Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de
gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden
aan het einde der 18de eeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij
hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking
hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min
uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien
zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen
vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij
zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er minstens een half
dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in
het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in
hun smaak mocht vallen.
Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de
Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij
nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij
stiefmoederlijk, plaats vond.
In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet
zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer
onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen
zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer
Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen
aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren
van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en
de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil
komt van Exeter Hall en consorten”.
In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet
eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand.
Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon
niets uitvoeren, en werd ten slotte op beleefde maar dringende wijze
door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor
dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers
kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een
onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan
zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen,
dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide
republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een
belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog
lang zullen doen.
Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar
Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost,
den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de
burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk
bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te
duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat
bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend
op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en
het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze
vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was der
Graaff-Reinetters en Swellendammers, en hij heel wat correspondentie
schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee
distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel
degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een
onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van
Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen
verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard
geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er
dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg
drongen, waaraan niemand had gedacht.
Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten
het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de
geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en
Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter
geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het
volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels
door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de
geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die
schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden
dat volgens de natuur alle menschen vrij waren, gelijke rechten hadden,
en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en
begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds
zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe
maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen.
Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen
koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte
Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa,
waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter
ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in
het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten
tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland
vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een
Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.
Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te
hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het
Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg
naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men
denke er aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg
naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar
Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste
land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en
wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig
voordeed.
Reeds op den 7den Februari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan
van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd
dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de
volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige
Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en
Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793
Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als
Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die
toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid
hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam
van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2den
September 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was
om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te
brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai werden nieuwe
forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde
plaats gelegd. Het laatste bericht dat Gouverneur Sluijskens uit
Holland kreeg werd hier gebracht door de Medemblik, die op 12 April
hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te
Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer
korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons
verhaal voortzetten.
Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad
kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een
der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden
Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er
tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft
men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet
juist met haar accordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners
vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als
treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van
Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een
gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het
einde waarvan wij nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in
Zuid-Afrika.
Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de
verbeelding) en dat op den 12den Juni van het jaar 1795. Het uur dat
wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een
beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal
waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die
op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel
waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden
gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet; waren wij een minuut of
tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in
vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden
nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de
tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een
ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren
reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een
geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een
langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan
Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting
te besturen. De andere man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens
geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat
in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven
in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger
aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert
Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient,
als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der
Kolonie heeft bevaren, en die den naam van Oranjerivier heeft gegeven;
daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel
der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te
maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van
Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de
opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den
tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten,
maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten
dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar
trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den
1sten Juni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert
die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire
talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar
hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat
is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde „patriotten”
van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur
zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie,
want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten
gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij
het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de
Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat
dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren
aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen
had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was
gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer
Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen
geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats
gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de
secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F.
van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering
was heel wat besproken, en had men ten slotte besloten om overal
alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd
worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de
Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt
gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen
van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat
de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden,
dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de
Engelschen een inval in het land deden.
’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad
pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog
niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn.
„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?”
vraagt hij op veelbeteekenenden toon.
Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt
langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er
natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil
maken in onze houding.”
„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl
hij den spreker met verwondering aanziet.
De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor hij antwoordt: „Wel,
de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis
van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van
de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij
zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de
Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het
handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste
schot op den loop zal gaan.”
„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets
dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om
de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook
genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin,
die wij in Februari hebben ontvangen.”
„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in
Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel.
Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide
hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen
nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor
ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.”
„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders
uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat
vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop
ik, dat UEd. wel rusten zult.”
De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en
verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij
zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen
wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?”
Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich
herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de
Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de
Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne
geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap
te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel,
of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om
ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was
er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust
gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen
argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was het feit,
dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij
zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel
bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van
dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op
blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van
den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel
als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den
heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar
liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die
goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij
daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen
het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche
bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was
genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene
belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten,
door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan
kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van
onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.
Kolonel Gordon nam na het vertrek van den Gouverneur, eenige papieren,
en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of
zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille
Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje,
waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie
of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”,
luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik
bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou
zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er
wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te
bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug,
met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een
stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de
poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief
brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die
verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het
kasteel toegelaten te worden”.
„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw
hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch
recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe strenge
bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat
dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem
zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”.
Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te
brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd
in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst
gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het
vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich
in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik
had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje
had bedekt.
„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen
om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te
verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende
vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”.
Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een
boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort
daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene
kennisgeving, ten gevolge waarvan om half drie dien morgen de raad
weder was vergaderd.
Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de
kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de
Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in
vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De
Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn
titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer,
als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met
deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die
zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den
kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf
aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de
raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend.
Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de
bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering
plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht.
Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht,
overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van
Admiraal Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans
liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde
briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de
derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den
Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op
diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den
Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur
deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke
intenties zulk geschiedde, en een der leden liet zich niet
oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon,
dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging,
men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden
trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de
discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne
gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef
daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas,
en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het
over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als
antwoord op den brief van den admiraal.
Kaapstad, 12 Juni 1795.
Mijnheer,
Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer,
dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel
Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen,
zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne
Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der
Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het
op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te
verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber
onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed
te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden
door een door UEd. vertrouwd persoon.