"Er is niets dat meer opwekkend is dan eene zeewacht aan boord van
een handig zeilscheepje te midden van veel ijs,"--zeide Beynen in
zijn verslag, en als wij ons den fieren jongen zeeman weer voor oogen
willen stellen, dan hebben wij die woorden slechts te herhalen. Zij
kenschetsten hem.
De Barents had bewesten Spitsbergen het ijs den 11den Juni het eerst
gezien. "'s Nachts op de hondenwacht ontdekte men eindelijk werkelijk
het eerste zilverwit gekleurde drijfijs," schreef hij, "en spoedig
was de Willem Barents er aan alle kanten door omgeven. De officieren
waren, om een ruimer blik te hebben, boven in 't tuig geklommen en
beschouwden stilzwijgend het vreemde en grootsche natuurtooneel.
"Daar lag dan nu die groote, breede, machtige ijsstroom vóór hen, die
jaar in jaar uit onafgebroken langs de oostkust van Groenland het ijs
uit het Poolbekken wegvoert in onafzienbare velden van éénjarig ijs,
die over eene uitgestrektheid van mijlen zóó effen en vlak zijn dat
de Nederlandsche walvischvaarders daaraan den naam van veldijs gaven,
waaraan zij deden denken.
"Die groote velden worden echter niet eerder aangetroffen dan nadat
men een eind weegs door schollen en vlaarden is heengedrongen, die
ontstaan door den hevigen strijd welken de onstuimige zee met den
ijsrand voert, wat de officieren in 't kraaiennest dan ook spoedig
met eigen oogen aanschouwden.
"De lucht staat buiig en de telkens invallende sterke windstooten
zweepen de met spoed toesnellende golven met ongekende kracht tegen
het weerstandbiedende ijs, dat zich al meer en meer tot een dichte
massa samenpakt.
"De strijd tusschen den machtigen oceaan en het zware ijs is
ontzagwekkend grootsch. De wind jaagt de zeeën het ijs te gemoet en
met eentonig gelijkmatige snelheid volgt de eene golfslag op den ander
en breekt met donderend geweld op de weerstand biedende ijsmassa's,
die hij met schuim overdekt.
"Meestal slaagt hij er in die ijsmassa's neêr te drukken en er zich
zegevierend over heen te werpen, maar somtijds spotten de saamgepakte
ijsrotsen met zijne vruchtelooze woede en doen hem in een wolk van
spattend schuim in zichzelf terug zinken.
"De zee schijnt in oproer en strijd verwoed tegen de uit het noorden
komende ijsvelden, die zich mijlen en mijlen ver uitstrekken. Het
kampveld wordt steeds grooter en grooter, en naarmate de oceaan met
machtige hamerslagen het ijs naar het westen terugdrijft laat hij een
breeden band van schuim en ijs achter, die weldra over eene groote
oppervlakte de zee bedekt. In den aanvang is het voordeel aan de
zijde van de met kracht aanrollende zeeën. Zij beuken de schollen
en schotsen op en over en tegen elkander, splijten ze in tallooze
ijsblokken, die zich tegen elkander afronden, en bestoken onvermoeid
den machtigen vijand, in wiens gelederen zij steeds dieper en
dieper binnendringen. Maar het ijs trekt zich alleen terug om dichter
ineengeschoven de aanvallen van den oceaan te beter te kunnen weerstaan
en dekt zich aan de zeezijde door een breeden band van kleine harde
ijsbrokken, die de woede der aanschietende zeeën geleidelijk breken en
de kracht van den golfslag aanmerkelijk verminderen. Hoe wild de zee
ook kookt en klotst, de trage onoverzienbare ijsdam blijft ten laatste
overwinnaar en zou zich dan ook zeker verder uitbreiden, ware het niet
dat het ijs, onderling krijgvoerend, zijne eigene reusachtige krachten
verspilde. Want is de strijd, dien het ijs met de golven voert zwaar,
hij heeft niets te beduiden vergeleken met de worsteling van het ijs
onderling, als de velden door stormwinden tegen elkaar ingedreven,
opgestuwd en verbrijzeld worden...
"Zoo ver het oog uit het kraaiennest reikte, zag men nu niets dan
met sneeuw bedekt ijs, en verder water en lucht.
"Overal heerschte de grootste rust en het kleine schoenertje geleek,
in dit koude wintertafereel, op een laatst achtergebleven vogel,
die door zijn gezellen verlaten is.
"Inderdaad, met de gedachten aan het gejoel en het bedrijvig leven
dat te midden van die nu stille, doode ijsmassa heerschte, toen hier
jaarlijks honderden schepen onder de geliefde driekleur heenvoeren en
tienduizend zeelieden er hun mannelijk bedrijf uitoefenden, moest de
Willem Barents het voorkomen van eene achtergeblevene hebben; maar
de bemanning a/b der Willem Barents, die in de toekomst blikte en
dacht hoe ook de oude Barents hier eenmaal eenzaam langs het West-ijs
gevaren had en later jaarlijks gevolgd werd door vloten van schepen
onder Nederlandsche vlag, zij beschouwde het schoenertje als den vogel,
die in de lente het eerst terugkeert, als de pionier die den weg baant
voor de geheele vlucht welke volgen zal, en de oude broedplaatsen voor
ons volkswelvaren weder zal komen innemen, om er andermaal stoutheid en
onverschrokkenheid, wijs beleid en koene voorzichtigheid te vergaderen.
"Dit gevoel, dat de geheele bemanning bezielde, spreidde een
bekoorlijken gloed over het stemmige wintergezicht en deed
met vernieuwden lust en ijver de taak vervolgen, die haar was
opgelegd. Wind en zee waren gaan liggen en boden eene prachtige
gelegenheid aan om in de onmiddellijke nabijheid van het ijs eene
eerste looding op diep water te verrichten. Deze gaf eene diepte
van 1210 vaâm aan, terwijl het lood, eene grijze, witachtige klei
bovenbracht, die door Dr. Sluyter microscopisch onderzocht, geen
sporen van dierlijk leven bleek te bevatten.
"Nauwelijks was de waarneming verricht of een zacht zuchtje uit het
Z. W. deed denken aan het vele dat er nog gedaan moest worden, zoodat
het niet lang duurde of de zeilen werden weder ontrold en van den
snel toenemenden wind gebruik gemaakt om den tocht snel te vervolgen."
Verbood de instructie den kommandant van de Barents om in het Westijs
door te dringen, zoo had hij daarentegen de opdracht om de bewegingen
van het ijs in het Noorden van de Barentszee gade te slaan. Tien dagen
lang (van 1 tot 10 Augustus) bewoog de Barents zich in het pakijs
van die voor Nederland zoo gedenkwaardige zee, en ik geloof te mogen
verzekeren dat deze tien dagen de gelukkigste van Beynen's leven zijn
geweest. Hij kon er met zulk een geestdrift van spreken dat ik hem
eens, toen hij bij mij logeerde, geen rust liet of hij moest van zijn
zeewachten in het ijs iets vertellen, dat ik dan uit zijn mond zou
opschrijven. Hij vertelde toen het volgende van een zijner wachten
boven in den mast, dat in de Gids van April 1879 werd opgenomen.