Men weet thans aan welk vaderlandslievend streven de beweging
om naar het Noorden te gaan te danken is. Beynen was reeds een
jaar lang met dat plan behebt geweest en had naar eene gelegenheid
gezocht om er mede voor den dag te komen, toen de slotwoorden van de
brochure van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge (op bladz. 99 medegedeeld)
hem onder de oogen kwamen en deden besluiten eene poging te wagen om
het Aardrijkskundig Genootschap te bewegen, een tocht naar het Noorden
onder Nederlandsche vlag op het getouw te zetten. Hij hield daartoe,
den 17den Febr. 1877, op een vergadering van het Aardrijkskundig
Genootschap te 's Hage een wetenschappelijke voordracht, doch
het bestuur oordeelde dat--voor het genootschap althans--de
tijd daartoe nog niet was aangebroken. Daarom besloten de heeren
Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, O. baron van Wassenaer van Catwijck,
J. D. Fransen van de Putte en de staatsraad M. H. Jansen hiertoe een
poging aan te wenden. Reeds den volgenden dag, 18 Februari, deden
ze een beroep op ons volk tot medewerking, en door Beynen opgewekt,
brachten tal van sub-commissiën f 45.000 bijeen om een schoener te
bouwen en naar de IJszee te zenden. "Algemeen werd belangstelling
getoond voor kloeke vaderlandsche zeetochten," gelijk Beynen het
uitdrukte. Jhr. Mr. M. J. Beelaerts van Blokland werd secretaris van
het comité; de hoogleeraren Buys Ballot en P. J. Veth traden toe als
lid en het plan werd gevormd om in den zomer van 1878 een eersten
verkenningstocht naar de Noordelijke IJszee te ondernemen met een
sterk zeilscheepje.
"De grootste moeielijkheid, die men te overwinnen had om de IJszeevaart
weder populair te maken," schreef Beynen in een zijner verslagen,
"bestond in de bijna algemeene onbekendheid met het ware doel en
nut dier Noordsche tochten en 't was dan ook duidelijk, dat, zoolang
onbekendheid of verkeerde denkbeelden dienaangaande bestonden, men
moeielijk instemming of sympathie kon verwachten of hoop behoefde te
voeden dat de jarenlange onverschilligheid voor soortgelijke reizen op
eenmaal vervangen zoude worden door eene warme ingenomenheid, die van
alle kanten groote geldelijke bijdragen zou doen toevloeien, noodig
om een geheel voor de IJsvaart geschikt stoomschip te doen uitrusten.
"Dat er evenwel hier en daar warme sympathie bestond, was gelukkig te
duidelijk om niet met gerustheid de toekomst te gemoet te doen zien,
en juist om deze sympathie algemeener en van meer blijvenden aard te
doen worden, toonden eenige leden der Vergadering de wenschelijkheid
aan, de voorkeur te geven aan een korten zomertocht tot proef en,
zoo men hoopte, tot voorbereiding van volgende ondernemingen naar
het hooge Noorden, die, werden zij onvoorbereid ondernomen, bij
minder gunstigen afloop, den bij ons volk herboren lust tot stoute
reizen wellicht weder voor goed vernietigen zou. Zij beweerden dat,
wilden onderzoekingen van het Noordpoolbekken voor ons vaderland ooit
weder van groot belang worden, wilde men daardoor werkelijk weder
evenals vroeger de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelen
en zuiverend en versterkend op onzen nationalen volksgeest werken, de
stappen in die richting geen uitvloeisel moesten zijn van het drijven
van enkele personen, maar moesten voortkomen uit den wil des volks, dat
er prijs op moest stellen de Nederlandsche zeelieden te zien deelnemen
aan de wetenschappelijke onderzoekingen van schier alle zeevarende
natiën op het gebied van den Oceaan en aan ontdekkingsreizen, waarvan
zij zich te lang reeds onthouden hadden."
Nadat in het begin van November, op een vergadering door Sir
Allen Young bijgewoond, een beslissing omtrent het uitzenden van
de Willem Barents genomen was, werden de luitenant ter zee 1ste
klasse A. de Bruyne--die tot kommandant verkozen was--en luitenant
L. R. Koolemans Beynen overgeplaatst van de instructie-brik de Zeehond
naar Zr. Ms. Wachtschip te Amsterdam, om toezicht te houden op den
aanbouw en de uitrusting van het schoenertje dat op de werf der heeren
Meursing en Huygens gebouwd werd, en waaraan de mannen 's avonds bij
lamplicht werkten om het toch maar bij tijds gereed te krijgen.
"Dank zij der bekwame leiding van den heer Huygens," schreef Beynen,
"werd zelfs aan de kleinste onderdeelen de meest mogelijke zorg
gewijd, en toen dan ook op den 6den April, ten aanschouwe van een
groot aantal belangstellenden, de Willem Barents van stapel liep
en onder een driewerf hoerah voor het eerst het water kliefde,
werd algemeen door deskundigen erkend, dat het een voor zijn taak
uitmuntend berekend scheepje beloofde te zijn. Een ander gunstig teeken
was de toenemende belangstelling, die zich niet alleen uitte door het
snel stijgen der vrijwillige bijdragen, door het inkomen van talrijke
kostbare geschenken in natura, maar vooral door de vele personen, die
van heinde en verre naar Amsterdam kwamen om het in aanbouw zijnde
scheepje te bezichtigen. Bevaren zeevolk bood zich dagelijks aan om
de reis mede te maken, waardoor een goede keuze kon gedaan worden,
en zooveel mogelijk werden matrozen aangenomen, die veel op kleine
scheepjes hadden gediend." Met luitenant de Bruyne en luitenant
Jhr. H. M. Speelman [8]--die o.a. de magnetische waarnemingen zou
verrichten--werkte Beynen den geheelen winter, om zich zooveel mogelijk
te bekwamen voor de ijsvaart, o.a. door de dagboeken en kaarten der
oude Nederl. zeevaarders te raadplegen.
Bij het begin van het nieuwe jaar schreef hij mij: "Ik hoop dat alles
goed zal gaan en ik de verwachtingen, welke kolonel Jansen van mij
koestert, niet zal beschamen. Hij heeft zoo veel voor ons vaderland
gedaan, en met jeugdige ijver en lust wijst hij ons nog den weg,
dien wij te gaan hebben in het welbegrepen belang van koning en
vaderland. Moge ik er iets toe bijdragen om het zeewezen terug te
brengen op een pad, helaas! te lang verlaten, waarop het alleen die
zelfde innerlijke kracht, denzelfden edelen geest, dezelfde heilige
toewijding kan terug vinden, die ons vaderland eens zoo groot hebben
gemaakt."
Kolonel Jansen stelde voor het comité de instructie, welke aan den
commandant van de Barents werd medegegeven voor dezen proeftocht. Hij
zeide in de toelichting tot deze duidelijke, zaakkundige instructie
o. a.:
"Wil men het doel bereiken om de Barents-zee tot eene oefenschool
voor onze zeelieden te maken, dan behoort men met kalme bedaardheid,
gematigdheid en beleid de eerste schreden op het veld van onderzoek te
zetten, op den eersten tocht zich binnen de grenzen van het gemakkelijk
bereikbare te beperken en daarna, bij toenemende kennis en ervaring,
jaar op jaar bij gunstige omstandigheden zich in een lastiger en
moeielijker te bereiken gebied te begeven.
"Wanneer een vaartuig jaarlijks in Mei uitzeilt en regelmatig in
October binnenkomt, zal de overtuiging algemeen ingang vinden, dat
met beleid, voorzichtigheid en zeemanschap de Barents-zee ook thans
even als vroeger bevaren kan worden, zonder dat het met groote rampen
gepaard gaat en dan eerst mag de hoop gevoed worden, dat die zee eene
blijvende oefenschool voor onze zeelieden zal worden, waarvoor men
steeds bereid zal zijn geld te geven."
Den 2den Mei 1878 schreef Beynen:
"Onze dagen beginnen op te korten en de Willem Barents zal spoedig
zee kiezen.
"Ik beschouw dit als een hoogst ernstige, hoogst heilige zaak, en ik
dank God voor den zegen dat ik tot de opvarenden mag behooren. De
Willem Barents gaat naar het Noorden; naar de zeeën door onze
voorvaderen vaak zoo stout en roemvol bevaren; naar het oefenveld van
zoo vele uitstekende zeelieden. 't Is een groot geluk voor ons allen,
en met ernst, moed, berusting zie ik de toekomst te gemoet."
Zondagmiddag, 5 Mei, wierp de Barents de trossen los van de rijkswerf
te Amsterdam, en werd ze naar IJmuiden gesleept, en de roemrijke oude
hoofdstad bracht haar zeelieden een indrukwekkenden afscheidsgroet.
Nooit heb ik belangwekkender schouwspel gezien, dan het met schepen
en booten bedekte IJ op dezen verrukkelijken Meidag aanbood.
Men werd in een dankbare feestelijke stemming gebracht, als men
die heerlijke geestdrift en belangstelling zag, en gevoelde, dat
in honderden jonge harten nu wellicht het verlangen geboren werd,
om later ook op zee te gaan varen en eveneens den roem van Neêrland's
vlag fier te handhaven. Toen we midden in het IJ waren en terugblikten
naar den halven cirkelboog der hoofdstad, konden wij eerst goed zien,
dat half Amsterdam was uitgeloopen, om de Willem Barents uitgeleide
te doen en te begroeten.
Op de hooge torens der stad daalden de vlaggen driemaal, om het
Poolschip te salueeren; Amsterdam groette zijn zeevaarders en wenschte
hun behouden reis, en driemalen daalde de standaard van de Willem
Barents om voor dien hoffelijken afscheidsgroet te danken.
Op de duinen stonden honderden om het goede schip een vaarwel toe te
wuiven. En met hen staarden duizende vaderlanders dien dag naar zee,
en wenschten behouden reis aan het schip op die zeeën,
Waar 't vlottend schuim van vroeger kielen,
(Het spoor van Neêrlands waterwielen)
Het pad wijst naar het tooveroord.
't Woei een flinke bries uit het Oosten en met één rif in koersde
het scheepje met een vijf mijls vaart om de Noord-west.
In zijn uitvoerig verslag van deze reis heeft Beynen haar trouw en
duidelijk beschreven.
Mij schreef hij den 11den Juli uit de Noordelijke IJszee:
"Er bestaat kans met een Zweedsch stoomschip eenige regelen naar het
vaderland te verzenden, en ik gevoel behoefte daarvan in de eerste
plaats gebruik te maken, om een oogenblik met je te gaan praten, opdat
gij in het vaderland een der eersten zoudt zijn, die mocht vernemen
dat tot op dezen dag de Willem Barents gelukkig en voorspoedig de
Noordelijke IJszee bevaren heeft en dat de geliefde driekleur 14 dagen
lang stout en fier gewapperd heeft in de voor ieder Nederlander zoo
historierijke kustwateren van het gure barre Spitsbergen. De goede
gelukster, welke de oude vlag zoo vaak op alle zeeën beschenen heeft,
is ook zeer blijkbaar met ons geweest. Ge zult van kolonel Jansen
een uitvoerige beschrijving ontvangen van ons wedervaren, maar een
ding wil en moet ik u zeggen, en dat is hoe gelukkig wij allen aan
boord van de Willem Barents zijn, en hoe voorspoedig tot dusverre
zoowel het wetenschappelijk als het nautisch werk hier aan boord
steeds is uitgevallen. Wij hebben moeielijke dagen gehad, maar met
ware voldoening mag ieder er op terug zien.
"Gehard en sterk als een pooltocht een mensch maakt, zijn wij
vol veêrkrachtig verlangen om de moeielijkheden, welke ons in de
Nova-Zembla-wateren wachten, te gaan opzoeken.
"Wat stel ik er mij vaak een genoegen van voor om je al onze avonturen
en wederwaardigheden, bij den huiselijken haard, rustig na den eten
te zitten vertellen.
"Het is werkelijk waar, op mijn ruwe nachtwachten verbeeld ik mij
meermalen weer de walsmuziek te hooren en je kinderen te zien dansen
en springen, en die muziek van 't huishouden van den vriend klinkt
den zeeman in hoogst aangename harmonie met de hard doorslaande
windvlagen. Telkens als ik de portretjes van uw kinderen ophaal en
bekijk, denk ik aan dien gezelligen avond van den 3den Mei, toen ik
te midden van al die verbazende drukte der laatste dagen voor het
uitzeilen, nog eens zoo rustig en aangenaam met u ben geweest.
"Wat was het verschil in het begin groot! Dat leven in Amsterdam
met al zijn gemakken en genoegens, en toen op eens, tijdens donkere
nachten, met vier man wachtvolk bij harden wind en stortregens de
nieuwe en nog zoo stijve zeilen reven. Toch zou ik beide levens niet
willen ruilen! Als ik kiezen moest tusschen het altijd in Amsterdam
zijn en het altijd blijven varen, dan koos ik zonder mij te bedenken
het laatste. Het eenvoudige gezonde zeemansleven heeft zoo verbazend
veel voor, vooral als men, zooals wij, aangenaam en gezellig onder
elkander is. Ook onder de bemanning zijn goede stevige kerels, in de
eerste plaats onze beide Marker visschers.
"Mij komt het vaak voor of in hen nog dezelfde groote eigenschappen
schuilen, welke ons zeevolk bezielden in de 17de eeuw. Bedaard,
schrander, ijverig, eenvoudig, en daarbij geestig en gevat. Beiden
zijn verbazend sterk, iets wat, zooals gij begrijpen kunt, nog al
vaak te pas komt, en de jongste, die het nooit moede is te halen en
te trekken, heeft dan ook om zijn gewilligheid en kracht den bijnaam
gekregen van het "hand-stoomliertje."
"Wat staan zij verbaasd over alles wat zij hier zien. Verbeeld je
bij voorbeeld hun verwondering, toen ik hen midden in het ijs op
een eilandje bracht waar duizende ganzen, die daar hun broedplaats
hadden, voor hunne voeten opvlogen, en wij in enkele minuten zoovele
versche eieren verzamelden, als wij maar met eenige mogelijkheid bergen
konden. Zakken, tasschen, zeelaarzen, alles werd met eieren volgepakt,
en als iemand struikelde en viel, dan had men een "omelette au marin."
"Vooral ook met het plaatsen van den grafsteen op het oude verlaten
kerkhof van Amsterdam-eiland waren de beide Markers zeer ingenomen, en
ik moet trouwens zelf ook erkennen dat ik zelden zulk een ernstigen,
aangenamen plicht vervuld heb. Het was slecht weer geweest en
bij Zeeuwschen-uitkijk hadden we onder den hoogen wal voor anker
gelegen. Wat lag het scheepje dien nacht rustig in dat hoekje,
achter al die hooge trotsche bergmassa's! Buiten op zee hoorde men
het loeien van den storm en het bekende geluid der harde windstooten
en aan boord heerschte de grootste stilte, slechts afgebroken door
den eentonigen zachten voetstap van den wachthebbenden matroos op
het dik besneeuwde dek.
"Honderden stormmeeuwen, den strijd op zee moede, hadden zich
in eene dichte massa aan lij van het scheepje neêrgevleid, om in
't vlakke water aldaar uit te rusten van de al te zware rukwinden
daar buiten. Het sneeuwde onafgebroken, waardoor zelfs de steilste
bergwanden met sneeuw werden bekleed en de geheele omgeving een
heerlijk grootsch wintergezicht aanbood.
"Toen het weer na een paar dagen beter werd, koersten wij naar
Amsterdam-eiland. [9]
"'t Was een heerlijke avond, en nog eenmaal deed de barre gure
noordkust zich op haar vriendelijkst voor. Maar het leven en de
bedrijvigheid van vroeger waren nu vervangen door het vroolijk
geklapwiek der tallooze ijsduifjes, papegaaibekken en lommen, die aan
't anders zoo gure natuurtooneel iets opgewekts en levendigs gaven.
"Recht vooruit lagen het eiland Vogelenzang en "het eiland met de
kloof," waar Barents tijdens zijn derde reis het eerste land maakte en
Spitsbergen Nieuwland doopte. Daar bezuiden lag "de Zeeuwsche Uitkijk,"
waar die uit Middelburg en Veere reeds in 1617 hunne traankokerij
oprichtten, toen de machtige Kamer van Amsterdam hun het verblijf op
Amsterdam-eiland nog niet ontzegde.
"Lang duurde dit heerlijk schouwspel niet, want kort daarop wikkelde
de geheele kust zich in haren grauwen avondnevel, die, zich tot ver op
zee uitbreidend, het de Willem Barents moeielijk maakte haar weg naar
Amsterdam-eiland te vervolgen. Als 't ware geblinddoekt, koerste men,
scherp uitkijk houdend en goed naar branding uitluisterend, benoorden
het eiland Vogelzang om, passeerde den noordelijksten hoek er van
op ongeveer 7 kabellengten en zeilde met een gereefde marszeilkoelte
langs de Oostkust van Amsterdam-eiland de Hollandsche baai binnen.
"Het woei zelfs zoo hard, dat vóór men ten anker kon komen, nog
het voorschoenerzeil moest gestreken en 2 reven in 't achterzeil
gestoken worden, waarna de Willem Barents, in een zware bui, dicht
bij de overblijfselen der oude traankokerijen van Smeerenburg weldra
het anker liet vallen. Onbekend met het vaarwater, was de Willem
Barents ten gevolge den harden wind bijna te ver de straat, die
Amsterdam-eiland van het Deensche eiland scheidt, binnen geloopen,
want nauwelijks waren de zeilen gestreken en lag het schip op den
wind gezwaaid, of van alle kanten werden rondom ons klippen ontdekt,
waarvan de grootste (waarop, volgens een oud Hollandsch kaartje,
het schip de Oliphant eens gezeten had) slechts enkele meters aan
bakboord achteruit boven water uitstak.
"Zoodra het schip veilig en wel ten anker lag, gingen de officieren
en manschappen naar den wal om het oude Smeerenburg te bezoeken.
"Wat waren er van die eenmaal zoo druk bezochte levendige plaats,
weinig sporen meer overgebleven! Wat was die vlakte doodsch en
verlaten, waar eens jaren lang zulk een vroolijk gewoel had geheerscht!
"Had men zich voorgesteld, nog veel van het oude Smeerenburg terug
te vinden, dan zou de teleurstelling groot geweest zijn.
"Voor 't kale en verlaten strand lag alléén het Nederlandsch
schoenertje ten anker en door sneeuwjacht en mist slechts gedeeltelijk
zichtbaar, maakte de lage, vlakke kust, "omtrent een kleine
musquetschoot breed," een zeer doodschen indruk.
"De achtergrond bestond uit hooge, donkere bergmassa's waardoor
het eentonig strand er nog vlakker en onbeduidender uitzag dan het
inderdaad was.
"De voormalige plaatsen der 7 Kamers (die van Amsterdam, Rotterdam,
Middelburg, Vlissingen, Enkhuizen, Delft en Hoorn) waren evenwel nog
goed te herkennen aan de overblijfselen der cirkelvormige muurtjes,
waar de traanketels blijkbaar op gerust hadden.
"Men stelle zich verder voor: een wit besneeuwde vlakte, waarvan
alléén dicht aan den waterkant de sneeuw is ontdooid, en die smalle
strook gronds bezaaid met gebroken roode dakpannen, Hollandsch puin,
verbazend groote stukken walvischbeen, sloepriemen, half vergaan touw,
en hier en daar enkele graven, dan heeft men een weinig aanlokkelijk,
doch vrij juist begrip van wat er van die weleer zoo druk bezochte
plaats is overgebleven.
"Het kerkhof aan 't noordelijk uiteinde van het strand was zoo mogelijk
nog treuriger; de meeste kisten waren opengebroken, de grafkruisen
omgewaaid en doodshoofden en beenderen lagen alom verspreid.
"Niet zonder moeite vermocht men eenige grafkruisen te ontcijferen,
waarop stond:
Hier ligt begraven Jan Fred. Meyrot van
Pruysen, is in den Heer gerust, den 19den
Juli op het schip Evenwicht, commandeur
Cornelis Dek, 1778.
of: Hier leijt begraven Uurjaen Klaesz Kromon
van Son...
of: Hier leijt begraven Hendrijk Selden van
Gestack, is gestorven schip Frouw Anna
Kommand. Derk Driewes, 1742.
enz., enz.
"De kisten werden met de halfvergane deksels weder dichtgetimmerd, de
kruisen op nieuw opgericht en den volgenden dag, op het hoogste punt
van den grafheuvel te midden der graven, een groote steenhoop gebouwd,
waartegen met eenige helling de uit het vaderland meêgebrachte steen
werd geplaatst, waarop te lezen stond:
In Memoriam.
Spitsbergen of Nieu-land
ontdekt
tot 79° 30' n. Breedte
door de Hollanders.
Hier overwinterden 1633-34
Jacob Seegersz en zes anderen.
Hier overwinterden en stierven 1634-1635
Andries Jansz. van Middelburg
en
zes anderen.
"Laat in den avond even vóór middernacht, werd door de geheele
bemanning een laatst bezoek aan deze plaats gebracht, bij welke
gelegenheid de kommandant in korte woorden het navolgende zeide:
"Mannen! door het oprichten van dezen steen vervullen wij een wensch
van de Nederlandsche natie, die hier op deze oude begraafplaats van
reeds lang gestorven "Vaderlandsche zeelui," een kennelijk huldeblijk
wil plaatsen, ter herinnering aan de koene daden en den kloeken
ondernemingsgeest onzer onverschrokken zeevaarders. Eeuwen heeft hun
asch hier reeds gerust en als wij rond ons kijken, blijkt dat van vele
dier graven nog slechts weinig is overgebleven, maar wat niet vergaan
is en wat niet zal vergaan zoolang Hollands vlag nog fier op alle
zeeën waait, dat is de achting en eerbied waarmede hun nakomelingen de
herinnering in eere houden aan die mannen, die eeuwen geleden zooveel
gedaan hebben voor de eer en welvaart van 't geliefde Vaderland."
"Het was een vreemd schouwspel, die 14 gezonde, levenslustige zeelieden
op die doodsche grafheuvel van lang gestorven, vaderlandsche zeelieden,
daar op dat verre, vreemde strand, druk aan het werk te zien om een
taak der liefde te vervullen, en ik kan je verzekeren, dat--zoo er
ook al in Nederland personen bestaan die er mede spotten--er geen
onder die 14 mannen was, die niet ernstig onder den indruk was van
het werk dat verricht werd.
"Onwillekeurig dacht ik aan je warm betoog, hoe uit die door ons
geplaatste steenen een kracht kan uitgaan, welke het volk opwekt,
en hartelijk en innig hopende dat wij het samen zullen mogen beleven,
dat die kracht het geliefde vaderland eenmaal tot zegen worden zal,
blijf ik, vertrouwend op de toekomst, uw liefhebbende vriend, die u
thans uit de Noordelijke IJszee den beloofden langen brief toezendt."
Indien wij nu de Barents nog even vergezellen "in den mist" en "in
het ijs," dan krijgen we een duidelijk denkbeeld van den eersten
tocht van dit roemrijk scheepje.