L. R. KOOLEMANS BEYNEN.

"Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van

wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland,

hun zilver of goud geven!"

Chs. Boissevain.

Benijdbaar, wien het mocht gebeuren,

Dat heel een natie bij zijn dood

Een rouwklacht slaakte en in dat treuren

Haar diepstgevoelde hulde bood!

Dat lot wordt slechts door hem verworven,

Die heel een leven kennen deê,

Maar 't uwe ook was 't, schoon vroeg gestorven,

Gij, jonge kampioen ter zee!

Geen stoet ontelb're, ontroostb're vrinden

Heeft tot aan 't graf uw baar verzeld

U werd, gelijk den kloeken Barents,

Het veld van roem ook 't doodenveld.

Vond deze eenmaal in 't barre Noorden

Een schuilplaats in 't "Behouden Huys" [16]

Gij vondt uw graf in 't gloeiend Oosten,

Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!

Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren,

Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt!

Zij reikten u den eerelauwer,

Uit hun nog groenen krans geplukt.

Gij deedt voor eeuwenoude glorie

Het hart des volks weer hooger slaan,

Herleeft ter zee onze oude luister,

Met u vangt dan dit tijdperk aan.

De "Willem Barentz" hijscht--wij willen 't--

Dra Hollands vlag weer als 't symbool,

Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaat

En wakker streeft van pool tot pool.

Gij moogt dat scheepje niet verzellen,

In zege deelen noch in strijd;

Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen,

Bezielend of ge aanwezig zijt.

Dus gaat er ook van dezen doode

Een levenwekkende adem uit,

Den killen ijskorst weer ontdooiend,

Die menig hart voor geestdrift sluit.

De driekleur wappert nu in 't Noorden,

In 't Zuiden straks--doch wáár ontplooid,

Die 't eerst na eeuwen ze er ontrolde,

Neen, 't dankbaar volk vergeet hem nooit.

Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren

't Walhalla, dat te aanschouwen geeft

In wie de roem van vroeger eeuwen,

Het leven onzer natie leeft,

Dan naast de Ruyter en de Trompen

Dees jongen Tromp een plaats geboôn:

"Zeevaders" noemde hij die oudren,

Wèl was hij hun een waardig zoon!

Maar doen wij meer nog, doen wij beter,

Dat ieder schip van Neêrlands vloot

In officiershut en vooronder

Zijn beeltnis toone, en 't hoofd ontbloot,

Spreke elk in geestdrift bij 't aanschouwen:

"Wij volgen op de ontsloten baan,

"Ons voorbeeld zullen we in u eeren,

"Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan."

Wageningen. C. Honigh.

Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen · 第 44 / 46 题