[1] "Zeevaders" was een geliefkoosde uitdrukking van Beynen, als hij
van de zeelieden der 17de eeuw sprak.
[2] Ds. Gunning--die later hoogleeraar te Leiden werd--was ons een
leermeester geweest, wien het zoo geheel ernst was met zijn adspiratie
tot den oneindig liefdevollen Verlosser, van wien hij ons sprak,
dat hij, in welke opvatting we ook later van hem verschilden, ons
onvergetelijk bleef, zoodat ons beider vriendschap voor hem ook ons
tot een bracht.
[3] Mac Gahan, die een paar jaar later zoo beroemd werd door zijn
schrijven in het oosten als correspondent van de Daily-News, was de
vriend en vertegenwoordiger van den heer Bennet, den eigenaar van
de New York Herald, die 2000 £ gegeven had voor den tocht van de
Pandora. Luitenant Lilingston, die als eerste officier medeging, had
ook 2000 £ bijgedragen, doch het schip was gekocht en in orde gemaakt
op kosten van kapitein Allen Young zelven. Hij hoopte den westelijken
doortocht te vinden, en iets te ontdekken van de overblijfselen van
Sir John Franklin, die dertig jaar geleden naar het hooge Noorden
gestevend en daar met al de zijnen omgekomen was.
[4] "Rotches" is de Engelsche benaming. Onze Groenlandvaarders noemden
deze vogels "Rotges" of "Rotte Hedges" naar het geluid 't welk zij
maakten: rottet, tet, tet, tet.
[5] "Ik wensch u mede te deelen hoe gelukkig wij ons rekenen, dat
we zulk een goed en ijverig officier als luitenant Beynen aan boord
hebben. Ik kan werkelijk niet genoeg ten zijnen gunste zeggen, want
hij is ijverig en oplettend, en een bijzonder aangename kameraad aan
boord. We zijn allen hartelijk met hem ingenomen en hij is ons van
het grootste nut."
[6] "Luitenant Beynen gaat ons verlaten, tot leedwezen van al zijn
kameraden en van de geheele bemanning van de Pandora. Hij heeft zich
in elk opzicht onderscheiden. Wat mij betreft kan ik zeggen dat ik,
indien ik weer naar de IJszee terugkeer--wat zeer mogelijk is--niets
liever zou wenschen dan dat hij weer met ons mede ging. Ik hoop echter
in zijn belang dat vóór dit geschiedt, door de Nederlandsche regeering
een expeditie naar het Noorden zal worden uitgerust en dat Beynen dan
een der hoofden zal zijn, want indien het welslagen eener onderneming
verkregen kan worden door talent, geestkracht en zeemanschap, dan
ben ik overtuigd dat hij elke onderneming zal doen gelukken."
[7] De heer Schorer, later commissaris des konings in de provincie
Noord-Holland en vervolgens vice-president van den Raad van State,
was vol geestdrift voor de tochten naar het Noorden. Hij is ons
vaderland nu helaas ontvallen, die edele man, die geboren regeerder.
[8] Het bevel over de expeditie was opgedragen aan den
luitenant t/z. 1e klasse A. de Bruyne, wien als officieren waren
toegevoegd de luitenants t/z. 2e klasse L. R. Koolemans Beynen en
Jhr. H. M. Speelman, welke laatste de magnetische waarnemingen zou
verrichten. Dr. Sluijter, die reeds in 1876 zoölogische onderzoekingen
in de Noordzee hielp doen, maakte de reis als natuurkundige mede,
terwijl Dr. P. J. Hymans van Anrooy, officier van gezondheid
van het Indische leger, zich als geneesheer bij de expeditie
aansloot. Van het belangelooze aanbod van een jeugdige Engelschman,
den heer W. J. A. Grant, met wien Beynen op de Pandora gediend had,
een amateur-photograaf, die aangeboden had de reis vrijwillig mede
te maken en alle photografische toestellen en benoodigdheden voor
de expeditie mede te brengen en bij terugkomst alle clichés aan
't comité af te staan, werd met ingenomenheid gebruik gemaakt. De
bootsman B. Witteveen, de timmerman E. F. Vogelaar en de kok J. de
Bruyn behoorden tot het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine
en de rest der bemanning bestond uit twee matrozen van het loodswezen
te Vlissingen, B. G. Baljé en J. Kamermans, uit twee visschers van
Marken, J. Roos en A. de Waart, en een tonnenlegger uit 't Nieuwediep,
D. de Wit.
[9] Hier en daar vul ik zijn brief aan met zijn verslag.
[10] In het ijs of in het kustwater ontkleeden de wachtdoende
officieren bij het naar kooi gaan zich nimmer.
[11] Zie in de eerste bijlage achter het boek het Lied van de Barents.
[12] De Castor, waarop ik de reis naar de vischgronden medemaakte,
is een der voortreffelijke schepen van de Maatschappij Neptunus, wier
directie zoo vriendelijk was mij de vergunning te geven mede te gaan.
Door het verdienstelijke initiatief van de heeren Ch. Bosch en
P. E. Tegelberg werd op den 1sten October 1876 de Maatschappij tot
Exploitatie van Zeevisscherij "Neptunus" te Nieuwediep opgericht,
onder directie van de heeren Den Dulk en Van Oosterenterp, terwijl
de heeren Bosch Reitz en Tegelberg als commissarissen optraden.
De directeuren hadden reeds van 1872 den groothandel in visch op
binnen- en buitenland gedreven, en deden dezen aan de Maatschappij
over, zoodat reederij en vischhandel vereenigd werden onder één naam.
Het maatschappelijk kapitaal bedraagt 120.000 gulden, zijnde 120
aandeelen à 1000 gulden, verdeeld in 2 seriën.
De Pollux en Castor kwamen in 1877 in de vaart, de Rhea en Saturnus
in 1878.
Ongetwijfeld behooren deze sierlijke schoenertjes tot de schoonste
vaartuigen onzer Noordzee-vischvloot en verdienen de namen der bekwame
schippers, door wie ze bestuurd werden, gemeld te worden.
De Pollux wordt gestuurd door schipper A. Verschoor.
,, Castor ,, ,, ,, ,, A. Koster.
,, Rhea ,, ,, ,, ,, C. Noordzij.
,, Saturnus ,, ,, ,, ,, L. v. Veelen.
De bemanning bestaat bijna geheel uit Pernissers, moedige forsche
visschers, zooals wij gezien hebben, die zelfs bij stormweêr visschen.
De equipages varen uitsluitend "op zegen", dat wil zeggen op deel,
volgens eene regeling tusschen kapitaal en arbeid, zooals van oudsher
te Pernis in zwang was.
Deze belangwekkende regeling, door langdurige praktijk allerdoelmatigst
bevonden, is aldus:
Het schip krijgt 72 deelen of lijnen.
De schipper 16, 7 matrozen ieder 12 en de 5 jongens naar grootte van
10 tot 2, namelijk van de netto besomming, dat wil zeggen van hetgeen
overblijft na aftrek van de gemaakte kosten: zijnde het huurgeld
van de beug, de victualie, het ijs, het vischaas, het havengeld,
het sleeploon, fooien, steenkolen, enz. enz.
Als voorbeeld diene het volgende:
Van half October tot half December 1878 maakte de Castor 5 reizen
(4 naar Grimsby en 1 naar Vlaardingen).
De bruto-besomming bij elkaar was f 3640.00
De onkosten, die reederij en visschers hiervan eerst
betaalden, bedroegen f 1269.39
Het deelgeld bleef dus f 2370.61
Hiervan kreeg de maatschappij 72 deelen f 914.--
Albert de schipper 16 deelen f 203.--
7 matrozen ieder 12 deelen f 1064.28
Een jongen 7 deelen f 88.09
Een jongen 5 deelen f 63.05
Kleine Jan 2 deelen f 25.04
Hoe meer men vangt, hoe minder onkosten men maakt, of hoe geringer
schade men bekomt, des te grooter worden dus de aandeelen niet alleen
van de reederij, maar van ieder visscher.
De groote verdiensten der schoeners is hare groote bezeildheid,
waardoor zij de visch spoedig levend binnen brengen en in korten tijd
van en naar de verste vischplaatsen kunnen gaan.
't Zijn keurige scheepjes, wel bezeild, goed zeehoudend, en onze
bekwame schippers kunnen er mee lezen en schrijven.
Het Nieuwediep, met zijn schoone, altijd stroomende haven, ligt voor
de visscherij zeer gunstig. Trekt men eene lijn van benoorden de
Doggersbank, waar zij meest visschen, tot naar Midden-Duitschland,
waar 't grootste débouchée is, dan loopt die lijn vlak over
't Nieuwediep. Moge 't Nieuwediep eens worden wat Grimsby voor
Engeland is!!
De Maatschappij "Neptunus" drijft een uitgebreiden vischhandel op
binnen- en buitenland.
De puike hollandsche krimpvisch krijgt overal in Europa ingang. Zoowel
naar het buitenland als naar de steden en dorpen van ons vaderland
zendt de maatschappij visch aan particulieren wanneer men ze per
telegraaf of post bestelt.
[13] Zie Bijlage II achter in 't boek.
[14] Dit werd geschreven in Maart 1880 toen de Vega, van haar altijd
gedenkwaardigen tocht teruggekeerd, door de Noordzee naar Zweden
spoedde.
[15] Deze mededeelingen geven in kort weer wat luitenant van
Broekhuyzen in zijn lezing in Zeemanshoop over de resultaten van de
reis opmerkte.
[16] "'t Behouden Huys", dus noemden Barents en zijne lotgenooten de
hut, waarin zij op Nova-Zembla in 1596 overwinterden.