EEN GEWICHTIGE NACHT.

Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de

gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden

aan het einde der 18de eeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij

hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking

hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min

uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien

zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen

vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij

zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er minstens een half

dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in

het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in

hun smaak mocht vallen.

Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de

Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij

nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij

stiefmoederlijk, plaats vond.

In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet

zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer

onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen

zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer

Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen

aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren

van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en

de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil

komt van Exeter Hall en consorten”.

In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet

eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand.

Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon

niets uitvoeren, en werd ten slotte op beleefde maar dringende wijze

door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor

dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers

kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een

onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan

zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen,

dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide

republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een

belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog

lang zullen doen.

Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar

Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost,

den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de

burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk

bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te

duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat

bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend

op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en

het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze

vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was der

Graaff-Reinetters en Swellendammers, en hij heel wat correspondentie

schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee

distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel

degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een

onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van

Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen

verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard

geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er

dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg

drongen, waaraan niemand had gedacht.

Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten

het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de

geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en

Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter

geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het

volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels

door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de

geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die

schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden

dat volgens de natuur alle menschen vrij waren, gelijke rechten hadden,

en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en

begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds

zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe

maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen.

Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen

koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte

Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa,

waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter

ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in

het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten

tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland

vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een

Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.

Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te

hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het

Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg

naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men

denke er aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg

naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar

Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste

land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en

wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig

voordeed.

Reeds op den 7den Februari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan

van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd

dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de

volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige

Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en

Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793

Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als

Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die

toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid

hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam

van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2den

September 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was

om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te

brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai werden nieuwe

forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde

plaats gelegd. Het laatste bericht dat Gouverneur Sluijskens uit

Holland kreeg werd hier gebracht door de Medemblik, die op 12 April

hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te

Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer

korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons

verhaal voortzetten.

Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad

kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een

der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden

Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er

tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft

men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet

juist met haar accordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners

vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als

treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van

Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een

gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het

einde waarvan wij nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in

Zuid-Afrika.

Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de

verbeelding) en dat op den 12den Juni van het jaar 1795. Het uur dat

wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een

beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal

waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die

op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel

waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden

gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet; waren wij een minuut of

tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in

vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden

nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de

tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een

ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren

reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een

geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een

langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan

Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting

te besturen. De andere man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens

geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat

in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven

in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger

aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert

Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient,

als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der

Kolonie heeft bevaren, en die den naam van Oranjerivier heeft gegeven;

daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel

der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te

maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van

Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de

opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den

tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten,

maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten

dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar

trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den

1sten Juni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert

die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire

talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar

hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat

is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde „patriotten”

van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur

zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie,

want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten

gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij

het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de

Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat

dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren

aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen

had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was

gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer

Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen

geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats

gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de

secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F.

van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering

was heel wat besproken, en had men ten slotte besloten om overal

alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd

worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de

Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt

gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen

van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat

de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden,

dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de

Engelschen een inval in het land deden.

’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad

pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog

niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn.

„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?”

vraagt hij op veelbeteekenenden toon.

Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt

langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er

natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil

maken in onze houding.”

„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl

hij den spreker met verwondering aanziet.

De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor hij antwoordt: „Wel,

de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis

van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van

de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij

zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de

Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het

handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste

schot op den loop zal gaan.”

„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets

dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om

de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook

genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin,

die wij in Februari hebben ontvangen.”

„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in

Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel.

Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide

hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen

nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor

ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.”

„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders

uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat

vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop

ik, dat UEd. wel rusten zult.”

De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en

verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij

zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen

wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?”

Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich

herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de

Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de

Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne

geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap

te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel,

of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om

ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was

er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust

gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen

argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was het feit,

dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij

zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel

bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van

dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op

blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van

den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel

als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den

heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar

liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die

goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij

daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen

het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche

bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was

genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene

belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten,

door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan

kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van

onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.

Kolonel Gordon nam na het vertrek van den Gouverneur, eenige papieren,

en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of

zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille

Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje,

waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie

of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”,

luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik

bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou

zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er

wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te

bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug,

met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een

stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de

poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief

brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die

verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het

kasteel toegelaten te worden”.

„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw

hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch

recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe strenge

bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat

dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem

zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”.

Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te

brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd

in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst

gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het

vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich

in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik

had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje

had bedekt.

„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen

om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te

verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende

vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”.

Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een

boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort

daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene

kennisgeving, ten gevolge waarvan om half drie dien morgen de raad

weder was vergaderd.

Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de

kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de

Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in

vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De

Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn

titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer,

als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met

deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die

zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den

kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf

aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de

raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend.

Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de

bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering

plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht.

Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht,

overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van

Admiraal Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans

liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde

briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de

derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den

Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op

diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den

Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur

deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke

intenties zulk geschiedde, en een der leden liet zich niet

oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon,

dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging,

men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden

trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de

discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne

gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef

daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas,

en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het

over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als

antwoord op den brief van den admiraal.

Kaapstad, 12 Juni 1795.

Mijnheer,

Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer,

dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel

Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen,

zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne

Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der

Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het

op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te

verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber

onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed

te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden

door een door UEd. vertrouwd persoon.

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 7 / 28 题