Het is den avond van den 6den Augustus 1795, en wij zullen u vragen,
waarde lezers om in gedachten met ons mede te gaan naar een plek, die
heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, maar op
genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer
weinige lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en
dames, en van badwagentjes; in plaats van net gebouwde villas, die den
indruk maken dat de bewoners menschen van goeden doen zijn, die in
weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te
Muizenberg, zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel dat
lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat
wij in een soldatenkamp zijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte
aan deze zijde van het strand, maar ook gedeeltelijk in de nauwe pas,
die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en de wateren van de
Baai Fals.
Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig
versterkt schijnt, en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij
tegenwoordig gewoon zijn in een soldatenkamp te vinden. Er staan
tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest van klein kaliber,
dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den
tegenwoordigen tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee
stukken van vier-en-twintig ponden elk; de andere zijn zeven- en
vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden halen.
En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij
zijn geen generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons
toch toe, dat het heel wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp
met een hoogen aarden wal was omringd, of ten minste die kanonnen waren
beschut door wat aarden wallen. De man die voor den hier heerschenden
toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde,
òf verzaakt moedwillig zijn plicht.
En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht
te zorgen. Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk
gehavend, is alles wat wij zien in den vorm van beschutting, en dit
waarlijk in den winter, wanneer de wind hier ijskoud kan waaien, of
zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. Kijk
eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te
helpen, een soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en
aan de opgerolde kombaarsen merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat
is toch wel een beetje erg bar, vindt gij het ook niet?
Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en
neder, op half zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien,
dat deze mannen niet geregelde troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht
en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten waarvan ons doen
herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en die
onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens
gezien hebben, dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft
niets militairs in zich. Wel, dat is dan ook niet te verwonderen, want
zij zijn geen soldaten van beroep, maar de meesten hunner zijn boeren,
eigenaars van honderden van morgen gronds, koningen op dien grond, en
slechts gehoorzaam aan de regeering, die hen heeft opgeroepen om het
land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met die regeering, die
hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke
regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner
voorvaderen, den bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden,
nadat het een Hollander tot koning had gehad. Niet allen echter zijn
boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, mannen, die met de
pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze hebben
niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche
onderdanen te worden.
Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een
pijp te rooken en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de
richting van de Simonsbaai, waar de Engelsche vloot rustig voor anker
ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert 29 Juni reeds in bezit is
van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige
wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen,
moeten wij, voor wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven
van wat er voorgevallen is, sedert wij de vergadering in het kasteel op
12 Juni hebben bijgewoond.
Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op
14 Juni, kwam geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal,
Sir James Craig, kwam even bedaard een bezoek brengen aan de stad op
den 18den, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad,
waarin hij hen vertelde, dat zijne instrukties waren om de Kolonie in
bezit te nemen en in bewaring te nemen voor den Prins van Oranje, tot
tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. Hij gaf
ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en
beloofde onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands
zou worden gemaakt, en dat de burgers geen andere lasten zouden
behoeven te dragen dan die, welke absoluut noodig waren voor het
onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen vrij
zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden
afgeschaft. De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van
den koning van Engeland en door Engeland worden betaald, en die
ambtenaren, die zulks verkozen, konden in Engelschen staatsdienst
overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door den
Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor
deze zooveel jaren hadden gestreden, en wat zij maar nooit hadden
kunnen verkrijgen.
Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op
het voorstel van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen
manmoedigen stap deed nemen, was niets meer of minder dan vrees voor
den galg; want men was van opinie, dat er eene Fransch-Hollandsche
vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden
verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot
verantwoording hunner daden worden geroepen.
De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal
proklamatiën uit, de eerste met het doel om de bevolking in het harnas
te jagen tegen zijne regeering, en toen dit zonder effekt bleef, volgde
er eene tweede proklamatie, waarin de aap uit de mouw kwam, daar er
duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning niet zou
toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand,
Frankrijk. Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de
Engelschen. Eerstens besloot de Politieke Raad, die thans geen andere
uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste te verdedigen, een
besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen;
en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie op de been, en
toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met
de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo
oproerige mannen van Graaff-Reinet en Swellendam, die in grooten getale
naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan den strijd. Want men
vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen
waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of
dertig jaren waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden
zich zeer populair bij de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid
zoowel als de aankomst van verscheidene Fransche eskaders, veel geld in
de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen de kolonie tot
een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der
burgers, afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden
voor het geboorteland hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan
het zonnige Frankrijk herinnerde.
De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten
indruk gemaakt; hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles
behalve den slag van zich aangenaam te maken. De historische
herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland verbonden,
waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van
eenigen rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon
staan, want Engeland was steeds de jaloersche mededinger van Holland
geweest, en had grootendeels schuld aan den achteruitgang van den
voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” zouden de
kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al
niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van
dezen aard.
Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans
verplicht zag om de Engelschen als vijanden te behandelen;
levensmiddelen werden hun geweigerd en een sterke bezetting werd te
Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad ten zeerste
versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in
Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor
inwoners der Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit
van de mail van dit schip, maar door het een of andere toeval viel toch
een krant in handen van een der burgers, en in die krant stond eene
kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle Hollanders
ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje.
Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk, en men
kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan.
Simonsstad werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar,
waarop Admiraal Elphinstone op den 9den Juli bezit der stad nam. De
Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte
vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet
aangekomen, en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor
gebruik te lande, en zouden zich moeten behelpen met de zware en
onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen de verdedigers
een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter
ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning
maken in de richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze
plaats om iemand of iets te kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid
om een aantal schoten in de richting der stad te schieten, en dit gaf
natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat de Hollanders de
vijandelijkheden waren begonnen.
Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man,
die van tijd tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen
een beetje rust op zijn beurt kreeg. Er was juist op den 3den een nieuw
klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die
wij er op den avond van den 6den Augustus vinden. Maar nu wordt het
waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken wordt door het
groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit
hoofdstuk.
Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat
bijvoorbeeld de heer van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de
Beer, de neef van Jan van Eck, en als gij goed ziet zult gij dezen
laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform die hij aan heeft
hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan uit
burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch,
en een van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een
vrij jong maar flink uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt
van de artillerie, en wiens naam luitenant Marnitz is; ook staan er
Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een kerel die aan het hoofd
staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, die
echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo
gehaten Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende
baard, en velbaatje is Louis Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van
een afdeeling burgers uit zijn distrikt, die even als Du Plessis al
lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die als men hem
verlof gaf, op eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de
Engelschen uit Simonsstad naar hunne schepen terug te jagen. Inderdaad
is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt een bewijs dat er
heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is du
Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt:
„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is
voor den toestand in het kamp, want als ik den rechten man in handen
krijg, dan zal ik hem zijn ooren laten gonzen dat hij het niet gauw zal
vergeten”.
„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet,” zegt de
luitenant, „want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius
naar Pilatus. Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag
weten, hoe ik ze afschieten moet, want ze staan los in het zand, en met
het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het zand, en dan zal ik
ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat is
nuttelooze tijdverspilling”.
„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in, „want je
zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de
beste goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk
zuur maken”.
„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere luitenant, „en toen
kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog
gebracht, maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de
Engelsche schepen nooit dicht bij genoeg konden komen om ons hier te
raken”.
„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van
Eck woedend uit, „wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen;
het zou ze niet veel tijd nemen om een paar zware kartouwen op eenige
hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede uw heele batterij uit
elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een paar zes
voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”.
„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide
van Reenen opnieuw, „en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel
vertellen luitenant, dat als de Engelschen een beetje snugger zijn, zij
met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, dat zij het heele kamp zooals
het staat, plat kunnen schieten”.
„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de
Waal, „want reeds sedert den 20sten van de vorige maand zijn zij aan
het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden week de wacht hield
met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht bij
het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”.
„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck
op een toon van verbazing.
„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de
Engelschen niet konden beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten
te peilen. Zij waren nog niet onze vijanden”, antwoordde de luitenant.
„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de
Engelschen zeker niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen
van Koning Eduard den Eersten. En wat men ook zeggen mag zal de
Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, merkte Van Eck op
zijn bitsige manier aan.
„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis
in; „waarom moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in
deze koude nachten allerlei ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om
een ordentelijk mensch te behandelen, en als er van mijn mannen huis
toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen nu al leelijk
te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar
die dingen zien, luitenant?”
„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”,
was het korte antwoord van den luitenant, die daarop groetend
vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde gaan maken, en orders geven
omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet
de militair het groepje.
„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den
wegstappenden luitenant wijzende, „als hij het bevel over de zaken had
in plaats van Gordon, dan zouden de zaken er beter uitzien.”
„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck, „en wat de kolonel aangaat zoo
moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. Hij is niets
anders dan een verrader naar mijn opinie”.
Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat
oogenblik niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken
dat de wachten aantreden moesten, en daar verscheidene der
tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht uitmaakten, ging
het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, ging
met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den
avond, alle mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de
oostelijke grensdistrikten der kolonie, en het was bijna tien uur, toen
hij zich ter ruste begaf naar de tent die hij met den heer Van Reenen
en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en dan was die tent
nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom
van den heer Van Reenen zelf.
Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en
men zag slechts een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig
waren om hunne goederen optepakken, daar zij dien dag zouden worden
afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die den vorigen dag te
Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. Met het
vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat
zij er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers
zeer opgeruimd, en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel
als met de andere burgers, die nog moesten blijven. Het was omtrent één
uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers het kamp
bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werden
geïnspekteerd, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden
teruggaan zich gereed maakten om over een uur te vertrekken, en de
paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch terwijl de kolonel nog
met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai
stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen
zich in beweging hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De
Lille was bij het hooren van dit bericht niet genegen om er veel waarde
aan te hechten, want de Engelsche schepen hadden reeds de drie laatste
dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; doch een kwartier later
kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen dat er
eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in
de richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de
Engelschen iets in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men
het kamp zou strijken en zich voor den strijd gereed maken. Zelf ging
hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon eene positie opnemen
nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen de zee
en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg
moesten verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele
artillerie had, stond natuurlijk met zijne manschappen bij zijne
stukken, gereed om zijn plicht te doen. Maar De Lille scheen geheel
vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der Hottentot
soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent
de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er
geen geringe verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond
om op zijn eigen houtje te handelen, zoodat er hier een klompje burgers
stonden, en wat verder een ander klompje, en daartusschen de pandoers,
die ook allen te paard waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun
kommandant Cloete.
De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een
manoevre der Engelschen was om de aandacht af te leiden van de
naderende kolonne voetvolk. Doch het bleek spoedig dat hij zich hierin
deerlijk had vergist, want de vier Engelsche schepen, die in dien
tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden
plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het
koloniale leger ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een
bekwaam en dapper bevelhebber de positie nog kunnen redden. De Lille
was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel hij bleek of een
lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel
der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde
zijn paard, en ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale
bataljon, en zelfs een deel der artillerie liet zich in den vaart
meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met het restant der zijnen op
zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te beantwoorden
met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren
te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten
zij met elk schot vast en moesten daar uitgegraven worden en opnieuw
gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed verliezen, en
hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die
als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen
gaan, met de kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken,
en toen eenige der vijandelijke kogels in hun midden sloegen,
retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik dier moorddadige
werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige
Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot
waren hielden zij stand met het doel om zich te verweren tegen het
voetvolk, als dit aan kwam. De Lille daarentegen hield met de zijnen
niet op met vluchten, maar vervolgde hals over kop zijn weg naar de
Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te komen,
maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere
strijdmacht was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen.
Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche
schepen heel wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen
kon opleggen. Toen echter de Engelsche voet-kolonne de engte had
bereikt, en de vijand zich gereed maakte om de batterij te bestormen,
zag de luitenant dat zijne positie hopeloos was, en dat er niets anders
voor hem opzat dan om terug te trekken. In zijn hart vloekende op den
lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, gaf Marnitz
bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den
aanrukkenden vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders,
en de andere kleine kanonnen, om ze onbruikbaar voor de Engelschen te
maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken terug. Het Engelsche
voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. Doch
hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met
een geweldig vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen
hier eene positie had opgenomen. Het Engelsche 78ste regiment liep hen
echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren waren
de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de
artillerie, die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was
getrokken, bemerkte in welke netelige positie de burgers waren, en
opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, dat de
Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar
Muizenberg, en den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen
reeds aan het vallen; het kamp der Kolonialen was in handen van den
vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig,
en daarbij niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad
hadden, en wat ronduit het verraad van Lille werd genoemd, legerden de
burgers zich in kleine troepjes hier en daar op de Kaapsche vlakte
tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten den nacht in
de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten
werden uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen.
Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn
schrik, en trok hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen
naar Zandvlei, doch de Engelschen hadden zijne beweging bespeurd, en
een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, vergezeld van een
klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte dezen
aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en
liet zich den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een
beter plan beraamd; zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien
aankomen en verscholen zich daarop tusschen eenige hooge zandduinen die
in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen volgden in hun
nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een
heftig vuur op de niets vermoedende Britten met het gevolg dat deze
door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. De
burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun
gelukt zijn om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het
niet dat de Engelschen de door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen
weder in orde gebracht hadden en daardoor in staat gesteld waren om de
burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur te ontvangen,
waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene
kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De
Lille, bevel had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar
De Lille ook een kamp betrok, na de burgers op de aller lafhartigste
wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder zulke omstandigheden
bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn
voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken.
Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend
spektakel. De burgers zochten den man die hen zoo schandelijk verraden
had, in handen te krijgen, maar De Lille had blijkbaar zoo iets
voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling zoekend bij het
Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak op
zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken zij
een verzoekschrift aan den Gouverneur op, waarin zij De Lille openlijk
van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij voor een krijgsraad
zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de
officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en
Mulder onderteekend. Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel
verplicht vond om aan dit verzoek gehoor te geven, en op den 10den
Augustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp
te Wijnberg opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon
geen groot krijgsman zijnde, toch door een ieder als een eerlijk en
dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later kwam De Lille voor een
krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, doch de
bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren
om hem onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het
leven mocht benemen.
Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden
aan de Engelschen op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in
het heetst van het gevecht geweest, want een lafaard wilde de brave
burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam hij niet uit den
strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht aan
den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte
die hem toch om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen,
zoodat hij geen dienst kon doen. Dat hij woedend was op De Lille, op
Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden laten zien in het kamp,
laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij dan ook de
bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de
handen van de Engelschen spelen.”
Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4den September de
Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut,
zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte
op den 14den van die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg
naar Kaapstad op. Een korten tijd lang weerden de burgers zich dapper
tegen den viermaal sterkeren vijand, doch zij werden niet behoorlijk
aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand te keeren,
trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening
gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen
hadden, de Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De
Kaapsche burgers, en daaronder onzen vriend Jan van Eck, trokken naar
de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat het hart van onzen vriend
bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen.
Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij
elkander en werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige
drama. Gordon was op deze vergadering niet tegenwoordig, en de heer Van
Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde tegen het genomen
besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere
verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest
overgeven.
Op den 16den September 1795, des namiddags om drie uur, woei de
Britsche vlag voor het eerst op het kasteel van Kaapstad. Het rijk van
Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen.