De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en
vreugde in Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de
Heerengracht een dienst gehouden waarin men den Schepper dankte voor
het feit dat Hij het land van den overheerscher had bevrijd; na den
dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens
plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris
generaal De Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de
voornaamste machten in handen hield, totdat hij de zaken op nieuwen
voet had geregeld. Dit laatste nam een geruimen tijd, want een aantal
leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet aangekomen,
evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar
zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in
Zuid-Afrika geboortig, zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat
een nieuwe en betere tijd voor het land aanbreken zoude. Zoo vinden wij
Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als een der leden van den
raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad; onder de
rechters vinden wij mannen als W. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de
burgerraad werd hersteld, en tot leden er van waren voor het eerste
jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie Berrange,
Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan
Adriaan Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën.
Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te
houden, want er was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het
niet alleen zoo goed met het land meende, maar ook zulke verstandige
maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de daden van De Mist zijn
ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die in de
gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te
Kaapstad na te gaan, en de brieven door De Mist geschreven, hebben
gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen van
hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de
omstandigheden hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten
einde heeft kunnen brengen, maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat
hij van plan was te doen, zoo hem de kans ware gegeven, bewijst maar al
te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste bedoelingen, en die
zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn met de
denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden
getracht hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de
omstandigheden des lands. Om een voorbeeld te geven behoeven wij
slechts hier iets te vertellen van het schema door hem uitgedacht en
gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In 1804 werd
een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp,
zoowel als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht
is. Eerstens werd daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan
alle gezindheden, en gelijke burgerlijke rechten verleend aan Joden,
Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel den tijd vooruit was, dat
de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet te verwonderen
was, daar het grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische
kerk behoorde, en men niet gewoon was aan zulke verdraagzame
denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde ordonnantie werden de
scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder respekt
van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat
tijdstip steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben
met de kerk, en zulk onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel,
wat ongetwijfeld in den aard van het volk lag, en grootendeels nog
ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich zoo hevig tegen deze
scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten, maar
hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist
hetzelfde systeem was dat thans in zwang is in de kolonie en over het
algemeen vrij goede vruchten heeft afgeworpen.
Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het
feitelijk beletten van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie
rekenen, terwijl hij daarentegen alles deed om de immigratie van
geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste schema
niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel
van de onpraktische denkbeelden van de personen die de zaak in Holland
in handen hadden genomen, en van den man dien zij hierheen zonden om
hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder, een man die weigerde te
luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens gegeven, en
die op halstarrige wijze zijn eigen ideeën volgde, met gevolg dat alles
bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen voor de
emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk
leden.
Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de
kolonie om zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die
reis kwam hij onder anderen in aanraking met den beruchten Dr. Van der
Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika was gekomen, maar
allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen
is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder
ze zooveel hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards
opvoeden van de Hottentotten en Kaffers; een werk later met zooveel
succes (van hun oogpunt althans) voortgezet door den zendeling Read en
Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds door De Mist
geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en
dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk
allerongunstigst afstak bij het flinke en verstandige werk gedaan door
de Moravische zendelingen te Genadendal, waar De Mist ook een bezoek
bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en de werkzaamheid
aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den
Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig
geen goede resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam
begonnen te ontstaan die later zulke droevige gevolgen voor de kolonie
hebben gehad. Maar in alle geval was De Mist verstandig genoeg om niet
de fout te begaan die een groote twaalf jaar later door de Engelschen
werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten der
kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de
kolonie duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op
zijne terugreis naar de Kaap stichtte De Mist het nieuwe district
Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie naam in zijn geslacht en
nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht. In het
algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den
Commissaris Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen
men hoop te hebben dat deze volkplanting een nieuw tijdperk van bloei
zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop teleurgesteld door het
opnieuw uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel
nam. Napoleon had zich namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen,
en begon die vreeselijke reeks van veroverings-oorlogen, die meer dan
tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten slotte eindigde met
den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog
tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803
weder uit, en daar Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men
verwachten dat de Engelschen de Kaap niet ongemoeid zouden laten.
Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken
in handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de
kolonie in zulk een staat van verdediging te stellen, als onder de
omstandigheden mogelijk was. Maar in plaats dat men in Holland hem
hierin steunde door hem de noodige versterkingen van troepen te zenden,
gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de Kaap
was, het 23ste bataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens
begreep dat hij daardoor als het ware weerloos werd gemaakt,
gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment naar
Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening
van de burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval van
een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame
mondprovisie voor de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte
tijd geweest voor de boeren, die in de laatste jaren met een aantal
misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks koren was, om
in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd het
Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die
goed verstond hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot
bevelhebber van dit korps aangesteld met den rang van
luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat de
Mahomedanen steeds een goedgezind deel der koloniale bevolking zijn
geweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een
speciaal korps artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede
soldaten van hen kon maken. Maar met dit al, was het aantal soldaten,
en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon rekenen, maar zeer
klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige
soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering
in de strijdmacht veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar
om zich te laten ontmoedigen, en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde
den gouverneur op geen enkele wijze de handen te binden, en hem alle
mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24sten September zijne
betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden
ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer
een tijdje lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van
Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok hij echter met een Amerikaansch
schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, om van daar te
trachten Holland te bereiken.
Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die
dagen weinig werd gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen
in Zuid-Afrika, en men is gewoon om al de eer van dit werk toe te
schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen en te doen
alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is,
dat de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn
als zij zulks in 1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men
behoeft slechts de reisbeschrijving van Lichtenstein te lezen om van
het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein, toenmaals
geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805
door Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf
van Tulbagh een onderzoek te gaan instellen naar den toestand van zaken
ten noorden van de Oranjerivier, waar er een aantal zendingsstaties
waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen nog erg
lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde
heeren troffen op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan
Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan Botma, een man die blijkbaar
een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde, en zelfs een
vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het
noorden de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen,
en bij den heer Anderson ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds
in die dagen zendelingen van het Londensche genootschap zooals de heer
Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie gaf. De
expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat
de Bosjesmannen zeer lastig waren, terwijl men bovendien een
aantal nuttige berichten verkreeg omtrent de Batlapin en de andere
kleurlingstammen die in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden
Lichtenstein en de Graaf dat zij op hun reis gegaan waren over de
rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten der aarde die aan
Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog
onzichtbaar in de schoot der moeder.
Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en ging de volkplanting
waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van het
uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de
Engelschen de kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende
te veel op de macht van Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon
was eene politiek voor het vasteland van Europa, en tegen de zeemacht
van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend, en zoo goed
aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van
dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die
opgewassen was tegen mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus
niet in staat, zelfs al had hij zulks ook gewild om de koloniën van
zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap.
Reeds vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor
eene expeditie naar Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een
groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien dagen voor den
grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door
Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan
boord van uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het
verhaal van die verovering moet echter overblijven tot een volgend
hoofdstuk.