormen beschut was, en men er veilig kon landen; bovendien begreep hij

snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen bevelhebber niet de

gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor eene

macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen

het Engelsche leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den

morgen van den 6den met zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen,

doch dien nacht ging de wind geheel en al liggen, en de branding aan de

kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd dat Baird besloot om

toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig om

de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige

toebereidselen gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen

zoo nabij mogelijk de kust liggen, ten einde met hun grof geschut de

landende troepen te beschermen, en men liet daarop een der kleinste

schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging te

hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze

kust slaan. Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van

de 71ste, 72ste en 93ste regimenten het eerst geland onder bevel van

generaal Ferguson. De landing liep echter niet zonder ongelukken af;

een boot met vijf en dertig man van het 93ste regiment sloeg om in de

branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop

werden nog drie regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad

mondbehoeften en wat artillerie. Er waren toen bij het strand geen

Hollandsche soldaten om deze landing te beletten; slechts Kommandant

Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij

konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een

paar welgemikte schoten van af de schepen verplichtten hen om

terugtetrekken, en daarop liet Linde Generaal Janssens het gebeurde

weten.

De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk

strijdvaardig, en vroeg in den morgen van den 8sten Januari 1806 trok

hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter

gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag

zijn leger had verzameld en dat ten noorden van de monding der

Zoutrivier en juist west van de Tijgerberg was gelegen. Het Hollandsche

leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal Janssens

meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad,

achtergelaten om deze stad te beschermen tegen een aanval der

Engelschen. Het is niet gemakkelijk om te begrijpen waarom Janssens

aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of min een denkbeeld

hebben gehad van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze

heel wat sterker was dan hij, en als hij zijn plan om in het binnenland

terug te trekken had willen uitvoeren, zou hij wijzer gedaan hebben om

de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was in het geval dat

hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het

laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht

verzwakte, maar gemelde burgers ongetwijfeld in handen van den vijand

zou doen vallen, en dit een groot verlies zou zijn met het oog op de

verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon een eerlijk

en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer

volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden,

want later heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de

Engelschen. Had hij met al de macht die hem ten dienste stond den

Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer kans op overwinning

gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar het

binnenland kunnen verdedigen.

De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen

gesteld als volgt. Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de

kommandanten Linde, Human en Wium; dan volgde het bataljon der

Waldeckers 400 man sterk; dan het 22ste linieregiment, ten getale van

358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138

dragonders, en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken

geschut. Ten laatste waren er nog 54 Maleische artilleristen, 181

Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de artillerie, terwijl 240

Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande

schepen Atalante en Napoleon ook hulp verleenden onder bevel van

kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche leger een

eigenaardig mixtuur was.

Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger,

dat vierduizend man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van

Blauwberg, onder persoonlijk bevel van Generaal Baird. Janssens stelde

daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat in een lange linie, ten

einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem zou

overvleugelen. Daarop reed hij langs het front der troepen en spoorde

hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den

algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der

Waldeckers werd geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards

hadden geen lust zich op te offeren voor eene zaak, die zij als

hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof geschut, en hierin was

het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden

dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden

weer zwaarder was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het

Waldecker regiment, en dit begon daarop dadelijk te wijken. Janssens,

dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de

lafaards moed in te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche

huurlingen sloegen schandelijk op de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer

slechte uitwerking op de rest van de geregelde troepen, en een korten

tijd daarna begon ook het 22ste linieregiment te wijken. Weder trad de

Hollandsche generaal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het

gelukte hem ook ze een oogenblik te doen standhouden. De beide legers

waren echter nu zoo nabij elkander dat men met het geweer op elkander

begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen door een kogel die

echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem te

verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten

zich daarop gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek

waren de Hollandsche troepen niet bestand. Het 22ste regiment sloeg op

de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche

zeelieden hielden stand en beantwoordden den aanval met een hevig

geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die de keurbenden

van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het

hevigste vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en

Generaal Janssens ziende dat hij met de hem overblijvende rest van het

leger niets uitvoeren kon, gaf bevel tot den terugtocht, die gedekt

werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant Pelegrini,

die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens

verplicht was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne

kanonnen in veiligheid te brengen, terwijl hij hem tevens op de plek

zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok het geheele Hollandsche

leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook het Waldeck

regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd

overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu

verder zijne schikkingen voor een terugtocht naar het binnenland.

Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar Kaapstad terug, niet omdat

zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer dapper

gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in

het binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant

van Simonsstad, met instructien aan dezen om alle krijgsvoorraad die

daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen,

en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den

tegenwoordigen Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur

zelf van plan was te gaan.

Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een

edel man hij was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het

gevecht van Blauwberg uitmuntend hadden gedragen, en daar deze mannen

geen betaling voor hunne diensten kregen, en toch wel iets voor hunne

dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar den

politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk,

zonder eenig verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden,

plaatsen in eigendom te geven en die te transporteeren op hunne namen.

De namen dezer dappere burgers verdienen aan de vergetelheid te worden

ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus Linde, Pieter

Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan

Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus

Theunissen, Hans Human en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat

de raad aan dit verzoek gehoor gaf, zijn laatste vergadering op den

8sten hield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren.

Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet

dadelijk bevelen zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van

Kaapstad om zich in den nacht met alle beschikbare troepen en materiaal

naar Muizenberg te begeven, en van daar langs het strand naar de

Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens

te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt.

Janssens toch moet geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het

verdedigen van Kaapstad, en dat de overgave er van zonder twijfel zou

geschieden. Waarom moest echter in die overgave een groot deel van de

troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen. De Britsche

troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden

daar, zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite

Muizenberg te bereiken, en daardoor het leger van Janssens, dat toen

niet meer dan zoowat duizend man telde, aanzienlijk te versterken. Maar

dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag van den 8sten trok

de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar

Hottentots Holland terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s

pas bekend, bezette.

Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den

9den Januari kwam het Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den

Engelschen generaal de noodige schikkingen werden getroffen om, zoo

noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een onnoodige

maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos

bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling

van eigendommen, en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird,

om een wapenstilstand te verzoeken met doel de termen van overgave te

arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand, op voorwaarde dat

de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort

Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10

Januari 1806, des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad

geteekend, en dienzelfden avond woei de Engelsche vlag weder op het

kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen dag.

Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen

hij in twijfel te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner

beschikking maakte het hem onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te

brengen, en hij was zelfs niet in staat om de bergpassen te bezetten,

die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug aan te vallen.

Dat de Engelschen dit dan ook van plan waren, bleek spoedig, want reeds

op den 12den vernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof

door hen bezet was, en dat een regiment op weg was naar Mosselbaai om

de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus aan alle kanten afgesneden,

moest de Hollandsche generaal wel tot de conclusie komen dat er niets

voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap niet van

hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer

achtenswaardig man, en hij schreef op den 13den een brief aan Janssens,

waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts

noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of

het niet beter was om onderhandelingen aanteknoopen voor eene eerlijke

kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford aan den

Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij,

Beresford, volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens

wilde zich eerst overtuigen van den toestand in de Kaapstad, en vroeg

verlof om een onderhoud te hebben met den toenmaligen secretaris van

den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek werd

toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de

kapitulatie op den 18den Januari geteekend. Bij die kapitulatie werd

overeengekomen dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou

overgeven, en op kosten der Engelsche regeering naar Holland zou worden

teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden gemaakt als beschreven

waren in de capitulatie van Kaapstad.

Op den 6den Maart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor

goed de band verbroken die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap

de Goede Hoop. Merkwaardig is echter de brief die de dappere generaal,

op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond en waarin onder

anderen deze uitdrukkingen voorkwamen:

„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de

inwoners dezer kolonie, wier geluk en welvaart de voornaamste

onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert mijne aankomst alhier, en

die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid hebben

gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de

vijanden der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar

wegen hunne goede hoedanigheden ruimschoots tegen op. Door middel van

zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid kan men ze

ongetwijfeld tot het goede leiden.”

Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn

geweest, zoo zij wat meer geluisterd had naar den raad van den laatsten

Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen in Engeland, die

geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr.

Philip, die door hunne vooroordelen belet waren een behoorlijk besef

van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders waren

geïnfluenceerd door zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al

deze verkeerde influisteringen zijn niet uitgebleven.

Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en

zijne metgezellen naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6

Maart, langzaam en statig de Tafelbaai uitzeilde, stond Jan van Eck op

het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip totdat er niets

meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren er

honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om

een woord te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van

den Atlantischen Oceaan verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen

van den goeden eerlijken patriot, en zich langzaam omwendende, stapte

hij in de richting van zijn huisje.

Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten

onaangeroerd.

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 19 / 28 题