Zoodra Beynen van den tweeden tocht was weêrgekeerd, gebruikte hij
elk vrij uur in den winter van 1876-77 om zijn landgenooten op te
wekken tot belangstelling in de ijsvaart.
In Dec. '76 sprak hij voor het eerst van zijn leven in het openbaar ten
huize van baron van Wassenaer van Catwijck. "Mevrouw van Wassenaer,"
schreef Beynen, "wetende dat ik de Noordpoolzaak meer populair wilde
maken, bood mij haar salon aan om een en ander aan hare gasten mede te
deelen omtrent het hooge Noorden. Er is mij dus gelegenheid geboden
om voor een gezelschap van grooten invloed in den lande, een zaak te
bepleiten, die den krachtigen bijstand der aanzienlijken niet ontberen
kan. Ik heb zeer geaarzeld, daar ik nog nimmer in het publiek gesproken
heb. Doch van oordeel zijnde dat, wanneer ik het er goed afbracht,
dit de zaak helpen zou, heb ik maar aangenomen. Een luitenant ter
zee moet het gevaar onder de oogen durven zien."
Enkele gasten van mevrouw van Wassenaer, die Beynen dien avond hoorden,
hebben mij geschreven welk een diepen indruk hij op hen maakte, en
hoe hij hen bezielde met de begeerte om er toe mede te werken dat
een Nederlandsch schip voor het Noorden zou worden uitgerust.
En zij, die hem in de volgende maanden, overal in den lande,
voor de vuist hebben hooren spreken, tot aanbeveling van de zaak
welke hem dierbaarder was dan het leven, zullen hem evenmin ooit
vergeten. Gelijk in een hoofdartikel van de Middelburgsche Courant
treffend werd opgemerkt, is het een wonder geweest "dat hij,
de jonge man, de luitenant-ter-zee van luttel dienstjaren, zijn
eigen geestdrift en ondernemingszucht deed ontvlammen bij grijze
vlagofficieren, ernstige staatslieden, bedachtzame geleerden en hen
voor zijne plannen wist te winnen. Hij trok als een andere Peter
van Amiens geheel Nederland door, optredende in zalen en zaaltjes
in alle deelen des lands, voor een onbekend en onvoorbereid publiek,
zoekende zielen te winnen voor den kruistocht, dien hij wenschte: de
tocht van Nederlanders naar de Poolzee." Professor Nicolaas Beets,
die hem te Utrecht hoorde, schreef mij over hem: "Het was mij een
geluk de brieven, welke gij van uw vriend ontvingt, te lezen, waarin
wij dien voortreffelijken jongen man hooren, zien, en honderdmaal met
geestdrift de hand drukken. Menig traan kwam er mij bij in de oogen,
van weemoed niet, maar van dat zekere gevoel, dat ons zoo overstelpend
kan aandoen waar wij in aanraking komen met vonken en stralen van waren
zielenadel. Ik twijfel niet of de jonge held zal nog lang na zijn dood
kracht wekken. Ik heb hem gehoord met bewondering, met een klimmend
gevoel van liefde. Alles ontwikkelde zich natuurlijk en bevredigend
en wij hoorden (zeldzaam genot) uit zijn mond eens "cette éloquence,
qui se moque de l'éloquence" in haar onvergetelijke kracht. Opzoomer
zat naast mij, en wij waren beide opgetogen."
Deze lof van Nicolaas Beets verdiende Beynen. Want wat hij in die
redevoeringen gaf; was zijn hart en zijn ziel; zijn redenaarsgave was
geen door oefening verkregen vaardigheid of kunst, maar de innige, hem
verterende geestdrift zocht zichzelve een uiting en maakte woorden, als
het juiste woord zich niet spoedig genoeg voordeed; zijn buitengewone,
bewonderenswaardige gave als redenaar was meer een natuurkracht dan
een kunst. Daardoor gelukte hem wat de meest welsprekende redenaar
vaak vergeefs beproeft: hij wist zijn vuur en zijne bezieling over
te storten in het gemoed der aanvankelijk onverschillige menigte die
hem aanhoorde.
Wie Beynen hoorde, kende hem dan ook onmiddellijk. Hij gaf
zichzelf. Wat de Musset van la Malibran zeide, die ware tranen weende
op het tooneel, diep gevoelde wat ze zong en dan ook jong stierf,
kan men ook van Beynen zeggen:
Ce qu'il nous faut pleurer sur ta tombe hâtive,
Ce n'est pas l'art divin, ni ses savants secrets,
Quelque autre étudiera cet art que tu créais,
C'est ton âme indomptable et ta grandeur naïve,
C'est cette voix du coeur qui seule au coeur arrive,
Que nul autre, après toi, ne nous rendra jamais.
Het was die stem van innige overtuiging, van warm gevoel, van heilige
geestdrift, welke tranen bracht in de oogen der vrouwen, en de mannen
dwong om zich als vrijwilligers bij hem aan te sluiten.
Doch omdat het geen kunst maar natuur was en hij zich zelf gaf,
vermoeiden die tallooze redevoeringen hem onbeschrijfelijk. Ze putten
hem uit; het vuur dat hij anderen mededeelde verteerde hem zelf.
Hij schreef mij: "Sta mij toe even wat te pruttelen en te klagen,
want ik ben op. Het doet goed soms hardop te mopperen, want het
verlicht ons. Het is nu en dan verschrikkelijk steeds hetzelfde te
moeten herhalen, en dat vooral als het publiek lauw en onverschillig
is. Men vindt niet overal een gehoor als te Amsterdam, te Utrecht,
te Middelburg en te 's Hage."
En aan kolonel Jansen schreef hij: "Ik houd nu dag aan dag voordrachten
en slijt dus ongewoon vermoeiende dagen. Ik wind mij te veel op, en dat
gevoegd bij weinig slaap en overdag reizen maakt dat ik ongeloofelijk
dankbaar zal zijn, wanneer deze tocht door het land geëindigd zal zijn.
"Gelukkig word ik nu en dan gesterkt door aangename medewerking. Het
Gids-artikel van een vriend die begrijpt wat ik wil, deed mij goed en
in enkele steden, zooals b.v. in Middelburg, vond ik veel sympathie
voor de nationale onderneming. Burgemeester jhr. J. W. Schorer [7]
is ongemeen warm voor de zaak, en wat vooral veel waard is, hij heeft
er een studie van gemaakt, en is geheel van alles op de hoogte."
Ik ben tot mijn leedwezen niet in staat een verslag te geven van een
dier boeiende bezielende improvisaties van Beynen, en moet mij dus
beperken tot een paar aanhalingen uit het Gids-artikel waarvan hij
gewaagt, en dat hij mij in de pen had gegeven door zijn overtuigend
woord, door zijn heerlijke geestdrift.
Beynen had op verzoek van the Hackluyt Society een nieuwe uitgave
bewerkt van de Engelsche vertaling van het werk, waarin Gerrit
de Veer de drie reizen van Willem Barents in 1594, 1595 en 1596
verhaalt. In deze uitgave deelde hij de nieuwe bijzonderheden mede
door de heeren De Jonge, S. Muller Fzn. en P. A. Tiele ontdekt
betreffende de geschiedenis der Noordoostelijke doorvaart. Hij
had dit werk voltooid in het einde van 1876, en hij was er nog vol
van, toen hij overal in het land het volk opwekte om weder aan de
pooltochten te gaan deelnemen. Mij leende hij de werken van De Veer
en Van Linschoten, en in die oude boeken, welke blijken toonden van
ontelbare keeren gelezen en herlezen te zijn, vond ik de treffendste
plaatsen steeds aangeduid door gedroogde bloemen en bladeren. Een
rozenblad, een viooltje vestigden de aandacht op de roerendste bewijzen
van heldenmoed, van zelfverloochening en volharding door de Arpanjaks
der 16de eeuw gegeven, toen zij die kloeke zeetochten deden, "waar
onzes Vaderlants Stadthouder, ende ghekoren Bescherm-Heer de Prince
van Orangien een soo sonderlinghe welbehaghen in hadde."
Ik wist wie het was, die tusschen de bladeren van dat boek die nu
verwelkte bloemen legde, en hoe zijn hart vol geestdrift klopte voor
"de zeeploegers" en "zeeridders" van Holland's heldentijd. Het was
alsof hij, door met rozen- en violenbladeren aan te duiden wat schoon
en edel was, een voorbeeld wilde geven hoe men in 't groote boek van
't Noorden, dat voor een ieder openligt, de plaatsen aan kon wijzen,
die gewagen van 't kloeke bestaan der Hollandsche zeevaarders,
die om de Noord den weg naar Indiën zochten, en met grooten moed en
volharding gevaarlijke tochten ondernamen, als zij de walvisschen
tot ver in 't ijs najaagden.
Gelijk de verwelkte, verkleurde rozenbladeren in het oude foliant
symbolen waren van onuitsprekelijke bewondering van kloeke daden
en dankbare herinnering aan opwekkende woorden, kunnen eenvoudige
gedenksteenen van duurzaam graniet, in Nova-Zembla, Spitsbergen,
en op Groenlands West- en Oostkust opgericht, symbolen zijn van
Holland's dankbaarheid voor de Arpanjaks, en van de geestdrift,
waarmede het opkomend geslacht de belofte aflegt om te pogen die
vaderen te evenaren. Zulke symbolen verheffen het hart, gelijk alle
ware poëzie dat doet, en ze zouden, meende Beynen, dubbel indrukwekkend
zijn, omdat men ze niet zag, maar enkel wist, dat zij daar hoog in
't Noord in langen winternacht en wilden zeestorm staan. Doch het
plaatsen van die steenen was hem slechts een bijzaak. Wat hem hoofdzaak
was, wordt uitgedrukt in het octrooi dat de Staten van Holland in
Barents' tijd gaven aan hen "die nieuwen Passagiën, Havenen, Landen
oft Plaetsen souden ontdecken." In zulk octrooi wordt steeds gezegd
dat die ontdekkingen moeten gedaan worden: "wij verstaen eerlyck,
dienstelyck ende profytelyck voor dese Landen, ende tot vorderinge
van den welstant van dien, oock tot onderhoudt van het Zeevarende
Volk te wesen."
Beynen haalde uit die oude boeken de gedeelten aan, waarin de
schrijvers, die zelve herhaaldelijk naar het Noorden geweest waren,
mededeelden dat "deze navigatiën" naar onbekende streken zeer in trek
kwamen, "voornamelyck onder deghene die 't haer professie is, nacht
ende dagh te practizeren haer goet ende have door koopmanschappen te
vermeerderen." Deze kenschetsende beschrijving van den oud-Hollandschen
koopman, hield niet in dat zij alleen aan gewin dachten, want Van
Linschoten die haar bezigt, verhaalt, dat toen hij opnieuw een schip
voor het Noorden gereed maakte, "deze toerusting terstont van de
kooplieden t' Amsterdam voorwaer seer mildelycken, ende met grooter
gheneghentheit ende affectie te weghe gebracht worde, alles om 's
Lants eere ende advancement (gheene onkosten ontsiende) te betrachten."
Voor 's "Lants eere ende advancement" en vooral om een leerrijke school
van zeemanschap open te houden voor de marine, sprak Beynen overal
tot aanbeveling van die tochten. Terwijl ik mij poog te herinneren
wat hij dienaangaande soms zeide, woedt sinds twee dagen een geduchte
storm uit het westen, welke den winter uit ons land verdrijft. De
machtige muziek van dezen zeestorm maakt het mij voor het oogenblik
weêr zoo duidelijk wat Beynen wilde en wenschte, want die muziek,
welke wij slechts nu en dan verstaan, liet hem nooit rust of duur!
Treffender dan militaire muziek, opwekkender zelfs dan het Wilhelmus
der vaderen, was voor Beynen de muziek van den zeestorm, als de
Noordwester wild en woest over den oceaan komt aangestormd, en
klagend door den schoorsteen giert, en met een lang gerekte zucht en
onverwachte vlagen uitschiet, en bulderend onze vensters schudt, en
't gansche huis doet dreunen.
Wie weten wil wat heldengeest den jongen zeeridder bezielde, en wat
zijn streven was om 't vaderland te dienen, luistere naar de muziek
van den zeestorm.
Wie denkt niet wel eens aan de mannen, die op zee de golven koen
trotseeren, wanneer de wilde orkaan, die daar zijn oorsprong nam,
met donderende stooten en gebons de muren beven doet van 't huis,
en jammert door de wilgen van ons land?
"'k Zou nu niet graag op zee zijn!" denkt men, en men schuift den stoel
wat dichter aan den haard; "wat hebben die arme zeelui het nu hard!"
Doch als Beynen dan over u zat en 't loeien van den evenachtsstorm
hoorde, dan vernam men andere taal. Ook hij dacht dan aan de zee en hen
die over de diepte varen, doch zijn oog straalde, hij hief het hoofd
op, gelijk het strijdros dat de krijgstrompet hoort steken, en, eer
hij 't geloof ik zelf recht wist, zei hij dan: "O, stond ik nu slechts
op een schoener aan het roer!" Wellicht was hij nog geen week op den
vasten wal als hij dit zeide. Maar hij had de zee lief, hij geloofde
in haar. Terwijl in de winteravonden de stormwind gierde, heb ik van
hem geleerd wat de zee voor Nederland is en vermag. De zee vult aan wat
ons ontbreekt, ze completeert den Hollander en schenkt hem kracht; ze
ontwikkelt de edelste hoedanigheden van ons volk en dringt de fouten
en de zwakheid van het nationaal karakter terug. Zij maakt gebruik
van ons geduld, onze voorzichtigheid en onze kalme onversaagdheid,
doch van waaghalzen maakt ze De Ruyters, en van avonturiers koningen
van Insulinde. Zij dwingt tot waakzaamheid, moed, tegenwoordigheid van
geest en rustelooze voortvarendheid, en zij maakt droomen, aarzelen,
treuzelen tot halsmisdaden; want op straffe van onmiddellijken dood
gebiedt ze in 't oogenblik, wanneer gevaar dreigt, onmiddellijk een
besluit te nemen en steeds bijtijds het roer te wenden.
De zee was steeds onze bondgenoot, ze is de bakermat onzer
vrijheid, en, meer dan boeken vol vermogen, getuigt, ter eer van 't
Hollandsche zeevolk, wat de heer De Jonge in zijn geschiedenis van
het Nederlandsche zeewezen van hen zegt: "En velen boden in den strijd
met Spanje uit eigen beweging hunne schepen aan, want geestdrift voor
de vrijheid woonde vooral bij diegenen, die de zee bevoeren."
Met welk een geestdrift kon de jonge zeeman spreken van dat roemrijk
arbeidsveld onzer groote mannen, van de wilde donkerblauwe golven van
den oceaan, en welk accompagnement van zijn woorden gaf de bulderende
storm uit zee!
Er was voor hem een wondere rythmus, een heerlijke bezieling,
een moedwekkende kracht in de stem der zee, in de muziek van den
storm. Het was hem als hoorde hij in de verte het gedonder van de
kanonnen van Tromp en De Ruyter en den galop van de chargeerende
eskadrons onder ritmeester Bax; hij hoorde het roffelen der trommen
en het juichen der overwinnaars; hij zag doorschoten, tot flarden
gescheurde Oranje-vanen wapperen; hij hoorde 't breken van de golven
tegen 't ijs, waarover Heemskerck de oude sloep deed sleepen, waarin
de stervende Willem Barents lag.
De woeste vlagen van den storm waren hem, wat de hooge muziek der
symphonieën voor velen onzer is: ze wekten hem op, ze maakten hem
vroom en geloovig, ze bezielden hem met den vurigen wensch om zijn
plicht steeds te doen, en door groote, edele, zelfopofferende daden
zijn vaderland te dienen.
Eens dat hij op een avond toen het stormde en hij naar zee verlangde,
bij mij zat, had ik hem een aandoenlijk Engelsch gedicht voorgelezen.
Een moeder, die in de wilde winternacht ontwaakt, doordien de woeste
orkaan de vensters doet rinkinken, meent, met een hart dat bonst van
schrik en angst, onder al de vreemde geluiden van den geweldigen
stormwind de belboei te hooren luiden in de branding van de klip,
waarheen het schip, waarop haar zonen dienen, in het duister wordt
gejaagd door den orkaan. Ze strekt de handen uit, die ze niet op het
aangezicht harer slapende jongens kan gaan leggen, gelijk ze weleer
deed wanneer angstige droomen haar martelden. Ze strekt ze omhoog,
en smeekt haar God om hulp en troost, terwijl de stormwind loeit en
het huis doet schudden.
"Ik geloof in het instinct der moeder, die de handen omhoog
strekt!" riep Beynen uit, "maar God helpt hen slechts die zich zelven
helpen. Als wij naar het Noorden trekken, dan denken wij aan al die
treurende moeders en vrouwen, en aan de duizende slachtoffers der
zee, en we pogen te ontdekken van waar die onzichtbare wind komt,
en hoe men voortaan zijn loop van te voren zou kunnen berekenen. We
weten, dat hij onze luchten zuivert, en dat zijn grootst gevaar in het
onbekende van zijn loop en 't onverwachte van zijn nadering ligt; maar
wat we weten is zoo weinig, en wat we gissen is zoo vol belang. Van
waar die sterke luchtstroomen, die ons laven, die tusschen Pool en
Equator het evenwicht bewaart in de atmosfeer, die koude drooge lucht
aan de warme streken brengt, welke warme, met vocht en damp beladen
stroomen daarvoor terug geven? We weten 't niet, maar als van zelf
richt naar de ijszee zich het oog. Wij, voor wie zooveel is gelegen aan
de kennis van het weêr, worden steeds aangetrokken door het Noorden,
waar het geheim van den oorsprong dezer winden wordt bewaard.
"Alle beschaafde volken zenden tegenwoordig schepen naar het Noorden,
omdat het voor de wetenschap zoo bijzonder veel waarde heeft. Wij
willen, om de kennis der natuurvorschers te dienen, een deel van het
gevaar, een deel der moeite op ons nemen, om stelselmatig en geduldig
al de noodige gegevens te verzamelen in het Noorden. Wij willen mede
een van die vele waarnemingsstations oprichten, wier onwaardeerbaar nut
professor Buys Ballot het eerst en dat sints lang heeft aangetoond,
en waar in 't Noorden en in 't Zuiden gelijktijdig de verschijnselen
zullen waargenomen worden, die ons de theorie der winden en de wetten
van de orkanen eens verklaren."
Deze woorden, onder den invloed van Beynen destijds door mij
geschreven, duiden slechts een deel aan van de gronden waarom hij in
de ijsvaart geloofde. Onder den indruk van hetgeen hij sprak, schreef
ik in den tijd dat hij het land doortrok het volgende, dat slechts
een echo was van zijne woorden. Want ofschoon hij van harte geloofde
in het wetenschappelijk nut der tochten en hetgeen zij vermochten
voor den handel, was bij hem hun nut voor de marine, en hun invloed
tot verlevendiging van het nationaal bewustzijn steeds het voornaamste.
Hij had steeds het oog gevestigd op de toekomst, op de jeugd, welke
hij dezen weg hoopte te wijzen tot nieuwe krachtsontwikkeling voor ons
volk. Hij wilde de zeemacht herinneren aan het veld waar ze weleer
kracht vergaarde, en tevens helpen tot verheffing van ons nationaal
bewustzijn, tot het verkrijgen van zelfvertrouwen.
Hij had opgemerkt dat dit zelfvertrouwen onmiskenbaar in de laatste
jaren zeer geschokt was door het ontzaglijk machtsvertoon van
een naburig volk, dat zijn verspreide leden tot een groot, al is
't ook nog wat topzwaar lichaam heeft vereenigd. Groot is steeds de
indruk dien de meester van zoovele legioenen maakt; maar toch moet
dezen indruk steeds krachtig bestreden worden, wanneer hij aan het
zelfvertrouwen van ons volk afbreuk doet.
Geen beter middel is er om te strijden tegen het benauwd gevoel, dat
hooge sombere bergen op den dalbewoner maken, dan moedig klimmen. Geen
beter middel is er om ontzenuwend, verlammend opzien naar een reus te
overwinnen, dan door te toonen dat het moedig hart in menig opzicht ook
den kleinste tot den evenknie der reuzen maakt. Naar het Noorden dus,
o zeelui, die den roem en trots en kracht zijt van uw volk! Toont
u weer ridders van de zee, gij zijt t'huis op wilde wateren, waar
niets door ruwe kracht gedaan wordt, maar hij de zege wint, die met
volharding, zelfverloochening, kunde en moed, zich wijdt aan eene taak,
die hij bemint, en met beleid de roerpen weet te houden.
De tijd van zelfverwijt, van schimpen, mokken en doof makend klagen
is voorbij. We hebben nu een nieuwe hoop; 't verjongde Holland wil
vooruit. Naar zee dus, naar het Noorden!
Al gaven deze tochten niets voor de wetenschap, dan blijft ons altijd
nog de goede ouderwetsche drijfkracht over van heidensche Germanen
en Romeinen, om het land te eeren dat ze beminden om den wille van
't verleden, en om hetgeen zij hoopten dat het worden zou.
Wanneer ik naga wat ons dierbaar vaderland bezit en welke kracht het
eenigszins ontbreekt, dan maakt zich de overtuiging van mij meester,
dat deze laatste drijfveer ons in dit geval het onweerstaanbaarst nopen
moet om de tochten naar het Noorden te hervatten, en de Barentsen en
Beynens te eeren door hen na te volgen.
Wij Hollands kinderen, saamgebracht en nauw vereend door een band,
dien ieder liefheeft, die zijn kracht begrijpt, wij hebben het woord
verstaan des dichters die ons toeriep:
"Mijn volk gedenk
Den heiligen wenk
Van al wat u omringt, blijf trouw aan uw verleden."
En slechts een enkele blik in dat verleden toont ons steeds dat de
IJszee den "zee-ridders" en "zee-ploegers" onzer gouden eeuw een school
was, waarin ze zeemanschap, kalme doodsverachting, onzelfzuchtigen
ijver voor 's lands eer, en mannelijke ondernemingszucht verkregen,
de deugden en de krachten, in één woord, die Nederland maakten wat
het was.
"Doordien de tochten naar het Noorden nieuwe liefde geven om ter zee
te gaan en tevens ondernemingszucht bevorderen, zou de commissie
van enquête die den toestand onzer handelsvloot heeft onderzocht,
zeer zeker deze tochten aanbevelen. Wat zegt ze toch aangaande de
behoefte aan nieuwe krachtsinspanning?
"De noodzakelijkheid eener krachtsinspanning, die geen moeite ontziet,
om het verlorene in te halen, treedt sterker dan eenige andere zaak
op den voorgrond. Alles hangt hierin nu af van den ernstigen wil,
den helderen blik, den schat van kennis, de kracht van handelen,
waarmede het Nederlandsche volk zijne belangen weet voor te staan!"
Zonder dat verlangen "om het verlorene in te halen," zonder
die bereidwilligheid om de rust en het gemakkelijk bezit van 't
oogenblik op te offeren voor toekomstige voordeelen en toenemende
ontwikkeling,--en dit toch is wat men onder ondernemingsgeest
verstaat--blijft een volk in vadsige werkeloosheid achtergelaten in den
kamploop der volken. We moeten vooruit zoo we niet achteruit willen.
"Vivez et regardez, et marchez aux montagnes!
Car tout peuple, amolli dans ses grasses campagnes,
Oisif près de l'engin chargé de le nourrir,
Tout peuple satisfait est bien près de mourir!"
Wij willen daarom niet voldaan zijn met wat we hebben en een heilige
ontevredenheid steeds voeden, die ieder prikkelt om vooruit te gaan.
De belooning blijft niet uit voor het volk van edelen stam, dat trouw
is aan zijn devies, en dat niet versaagt. Het wint daardoor een nieuw
of het behoudt een oud prestige, dat niet alleen van anderen achting
vergt, maar dat vooral de natie zelve steunt. Zoolang de menschen
niet tot automaten zijn vernederd, tot kunstige werktuigen enkel door
verstand gedreven, zal wat het hart en de verbeelding treft steeds
wonderkracht ontwikkelen. Het prestige van een volk is een gevolg van
het vertrouwen der natie in zich zelf, en van het geloof der andere
volken in haar kracht, en waar de vlag, 't symbool der eer, prestige
heeft verloren, daar is de kracht van hen, die onder hare schaduw
strijden, verlamd, en is de kracht des vijands als verdubbeld. Niets
is zoo doodelijk voor een volk als wantrouwen in zichzelf en in
zijn leiders. Dat wantrouwen kan door tucht, door geestdrift, door
de geboorte van een nieuwe hoop, door geloof in een groot beginsel
verdreven worden, en dan ontstaat weer die eerbied voor zichzelven,
welke de onontbeerlijke voorwaarde is van den eerbied dien anderen
voor ons gevoelen.
In ons volk leven overal machtige elementen van kracht en ontwikkeling,
die zullen ontluiken en bloesemen, als na iedere welgeslaagde daad
van mannelijke ondernemingszucht en van geloof in de toekomst het
veerkrachtig zelfvertrouwen en het fier gevoel van eigenwaarde
herleven.
Wij willen ons dus weer voeden met het vast vertrouwen in de
wonderkracht van zelfbestaan, met de geestdrift voor de vrijheid,
en dien vaderlandschen trots, die ongetwijfeld innerlijke kracht
moet hebben, want zonder hem zouden des werelds wetten en gebruiken,
en der volken kunst en letterkunde eentonig zijn en zonder smaak.
Die vaderlandsche trots, die ijdelheid, dat zelfbedrog of hoe men
't noemen wil, heft steeds de hoofden op van hen, die treurig en
mismoedig de wereld vlak, vervelend en onduldbaar achten.
Nebucadnezar's vloek treft nog in onzen tijd, na lange jaren van
ontzenuwenden voorspoed en slappe rust, de menschen; ze maakt hen
onverschillig, dooft hun ziel en drijft hen, om zich als het vee van
't veld, met de oogen vast en onbewegelijk naar de aarde gericht,
alleen met gras te voeden.
Die vloek, die zware, doffe last is van ons afgenomen; gebogen hoofden
richten zich omhoog, het oog zoekt weer 't verschiet, en 't harte klopt
voor hooger doel dan voor de vrucht der aarde. We voelen ons verlicht,
eene nieuwe hoop is ons geboren, en van IJmuiden's havenhoofd richt
ieder 't oog naar verre kusten, naar 't Noord en 't West. Wanneer
de zoute zeewind over wilde golven aangespoed, het dundoek wapperen
doet van Neêrland's oude vlag in Holland's nieuwe haven, dan juichen
wij met geestdrift weêr:
"Naar zee, naar zee het oog gekeerd!
Al wat er grootsch was in 't Verleden,
Al wat gij grootsch hoopt van het Heden,
Zij daar geleerd, vereerd, verweerd!--
Weer blink' dat blad in 's lands Historie
Van vrijheid, geestkracht, welvaart, glorie!"
En als ons volk dat doet, dan kan 't niet missen of 't herwint zijn
mannelijk zelfvertrouwen.