LAATSTE MAANDEN.

Kort na zijn terugkeer van de vischgronden vertrok Beynen naar

Indië. Ik deed hem uitgeleide tot Southampton. Te Nieuwediep,

waar hij afscheid nam van zijn vriend De Bruyne en de officieren

van het Wachtschip, ontving hij bij het uitstoomen van de haven

dien hartelijken afscheidsgroet van schipper Albert Koster en zijn

Pernissers, waarvan ik in de inleiding gewag maakte. Te Southampton

bleef de Koning der Nederlanden twee dagen liggen, en Beynen ging

met mij mede naar het liefelijke Bournemouth, waar wij bij vrienden

logeerden. Door de dennenbosschen, die zich op de cliffs langs de

zee uitstrekken, maakten we heerlijke wandelingen. Met het uitzicht

op de zee, welke hij lief had, stortte hij zijn hart uit, en mijn

geheele leven zal ik mij die laatste gesprekken met hem herinneren,

waarin hij zulke frissche, echt Nederlandsche idealen voorhield aan

hen wien zijn vertrek zeer ter harte ging, daar ze door de aanraking

met dien jeugdigen heldengeest steeds werden opgebeurd en versterkt.

In 't zicht van Kaap St. Vincent schreef hij aan boord van de Koning

der Nederlanden:

"'t Is de eerste rustige dag aan boord. De harde tegenwinden schijnen

er nu eindelijk in te willen berusten dat zoovele jonge menschen

voor geruimen tijd het geliefde vaderland vaarwel zeggen, en de wind

doet thans zijn best om hun leed zooveel mogelijk te verzachten,

door zijn heerlijk versterkend koeltje, dat hun toefluistert hoe

de van licht tintelende Spaansche zee slechts een flauw denkbeeld

vermag te geven van de tinten in het land der zon en der kleuren,

dat gedurende eenige jaren hun het levensgeluk verschaffen moet dat

het vaderland hun ontzegde.

"Aan stuurboord hebben we een meeliggende bark, aan bakboord de eeuwig

gedenkwaardige kaap St. Vincent.

"'t Is nu tien uur 's morgens en van zes uur af heb ik het reeds

heerlijk gehad. Toen ik op het dek kwam, kleurde de opkomende zon nog

het oostelijk luchtgewelf en bescheen de witgebleekte zeilen van een

tegenliggend schoenertje, dat als twee druppels water, op de Willem

Barents geleek. Nimmer zag ik zulk een sprekende gelijkenis. Ik waande

te droomen. Hetzelfde kleine sierlijke zwartgeverwde scheepje met

het bekende roode lijstje. Hetzelfde tuig, dezelfde korte stengen,

gaffel, topzeilen en looze breêfok; inderdaad alleen de Hollandsche

driekleur ontbrak om de begoocheling volkomen te doen zijn.

"Het was een vriendelijke morgengroet, en ik besloot dadelijk dat

deze dag de eerste zou zijn, dat ik mij het genoegen ging verschaffen

aan u te schrijven. ... Heden eindigde ik het mij door den heer

Heemskerk geschonken Life of Nelson door Southey. De lezing heeft

mij buitengewoon veel genoegen gedaan en ik hoop er veel uit geleerd

te hebben. Ik kan mij nu Nelson voorstellen zoowel van zijn goede als

van zijn slechte zijde, en daarvan is het gevolg dat ik hem thans diep

beklaag. Die lauweren en eerbewijzen moeten hem zwaarder zijn gevallen,

naarmate hij zich zelf minder eerbiedwaardig gevoelde. Zijn gedrag

met Lady Hamilton moet al zijn levensvreugde vergald hebben. Voor

geen geld ter wereld wilde ik zulk een loopbaan beleven. Hoe vreemd

dat Nelson met één arm en één oog zoo hartstochtelijk bemind werd

door zulk een schoone vrouw. Wat mij het meeste trof, was te lezen hoe

zwak zijn gestel altijd geweest was, en hoe hij te kampen had met zijn

"rotten carcass" (gelijk hij zich uitdrukte) in dagen van rustelooze

spanning en onovertroffen moeielijkheden en teleurstellingen. Welk

een grooten geest en heldere ziel moet hij gehad hebben om Aboukir,

Kopenhagen en Trafalgar te kunnen beleven, met zulk een teedere,

door tal van wonden geschokte gezondheid. Het beminnelijkste in hem

vind ik zijn zuivere vaderlandsliefde, welke hij zoo herhaaldelijk

bewees door in hachelijke omstandigheden alleen zoodanig te handelen

als hij geloofde dat in het waarachtig belang van Engeland was, ook

al waren zijn orders met zijn inzichten in strijd. Meermalen--ik zou

bijna zeggen meestal--heeft Nelson gehandeld tegen de bevelen der

admiraliteit! Bewonderenswaardig zijn ook zijn doodsverachting en

zijn vasthoudendheid aan een eenmaal genomen besluit.

"Gedurende de blokkade van Toulon in 1803 tot 1805, ging hij in

twee jaar nimmer van boord, en in twee en een half jaar zette hij

den voet niet aan wal. Ik weet nu wel wie niet mopperen zal, ook al

moest hij acht maanden voor Atjeh kruisen zonder ooit te Singapore

aan wal te gaan!

"Ik ga nu Servitude et grandeur militaire van De Vigny lezen."

Te Batavia werd Beynen op het wachtschip Zr. Ms. fregat Zeeland

geplaatst, met welk schip hij reeds zoo veel doorstaan had. Den 31sten

Mei schreef hij ons van boord: "Sedert mijn laatsten brief aan u heb

ik trouw hier aan boord gezeten, daar de overplaatsing van drie der

luitenants mij noodzaakte dubbelen dienst te doen, waarvoor men niet

één zeemanseigenschap behoeft te hebben, behalve oplettendheid, doch

die mij druk bezig hield. Ik wordt echter gesteund door de gedachte

dat het verblijf hier aan boord slechts een tijdelijke overgang is.

"Mijne pogingen om het mindere zeevolk te leeren kennen, door in

hun dagelijksche zijn en denken door te dringen, zijn niet gelukkig

geslaagd. Integendeel, meer en meer zie ik de moeielijkheden in om

den stand--waarmede ik geheel mijn leven hoop te arbeiden in 't belang

van het vaderland--van nabij te leeren kennen. Bedenkelijk groot is de

kloof, welke officieren van minderen scheidt. Er wordt zoo weinig acht

geslagen op de denkwijze, de behoeften en opvattingen van hen die vóór

den mast zijn. Met wantrouwen worden de bevelen ontvangen en humane

behandeling wordt vaak aan zwakheid of eigenbelang toegeschreven.

"Nu is het echter waar dat men op een wachtschip, waar het personeel

steeds verandert, den toestand van de ongunstige zijde leert kennen,

en ik vertrouw betere gegevens te verzamelen, als ik maar eenmaal weer

het dek betreedt van een tenminste niet altijd ten anker liggend schip.

"Inderdaad, sedert mijn vischtocht op de Noordzee met de Pernisser

beugvisschers van de Castor heb ik niet meer gezeild, en ik begin

een onbestemd heimweê te gevoelen naar sierlijk zwellende zeilen,

naar het huilen van den wind door het tuig en het klotsen van het

schuimend boegwater tegen boord.

"Eén troost voor mij is het besef, dat ik een lotgenoot heb in

het schip waarop ik de eer heb te dienen, want telkens als ik dit

edele fregat, bij het doorkomen der zeebries, onrustig en gejaagd

aan het anker voel rukken, dat het voor de rest zijner dagen aan

deze reede zal kluisteren, is het mij of wij beiden bezield worden

door hetzelfde smachtende verlangen, om weder even als voorheen,

den storm en den rukwind ten prijs, te zwalken over de groote zee,

langs kusten en stranden.

"Wij beiden--het heerlijke oude fregat en ik--zijn oude kennissen en

bleven trouwe vrienden. Bijna twee jaar lang doorleefden wij lief en

leed in belangrijke dagen. Ieder hoekje in het schip is mij bekend,

ieder plekje herinnert mij aan een of andere gebeurtenis tijdens ons

varen in de Middellandsche Zee of uit de maanden dat ik hier aan boord

diende bij de blokkade van Atjeh. Welk een vreugde heb ik hier aan

boord doorleefd in de onbezorgde dagen van ons verblijf te Gibraltar,

Malta en Suez, welk een ontberingen maanden lang lachend verdragen

in den tijd van den kwaden mousson op de kust van Atjeh! Wat heb ik

er een verdriet gekend, toen ik, door de moerasdampen van den vasten

wal vergiftigd, langzaam aan boord wegkwijnde, en hersenkoorts had

terwijl er aan wal nog te vechten viel.

"Hier aan boord deed ik mijn eerste wacht als officier; hier aan boord

bleef ik dagen lang van de buitenwereld afgezonderd, toen de akelige

cholera haar zwarte banier ook aan onze masttoppen had geheschen! Het

was hier aan boord dat ik den 9den December 1873 de eer had om,

op last van den vlootvoogd, eigenhandig de roode vlag te hijschen,

die door tal van scherpe schoten begroet, het bloedig sein gaf tot

den aanvang der 2de Atjehsche expeditie.

"Wij hebben dus veel samen doorleefd en ik ben hartelijk aan dit

schip gehecht, en wanneer ik bedenk hoe het nimmer weer onder den druk

zijner zeilen, trillend van genot, de golven zal klieven als voorheen,

dan bedroeft het mij dat ik het niet hoopvol toe mag fluisteren:

Hoezee! de frissche landwind ruischt

Van Java's bergen neêr;

Het zeildoek zwelt, de golfslag bruischt

En lachend wenkt het meer.

Het koeltje strijkt uw wimpel glad,

Die heenwijst naar het Noord,

En zweept, van 't blanke schuim omspat

Uw vluggen bodem voort.

Ja welkom! welkom! Oceaan

Die 't wereldrond omspant!

Gij voert mij langs uw vrije baan,

Naar 't dierbaar Vaderland!

"O, werkelijk! ik zit hier door de groote zijpoorten van 's morgens

vroeg tot aan zonsondergang te turen naar de blanke zeiltjes der

inlandsche visschers, die ik tot in het diepst van mijn hart benijd,

en ik zou hier op de reede, evenals mijn vriend het statige fregat,

ver van huis langzaam wegkwijnen, had ik geen krachtig, opwekkend

palliatief gevonden in het bestudeeren van de geschiedenis onzer

zeehelden. Heerlijk en veredelend is het genoegen in gedachten

te verkeeren met die groote zielen uit ons volk. Met welke reine

vreugde heb ik van A tot Z het dikke foliant bestudeerd, waarin

Brandt ons het leven van De Ruiter schetst. Voor het eerst heb ik

mij nu dien indrukwekkend edelen grijsaard geheel naar waarheid voor

den geest kunnen halen, en voor altijd zal dat beeld in mijn hart

onuitwischbaar blijven. Welk een man, die in meer dan 40 gevechten

en 15 groote zeeslagen (bij zeven van welke hij het opperbevel

voerde) toonde dat hij rustigen moed kon paren aan beleidvolle

voorzichtigheid. Voortvarendheid, zorgvol beleid en vaderlijke

gestrengheid maakten dat ieder op hem vertrouwde, terwijl zijn oprechte

zedigheid, warme vaderlandsliefde en innige godsvrucht aller eerbied

en achting afdwong.

"Hij wenschte eer en vrijheid van rechten voor zijn land, maar was tot

in het diepst zijns harten afkeerig van persoonlijke roem en glorie,

die hem slechts benijders en dientengevolge leed en verdrietelijkheid

kon bezorgen.

"Na 58 jaren ter zee te hebben gevaren, sneuvelde hij op 70-jarigen

leeftijd. Hij was zooals zijn tijdgenooten hem noemden: "de hand die

de maat sloeg in de grove muziek van duizende kartouwen."

"Ook leert mij het voorbeeld van dezen edelen held opnieuw, hoe op

zee levende strijdkrachten in een groot gevecht meer gewicht in de

schaal leggen dan het aantal schepen en het kaliber der kanonnen,

want hoe is het anders mogelijk dat 's lands vloot, dat het zoo

eigenaardig genoemde "kleine hoopje", in één jaar tot drie keer toe de

zooveel talrijker vloten en zwaarder uitgeruste schepen van Frankrijk

en Engeland versloeg, als wij de reden daarvan niet zoeken in het

gehalte der kundige aanvoerders en der bevaren, in de ijsvaart geharde

bemanningen. Ook De Ruiter leerde varen en dulden in de IJszee. Tot

vijf keer trok hij naar het Noorden in een Groenlandvaarder!

"Welk een school tot vorming van flink en ervaren zeevolk bezat men

in die dagen!

Doch voorbij zijn die dagen van glorie en glans,

Onze leeuw is geen koningsleeuw meer,

Onze vlag beurt nog fier hare kleuren ten trans,

Maar ze beurt haar in engere sfeer!

Onze stem klinkt niet langer langs vlakten en zee,

Door de Ruiters en Trompen gevoerd;

Onze vloot ligt meest rustig op veilige reê,

Door de kabels der onmacht gesnoerd.

"O! lieve vrienden, wat verlang ik soms schrikkelijk naar de dagen toen

ik met een schoener benoorden Spitsbergen en Nova Zembla voer! Daar

moet de zeemacht de geestkracht herwinnen, welke ze soms verliest in

het Capua van Indië.

"We moeten op zee! We moeten varen! dan alleen komen wij aan het

Behouden Huis."

Dus kwamen er met elke mail hartelijke brieven van hem, die zijn

vrienden des te meer verheugden, omdat wij allen door den invloed

van het indische klimaat op hem bevreesd waren. Kenschetsend is een

zijner laatste brieven uit Batavia, eer hij met de Macasser Borneo

ging omzeilen.

"Ik ontving een menigte brieven van Holland en Engeland. Zij

bevatten een potpourri van verschillende wijzen van levensopvatting

en levensinzichten. Het meeste vereenigde ik mij met den raad van

mijne lieve moeder, die mij schreef om in Indië toch met ernst alles

te doen wat mijn hand vond om te doen. Ik moest het werk zelf niet

te veel opzoeken, want dit bracht vanzelf mede, dat ik mij op den

voorgrond plaatste en opnieuw in het oog viel.

"Moeder heeft gelijk. Ik voel daartoe minder dan ooit neiging. Het

worden van een klein "publiek persoonlijkheidje" is vooral op mijn

leeftijd een uiterst vermoeiend en onrustig bestaan, dat zijne

voldoening medebrengt, welke zeker groot is, maar ten koste van een

rustig, vroolijk en gelukkig leven.

"Men draagt altijd het gevoel met zich van groote verantwoordelijkheid,

van een moeielijken plicht te moeten vervullen, welk bewustzijn

ons zenuwachtig voortstuwt. Men denkt steeds aan wat men zijn

land verschuldigd is, en vreest tevens anderen in den weg te

treden. Napoleon I zeide eens over dat gevoel van verantwoordelijkheid:

"Cela dépend du caractère des gens. Quand ils ont le courage comme

moi de mettre la main à tout, ma foi! ils font le diable. Que

voulez-vous? Il faut trouver sa place et faire son trou. Moi! j'ai

fait le mien comme un boulet de canon. Tant pis pour ceux qui étaient

devant moi!"

"Bah!" zulk eene handelwijze laat ik gaarne aan anderen over, en als

ik blijf denken zooals ik nu doe, dan zal ik mij alleen getroosten

op den voorgrond te treden, wanneer ik innig overtuigd ben, dat zulks

in het waarachtig belang is van Koning en Vaderland.

"Moge ik mij bij deze zienswijze steeds gelukkig blijven gevoelen!

"Moeder hoopt dat zoo voor mij, en raadde mij aan in haar brief:

Beveel gerust uw wegen,

Al wat u 't harte deert,

Der trouwe hoede en zegen

Van Hem, die 't al regeert;

Laat Hem besturen, waken;

't Is wijsheid wat Hij doet,

Zóó zal Hij alles maken

Dat ge u verwondren moet,

Als Hij, die alle macht heeft,

Met wonder groot beleid

Geheel het werk volbracht heeft,

Waarom gij thans nog schreit.

"Schrijf mij toch vooral hoe of het verder met de Nederlandsche

poolvaart gaat. Er is niets ter wereld wat mij meer belang

inboezemt. Ik heb aan een mijner vrienden nog eens geschreven,

en hem uit het diepst van mijn hart verzocht, toch nimmer aan de

levensvatbaarheid te twijfelen der beweging, maar altijd ernstig

zich te blijven wijden aan de voortzetting der zaak, welke ons land

ten goede zal komen. Wanneer men slechts moedig blijft volhouden,

moeten de Nederlandsche poolreizen meer populair worden."

Kort nadat hij dezen brief geschreven had ging hij op Zr. Ms. Macasser

naar Borneo. Met zijn kommandant baron van Verschuer had hij vroeger

in Arnhem reeds kennis gemaakt aan huis van diens broeder, in wiens

geestdrift voor de Poolzeetochten en sympathie voor Beynen's streven

deze wakkere zeeofficier hartelijk deelde.

Met veel waardeering schreef Beynen ons over zijn medeofficieren en

alles beloofde hem een belangrijken tocht om Borneo, doch voortdurende

aandrang van bloed naar het hoofd, en "het snel verminderen van zijn

oogen" waarover hij klaagde, maakten dat wij zeer bevreesd waren dat

zijn kwaal, aandoening der hersenvliezen, zou terugkeeren.

Hij--die niet licht klaagde--sprak de vrees uit ongeschikt te worden

voor 't werk op zee. Hij riep geen geneeskundige hulp in, omdat hij

niet kon omschrijven wat hij gevoelde, en "geen drukte wilde maken,"

doch mij schreef hij dat hij een paar brillen had medegenomen op de

Macasser, omdat zijn oogen hem soms geheel in den steek lieten. Den

25sten September schreef hij mij nog een brief van Laboean-eiland,

op Borneo's Noordkust.

"Te Soerabaya beletten mij de verschillende drukten, welke het met

spoed gereed maken van een oorlogschip steeds vergezellen, om u

beiden eerder eenig bericht te zenden, doch op het eerste rustpunt

onzer reis haast ik mij u te doen weten, welk een belangrijke reis ik

ondernam. Van kolonel Jansen--wien ik trouw schrijf--zult ge zeker

vernomen hebben, hoe ik aan boord van het stoomschip Macasser met

een aangenaam stelletje officieren een hoogst interessante reis rond

Borneo maak.

"Ieder aan boord doet zijn best er een waar modeloorlogscheepje van

te maken, en ik geloof dan ook dat het overal een goed figuur zal

slaan. Het meest bevalt mij het moeielijke der navigatie in deze

streken, waaronder vooral begrepen moet worden de riviervaart, welke

bij herhaling voorkwam.

"Tot nu toe bezochten wij Kuching, dat een 8 mijl Serawak op ligt,

Laboean, en de kampong Broenei, het verblijf van den 90-jarigen sultan

van Broenei, dat ook een heel eind binnen 's lands is gelegen. Beide

rivieren, maar vooral de Broenei, zijn indrukwekkend schoon, en daar

ik behalve Atjeh nog weinig van Indië gezien had, geniet ik volop

van al het schoone dat moeder natuur ons te genieten geeft. Te

Serawak of Kuching bleven wij vier dagen, maakten kennis met het

Engelsche personeel in dienst van Rajah Brooke, en ontvingen en gaven

genoegelijk feesten.

"Te Broenei was het echter veel belangwekkender. Dáár waar de schoone

rivier zich had verbreed tot een door hooge bergen omringd binnenmeer

was de groote kampong Broenei, dat eeuwenlang zoo beruchte rooversnest,

midden in het water op palen gebouwd. Het is een tropisch Venetië,

dat prachtige, schilderachtige gezichtspunten aanbood. De Macassar

lag midden tusschen de huizen, en als het ware op de groote markt

of passar van den kampong, en bij honderden tellen wij de sampans

met nieuwsgierigen gevuld, die het schip steeds omgaven. De sultan,

die veel op de portretten van wijlen Paus Pius IX gelijkt, beweerde

dat er nog nimmer een Hollandsch oorlogschip in zijn rijk gekomen was.

Wij lagen vlak voor zijn paleis of Astana en maakten hem behoorlijk

onze opwachting. 's Avonds hield ik er van, om geheel alleen in

de vlet door den kampong te gaan rondzwerven, wat zeer eigenaardig

was bij helder maanlicht. Hoewel de bevolking ons min of meer met

wantrouwen bejegende, kregen wij toch twee koebeesten en tal van

vruchten van den sultan ten geschenke. Uit de bovenlanden kwamen

tal van onafhankelijke Dajakkers, die nog menscheneters zijn, met

schuitjes de rivier afzakken om het oorlogschip te zien.

"De rivier was vooral aan de monding zeer moeilijk te bevaren, doch de

kommandant wist zijn schip behouden op de reede van Laboean te brengen,

waar het 's nachts evenwel zoo met rukwinden buit, dat wij reeds tot

twee keer toe van de ankers geslagen zijn. Hoe verder wij komen des

te onbekender en interessanter wordt het. We zeilen veel, en ik hoop

nu maar, dat wij ook wat ontmoetingen zullen hebben met zeeroovers,

want dat is juist een soort van actie die ik gaarne zou beleven."

De brief eindigde met deze woorden: "Vooral de laatste dagen heb ik

veel aan onze koene Poolvaarders gedacht. Ik schreef van hier aan

ons beider vriend De Bruyne, en zond hem mijn warmsten welkomstgroet,

welken hij ontvangen zal bij zijn terugkeer in het vaderland.

"God geve dat hun wakker pogen nu maar niet beloond worde doordien

men deze tochten naar het Noorden opgeeft, welke in zoo ruimen kring

vaderland en koning ten goede komen!"

Dit was zijn laatste woord aan ons. Moge het een echo vinden in

Nederland, opdat zijn wensch vervuld worde, en door de samenwerking

van regeering en burgers die heerlijke oefenschool van het Noorden

geopend blijve, ten voordeele van wetenschap, zeemansgeest en

ondernemingszucht, ter eere van het vaderland.

En wij gelooven zeker dat dit geschieden zal. De geestdrift van

den onzelfzuchtigen ridder ter zee heeft vuur gewekt in de harten,

en wat hij gepoogd heeft is verwezenlijkt. De beweging door hem

begonnen, droeg schoone vruchten, en de vrienden, die hij liefhad,

"de koene poolvaarders" van wie zijn laatste woorden gewagen, hebben

de oude vlag roemrijk in het Noorden gehandhaafd. De Barents heeft

een tweede reis gemaakt naar het Noorden, en een schitterend succes

behaald [13] met den tocht naar Frans Jozef's-land, dat nog nooit

door een zeilschip bereikt was.

Juist toen wij uitrekenden dat Beynen in Indië verblijd zou worden

met het bericht van deze overwinning, kwam de ontzettende tijding

van zijn dood. Hij had het bericht van het welslagen van den tocht

niet meer vernomen.

Nadat het schip Laboean verlaten had, werd hij--die uiterst prikkelbaar

en licht geraakt was geworden--meer en meer opvliegend. Hij was

opgewonden en kon geen rust vinden. Te Macassar schijnt vermoeienis in

de felle zon de aandoening der hersenvliezen, welke door overspanning

en overwerken in Nederland begonnen was, verergerd te hebben en in

ontsteking te hebben doen overgaan, gelijk na zijn dood gebleken

is. Hij kon niet meer geregeld denken, en toen op een avond de kwaal

erger werd, benam hij zich het leven. Een pistoolschot klonk, en

Beynen was niet meer.

Hij had zijn denkkracht opgeofferd aan zijn land.

Het schip lag te Macassar op de reede, naast Zr. Ms. Banka, en de

officieren van beide schepen zorgden dat de begrafenis van den jongen

zeeofficier plechtig en met luister plaats had. Alle hooge autoriteiten

waren er bij tegenwoordig, terwijl de militaire kommandant de muziek

van het bataljon aan den stoet had laten voorafgaan. Aan het graf werd

door den luitenant ter zee Jansen, een tijdgenoot en vriend van Beynen,

in hartelijke taal geschetst hoe groote en heerlijke verdiensten

hij had, en een schets gegeven van zijn leven en streven tot eer van

het vaderland, waarna de staf-kommandant kapitein-luitenant Bijl de

Vroe de aanwezigen bedankte voor hun deelneming in het verlies dat

de marine geleden had door den dood van dezen jongen officier.

Op het graf is door het état-mayor van de Macassar voorloopig een

eenvoudige gedenksteen geplaatst, waarvan het onderhoud door baron

van Verschuer aan het station-schip is opgedragen.

Toen de mare van zijn dood in Amsterdam bekend werd, voerde men

op het Caecilia-concert de derde symphonie van Beethoven uit, en ik

weet dat de treurtonen van de marche funèbre menigeen aan Beynen deden

denken. En dit te recht, want Beethoven heeft die symphonie gedicht ter

eere van een edel mensch; en zoo iets aan Beynen waardig herinnert,

dan is het die treurmarsch, waarvan de doffe doodsgalm onmerkbaar

overgaat in een lied van liefde en hoop en heerlijke verheffing.

En wat is het slotaccoord der symphonie, als men den ridderlijken

jongen man herdenkt? Een gedicht van Longfellow, door mijn vriend

C. Honigh voor mij vertaald, moge het aangeven:

Op IJsland's eenzaam onherbergzaam strand

Doolde eens de zanger. Stil, als in gebede,

Zon hij er op een slotaccoord, waarmede

Hij 't boek kon eind'gen, rustend in zijn hand.

De meeuw verliet in cirkelvlucht de reede,

De golven ploegden voren in het zand,

Nog blonk soms 't avondrood op zee en land,

Schoon reeds der wolken schaduw zich verbreedde.

Daar spoelde een riem aan, waar de dichter stond,

Gebroken wel, maar 't opschrift was gebleven:

"Toen 'k werkte aan u, was ik vaak moede en mat."

't Was hem als een, die 't lang verloorne vond;

Hij heeft in 't boek als slotwoord 't opgeschreven,

En wierp de pen weg die geen nut meer had.

Ja, de riem waarmede hij roeide, en waaraan hij met stalen volharding

en heerlijke geestdrift werkte op de stormachtige zeeën en in de woeste

branding, is ten laatste gebroken;--ja, de hersens die slechts tot ééne

gedachte zich inspanden: de toekomst der Nederlandsche marine;--ja,

het hart, het reine, zelfopofferende hart, waarmede hij zijn land zoo

innig beminde,--dat ik soms geneigd was met Vondel's woorden hem toe

te roepen:

"Hebt ge Holland dan gedragen onder 't hart!"--

ze zijn ten laatste bezweken. Hij had in korten tijd te veel gevergd

van hart en hoofd.

De riem, waaraan de jonge zeeridder met het leeuwenhart zwoegde,

is gebroken. God nam hem tot zich, en, gelooft ons, zijne vrienden,

die hem beschouwden als een dierbaren broeder, die hem liefhadden

en vereerden, die wisten dat zijn zenuwgestel geschokt was, en hem

daarom belet hebben weder naar het Noorden te gaan, gelooft ons: zoo

ooit een jonge held, rust weigerend, op het slagveld gesneuveld is,

zijn leven verliezend uit toewijding aan zijn land, dan is Beynen

dus bezweken. In de branding is de riem in zijn handen gebroken!

Maar zijn geest leeft voort, en, landgenooten, gij allen kunt helpen,

om dien voort te laten leven in Nederland.

Zie, de geestdrift van hen, die tehuis zitten, terwijl de Beynens en

Schuylenburgen voor het land hun hartebloed geven, is goedkoop genoeg,

en kan het gevolg zijn van een oogenblikkelijke opwinding; één woord

van een man, die door daden mocht toonen hoe lief hij zijn land heeft,

vermag honderdmaal meer, maar wij kunnen allen slechts roeien met

de riemen, waarover wij beschikken. Laat hen, die kunnen schrijven,

dan schrijven! die kunnen varen, van wal steken! die offers kunnen

brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!

Ieder werke mede met de kracht, waarover hij beschikt, tot eer van

het land!

Ik kan niet zeggen hoe dankbaar ik zou wezen, indien er twintig,

indien er tien, indien er vijf van de lezers van dit leven van

Beynen--die tot nog toe niets deden--voortaan wilden medewerken om

voor de marine die groote oefenschool van de IJszee, de oefenschool

van Nelson, Heemskerk en De Ruyter, open te houden.

Telkens vraagt men nog wat het nut dier tochten is; doch als u de

argumenten niet zoo spoedig in gedachten komen, zeg dan: "Kom, laat

ons op ouderwetsche wijze nog eens gelooven op gezag; ik geloof in

het nut dier tochten voor den zeeman, omdat de Engelsche minister

van marine onlangs zeide: "de Noordpoolreizen zijn een school voor

ons zeevolk, daar ze het opvoeden in het kalme zelfvertrouwen, dat

alleen de bestrijding van gevaar kan geven."

"Ik geloof in het nut dier tochten voor den zeeofficier, omdat

een man als Sir Henry Rawlingson verklaarde: "de tochten naar het

noorden hebben in vredestijd dien geest van onversaagdheid, van

ondernemingszucht, van zelfverloochening gekweekt en onderhouden,

welke zoo onontbeerlijk is voor een waar zeeofficier."

"Ik geloof ten laatste in het nut dier tochten voor het vaderland,

omdat kolonel Jansen, die onze marine lief heeft en weet wat haar

ontbreekt, die tochten aanbeveelt; omdat Beynen zoo van hun nut

overtuigd was, dat hij zijn levensgeluk, zijn denkkracht en hart er

voor opofferde; omdat mannen als De Bruyne en Speelman tot twee keer

het roemrijk voorbeeld hebben gegeven; omdat luitenant Calmeyer, vol

frissche zeemansgeestdrift, ten tweeden male zich als vrijwilliger

aanbiedt; omdat luitenant Van Broekhuijzen, die het Willemskruis op

het moedige hart draagt, na in den zomer van '79 gezien te hebben

hoe groot de gevaren zijn, hoe ontzaglijk de verantwoordelijkheid

is, toch den derden wil leiden, als Nederland's volk maar het geld

geeft; omdat kloeke, jonge geleerden als de doctoren Sluyter, Lith

de Jeude, Hymans van Anrooy en Faasen, met bewonderingswaardige

toewijding, als vrijwilligers zeemansdienst deden op de Barents,

ten einde op zee kennis te vergaren; omdat de waardeering van alle

geographische genootschappen zoowel als van zoölogen en weêrkenners

toont hoeveel deze tochten reeds voor de wetenschap deden; omdat

geleerden en eenvoudige zeelieden zich om strijd aanbieden; omdat

tal van zeeofficieren er om bedelen, de eer te mogen hebben voor het

vaderland het leven te gaan wagen in de Poolzee."

Wilt ge het nut dier tochten beseffen?

Stelt u voor dat Zweden op het oogenblik met een machtige zeemogendheid

in oorlog was. [14] De kust is geblokkeerd door de vijandelijke vloot,

die den toegang tot de havens geheel verspert. Doch wat beduidt die

rookwolk ginds in het verschiet? Het is de Vega die terugkeert van

haar roemrijken tocht door het Noorden naar het Oosten. Nordenskjöld

ziet de vijandelijke schepen, doch hij zegt tot kapitein Pallander:

"Hijsch de Zweedsche vlag in top," en hij houdt fier en koen op de

blokkeerende vloot aan. En wat geschiedt er? Ziet, gepantserd schip,

torpedoboot en monitor, wijken links en rechts, ze maken ruim baan

voor het pionier-schip, der wetenschap....., en ze salueeren de

vijandelijke vlag!

Die wetenschap en handel dient, is de weldoener van alle volken.

En zegt nu niet: "Indien die tochten nuttig zijn, dan moest het land

ze zelf betalen!"--Nu betalen de vrijwilligers uit ons zeevolk ze,

en dit is schooner! Indien het land het deed, moest het op grooter

schaal geschieden, ontzaglijk veel kosten, en voor onmiddellijk

tastbaar nut dient reeds zoo veel uitgegeven te worden. Wij zorgen

er al vast voor, dat er ervaren zeelieden zullen zijn voor een

grooter schip met stoomvermogen, dat later, gelijk Beynen hoopte,

zoowel de zuidelijke als de noordelijke poolzeeën zal onderzoeken;

de regeering zal ten slotte ongetwijfeld medegaan en een jaarlijksche

kruistocht in de IJszee tot oefening der marine onontbeerlijk achten,

doch laat het volk driemaal toonen dat het offers voor het schoone

doel overheeft... driemaal is scheepsrecht!

En weet ge, landgenooten, waarom ik het bovendien zoo gelukkig vind,

dat tot nu toe ons volk vrijwillig zijn zeelieden naar de Barentszee

zond?--Omdat dit zulk een voortreffelijken indruk maakt in den

vreemde; omdat men in het buitenland, waar men zelden van Nederland

hoort, verneemt wat we nog in het Noorden vermogen, want alle naties

stellen belang in de IJsvaart. En het doet goed om in den vreemde te

hooren zeggen, gelijk mij het geluk te beurt viel in Engeland van een

onbekende te vernemen: "Voorwaar! de Hollanders zijn niet ontaard;

ze zenden nog op kosten der burgerij vrijwilligers naar de poolzeeën;

de oude heldenaard en vaderlandsliefde zijn nog krachtig in uw roemrijk

kleine land!"

De Nederlandsche vlag, die door vrijwilligers der marine op kosten der

burgers op den ijsschoener geheschen is, getuigt voor ons volk. Wanneer

ze wappert in de zeebries op het donkerblauwe water der Poolzee,

tusschen de blinkende ijsschotsen, dan is ze een symbool: het symbool

van ons frisch en krachtig volksbestaan, van onzen eerbied voor de

traditie, van onze hoop op de toekomst.

En zegt nu niet: "Wat baten symbolen? Ze helpen ons niet in gevaar! er

gaat geen kracht van uit!" Want er is juist weinig, wat zulk een

reusachtige beweegkracht is, als een symbool waarin men gelooft.

Aan hen die de tochten geen sympathie waardig achtten, omdat ze nog

geen geld hielpen verdienen en slechts een symbool zijn, zoude ik een

vraag willen herhalen, welke ik vroeger, mij woorden van Robertson

herinnerende, eens stelde:

Waarom is het dat ginds op die breede vlakte, waar twee legers den

grooten kamp voor het vaderland strijden, ééne enkele plek vooral

onze aandacht trekt. Waarom zijn aldaar de dichte drommen van den

aanstormenden vijand reeds tot vijfmaal toe teruggeslagen? De grond

davert en dreunt van de herhaalde charges der vijandelijke huzaren;

dichtgezaaid liggen om die plek de lijken der dapperen; doch nog

steeds bliksemen de sabels der officieren, flikkeren de bajonetten

der soldaten in de zonnestralen, die, tusschen de jagende wolken van

kruitdamp door, die kleine plek bestralen. Het onophoudelijk ratelen

van het musketvuur, het donderen der zware kanonnen vermag aldaar zelfs

niet het juichen te overstemmen der bezielde helden, die vol heerlijke

geestdrift hun kostelijksten schat met hunne borst beschermen.

Hoe onberekenbaar groot, mijn practische vriend, die het belang van

alles berekent naar het geld dat het opbrengt, moet wel de waarde zijn

van den schat, die dus door edele mannen met hun hartebloed verdedigd

wordt! Wat mag het wel wezen, dat met onweerstaanbare kracht die

dapperen ginds tot duizend heldendaden drijft?

Het is omdat daar de vlag, de heilige driekleur van de vaderen,

geplant staat!

Gaat nu, o practische berekenaars, naar die oude krijgers heen en

vraagt hun: waarom, mijn vrienden, stelt ge u dus in groot gevaar

voor eenige vierkante meters dunne zijde, die veel door weer en wind

geleden hebben? en ik geloof, dat gij een antwoord krijgen zoudt dat

u verbaasde.

Het edele instinct dier bewogen gemoederen zou bewezen hebben welke

stem de ware is: de stem die zegt: deze lap bedorven zijde komt uit

een winkel en is geen geld meer waard, of de koninklijke stem van

poëzie en vaderlandsliefde, die uitroept: het is het symbool van ons

volksbestaan, het is de vlag, het zijn de kleuren van het regiment,

de roem van het leger en de eer van het land!

Welnu, Nederlanders, dit symbool, deze vlag, deze heilige driekleur

der vaderen, is door Beynen opgeheven: hij, de onversaagde ijsloods

van de Barents, heeft haar geheschen in het midden van de streken,

door de vaderen ontdekt; hij heeft haar geplant in het midden van

het nog niet geheel heroverde kamp en hij heeft er zich op geworpen

om haar te verdedigen!

Daar staat de vlag! Wie helpt ons haar daar handhaven, haar daar

verdedigen?

Indien men het niet reeds doet uit dankbaarheid aan de marine, uit

liefde voor ons land,--laat men het dan doen ter herinnering aan

een jongen held, aan een hart zoo edel, rein en onzelfzuchtig als er

ooit een voor ons volk klopte.... ter herinnering aan een geestdrift,

een toewijding, die honderden heeft bezield....

Wij hebben Beynen en zijn streven herdacht; wij hebben ons den jongen

zeeridder weder voor oogen gesteld, wiens leuze de leus van Tromp was:

"Mijn hart en hand

Zijn voor mijn land!"

en dan kunnen wij slechts eindigen met een woord, dat zijn geheele

leven samenvat:

Groeie en bloeie de Nederlandsche Marine!

Leve het Vaderland!

Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen · 第 34 / 46 题