IN 'T KRAAIENNEST.

"Mijnheer! 't is kwart voor twaalven!"

Die woorden, enkele keeren herhaald, doen den officier, die de

hondenwacht krijgt, ontwaken. Hij opent de oogen, en, zich plotseling

omkeerend, kijkt hij den matroos die hem wekte aan en zegt:

"Veel ijs?"

"Ja mijnheer, heel veel."

"Mistig of helder?"

"Op 't oogenblik helder, mijnheer."

"Zwaarder ijs dan om acht uur?"

"De schollen worden grooter, mijnheer."

"Dank je," en met een door langdurige ervaring geleerd wipje staat de

officier, die de wacht zal krijgen, naast zijn kooi, en zoekt op een

vrij rommelig dek zijn zeelaarzen op, die met zijn muts en pijjakker

het tenue in weinige oogenblikken voltooien. [10]

Terwijl hij nu den barometer, die dicht bij zijn kooi hangt,

gaat aflezen, luistert hij onderwijl met aandacht naar hetgeen er

op dek voorvalt, nieuwsgierig te weten hoe hij, aan dek gekomen,

den toestand vinden zal. Als doffe, van zeer ver komende klanken,

bereiken hem de kommando's waarmede de officier der wacht het schip

uit het kraaiennest bestuurt, en hij tracht uit de elkaar snel volgende

bevelen op te maken wat er op 't dek plaats grijpt.

"Loeven, loeven! Bakboord aan boord het roer! Voorschoten afvieren,"

klinkt het van boven, en aan het wilde rukken en slaan van den

stagzeilschoot begrijpt de officier omlaag dat het schip hoog aan den

wind schiet, waarschijnlijk om nog juist even vrij te loopen van een

ijstong, die gerond moet worden.

"Schoten weêr aankorten. Op je roer!" en een oogenblik later klinkt

luider en scherper: "Achterschoot afvieren, piek neêr."

Haastige, driftige stappen op het achterdek volgen, men hoort halen

en trekken, en dan volgt op eens eene algemeene stilte.

In afwachting van den stoot tegen het ijs, welke hij denkt dat volgen

zal, grijpt de officier, die juist de kajuitstrap op wilde gaan,

nog haastig eenige glazen van tafel, doch zijn kameraad daar boven

hanteerde het schip daartoe te goed; er volgt niet de minste stoot

en alleen een kraken en krassen van het ijs aan bakboord tegen het

dubbelhuid verkondigt den officier omlaag dat het kritieke punt

voorbij en de ijstong, zonder er tegen op te loopen, gerond is.

"Bij den wind weêr," klinkt het nu vroolijk uit het kraaiennest,

en een oogenblik daarna: "Klaar om te wenden," enz., enz.

De aflosser is op het dek gekomen, en vóór hij boven in de ton de

wacht gaat overnemen, kijkt hij met aandacht en belangstelling rond.

De vlag waait, want de Willem Barents is in het ijs! en dan moet de

oude driekleur altijd wapperen. De vlag brengt geluk aan, zeide men

aan boord. De wind is bewesten het noorden.

Alle bijdewindzeilen staan bij, behalve de gaf-topzeilen. In alle

richtingen (zoover men tenminste van het lage scheepsdek kan oordeelen)

is de zee met stroomen zwaar drijfijs bedekt.

De bovenlucht is klaar en helder, maar boven de kim verheft zich een

dikke wolkenlaag, die de zoo welkome middernachtszon vernedert tot

een fletse, vlokkige lichtschijf, wier randen doezelig en schier niet

te onderkennen zijn.

Het schip koerst om de West, en men behoeft niet naar de zon of het

kompas te kijken om zich omtrent het noorden en zuiden te oriënteeren,

want de helle ijsglans aan stuurboord en de waterlucht aan bakboord

duiden in voldoende mate die windstreken aan.

Met den langen kijker achter op den rug gehangen, gaat het nu vlug

het loefwant in en weldra geven de twee officieren in de vrij beperkte

ruimte boven in het kraaiennest elkaar de wacht over.

De één, die naar de kooi gaat, is bijzonder opgewekt en vroolijk--de

ander heeft nog niet wat hij noemt "stoom op".

De één, die telkens nog een kommando naar omlaag praait, is zeer

bespraakt--de ander vergenoegt zich met een zwijgende rol.

"Veel ijs, als je ziet. Een mooie wacht gehad. 't Scheepje is erg

handig onder dit tuig. Toch scheelde het bitter weinig of ik had het

op het ijs gezet. Heb je het omlaag gehoord? Zeker wel; nu 't ging

met een aanloopje, ik had er bepaald schik in."

"Wat is je koers?"

"Noordwest, maar west ten noorden is het hoogste wat ik leggen kon. 't

Waait een flinke bries, doch de lucht blijft goed staan." Daarna

volgen eenige opgewekte verhalen van eene wending die bijna mislukte

juist op den rand van een zwaren ijsstroom en van "het doorslippen"

tusschen twee verbazend groote schollen, welke verhalen door den

wachtkrijger stilzwijgend worden aangehoord, waarop de officier,

die naar kooi gaat, op eens zijn hoofd buiten het kraaiennest steekt

en naar omlaag praait: "acht glazen", om daarna tot den zwijgenden

kameraad te zeggen: "Nou, je hebt hem. Aangename wacht!"

"Dank je! wel te rusten!" en de ton bevat nog slechts één persoon.

Blijkbaar heeft de officier der wacht eenigen tijd noodig om het

boven in het kraaiennest, waar het flink vriest, naar den zin te

krijgen; de eerste oogenblikken worden de kommando's dan ook schier

instinctmatig gegeven, maar de noodzakelijkheid om met alle aandacht

de bewegingen van schip en ijs te volgen, brengt hem spoedig volkomen

tot de werkelijkheid terug; ze drijft hem den slaap uit de oogen,

en na weinige oogenblikken heeft hij zich met geheel zijn hart weer

aan het manoeuvreeren met het scheepje gewijd.

De lange kijker wordt uitgehaald en met aandacht het te betreden

kampveld in oogenschouw genomen, waarvan hij door niets gestoord of

afgetrokken wordt. Het wachtvolk omlaag rookt, nieuwsgierig over de

verschansing kijkend, het eerste pijpje, en de doodsche stilte alom

wordt slechts afgebroken door het schelle geschreeuw van een "lestris

parasitica", die, op buit belust, nu en dan boven de ton heenzweeft.

Nadat het terrein goed is opgenomen, begint eerst recht de eigenlijke

ijsvaart.

In de eerste plaats komt het er nu op aan om met den langen kijker

de ligging der ijsmassa's en de bewegingen daarvan aandachtig op te

nemen, om dadelijk daarna het punt aan den verren horizon te kunnen

vaststellen, dat men na twee of drie uren varens bereiken wil.

Is dit punt eenmaal gekozen, dan begint men reeds dadelijk te beproeven

het schip zoodanig door de steeds van plaats en vorm veranderende

ijsmassa's te werken, dat men, zonder in een der wakken of lanen

vast te loopen, op het einde der wacht het schip gebracht heeft op

de vastgestelde plaats.

Men moet nu snel beoordeelen welke openingen men al dan niet met het

schip durft ingaan, en in welke ijslanen men de minste kans heeft

opgesloten te worden.

Het geheel vrijsturen van de ijsstroomen en schotsen op de plaats

zelve waar men zeilt, wordt bijzaak, want de officier die er zich

op toelegt om keurig netjes tusschen de omliggende schotsen heen te

sturen, verliest licht de bewegingen van het ijs in de verte uit het

oog en loopt steeds gevaar zich in het ijs vast te werken.

Voor een zeilscheepje is het van het grootste belang zooveel mogelijk

loef te houden, en hoewel het natuurlijk weinig kunst is om nimmer

tegen het ijs aan te loopen, zoolang men maar voortdurend af wil

houden, moet de officier der wacht er steeds naar streven, om zoo

weinig mogelijk van het behaalde voordeel weder prijs te geven, en in

de richting te blijven. Steeds tracht hij dien doortocht te bereiken,

al is hij nog zoo klein, waardoor hij het minste in loef verliest.

Het is met de ijsvaart als met de menschen; begint men eenmaal eene te

overkomen moeielijkheid den rug in plaats van de borst toe te keer en,

dan is de strijd tusschen gaan of blijven, tusschen wijken of kampen

reeds half beslist.

In de ijsvaart heeft de moedige veel vóór, omdat hij geduld weet te

oefenen en met kalmte het dreigendste gevaar in de oogen weet te zien,

om daarna onmiddellijk te beproeven er zoo veel mogelijk zijn voordeel

mede te doen.

Toch hebben juist die aanhoudende gevaren een eigenaardigen prikkel

voor den zeeman; hij is met hart en ziel bij het werk, en zoo is

dan ook te verklaren dat de officier in 't kraaiennest der Willem

Barents niet eens bemerkt heeft, dat er iemand bezig is in het want

naar boven te klimmen.

Op eens komt het hem echter vóór, alsof de streng schudde, en even

uit de ton omlaag blikkend, wordt hij zijn wachtgenoot Grant gewaar,

die, met een koffieketeltje om den hals gebonden, zijn best doet naar

boven te enteren.

Grant is geen zeeman en blijkbaar heeft hij dan ook al zijne krachten

noodig om zich in het vrij slappe want vast te houden, en als hij

slechts langzaam vordert, springt een der matrozen hem achterna,

bereikt hem in enkele seconden en biedt hem aan, het voor den officier

der wacht bestemde keteltje warme koffie naar boven te brengen.

"No! no! Certainly not," geeft Grant hem ten antwoord en ofschoon hij

zich nog hechter vastklemt, omdat zijn gedienstige vriend het want nog

meer doet schudden, dan toen hij er maar alléén in stond, wil hij van

geen hulp weten, en stijgt langzaam maar zeker al hooger en hooger,

tot hij eindelijk de ton heeft bereikt en den wachthebbenden officier

de koffie overreikt, welke met zooveel moeite omhoog is gebracht.

"'t Is heel vriendelijk van je, Grant! dank je wel zeer! wacht,

laat ik je eens helpen," en gedeeltelijk uit de ton klimmend,

maakt de officier der wacht tijdelijk ruimte voor zijn vriend, die

een oogenblik later, nog naar zijn adem hijgend van het klauteren,

veilig en wel naast hem staat.

Het vaarwater is nu vrij ruim, waarvan onmiddellijk gebruik moet

gemaakt worden om de koffie te drinken terwijl ze nog heet is, en

zonder dat er een woord bij wordt gesproken, ontdooit de officier de

beide handen aan het warme keteltje en haalt Grant uit zijne zakken

een kopje en een lepeltje voor den dag, waarbij hij nog spoedig een

met suiker gevuld blikken busje voegt. Om beurten wordt het kopje

geledigd, en terwijl beiden zich dus warmen, hebben wij gelegenheid

met Mr. Grant nader kennis te maken.

W. J. A. Grant is een jong vermogend Engelsch grondbezitter, wiens

familie sedert jaren in Devonshire nabij Exeter woont.

Hij is acht-en-twintig jaar oud, heeft te Oxford gestudeerd en had

reeds het grootste gedeelte van Europa bereisd toen hij in 1876 als

amateur-photograaf de pool-expeditie met de Pandora onder Sir Allen

Young naar Smith Sound mede maakte.

In Engeland teruggekeerd maakten zijne uitstekend geslaagde

photographieën van een tot dien tijd nagenoeg geheel onbekend deel van

onzen aardbol alom grooten opgang, en the Society of the Photographic

Exposition te Londen vereerde den veelbelovenden artist haren bronzen

eerepenning. Van alle kanten aangemoedigd op den roemvol ingeslagen

weg te volharden, zag Mr. Grant naar eene gelegenheid uit, nogmaals een

pool-expeditie mede te maken, en toen nu de Willem Barents in Holland

werd uitgerust, bood hij geheel belangeloos het Nederlandsche Comité

aan op eigen kosten de reis mede te maken, welk welwillend aanbod

natuurlijk met groote ingenomenheid werd aangenomen, waarop hij in

Mei 1878 naar Amsterdam kwam, tegelijk met al zijne photographische

toestellen en benoodigdheden, die eene gezamenlijke waarde van ±

700 gulden vertegenwoordigden. Zonder het een oogenblik te betreuren

afstand gedaan te hebben van het gemakkelijk en aangenaam leven op

zijne goederen in Devonshire, maakte Mr. Grant zich aan boord der

Willem Barents spoedig geheel thuis en was weldra aan boord, zoowel

vóór als achter den mast, gezien en geëerd.

Hij had de slechtste slaapplaats, vlak bij de altijd rookende kombuis,

moest iederen nacht van 12 tot 4 aan dek de wacht meê maken, verstond

zelden een woord van wat er rondom hem gesproken werd en was nochtans

een der vroolijkste, gezelligste shipmates.

Trouwens al deze onaangenaamheden hadden niets te beduiden, als men

ze vergeleek bij de dagen dat hij als photograaf moest optreden, en

als snel opkomende buien of dichte sneeuwjachten hem teleurstelling

op teleurstelling berokkenden.

Photographeeren in de IJszee is dan ook inderdaad het wanhopendste

werk, dat men zich kan voorstellen.

Zelden is er zon en bijna voortdurend mist, en is men eindelijk met

veel moeite met den toestel op een ijsschots afgezet, dan blijkt het

eerst recht, hoe bewegelijk de geheele ijsmassa in werkelijkheid is.

Vaak valt een sneeuwbui juist in als de "plate" gereed is, of blijken

de lenzen nat en vochtig te zijn precies op 't oogenblik, dat na lang

wachten de zon voor slechts enkele minuten doorkomt. Daarbij scherpe,

koude winden, onzekere gemeenschap met het schip, gevaar voor ijsberen

of plotseling opkomenden mist, enz., enz.; maar Grant liet zich door

niets afschrikken en was dag en nacht in de weer, zoodra er maar de

minste kans bestond, eenige photographieën te kunnen nemen.

Lag de Willem Barents ergens onder den wal ten anker, dan was hij

dadelijk aan land en ieder aan boord bewonderde hem oprecht, als hij,

steeds ongewapend, overladen met pakjes en toestellen (die te zamen

18 kilo wogen), dag in dag uit, geheel alléén, de steilste punten

beklom of tegen de gevaarlijkste hellingen opklauterde, "to choose

his picture," zooals hij dat uitdrukte.

Meermalen na vier uren onafgebroken klimmen, bleek al die moeite voor

niets geweest te zijn, namelijk als tot zijn diepe teleurstelling

een dikke mist kwam opzetten voor hij geheel klaar was om de schoone

photographie te nemen.

"'s Nachts was hij dan doorgaans werkzaam in zijn "donkere kamer,"

en als men bedenkt dat iedere "dry-plate-exposure" hem vijf kwartier

aan één stuk bezighield, zal men kunnen begrijpen, dat hij gewoonlijk

met het aanbreken van den dag ternauwernood klaar was gekomen met zijn

werk van den vorigen dag; maar nauwelijks was er weder een zonnetje

zichtbaar, of men zag hem belast en beladen met stille trom van boord

slippen, om, niettegenstaande koude, mist, regen en wind, met hetzelfde

feu sacré en met onverklaarbare taaiheid, nieuwe teleurstelling te

gemoet te gaan.

Grant is in elk opzicht een artist; hij leeft voor zijn kunst, waarin

hij om zoo te zeggen geheel opgaat, en volop geniet hij, wanneer hij

de schoonheden van moeder natuur mag bewonderen.

Zoo blikt hij ook nu in stilzwijgende opgetogenheid uit het kraaiennest

voor zich uit naar de onafzienbare ijsmassa's, die in alle richtingen

het scheepje omringen, en zijn ziel met een gevoel van ernst en

eerbied vervullen.

Men voelt zich zoo klein in die schier grenzenlooze woestenij van

glinsterende ijsmassa's, waartusschen zich het ranke schoenertje

schijnbaar zoo rustig voortbeweegt, terwijl de officier der wacht

met ingespannen aandacht de kronkelende wakken en lanen uitkiest

waarlangs hij zijn koers het beste kan vervolgen.

Den in de ijsvaart oningewijden zou de geheele omgeving een

ondoorgrondelijk doolhof toeschijnen, waar hij zich noode in waagde,

maar voor hem, die zich langzamerhand aan die toestanden gewend

heeft, ziet alles er geheel anders uit, en hij beaamt het volkomen

wat Mr. Grant zich half fluisterend ontvallen laat, dat de ijsvaart

toch een goede leerschool voor zeevolk is.

"Ja zeker, Grant!" klinkt het antwoord van zijn vriend, "ja zeker

is de ijsvaart nuttig tot vorming van flink en doortastend zeevolk;

daar kunnen ten minste onze Hollandsche geschiedboeken ruimschoots

van gewagen."

De zee hier, als zij spreken kon, zoude dit met menig schitterend

verhaal kunnen staven, en wij hebben de oude reisverhalen onzer

Groenlandvaarders maar open te slaan, om er op iedere bladzijde uit te

leeren, hoe die voortdurende worsteling op leven en dood met de natuur

de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelde en het louterde

tot brave, rechtschapen, godvreezende harten, die goed en bloed veil

hadden voor de rechten en belangen van het geliefde vaderland.

Het zoogenaamde West-ijs is dan ook het kampveld geweest, waar onze

voorvaderen te midden van sneeuw, storm en nevels, van ijspersing en

ijsgang, die uitstekende eigenschappen aankweekten, die hen tot den

huidigen dag zoo wereldberoemd hebben gemaakt.

Wanneer men bedenkt dat er jaarlijks meer dan 200 Groenlandvaarders

onze havens verlieten met een bemanning van 40-60 koppen, dan blijkt

daaruit hoe er jaarlijks gemiddeld een 10.000 matrozen alléén aan die

vaart deelnamen, waardoor het begrijpelijk wordt dat men de talrijke

vloten van De Ruyter en Tromp steeds met flink zeevolk bemand in zee

kon sturen, hoe groot de verliezen van de vorige jaren ook geweest

waren.

Het is wáár, jaarlijks ontvielen der vloot enkele schepen,

die door het ijs vernield werden, maar de overige wisten door

de voordeelige visscherij schatten van onder het ijs te halen en

oefenden onverschrokken een bedrijf uit, dat naar omstandigheden meer

of minder inspanning en ervaring, maar in alle gevallen de grootste

koelbloedigheid en kalmte eischte.

Door de ijsvaart werd het zeevolk gehard, kordaat, geoefend. Men

repareerde schip en tuig te midden van hagel en sneeuwjacht en leerde

een schip thuis brengen, al was het in zinkenden toestand. En dat dit

met de grootste moeite gepaard ging, wanneer het schip, laat in het

jaar geheel lek uit het ijs geraakt, slechts door aanhoudend pompen

kon boven water worden gehouden, lezen wij in menig reisverhaal.

De bemanning was dan vermoeid, de victualie nagenoeg verbruikt en het

eenige middel om schip en lijf te redden bestond in het stout voor

wind en zee blijven weglenzen tot aan de Hollandsche kust toe. Tegen

harde noorden- en noord-oosten-winden naar Noorwegen op te werken,

kon en wilde de gezagvoerder nooit doen.

Het journaal van commandeur Freeke Pieters, die in 1769 met het

schip de Vrouw Maria naar Groenland stevende, en eerst na aan tal

van gevaren te zijn ontkomen, den 16den November op de breedte van

Jan Mayen-eiland uit het ijs kwam, verhaalt zulk een ernstig ongeval

met een ongekunstelden eenvoud, die ons inderdaad treft.

"18 Nov. Kregen veel water in het schip, ik moest aan het volk veel

goede woorden geven, om haar aan 't pompen te krijgen, dewijl zij

zeer zwak en hongerig waren en sommigen hun vingers bevroren.

"28 Nov. Vliegende storm uit 't N. N. W., donker weêr. Des morgens en

wederom des avonds kwam het volk bij mij en zeide dat ik land moest

zoeken of haar meer te eten geven.

"Tot het eerste kon ik niet resolveeren en het laatste had ik niet

en zeide daarom:

"Wij zijn God zij dank uit bezetting in ruime zee; wij hebben nog

voor 5 dagen victualie, gij hebt u zoo lang beholpen, hebt toch

geduld"; maar zij antwoordden: "Wij kunnen alles in twee dagen wel

opeten. Wilt gij noch tot het een, noch tot het ander resolveeren,

zoo gaan wij met alle man ter kooi."

"Geeft gij niet om uw leven?" zeide ik, "zoo maakt mij dan alle zeilen

maar vast, en wij zullen 't dan op Gods genade laten drijven."

"Woensdag 29 Nov. Het volk kwam bij den kok en dwong hem hun 4 lokjes

gort en 4 lokjes erwten meer te koken.

"Zaterdag 25 December werd het weêr wat beter, wij namen één rif

uit ieder marszeil; het volk kwam met alle man bij mij en zeide:

"Nu is al het eten op, zullen wij nu van honger sterven?"

"Ik zeide: "Gij hebt dezen morgen al gegeten; wij hebben nog erwten

voor vandaag en morgen, wie zorgt voor den derden dag? Wij zullen

binnenkort wel een of ander schip ontmoeten. Houdt moed en geduld."

"Zij vertrokken van mij zeer ontevreden, het weêr werd wat beter. Wij

zagen voormiddags een hoeker, hijschten onzen vlag tot een sjouw,

klaagden onzen nood en verzochten hem om wat victualie! Het water

stond zeer hol, onze sloep ging toch van boord en wij kregen 4 vaten

hard brood, 1 zak gort, 1 ton zoutevisch, 1/2 vat bier.

"Ik liet terstond het volk een glas bier en een stuk hard brood

ronddeelen. Het was aandoenlijk te zien met welken smaak en

vergenoeging zij dat gebruikten. Zetten alle zeilen bij en zagen den

volgenden morgen de Vaderlandsche kust."

Wat leerde het zeevolk hunne eigen krachten kennen en er op vertrouwen!

Wat oefende men zich onophoudelijk in het overwinnen van schier

onoverkomelijke gevaren!

Wat verwierf men zich een schat van het voor den zeeman zoo onmisbaar

zelfvertrouwen!

Was het wonder, dat de ijszeetochten in die dagen populair waren, zoo

zelfs dat de traditiën daarvan nog heden ten dage in onze kustplaatsen

voortleven.

Het binnenvallen der Groenlandsche vloot was een nationale feestdag;

men had die vaart lief; met belangstelling volgde men hen die er aan

deel namen; en in tal van zeemansliederen werd die moeielijke maar

opwekkende vischvangst bezongen.

Al pratende en vertellende is de wacht aangenaam opgeschoten en

Grant zoude zeker nog meer vernomen hebben, als de officier der wacht

niet eensklaps stil had gehouden en onaangenaam verrast om zich heen

had getuurd.

De geheele omgeving schijnt onduidelijker en doffer te worden; de zon

verdwijnt geheel en al, en met teleurstelling ziet de officier van de

wacht dat de reden daarvan te zoeken is in een mistbank, die, als een

lichtgrijze massa komende opzetten, hem weldra alle uitzicht beneemt.

Eerst verdwijnt het ijs langs den horizon, daarna de verst verwijderde

stroomen en lanen in het ijs, dan zelfs de schotsen in de onmiddellijke

omgeving en eindelijk ziet men nog slechts een grauwe dampige kom

water, vlak rond het scheepje, Mr. Grant heeft zich al reeds omlaag

begeven.

Er moet snel zeil en vaart geminderd, dubbel scherp uitgekeken en met

alle aandacht naar branding geluisterd worden, in welke omstandigheid

de officier van de wacht zich wel eens betrapt dat hij boven in de

ton van de kille natte kou staat te klappertanden.

Gelukkig is het drie uur geworden, wanneer hij bijdraaien en looden

moet, en met genoegen maakt hij van die gelegenheid gebruik om de

ton te verlaten en op het dek die werkzaamheden te gaan leiden.

De 150 vaam moeten met de hand ingehaald worden en het kille nat,

dat met de lijn boven komt, loopt langs de verkleumde vingers in de

hemdsmouwen tot op het lichaam, zoodat een ieder blij is als het lood

met den daaraan bevestigden thermometer weder binnen boord is en men

(op zijn schippers) de armen tegen het lijf heeft warm geslagen.

Gelukkig trok de mist weder even snel op, als hij onverwachts

verscheen. De zeilen worden geheschen, de weg vervolgd, en als

's morgens te vier uur de wachtdoener in het kraaiennest door zijn

opvolger wordt afgelost, is de officier die naar kooi gaat weder even

bespraakt en vroolijk, als de wachtkrijger dof en stilzwijgend is."

Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen · 第 27 / 46 题