Nu wij voor nieuwe tochten--mocht het zijn op een zeilschip met
stoomvermogen--het geld en de sympathie van onze landgenooten komen
vragen, mogen we met dankbaarheid getuigen dat het kleine poolschip
de aanmoedigende eerbewijzen welke de hoofdstad van het vaderland
het bij zijn eerst vertrek bracht, ruim verdiend heeft. Mag ik in
enkele woorden er aan herinneren wat de Barents voor de wetenschap
gedaan heeft? Ik weet wel dat menige gemoedelijke natuur, die niet
ontstemd zou zijn zoo al die ijver enkel traan en hoopen glimmend
robbenvel betrof, zucht: "Och die wetenschap! wat zijn de tijden toch
veranderd!" 't Is zeker, tijden en omstandigheden veranderen, en wij
met hen, want elke tijd heeft eigen eischen. Eerst toog men naar het
Noorden en zocht nieuwe handelswegen naar de Oost. Toen men op deze
reizen links en rechts de waterstralen op zag spuiten, die aan den
zeeman toonden hoe vischrijk 't Noorden was, togen groote vloten met
Neêrland's vlag in top naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayeneiland
heen en bloeide Smeerenburg. Toen de gejaagde walvisch zich terugtrok
in het ijs, volgde men moedig 't groote dier en maakte tochten op met
ijs bedekte zeeën, en weldra werd het de eer wie 't verste Noordwaarts
trekken kon. In onzen tijd doet voor het eerst de wetenschap zich
gelden, en zijn streven is toch voorwaar niet het minst edele van de
vier. Men wist vóór de reizen van de Willem Barents niet veel meer van
de Barentszee dan dat er ondoordringbaar ijs in het Noorden dier zee
lag, op welker ijsschollen de stoomboot Tegethoff werd rondgevoerd
om op Frans-Joseph-eiland te stranden. [15] Alles wat uit deze zee
werd medegebracht door de Barents is nieuw en heeft wetenschappelijke
waarde. Wij kennen nu door menigvuldige loodingen overal de diepte en
den grond. De meteorologische waarnemingen zijn trouw en aanhoudend
gedaan, doch deze moeten natuurlijk jaren achtereen herhaald worden
eer ze belangrijke uitkomsten kunnen geven.
De observaties van zoutgehalte en temperatuur der zee van de
oppervlakte tot den bodem, hebben ons de stroomen leeren kennen. Men
weet thans dat de golfstroom zich over een groot gedeelte der
Barentszee uitbreidt, zijn warmte afgevende bij de ijsgrenzen, die
daardoor tijdens den zomer meer en meer naar het Noorden gedrongen
worden. Het warme water bevindt zich alleen aan de oppervlakte
in een ondiepe laag, die dunner wordt naarmate de stroom zich
meer uitstrekt. Het is voor het eerst gebleken dat de golfstroom
in de Barentszee niet ver om de Noord dringt. Men heeft enkele
kapen sterrekundig kunnen bepalen, de kaart van Frans-Joseph-land
gewijzigd, een paar nieuwe kapen namen gegeven en baaien opgenomen
en in kaart gebracht. Men heeft honderde grondsoorten uit de diepten
der zee opgehaald, te Leiden aan de geleerden ter hand gesteld;
de verzamelingen van de zoölogen hebben veel nieuws opgeleverd. Men
heeft kunnen waarnemen dat sedert 1840 op verschillende plaatsen de
horizontale intensiteit van de magneetnaald is toegenomen op andere
verminderd, en de magnetische waarnemingen worden zoo belangrijk
geacht, dat men ze te Hamburg gebruikt bij het samenstellen van eene
magnetische kaart der geheele wereld. Men heeft de belangwekkende
ontdekking gedaan, dat de schepen die verleden zomer te vergeefs
hebben gepoogd de Jenisei en de noordelijke Russische riviermonden
te bereiken, dit benoorden Nova Zembla hadden kunnen doen. Als de
eene weg versperd is door het ijs, is bijna zeker de andere open.
De tocht naar Frans-Joseph-land heeft nieuw terrein aangewezen voor
de Noorsche visschers. Bij de komst van de Barents in Noorwegen
werd met belangstelling geïnformeerd naar het aantal walrussen en
zeehonden door de officieren gezien, en verschillende walrusjagers
zullen hiervan dezen zomer partij trekken.
Eindelijk heeft de tocht van de Barents Engeland's eerzucht gewekt
en zullen wij spoedig in de Barentszee een zeer gewenschten en zeer
noodigen mededinger en bondgenoot krijgen.
De Engelsche admiraal MacClintock, de beroemdste aller nu levende
Noordpoolvaarders, heeft een paar weken geleden in de vergadering van
het Engelsche aardrijkskundig genootschap betuigt: "dat niets zoozeer
de kennis der poolzeeën vermeerdert als het geduldig, systematisch
onderzoek der Nederlandsche zeelieden, wien het genootschap bij deze
betuigt dat het zich verheugt in het succes dat zij met zoo geringe
middelen hebben verkregen, waarvoor ze hun dank zegt, en eert."
Landgenooten, ge ziet dus dat het wetenschappelijk nut dier tochten
groot is. En op hun eigenaardig belang voor een handeldrijvend
volk heeft prof. Kan, in zijn studie over L. R. Koolemans Beynen,
de aandacht gevestigd toen hij zeide: "Welk een voordeel handel en
scheepvaart van 't onderzoek der arctische gewesten konden plukken,
bleek volgens Beynen uit het vinden van den nieuwen handelsweg,
door prof. Nordenskjöld naar de monding van de Ob en Jenisei geopend,
een weg, waarvan Nederland z. i. zeker niet minder dan eenige andere
natie de voordeelen zou kunnen trekken. Terwijl hij minder hechtte aan
de voordeelen van de exploitatie der kriolieth- en steenkolenmijnen
(die op de kusten van Groenland zijn overigens uitvoerig door hem
in zijn eerste verslag beschreven), verwachtte hij meer van de
winsten, door de visscherij te verkrijgen, vooral wanneer daarvoor
de juiste terreinen werden opgezocht. Daartoe vestigde hij, zooals
wij boven met een enkel woord zagen, uitdrukkelijk de aandacht op de
visscherij in de Zuidpoolzee, waarvan men ook in Engeland zoo groote
verwachtingen koesterde, een zee, waar Ross tusschen 1839 en '43 een
groot, donker soort van walvisschen had gevonden en waar hij tot op
71° Z. B. den geheelen dag blaasstralen aantrof. Twijfelde men nog,
of dit Zuidpoolbekken aan de verwachting zou kunnen beantwoorden en
ook voor Nederland winsten afwerpen, men zou den regel der voorouders
volgen, er heengaan en onderzoeken.
"Dat de heer Beynen bij 't ondernemen van den eersten Nederlandschen
pooltocht, waarbij de eischen der wetenschap en het plaatsen van
gedenksteenen op den voorgrond traden, deze denkbeelden niet telkens
weder uitsprak, moge niemand verwonderen. Daarom verloor hij ze toch
geenszins uit het oog. Dat hij o.a. zijn studiën over Siberië en
de daar bestaande handelstoestanden intusschen steeds voortzette,
is schrijver dezes meermalen gebleken; dat hij aan de toekomst van
den nieuwen handelsweg geloofde, kan blijken uit het verslag der
eerste reis van de Willem Barents, waarin hij zijn nauwkeurig opnemen
en beschrijven der Matotsjkin Sjar daarmede motiveert, "dewijl deze
straat, met het oog op het toenemend handelsverkeer tusschen Europa en
de Siberische rivieren, een veel gevolgd vaarwater belooft te worden."
De hoofdcommissie voor de IJszeevaart, welke de tochten blijft
leiden, bestaat uit de heeren: J. D. Fransen van de Putte, O. Baron
van Wassenaer van Catwijck, M. H. Jansen, H. de Bruine, E. N. Rahusen
en Charles Boissevain.