Beynen schreef mij in den tijd dat hij het volk warm poogde te maken
voor zijn ideaal: "Telkens ontmoet ik jonge officieren en minderen,
waar feu sacré in zit voor alles wat in ons vak kloek en grootsch is
te vinden, doch ik denk er meermalen met zekeren weemoed aan, hoe die
jeugdige frissche krachten door teleurstellingen en niets doen wellicht
zullen verwelken. Hoe anders zou het zijn als zij, in plaats van te
passagieren in Indië, avontuurlijke tochten gingen ondernemen; als zij
met fier gevoel van eigenwaarde in onbekende zeeën gingen doordringen,
om later met geestdrift en edelen naijver door hun kameraden en
vrienden in het vaderland ontvangen te worden." Wat Beynen wilde en
door woord en daad predikte, zal verder nog duidelijker aan het licht
komen, want ik moet nu het verhaal van zijn wedervaren voortzetten.
Toen hij overal zijn lezingen gehouden had, werd hij geplaatst op
Zr. Ms. Zeehond, waarop hij met de tot bootsmansleerlingen bevorderde
jongens van de Wassenaar, een oefeningstocht zou maken op de Noordzee,
onder bevel van den overste Guyot.
Den 23sten April 1877 schreef hij aan boord van dit vaartuig:
"Prins Hendrik stond mij gisteren een audiëntie toe. Ruim vijf kwartier
heb ik de eer gehad met Z. K. H. te zitten praten, na alvorens het
boek van Hackluyt Society eerbiedig te hebben overhandigd. Ik heb
den prins vooral gewezen op de commercieele voordeelen, welke uit
tochten naar het Noorden na verloop van tijd kunnen spruiten; welk
een oefeningsschool voor zeelieden de ijsvaart is, en hoe goed voor
den nationalen roem. Z. K. H. sprak van het laten bouwen van een
houten scheepje, en was van meening dat zulks voor geringer kosten
in Zweden kon geschieden."
Den 18den Mei 1877 schreef hij aan boord van Zr. Ms. Zeehond, geankerd
in 't Haringvliet:
"Wij zijn hier van morgen op de reede vertuit, om de jongens te leeren
ketting klaren. De brik manoeuvreert uitstekend, en luistert bijzonder
nauwgezet naar het roer. De loods drukt dit uit door te zeggen: "de
brik is kittelig." Dagelijks zien wij tallooze naamgenooten van onze
kittelige, schoon bejaarde brik op de Zeehonden- en Garnalen-plaat. Zij
laten ons evenwel niet genoeg naderen om een schot op hen te doen,
wat zeer natuurlijk is als men bedenkt dat gelijknamige polen elkander
afstooten.
"We gaan naar Edinburgh, dan terug naar Hellevoet, vervolgens doen wij
een Duitsche haven aan, en dan via Nieuwediep terug naar Hellevoet
en dat voor goed." En later schreef hij: "Slecht weder hebben wij
nog weinig gehad. Alleen een weinig uit het Z. W. en toen ging de
Zeehond opmerkelijk wild te keer. Hij stopte zijn neus tot boven het
vinkennet in het water en rees dan op, en dat zoo snel en krachtig,
dat de bezaansboom uit de mik gelicht werd.
"De schipper verklaarde dat dit niet te verwonderen was, als men
bedacht: dat hij nu weer eens los raakte na 17 jaren aan de ketting
gelegen te hebben."
Kruisende op de Doggersbank, schreef hij den 10den Juni:
"Van daag voor acht dagen verlieten wij de reede van Hellevoet. Toen
wij onder zeil gingen kwam de stuurman, met de laatste brieven van den
wal bij zich, aan boord, en verbeeld u mijn verbazing, toen hij mij een
aangeteekend pakje overhandigde, dat een mooie gouden ketting bevatte,
met de inscriptie: Utrecht, 14 April 1877. Er was een schrijven bij
van prof. Quack, waarin hij mij, namens het Utrechtsche subcomité, de
ketting aanbood, als een herinnering aan mijn lezing te Utrecht. Wat
mij vooral trof was de datum van 14 April, de jaardag van mijn goeden
vader, en meer dan ooit riep dit mij toe, hoe ik toch al deze zaken
aan zijn verstandige en zorgvuldige opvoeding in de eerste plaats te
danken heb."
Toen hij op dezen oefeningstocht was, ontving hij de officieele
mededeeling van de Nederl. regeering dat H. M. koningin Victoria hem
the arctic medal had toegekend. Ik ben in de gelegenheid gesteld om te
lezen wat graaf van Bijland, onze gezant te Londen, aan den minister
van Buitenlandsche Zaken dienaangaande schreef:
"Ik meen hier niet onvermeld te mogen laten, dat Sir Allen Young bij
het overreiken van nevensgaand eereteeken met den meesten lof heeft
gesproken van de vastberadenheid, de kunde en het beleid door luitenant
L. R. Koolemans Beynen voortdurend aan den dag gelegd tijdens zijn
diensttijd aan boord der Pandora."
Op dit eereteeken was Beynen te recht zeer fier. Het was hem een
schoone herinnering aan een leerzamen, belangrijken tijd, toen hij
meer dan zijn plicht deed.
Het is een kleine zilveren medaille met wit satijn lint en zilveren
gesp. Op den eenen kant het borstbeeld van koningin Victoria, en op
den andere een schip in 't ijs.
In Juli kruisende op de Noordzee, schreef hij: "Op de Doggersbank
hebben wij gevischt, zonder evenwel veel te vangen. Op 60° N. Breedte
herinnerde mij de frissche koude noordenwind en het voortdurend
dag zijn, de vaak opkomende nevels en de vele looms weder aan de
"Arctic Regions" en al het lief en leed, dan denk ik met zekeren
heiligen eerbied aan onze lieve, brave, nu ontslapen koningin,
de tijding van wier overlijden ons diep trof. Zeker heeft zij
veel lief en leed gekend, maar ze heeft ook veel liefde betoond en
veel leed verzacht. Moge zij bij ons volk in eerbiedige herinnering
blijven. Onder den indruk der tijding schreef ik uit Edinburg een kort
briefje aan Prins Alexander, die ik begreep dat deze slag ontzettend
zal gevoelen, en in de hoogste mate bedroefd zal zijn, en wellicht
eenigen troost kan vinden in het medegevoel van ieder die hem kent
en weet hoe hartelijk hij zijn moeder lief had.
"Ik vernam te Edinburgh dat er geld blijft inkomen voor de
Noordpoolreis. Met hart en ziel blijf ik hopen dat ons volk op
den reeds ingeslagen weg zal willen voortgaan, tot eer van koning
en vaderland, en tot zijn eigen bestwil. Wat Zweden jaar in jaar
uit vermag, kan Nederland toch zeker ook doen, en in het vaderland
van Barents kan de geest niet uitgedoofd zijn, die eeuwen lang de
Nederlandsche driekleur den weg deed wijzen op alle zeeën der aarde."
Van zijn tocht op de Zeehond gaf Beynen bij mij aan huis eens aan
mijn jongens, na den eten, een belangwekkende beschrijving, welke ik
's avonds uit mijn herinnering opschreef en gelukkig bewaard heb. Ik
had dien dag met hen een bezoek gebracht aan Zr. Ms. opleidingsschip
Admiraal van Wassenaer te Amsterdam. De commandant, kapitein-luitenant
ter zee Steffens, ging het geheele schip met ons rond; we zagen de
flinke jongens exerceeren, we woonden het onderwijs bij, en verlieten
het schip met groote bewondering voor een opleiding en behandeling,
waardoor kloeke zeelieden gekweekt worden, die tucht, gehoorzaamheid
en handigheid in hun jeugd geleerd hebben.
"Weet je wat voor flinke zeelui jongens worden die durven en goed
leeren?" vroeg hij aan mijn zoons, die met hem dweepten. "Dan zal ik
je er eens vertellen hoe de jongens van de Wassenaer het van den zomer
op zee maakten, toen ik met hen naar de haringvloot zeilde. Luister.
"Het is een kalme, schoone Juni-morgen en onze oefeningsbrik drijft
zachtkens, nauwelijks acht slaande op de bewegingen van het roer,
over het spiegelgladde water van de Noordzee. De Zeehond bevindt
zich te midden van honderden Nederlansche visschersschepen,
waarvan de bemanning in de grootst mogelijke drukte bezig is met
het sorteeren en kaken der gedurende den nacht gevangen haring. De
krachtige, frissche zonen onzer kustdorpen werken hard door, want ze
verlangen na het uitputtend werk eenige rust te genieten; evenwel
houden ze toch even op, om over de verschansing naar het schoone
hooggetuigde Nederlandsche schip te kijken, van welks bewegingen ze
zich aanvankelijk geen rekenschap konden geven.
"Voor de eenvoudige visschers was het schouwspel trouwens heerlijk
schoon.
"De breede, zware, sneeuwwitte zeilen--kant bijgezet--spreidden zich
deftig en indrukwekkend over het sierlijk vaartuig uit, dat in de
meeste stilte tusschen de vaartuigen van de visschersvloot voortglijdt.
"De wimpel aan den grooten top, het geheele tuig, de netheid en orde
welke overal heerschen, hebben reeds lang het oorlogschip doen kennen,
waar aan boord, gedurende de morgen-inspectie welke juist gehouden
wordt, de grootste stilte heerscht. Op eenmaal klinken de korte
krachtige commando's van den eersten officier en het geheele schip
schijnt leven en bezieling te krijgen.
"Als door onzichtbare draden bewogen, kruipen de halzen en schoten der
vierkante zeilen vlug en rap naar het midden der ra's, die dadelijk
daarop--als bezwijkend voor dien onverwachten aanval--met luid geraas
langs de stengen omlaag glijden.
"De driehoekige stagzeilen vooruit op de boegspriet verdwijnen als
door een tooverslag, op hetzelfde oogenblik dat het groote brikzeil
met kluchtige deftigheid zich in lange breede plooien samenvouwt.
"Een tweede commando klinkt... en meer dan 80 jonge frissche knapen,
in de nette zeemansdracht der marine gekleed, enteren vlug als katten
van weerszijden tegen het want op; verspreiden zich snel en stil
door het geheele tuig, vatten met flinke, krachtige grepen de zware
onhandelbare zeilen aan, en in minder dan twee minuten zijn allen weêr
omlaag, en is geen stukje zeil meer zichtbaar. Het schip ziet er met
zijn vastgemaakte zeilen nu uit alsof het te Nieuwediep aan de kaai
lag. Nu volgt de eene verrassing op de andere. De zeilen-exercitie
is begonnen; het is zeilen bijzetten en opnieuw bergen; marszeilen
afslaan en verwisselen, zeilen reven of beslaan.
"Onder deze opwekkende, belangrijke exercitie beginnen de jonge
matrozenharten al driftiger en driftiger te kloppen, de altijd
bestaande naijver tusschen de jongens van den grooten top en van den
vóórtop wakkert aan tot een opgewonden poging, om ook nu weêr het
eerste met alles klaar te zijn. De jongens vereenzelvigen zich--zonder
er zelve bewust van te zijn--geheel met de verschillende exercitiën,
en indien men het bezielend commando niet matigde, dan zou de gloed,
waarmede ze werken, aanstonds in wilde drift overslaan, en ze zouden
hun leven er aan wagen om uit wedijver de roekelooste waagstukken te
doen in het tuig.
"De jonge visschers op de sloepen zien met bewondering de exercities
op het oorlogschip aan, en indien nu reeds menige bejaarde visscher
uitroept: "die jongens zijn flinke borsten, hoor!" als zij hen daar
hoog in de lucht, als 't ware aan hun adem zien hangen, hoeveel
dieper zouden ze dan getroffen zijn, indien ze diezelfde kinderen
eenige dagen geleden hadden zien werken. Het was in het begin van den
oefeningstocht. De hoog opgezette zee deed de brik verschrikkelijk
heen en weder slingeren, toen de jongens voor het eerst van hun leven
den wind, wild en woest, met gierende vlagen door het tuig hoorden
huilen. De nacht was stikdonker en het schip steunde en kraakte,
alsof het bezwijken zou onder den druk van de hevig invallende
buien. Toen de marszeilen één voor één dichtgereefd moesten worden,
werden de oudste en sterkste jongens op dek gemonsterd, en gingen
ze op het commando van den kapitein het tuig in, om, denkelijk met
kloppend hart, maar met de lippen op elkander vol waren mannenmoed,
hun verschillende plaatsen op de ra's te gaan innemen.
"Toen ze boven op de marsra waren gekomen en elkander nauwelijks
onderscheiden konden... toen de aanmoedigende stem van den commandant
al sinds lang niet meer te hooren was in dien baaierd van wilde,
ongekende geluiden... toen elke windvlaag werkelijk dreigde hen naar
omlaag te zullen slingeren... toen een hunner sterkste makkers met een
gil zijn houvast verloor en in den donkeren nacht omlaag viel--zonder
zich echter ernstig te bezeeren--... toen was het meer dan mannenmoed,
het was de ware bezieling, het heerlijk instinct van een oud, beroemd
zeemansgeslacht, dat die kinderen over de slingerende rondhouten naar
buiten deed enteren, alsof ze oude bevaren matrozen waren.
"Zulke oogenblikken vormen mannen en hoe meer men er van hoort en ziet,
des te meer wint de overtuiging veld bij ons, dat zulke zeemanschap
gekweekt moet worden, indien wij op onze vloot die zelfdenkende,
stoute, wakkere karakters willen houden, die zoo vaak den roem zijn
geweest van ons volk.
"Zeemanschap leert denken, handelen en opletten: geeft zelfvertrouwen
en moed.
"Evenals een soldaat dubbele waarde heeft, als hij deze eigenschappen
heeft verkregen in tal van veldtochten, zoo krijgen de koppen op
Zr. Ms. schepen hun volle waarde eerst, wanneer ze op vele moeielijke
reizen, van hun jeugd af zeemanschap hebben geleerd.
"Van den aanvang af moeten de jongens beseffen, dat een zeeman geen
werktuig maar een denkend wezen is, op wie groote verantwoordelijkheid
rust, en die zichzelven en anderen redt door tegenwoordigheid van
geest en vlugheid.
"Een jongen, die bij harde bries een boven-bramzeil gaat vastmaken,
ondervindt al dadelijk, dat hij met gezond verstand en kalm overleg
vrij wat gemakkelijker slaagt, dan indien hij volgens ingeprente
lessen, mannetje voor mannetje, precies naar het voorschrift handelt.
"Een matroos die marsgast is en, bij het onderzeil gaan, als er wat
aan hapert, onder het oploopen der marszeilen, door onmiddellijk te
handelen, verdere stoornis voorkomt, begrijpt hoe hij daardoor vaak
het schip vrijwaart voor een gevaarlijke botsing met een ter reede
liggend vaartuig.
"Een roerganger, die op een moeielijk oogenblik het roer verkeerd aan
boord draait, weet dat zulk een misslag den ondergang van het schip
en de bemanning ten gevolge kan hebben.
"Dus komen er op zee aanhoudend en ongemerkt duizenden gevallen voor,
waarin matrozen die eigenschappen ontwikkelen, welke in de marine
zoo onontbeerlijk zijn, en die de flinke jongens van de Wassenaer op
zeilschepen moeten oefenen. Ze zijn goed onderlegd en als ze maar
niet te vroeg naar Indië gaan, doch op onze zeeën geoefend worden,
groeien ze op tot voortreffelijke zeelieden.
"Naarmate de stoomvaart de overhand krijgt, komen er meer en meer
zeesoldaten, artilleristen en machinisten in plaats van matrozen aan
boord. Het gevaar hiervan is groot. Geen onjuister denkbeeld is er,
dan dat op stoomschepen geoefende matrozen overbodig worden.
"En in de koninklijke marine vooral zijn ze broodnoodig. Op onze
kruisers, op onze launches, onze torpedo-booten, onze sloepen, kunnen
wij zelfs minder dan ooit, zelfdenkende, vlug handelende, bedaarde,
ervaren zeelieden missen.
"Alles wat zeemanschap kweekt, verdient dus aanmoediging en
steun. De opleiding op een schip als de Wassenaer, tochten
op oefenings-brikken, kruistochten van het eskader--met weinig
stoomen en veel zeilen--stoute, kloeke ontdekkingstochten in verre,
gedeeltelijk onbekende zeeën, dit alles verdient den steun van
regeering en publiek. Dus blijft de avontuurlijke, ondernemende
matrozengeest inheemsch, en de officiers, die met de jongens op de
oefeningsbrik geweest zijn, erkennen, dat enkel iets aangemoedigd
moet worden wat reeds bestaat. De oude geest van Janmaat is er nog,
en flink en degelijk zeevolk zullen we behouden, als we in het Noorden
de groote oefenschool openhouden, waar ook Michiel Adriaanszoon de
Ruiter, op zijn reizen naar Groenland's kust, dien kalmen moed en
die zeemanschap ontwikkelde, welke zijn naam onsterfelijk maakten."
Dit was Beynen's verhaal, en het had op mij zoo'n indruk gemaakt,
dat ik hem een paar dagen later om nadere inlichting vroeg over die
noodzakelijkheid van zeemansgeest bij jonge matrozen aan te kweeken,
waarover hij steeds sprak. Reeds den volgenden dag schreef hij mij
het volgende antwoord op mijn brief.
A/B Z. M. Wachtschip, Amsterdam 11 Jan. 1878.
Beste Vriend!
Nog een paar woordjes om te zien in hoeverre ik aan je verzoek kan
voldoen, door mijne meening uit te spreken en te argumenteeren, hoe
noodig het is bij den tegenwoordigen toestand onzer marine zeemanschap
en zeemansgeest aan te kweeken.
De met zorg behandelde opleiding der Wassenaer en Anna Paulowna gewent
van kindsbeen onze toekomstige matrozen aan het scheepsleven. 's
Zomers varen zij op kleine zeilscheepjes in de Zuiderzee en na
twee jaar komen zij op ± 16-jarigen leeftijd a/b van eskaders of
oefeningsschepen als de brik de Zeehond.
Wanneer zij nu 't geluk hebben in dien tijd veel te varen en veel
te exerceeren, dan draagt hunne eerste opleiding al dadelijk goede
vruchten en op 19-jarigen leeftijd is een goed fond gelegd, waarop
met succes verder kan gebouwd worden.
Zij zijn gezond, sterk, vol ijver, vatbaar voor hoogere geestdrift en
dikwijls bezield met een feu sacré voor hunne betrekking, dat ons de
overtuiging geeft hoe met verstand en tact alles van die jongens te
maken is. Nevensgaand eenvoudig fatsoenlijk briefje, tot mij gericht
door een 19-jarig bootmansleerling die de brik verliet, billijkt dan
ook mijns inziens bovenstaande zienswijze.
Nu komt echter de tijd, dat zij voor ruim drie jaar naar Indië moeten,
en hoewel zij daar hun beste, hunne heiligste krachten opofferen in
't wezenlijk belang van 't geliefde vaderland, toch blijft het niet te
ontkennen, dat door het voortdurend varen op kleine stoomschepen die,
zoo ze niet op rivieren varen, verspreid door den archipel kruisen,
veel zeemanschap maar vooral en bovenal veel zeemansgeest verloren
gaat.
Drie kwart van onze marine nu brengt het grootste gedeelte van hun
diensttijd in Indië door, verder op stoomschepen en pantserschepen
in Nederland, maar slechts een klein gedeelte blijft herhaaldelijk
op zeeschepen varen.
Juist met 't oog daarop is 't wenschelijk dat iedere richting gevolgd
wordt, die als tegenwicht tegen het noodzakelijke doch minder leerzame
dienen in Indië dienstig kan zijn om zeemanschap en zeevaartsgeest
aan te kweeken en te verhoogen.
Een verkenningstocht in de N. IJszee is bij uitstek geschikt om juist
deze beide eigenschappen bij zeevolk aan te kweeken. Het moeielijke,
het avontuurlijke, het eigenaardige van de ijsvaart vormt mannen, die
lust krijgen om moeielijkheden op te zoeken en te overwinnen, en geeft
hun als belooning een gepast gevoel van eigen kracht en eigenwaarde,
die zeker heerlijke vruchten zal dragen, als zij op hunne posten
geroepen worden om in tijd van nood, het vaderland te verdedigen.
Reeds in mijn verslag van 1875 schreef ik:
"Ieder zal erkennen, dat het voortdurend in gevaar verkeeren, dat
deze vaart met zich brengt, voor den zeeman meer leerrijk is, dan
het varen op een schip, dat, als het eens den goeden koers heeft,
dagen lang kan doorleggen zonder eenig gevaar te duchten te hebben.
"Niet alleen dat de zeevaarder in de ijszeeën, door het aanhoudende
manoeuvreeren, gemakkelijk en vlug met zijn schip leert omgaan,
maar hij zal ook snel een gevaar, waarin hij zich onverwacht bevindt,
leeren overzien en daardoor dadelijk en beraden zijn maatregelen weten
te kiezen, om het te ontwijken of het kalm en bedaard te doorstaan.
"Mannen als Ross, Parry, M'Clure en Nelson, hebben dan ook
herhaaldelijk betuigd, dat zij eerst in de met ijs bedekte zeeën hun
opleiding als praktisch zeeman ontvangen hebben.
"Doch wij Nederlanders hebben deze bevestiging niet in den vreemde te
zoeken. Tal van onze meest stoute en onverschrokken zeevaarders zijn
toch in de ijszeeën gevormd; de ijszee was het oefenveld, de leerschool
voor die stoute zeelieden die de eer van ons land zoo vaak op alle
zeeën van den aardbol ophielden en het voorbeeld van den onsterfelijken
Heemskerk, die in de armen der overwinning voor Gibraltar 't leven
laat, is voor het nageslacht nog niet verloren gegaan.
"Toch zoude het verkeerd gezien zijn, om van een enkelen tocht van de
Willem Barents groote gevolgen te verwachten om de aloude zeemansgeest
en de aloude zeemanschap bij onze marine terug te krijgen.
"Daartoe is het aantal menschen die er aan deel kunnen nemen veel
te gering, maar wanneer onze natie het ernstig wil dat wij nog eene
zeevarende natie blijven, dat wij nog werkelijk goed zeevolk blijven
vormen, dan moet de reis van de "W. B." de eerste stap zijn in eene
richting, waarin onze marine zich later op grootere schaal kan gaan
voortbewegen. Dan moeten daaruit voortvloeien reizen, zooals de
Zweden die tegenwoordig zooveel door hunne marine doen ondernemen,
n. l. wetenschappelijke reizen met oorlogschepen.
"Sinds 1858 hebben de Zweden vijf expedities naar de N. IJszee
ondernomen met kleine, sterk gebouwde zeilscheepjes, waarmede zij
voor de wetenschap meer resultaten verkregen dan de Engelschen
met hunne tochten op schepen die millioenen kostten, groote
expedities met stoomschepen, die meer dan 1 1/2 millioen pond
sterling gekost hebben. Daaraan voegden zich reizen, om de zeeën,
die Noorwegen en Zweden omringen, wetenschappelijk te onderzoeken,
en op 't oogenblik heeft de Zweedsche marine zich zoo krachtig
in die richting voortbewogen, dat zij in dezen zomer behalve één
groote wetenschappelijke poolexpeditie met een stoomschip de Vega,
bemand met marine-officieren en manschappen, tegelijkertijd in de
Noord-Atlantische Oceaan met het oorlogstoomschip de Vöringen, een
soort Challengerreis verrichten, terwijl de oorlogschepen Alfhild en
Gustav of Klint onder leiding van prof. Ekman eene hydrographische
expeditie in de Oostzee zullen ondernemen.
"In die richting kweekt de kleine Zweedsche marine lust, ambitie,
ijver, zeemanschap, zeemansgeest bij haar volk en officieren aan;
en dien weg moeten wij zooveel te meer trachten na te volgen, omdat
onze marine, juist door onze koloniën, in ongunstige omstandigheden
verkeert.
"Het dienen in Indië maakt als hoog noodig tegenwicht een bewandelen
van de Zweedsche richting voor ons dubbel noodzakelijk.
"En nu nog een woord voor hen die beweren, dat wij in de toekomst geen
matrozen meer noodig hebben, dat, waar de stoom meer en meer toepassing
vindt, wij ons zeevolk door zeesoldaten kunnen doen vervangen.
"In tijd van oorlog hebben wij bij onze marine noodig sterke, gezonde
gestellen, die vele vermoeienissen kunnen doorstaan, vóórdat hunne
geestkracht er door gebroken wordt, mannen die durven en die dadelijk
en snel weten te handelen, mannen met een vasten wil en "iron nerves",
en juist deze eigenschappen worden uit duizend kleinigheden, reeds
in tijd van vrede, bij menschen ontwikkeld, die veel op zee varen.
"Zij leeren durven, attent zijn, kalm blijven en handelen, zien
dat zij de bakens moeten verzetten naarmate het getij verloopt,
en verwerven die eigenschappen, die vroeger deden zeggen, dat een
zeeman voor alle baantjes geschikt was.
"Voor alle die hoedanigheden is geen beter oefenveld dan de zee, en
willen we stout ondernemend zeevolk krijgen en behouden, dan moeten wij
beginnen met er geene zeesoldaten, maar wel zeematrozen van te maken.
"En nu, waarde vriend, ga ik eindigen, het in 't midden latend of dit
supplement op mijn verhaal aan je jongens je duidelijk maakt wat ge
begrijpen wilt.
"Ge ziet er uit hoe het mijne meening is, niet alléén poolreizen te
ondernemen, maar ook reizen zooals de Zweden die doen, met de bedoeling
om wetenschappelijke reizen op zeilschepen te doen ondernemen.
"Maar vooral en bovenal, veel blijven varen."
Uit gesprekken met hem gevoerd, kan ik aanvullen wat hij in dezen
brief schreef, opdat men wel beseffe wat zijn streven was. Indien
ik vergissingen bega, door onwetendheid of doordien mijn geheugen
mij in den steek laat, dan wijte men ze niet aan hem, die altijd
even hartelijk en waardeerend van de Nederlandsche marine sprak,
maar mij. Gedurende zijn verblijf in Indië had hij genoeg gehoord
en opgemerkt om in te zien dat in enkele opzichten de ziel, het
esprit de corps aan de marine ontbrak, dat er geen leerschool was
om zich te bekwamen, geen prikkel om zich op zee te onderscheiden,
geen oefenschool om met koene voorzichtigheid te leeren durven,
en zich voor te bereiden tot een worsteling tegen overmacht.
Instinktmatig gevoelde hij dat we noodig hadden om ons op dezelfde
wijze te oefenen en te ontwikkelen als de voorvaders deden, en dat we
daartoe weer moesten doen wat de marine vóór den Franschen tijd deed.
Het korps zeeofficieren vóór de revolutie in 1795 was hoogst
gedistingueerd, zeer beschaafd, ervaren en bekwaam. Het werd echter
tijdens de revolutie door Peter Paulus ontbonden en vervangen
door mannen van minder gehalte, die er zich op beroemden door de
kluisgaten aan boord te zijn gekomen. Grof schelden en slaan kreeg
toen den boventoon en behield dien eenige jaren. Na 1815 ontstonden
er twee stroomingen in het officierskorps der marine. De uit
krijgsgevangenschap van de Engelsche pontons teruggekeerde officieren
brachten Engelsche uitdrukkingen en indrukken mee. De officieren
daarentegen die op de Fransche vloot gediend hadden, waren in de
eerste plaats militairen geworden. Zij hadden soldatesquen geest en
manoeuvres de force op steeds ten anker liggende schepen geleerd. De
Engelsche napraters hadden de meeste zeemanschap en zeemanskennis,
doch de stuurman bracht het schip in zee, en de officieren waren
niet meer met hart en ziel zeelui gelijk de Trompen en de Ruiters
waren. Het eskader, dat we van 1818 tot '30 in de Middellandsche zee
hadden, moest dus den grond leggen voor een wedergeboren marine, maar
indien we ons niet vergissen, geschiedde dit te veel in den Franschen
geest, en leerde men in de eerste plaats exerceeren en manoeuvreeren,
terwijl men geen zeelieden, geen "navigateurs" vormde. Toch was het
een goede oefenschool. In 1830 werd het eskader teruggeroepen en
tijdens den langgerekten oorlog met België kwamen de officieren op
de Schelde en bleven tot 1836 binnengaats op de kanonneerbooten;
wat door het eskaderleven gewonnen was, ging aldus verloren. Men
trachtte dit te herwinnen door eenige schepen jaarlijks een week
of wat te laten zeilen, maar men vond het te kostbaar en achtte de
resultaten te gering voor het geld.
De vaart op Indië rond de Kaap vormde echter zeelieden, en hun aantal
nam toe nadat de adelborsten van Medemblik kwamen. Nu werd meer
en meer zeemanschap verkregen, maar ging daarentegen het militair
karakter weer verloren, dat de marine toch hebben moet, en dat alleen
verkregen kan worden door het zeilen en manoeuvreeren van eskaders.
In dien toestand was de vloot, toen de stoom nog meer verwarring
kwam aanbrengen. Wat geschiedde? Het kruisen werd kostbaarder, daar
de steenkolen geld kosten, en van den wind--die geen geld kost en
zeelieden vormt--werd te weinig gebruik gemaakt. Ook het ontbreken
eener doorloopende batterij deed kwaad. Hierbij kwam de afscheiding
van koloniaal en Nederlandsch materieel, waardoor men verplicht werd
het personeel der marine op passagierschepen door het Suezkanaal
naar Indië te zenden, wat zelfs geen oefentocht was. Ten slotte kwam
het pantseren van schepen in zwang. Nederland moest mede doen,--al
blijft de zeemanschap der levende krachten allen pantsers ten slotte
toch de baas--en de landverdediging door deze logge ijzeren gevaarten
vorderde een bijzondere opleiding binnenslands, zoodat de militaire
eischen die van den zeeman overstemden.
Het varen op stoomschepen in Indië en het varen op monitors in de
binnenwateren van Nederland zijn onvoldoende om De Ruiters te kweeken,
meende Beynen. Hij zag dit eerst langzamerhand in, daar hij het geluk
had dadelijk de expeditie naar Atjeh mede te maken, toen de marine
geduldig en moedig haar lijden verdroeg voor Atjeh en op land haar
eer schitterend handhaafde, wat Bogaarts aan de Oostkust in zee deed.
Het was omdat hij dit alles inzag, dat hij een beweging wilde beginnen
om de oude traditie der roemrijke Nederlandsche marine te doen
herleven, en de oude oefenschool van zeemanschap weer op te zoeken.
Hij zelf kon dit alles niet zoo zeggen, als hij naar het Noorden
wees. Het zou aanmatigend geschenen hebben in zijn mond, en
hoe nederig en eenvoudig hij was, weten wij, zijn vrienden, het
best. Geen onverdiender, onrechtvaardiger beschuldiging werd ooit
tegen iemand uitgebracht, dan die van enkelen welken hem betichtten van
onnoodige drukte te maken..., wat men in de Marine gelukkig niet kan
verdragen. Ik heb nooit iemand ontmoet zoo bescheiden en onzelfzuchtig
als de jonge held, wiens leven ik niet kan beschrijven zonder dat
telkens in mijn hart de bede opkomt, welke een hoofdofficier der
marine uitte toen hij mij schreef: "Geve God, dat wij nimmer gebrek
aan Beynen's mogen hebben, als onze vloot ooit moet toonen wat zij
tegen een Europeeschen vijand vermag."
Doch juist daarom wensch ik dat de les van zijn leven en streven
niet verloren ga. Volgens zijn overtuiging was Indië in vele
opzichten nadeelig voor die groote en heerlijke eigenschappen,
welke den Hollandschen zeeman steeds kenmerkten, wiens houten bodem
in tijd van gevaar het ondoordringbaar schild van zijn land placht
te zijn. Verleden jaar schreef hij nog uit Indië: "Langs een kust
stoomen of op een reede liggen, schijnt de meest normale positie van
Nederland's vloot in onze overzeesche koloniën te zijn, en ofschoon
het goed moge wezen, dat onze oorlogschepen niet meer als in de dagen
van admiraal Collingwood 21 maanden aan één stuk onder zeil blijven,
zonder dat al dien tijd het anker slechts ééns in den grond mocht gaan,
zoo geloof ik toch dat de tegenwoordige toestand niet gezond is."
Doch zijn aanmerkingen betroffen de reglementen en instellingen, niet
de officieren. In denzelfden brief waarin hij de weinige activiteit
der marine betreurt, schreef hij:
"Ik moet zeggen dat ik verbaasd ben over de stipte wijze waarop
de wachtluitenants van de hier op de ree van Batavia liggende
oorlogschepen hun dienstplicht à coeur nemen.
"Wanneer men bedenkt hoe eentonig vervelend de dagelijksche
reê-dienst is--terwijl het weldra veel te duur wordt soms aan land
te gaan--dan noem ik de stipte nauwgezetheid en conscientieuse ernst
verbazingwekkend en schoon, waarmede de officieren maanden lang aan
één stuk hun eenvoudige scheepsdiensten verrichten.
"Enkele blijven maanden lang op de ten anker liggende, drijvende
kazernes aan boord, zonder ooit voet aan wal te zetten, en de eerste
officiers zoowel als de tweede klasses vervullen dan dagelijks
nauwkeurig en oplettend de onbeduidendste scheepsdiensten, en geven
het voorbeeld, waardoor het inwendige der schepen er goed blijft
uitzien. Geen wonder echter dat al de officieren van het ramtorenschip
Koning der Nederlanden blij waren toen zij, na zes maanden voor anker
gelegen te hebben, veertien dagen in Straat Sunda gingen kruisen."
Indië trekt voortdurend heerlijke krachten uit Nederland, doch het
Oosten gaat verkwistend om met de kracht uit het Noorden. Dit toont
Beynen in de volgende woorden aan:
"Het verdient opmerking dat de meeste hier zijnde officieren eerst kort
in Indië zijn, en dit is mij een nieuw bewijs dat het tegenwoordig
in zwang zijnde dienstsysteem ten minste dit voordeel heeft, dat er
in Indië telkens jonge frissche krachten worden aangevoerd, die in
den eersten tijd met toewijding al hun beste krachten aan den dienst
offeren, vol geestdrift voor hun vak en hun land. Hoe jammer echter
dat al die nobele krachten uitsluitend ten bate komen van Indië,
dat zoodoende op de meest goedkoope wijze de beste vermogens, den
geest en het lichaam gebruikt van een personeel, welks opleiding aan
Indië niets gekost heeft, en voor welks oefening het ook heden nog
niets over heeft."
Ik maak gebruik van deze opmerkingen die Beynen, al pratende met
een vriend, dus uit den mond vielen, omdat hij met hart en ziel
de marine liefhad, en het hem smartte, ter wille van het dierbaar
vaderland, op te merken hoevele jonge levens en frissche krachten
Indië jaarlijks verslindt, zonder dat Nederland of Kolonie er door
gebaat wordt. Iemand die zoo waardeert en bewondert en liefheeft
als hij, die aanmerkingen maakt op "measures" maar niet op "men",
is geen vitter, en zijne opmerkingen op zoo bescheiden wijze geuit,
durf ik publiek te maken, overtuigd dat ze zijne nagedachtenis niet
schaden zullen, en wellicht zijn geest zullen doen voortleven.
Veel van den sleur, welken hij opmerkte en betreurde, weet hij aan
het feit, dat zoo weinig personen in Indië werkelijk de noodige macht
bezitten om te doen en te bevelen wat ze zien dat noodig is. Niemand
durft iets op eigen gezag te doen, en er zijn zulke tallooze
voorschriften, dat ze als een keten alle vrijheid van handelen aan
de tegenspartelende hoofden van departementen en aan de officieren
benemen, zoodat zelfs de gouverneur-generaal geen verouderde kartetsen
durft opruimen, zonder dat daarover met den minister te 's Hage is
gecorrespondeerd, en niet deskundige ambtenaren daarover gedurende
maanden kilometers papier vullen.
Dit voorbeeld, dat mij ter oore kwam, geef ik slechts om Beynen's
opmerking duidelijk te maken. Hij betreurde het voor de marine en
voor de flinke officieren vol geestdrift en ijver, dat alles over
zooveel schijven moet loopen, en zelfs in détails geen hervorming
kan worden ingevoerd, omdat niemand de noodige macht schijnt te hebben.
Om Beynen's streven en zijn geestdrift voor het Noorden wel te
begrijpen, moet men beseffen hoe hij voornamelijk een tegenwicht zocht
voor het ontzenuwend dienen in Indië, ten gunste van dat personeel
der marine, hetwelk hij zoo innig waardeerde. Het kon hem zoo aan
het hart gaan, dat de flinke, uitstekend opgeleide jongens van de
Wassenaer en de Anna Paulowna al zoo spoedig voor Indië moesten
geofferd worden. Eens schreef hij: "De opleidingsschepen zijn zoo
uitstekend goed, maar waarom moeten die jeugdige, stelselmatig goed
gevormde jongens, die dappere zeemanshartjes al dadelijk in Indië in
een niet varende marine aan de vuurproef der zon onderworpen worden? In
plaats van het gezonde, sterkende leven van een lange oefeningsreis
in het Noordelijk halfrond, waarop dag en nacht geëxerceerd wordt,
en aanhoudend de handen uit de mouw moeten gestoken worden, gaan zij
nu op een stoomschip der Maatschappij Nederland als passagiers naar
Indië, en dienen jaren lang in een ontzenuwend klimaat op ten anker
liggende schepen of op kleine, huiselijk ingerichte stoomscheepjes. Om
den tijd stuk te krijgen en de mannen tenminste bezig te houden,
worden dan tableaux van werkzaamheden ontworpen, en moeten de jongens,
jaren lang, dag aan dag verveeld worden met zeer elementaire theoriën
over geschut, inrichting, geweer, tuig, richten enz., welke zij op
het opleidingsschip veel beter gekend hebben."
Kan het misschien nut hebben hierop te wijzen, en is het mogelijk
dat de opmerkingen van een jongen, bescheiden zee-officier, die
zijn vaderland meer dan zich zelf beminde, aan onze Tweede Kamer
aanleiding geven tot onderzoek en degelijke bespreking der belangen
van onze marine?
O vertegenwoordigers van Nederland, denkt aan de landsverdediging;
helpt de kloeke zee-officieren zoovele heerlijke krachten voor het
vaderland te bewaren; geeft desnoods een gepantserd schip minder, maar
zendt Zr. Ms. schepen over de oceanen; werpt de schoolmeesters-theorie
over boord en geeft meer praktijk daarvoor in plaats. Dat er een
einde kome voor al die jonge mannen aan het herkauwen van minder
goed gekruide spijzen, en geeft hun in plaats daarvan frisschen kost
en de levenwekkende zeelucht van het Noorden. Laat zeelui niet op
meest ten anker liggende schepen en hier op straat of ginds door den
Archipel slenteren. Laat een wetenschappelijk korps, als dat onzer
zee-officieren, gelijken tred houden met hun evenknieën. Laat de
hydrographen de kusten van alle eilanden van den "gordel van smaragd"
in kaart brengen; staat den officieren toe zich te onderscheiden in
tijd van vrede; laat jaarlijks het eskader in de wateren van Azië
en Europa kruisen en ontplooit de roemrijke driekleur in Oost en
West ook buiten onze bezittingen. Zendt de Hollandsche zeelui naar
Noordelijke en Zuidelijke IJszee; maakt hen vertrouwd op onstuimige
wateren; leert de jongens in winternachten onze kust te bezeilen; maakt
jonge luitenants ter zee zoo bekend met onze gronden alsof ze jonge
loodsen waren; hijscht de zeilen op zeilschepen met stoomvermogen,
niet op stoomschepen met zeilvermogen, en kweekt daar jonge mannen,
die in plaats van in doffe onverschilligheid en gedwongen vadsigheid
hofjesdienst op een Indisch wachtschip te verrichten, sterk en frisch
en gezond zouden blijven, om met een schild van nobele harten Holland
aan de zeezijde te beschermen in het uur van nood.
Naar het Noorden dus, zeelui van Nederland; laat de stormwind die
over de ijsvelden buldert uw krachten stalen, uw bezieling levendig en
frisch houden. Daar vindt ge de oude beweegkracht, de stalen veerkracht
die onze marine eens beroemd maakte. Het Noorden verdient nog steeds
wat Nicolaas Beets het in 1834 toezong:
Blondlokkige, die op den ijsberg troont,
Aan de opperste as der wentelende aard verheven;
Die 't edel hoofd met sneeuw en kegels kroont;
Een scepter voert, waarvoor de volken beven;
Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat,
Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt,
En met den blos des levens op 't gelaat,
Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt,
't Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt,
En de ondergang in weelde en dartlend tegengaat!
Van u gaan kracht en leven uit en moed
En heldendeugd, die edel en vertrouwd is
Als 't blauw metaal, dat aan uw blanken voet
Den bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is;
Gezondheid vlot uw zuivre lippen af,
En stroomt van u het zachtelijk Zuiden tegen,
Dat, half verteerd en bukkend over 't graf,
Geen kracht meer kent dan die uw adem 't gaf,
En 't waagt door list uw grootheid op te wegen,
U, die 't doen zwijmlen kunt door 't draaien van uw staf!
Zij strekt de handen naar uw zonen uit,
Die zwijgend 't hoofd voor haar bedwelming bukken,
Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit,
En juicht zich toe met keetlend hartverrukken;
O, wek hen, doe hen opstaan in hun macht;
Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden;
Hard, hard hun 't lijf, en stevig met uw kracht
De vuisten, die de greep van 't zwaard hervonden?
Gesp Noorden! gesp het stalen harnas aan!
Ten strijd, ten wraak voor 't half ontwricht Europe!
Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!