EEN LEELIJK STANDJE.

Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in

het begin van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn

uitgescheurd, door wat de dichter zou noemen „een godvergeten hand”.

Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan een jaar beslaat, ben

ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn eigen

houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet

te laten verliezen.

Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de

Kaapstad, was men in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het

met de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie

had groote schulden, en zij kon niet eens meer de renten op hare

schuldbrieven betalen. De zaak was van groot belang voor het publiek,

en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen om van hun recht

gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand

der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal

aangestelde commissie, was van dien aard, dat verdere maatregelen

noodig werden beschouwd, en vier heeren werden aangesteld, met een

bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in persoon te gaan

bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand.

Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis

Nederburgh, eerste advokaat der Compagnie, en de zeekapitein Simon

Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de kolonie de Kaap de Goede

Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18den Juni 1792 te

Simonsstad aan met het oorlogsschip de Amazone.

Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van

belang in de kolonie geschied. De heer Rhenius had het bestuur

overgenomen, en de zaken gingen hun ouden gang. In de distrikten

Graaff-Reinet en Swellendam had men op een manier de rust een weinig

hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de

Bosjesmans, waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de

geheele kolonie een geest van verzet tegen de regeering vertoond, die

bewees dat er noodzakelijk verandering moest komen, wilde men niet het

gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. de politieke raad

een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil

daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich

verplicht zag, om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men

begrijpt dat dit teeken van zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en

hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen van de Compagnie te

verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden.

De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij

te doen hadden met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete

beloften lieten tevreden stellen. Net een week na hunne aankomst

maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting bij de

commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van

grieven die de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den

Burgerraad verdienen hier te worden vermeld. Het waren de heeren Jan

Smuts, Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik

Truter, en Hendrik P. Warnecke, allen mannen van naam en invloed.

De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den

Burgerraad te erkennen als een lichaam dat het recht bezat om grieven

voor te brengen. En daarop begonnen de poppen te dansen, en hoe ze

dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij het aangeteekend

vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in

andere boeken niet te vinden zijn.

’t Is den 30sten dag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de

winter van het Kaapsche schiereiland ons eenmaal in een dozijn jaren

schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie dagen geleden is

er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met

buitengewone kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en

schoon zijn. Op dezen morgen (want het heeft zooeven negen uur

geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets wat Jan van Riebeeck

een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft vader

Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden,

van welke kans hij dan ook alle gebruik maakt.

Vooral op de groote Parade, die zich voor de Keizersgracht uitstrekt,

en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl aan de

westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de

Compagnies tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het

zeer warm, maar men heeft er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant

ziet men de Tafelbaai, wier wateren thans kalm wiegelen, en die thans

een half dozijn Oost-Indiëvaarders dragen, welk ieder oogenblik

verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het Kaapsche

stormseizoen nadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens

der wereld maakt, en daar bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan

den kant tegenover de zee, valt het oog eerst op het nog niet geheel

voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet als kazerne

voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming

als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven.

En daarachter verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de

Tafelberg, rechts en links geflankeerd door de Duivelspiek en den

Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld kan worden

gevonden.

Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig

houden, al verdient zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op

Tafelbergs pracht geenszins ongepast zijn. Neen, het is met den mensch

dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg

van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten

minste een heel aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk

oogenblik. Want er is heden eene groote vergadering bepaald, en het is

duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan stellen in de te

besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet

begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben

dus den tijd om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen

tusschen de klompjes menschen, die hier en daar vergaderd zijn, om

voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken van gewicht moeten zijn,

dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig schijnen

zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders

den Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai,

dat zit bij de meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was

even als in 1901, ook in 1792 een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan

het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, dan volgde er ook een

gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, totdat het

zijn zin had gekregen.

Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje menschen, die met

bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te

twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij

reeds kennen; daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als

altijd; naast hem zien wij onzen ouden vriend, den heer van Eck, die,

in tegenstelling van zijn vriend niet de minste moeite heeft genomen

met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, die iemand van

eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen

ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den

Burgerraad van Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig

jaren, lid van een der aanzienlijkste familien der Kolonie, en die

grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord vinden, en

hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt:

„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de

Commissarissen ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons

luisteren, en beweert dat wij geen recht hebben om namens het volk

dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten wie anders het

recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze

volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de

misbruiken die in de laatste dertig jaren en meer zijn ingeslopen in de

regeering van dit ongelukkige land? Van af den dood van vader Tulbagh,

zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, en thans

zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten

goede komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid

onder alle standen; het zijn niet alleen de boeren die enkel klagen;

het zijn alle kolonisten.

„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet

billijk dat zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”.

„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer

Smuts”, viel hier Jan van Eck in; „vreest gij niet dat de

Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten in den

wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?”

„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen

de verdere gevolgen voor rekening van degenen die onze waarschuwingen

in den wind hebben geslagen” merkte de heer Baumgardt aan.

„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?”

vroeg Van Eck, op droogen toon.

„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde

de heer van Reenen, instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag

gericht was.

„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck

voort; „met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze

wereld, vooral niet waar men met eene regeering te doen heeft, die de

baas is. In Frankrijk heeft men gemompeld van af het jaar 1690 tot aan

1789, en wat hielp het? De lasten werden steeds zwaarder: en eerst toen

men begon te handelen en de verrotte regeering van den troon stiet, is

men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze wereld slechts

geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht

brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen

op verbetering van zijnen toestand”.

„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten

tot maatregelen van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op

veelbeteekenende wijze.

„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het

kalme antwoord van den heer Van Eck, „maar wat ik meen is dit, dat het

volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer de autoriteit van

Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om zich

zelven te regeeren.”

„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods

schuldig volgens de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig

in.

„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond

ook voor den man die de onafhankelijkheid van de Vereenigde Provinciën

heeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar

toch hebben die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij

hebben hun werk gedaan, als het ware met het zwaard boven het hoofd, en

hunne namen staan voor eeuwig op de geschiedenisrollen gegraveerd”

antwoordde Van Eck op ernstige wijze.

„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den

toestand van zaken, en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het

bestuur der Compagnie ophield alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik

met u zamen gaan; maar om te spreken van eene eigene regeering, en van

afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste af, en het

zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.”

„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die

dit zeide in de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor

mij wil de waarheid niet achter stoelen en banken wegsteken”.

De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en

vervolgde toen:

„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat

de Compagnie het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten

Generaal, zoodat wij onze grieven direct voor de Hoog Mogenden kunnen

brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen van een aantal

kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken op

de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt

beschouwen.”

„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het

volk niets meer te zeggen krijgen,” gaf de heer Van Eck op spottenden

toon te kennen.

„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch

uwe revolutionaire ideeën loopen soms te snel met u weg”, zeide de heer

Baumgardt.

„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of

van eenige regeering, en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik

houd vol, dat het volk dat de souvereine macht toekomt, sinds de

schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en hoe langer

die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”.

Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een tiental of twaalftal

mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en juist de

laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg

hij aan deze personen.

„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk

moet zijn rechten hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de

voormannen van het land en onze natuurlijke leiders zijn, hun plicht

willen doen”.

Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige

aanmerking, en Van Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel,

heb ik het u niet gezegd?” Hij wilde toen blijkbaar nog iets meer

zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den arm, en ging met hem

een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak:

„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal

zaken mijne opinie met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den

mond wat. De bevolking is al opgewonden genoeg, en als gij nu de

burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet voor de

gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die

het goed meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering

drijven tot het doen van dingen, waarvan men later spijt zal hebben”.

Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na

te denken over hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde

hij. „Ik zal stil blijven, Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men

heden een groote fout maakt. Gij zult met mooi praten niets uit de

heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een lid van het

bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop,

die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden

krijgt men niets, als men hen niet het mes op de keel zet”.

„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd

om zulks te doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan

men zoo noodig, tot strengere stappen overgaan. Ik, voor mij ben

overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig meenen, men eieren voor

zijn geld zal kiezen”.

„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil

luisteren, beloof ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou

kunnen opwinden”.

Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en

maakte zij geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige

stadbewoners, die in rok en driekanten hoed tegenwoordig waren, zag men

de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja zelfs waren er eenige uit de

Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren veel eenvoudiger

gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die tot

den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel

keurig netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde

rokken der voorname Kapenaars; toch waren zij er niet minder

schilderachtig om. Breed gerande hoeden, bijna gelijk aan die welke men

nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel deze

boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs

met de vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk

gedroegen, werden er toch in en onder de verschillende groepjes uiterst

levendige gesprekken gevoerd, en hier en daar hoorde men uitdrukkingen,

die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten moede was.

Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan

beginnen, en nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van

spreekgestoelte of platform (zooals men het nu op het Engelsch aan de

Kaap noemt), dat in der haast was gevormd van eenige balken en kisten,

en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen grond verhief. De

heer Jan Smuts beklom de tribune het eerst, verzocht stilte, en stelde

toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter zou worden

gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een

krachtig gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de

meest geziene mannen der Kolonie behoorde, nam toen plaats op een

groote leuningstoel die op de tribune stond en daarna opstaande, stelde

hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, als secretaris

dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh op

een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist

zijn schrijftafeltje, terwijl een inktkoker, wat papier, en eenige

ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel die op de

Keizersgracht stond.

Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen,

hield de heer De Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de

vergadering vertelde van de aankomst der Commissarissen Nederburgh en

Frykenius, en de van deze ontvangene weigering om den burgerraad te

ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten.

Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en

zeide onder anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de

bewoners dezer volkplanting zouden helpen om de Oost-Indische Compagnie

het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie

te wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had

veel geld en een nog veel grootere hoeveelheid waarde aan

levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, en daarentegen had men

zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch ze doen

zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de

Direkteuren en door den Politieken Raad geleuterd over de groote

uitgaven die men in de Kaap had; maar waarvoor waren die uitgaven?

Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, voor soldaten, en

verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap zelve

te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te

beschermen. Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve

van den Kaap zelve, dan zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel

wat minder waren dan hetgeen de Kolonie in belastingen opbracht. Het

was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen voor het

beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de

burgers werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand

dier burgers te verbeteren. Dit werd niet gedaan, en dit was een der

ergste grieven der burgerij. Als men het geld alleen in het direkte

belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel minder noodig dan de

tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende hij dat

men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen,

zooals men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel

der grieven die de Burgerraad voor de Commissarissen had willen

brengen, maar deze heeren had hem niet willen hooren, en dat was

onbillijk.

De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk

aandeel in het bestuur van de volkplanting te geven, en men had in alle

tijden dien raad als een der voornaamste van het land beschouwd.

Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den

Burgerraad in alle dingen van belang raadpleegde, en hun opinie inwon

over zaken die uiteindelijk in den politieken raad werden beslist. En

dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls leden, die

niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en

wier eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren

direkteuren, zoodat zij daardoor zichzelven konden bevoordeelen, en

later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen men hier een man had,

als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid, en in

den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was het uitmuntend in

de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men

hier slechts gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun

uit Amsterdam gezonden, moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om

de direkteuren terecht te wijzen, waar deze, door onbekendheid met de

plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, spreker zou thans

het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon hij

begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook

prijzenswaardig vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te

drukken, dat men geen heftige taal moest gebruiken, en niets moet

zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het harnas zou kunnen jagen.

Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken

weer te geven, die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden,

als op dezen dag geuit, door een aantal der voornaamste mannen der

Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, die ongetwijfeld

even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. Het

waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de

vrije handel in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden

werden nog altijd geheven, en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij

vinden dan ook onder de resolutiën door deze vergadering genomen, ééne

waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden afgeschaft, als

zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of de

Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf

ten honderd stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de

vergadering meende, vrij wat meer opleveren, als men den handel wat

meer openstelde, en de lastige bestaande beperkingen, die de Compagnie

een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit drong er sterk op

aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den

voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking

van de inwoners der andere distrikten, die tot dat doel ook

bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten waren allen gepasseerd, en

de voorzitter was juist van meening om de vergadering te sluiten, toen

de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was

geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed- of afkeuring

had gegeven, het woord vroeg en kreeg.

„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen

vereenig ik mij met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel

ik vind dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn

uitgedrukt. Het geldt hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen,

want wij weten dat wij in het recht zijn; maar de zaak is dat wij de

heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten overtuigen van

ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord,

indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen

afstands, lang niet zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die

het uitspreken. Er moet dus wat meer peper bij, en onze uitdrukkingen

moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen dat met de lange

overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, en

onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als

zoodanig hebben wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of

heeren ons de knie kunnen doen buigen, en ons als slaven kunnen

behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, en wat daar geschied

is, kan ook elders geschieden. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn

oog op een aantal lieden, de meesten waarvan afstammelingen zijn, van

de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het heden is; die

gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben

gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben

gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid

groeiden. Maar wie heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid?

Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. Hoe meer zij met hun zuren

arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, en te

drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren

werd niet gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige

klachten der burgers werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun

geantwoord dat de direkteuren geen kans zagen om de belastingen te

verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze is het geld

vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste

gouverneur hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne

vriendjes geschonken. Het recht werd verdraaid, en de burgers op de

gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien heeft, toen Van Lynden

hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men een

welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud

moeten laten, en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht

te doen hooren en uit te roepen? Weg met al deze ongerechtigheden, die

een gruwel in het oog des Heeren zijn.”

Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede, en herinnerde hem er

aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het volk op

te winden.

„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van

Eck, die blijkbaar moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te

weten wat het ons zal helpen om hier op zoetsappige wijze onze

rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat de Commissarissen,

of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd met den

hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren?

Neen, zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben

gedaan. Wat wij moeten doen is hun toonen dat het ons meenens is, en

wij moeten hun het mes, als het ware op de keel zetten. Daarom zal ik,

zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat deze vergadering zich

verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, alvorens

hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.””

Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde

menigte op.

Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is

er op dit oogenblik niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan

levensmiddelen in de stad, en daar het bestuur voedsel noodig heeft,

niet alleen voor zijne ambtenaren, maar ook voor de troepen, moet het,

indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie weken aan onze

verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan

toch halsstarrig willen wezen, wel .... laat ze dan maar verrekken”.

Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het

wat te kras, maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel

zou zijn om de Commissarissen te toonen dat men geen „spulletjes”

maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, met een bijvoeging

dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan deze

bepaling te houden.

De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de

vergadering, zeggende dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou

bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen over verdere maatregelen.

Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn

dagboek staat, waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als

de boel een beetje wil, zal men in de Kolonie binnen kort een aardig

grapje zien”.

Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te

zijn; de bedreiging in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de

vergaderingen in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich

aansloten bij de besluiten van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli

gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; de burgerraad werd erkend als

de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van dreigementen te

gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers

verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot

eene vreedzame oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het

oogenblik was deze proklamatie een uitmuntende zet; de Afrikaners toch

zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend zijn, en zelve eerlijk

zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen zijn;

bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar

moeilijk te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat

er nu eene verandering ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat

men zich bitter bedrogen had. Eenige maanden daarna vaardigden de

heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin de belastingen wel

op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend

bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van

belasting opgelegd, die ontzettend impopulair was, namelijk eene

belasting op venduties, de zoogenaamde vendurechten, die meer dan een

eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen duizenden, en

men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht.

Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre

van nut, dat voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas

daardoor verminderd werd; doch het was de oude storie in de kolonie: De

boer moest voor alles betalen. En ongelukkig doet hij dit van daag nog.

Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is men in

Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan

Compagnie; en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene

radikale verandering in ons belasting-stelsel te brengen, waaronder de

druk der belastingen gelijkelijk verdeeld wordt tusschen den stedeling

en den landbewoner.

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 5 / 28 题